Hunnenweg VII_Toelichting_Bijlage 2 Ecologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Toetsing natuurwetgeving De nieuwe Veluwe
Toetsing natuurwetgeving De nieuwe Veluwe
Opdrachtgever De Nieuwe Veluwe
Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor T ( 0547) 26 35 15 F ( 0547) 26 33 15 E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: P8849 Datum: 7-1-2019 Projectleider: Maaike Leenen Opgesteld: Vincent de Lenne Gecontroleerd: Maaike Leenen Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen.
INHOUD
1
INLEIDING ........................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding ............................................................................................................ 5
2
HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 6
2.1 2.2
Huidige situatie .................................................................................................... 6 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 9
3
NATUURWETGEVING ...................................................................................... 11
3.1 3.2 3.3 3.4
Bescherming van soorten .................................................................................. 11 Bescherming van Natura 2000-gebieden .......................................................... 13 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 13 Bescherming houtopstanden ............................................................................. 14
4
METHODE ......................................................................................................... 16
4.1 4.2
Bureauonderzoek............................................................................................... 16 Terreinbezoek .................................................................................................... 17
5
BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 20
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Planten ............................................................................................................... 20 Zoogdieren ......................................................................................................... 21 Vogels ................................................................................................................ 27 Amfibieën en reptielen ....................................................................................... 29 Vissen ................................................................................................................ 30 Beschermde soorten ongewervelden ................................................................ 30
6
BESCHERMDE GEBIEDEN – NATURA 2000 ................................................. 31
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Natura 2000-gebieden ....................................................................................... 31 Instandhoudingsdoelen Veluwe ......................................................................... 32 Habitats en habitatsoorten ................................................................................. 36 Effecten .............................................................................................................. 42 Conclusies ......................................................................................................... 46
7
BESCHERMDE GEBIEDEN – NNN.................................................................. 47
7.1 7.2 7.3
Inleiding .............................................................................................................. 47 Natuurdoelen en –kwaliteit ................................................................................ 49 Beschrijving en toetsing wezenlijke kenmerken en waarden ............................ 52
8
CONCLUSIE EN VERVOLG ............................................................................. 59
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
Natura 2000-gebied ........................................................................................... 59 EHS-gebied ........................................................................................................ 59 Beschermde soorten .......................................................................................... 59 Rekening houden met vogels ............................................................................ 60 Ontheffing vleermuizen ...................................................................................... 60
8.6
Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 60
LITERATUURLIJST .......................................................................................................... 62 BIJLAGE 1 SOORTKAARTEN ........................................................................................ 64 BIJLAGE 2 AERIUS BEREKENING ................................................................................ 65
Afbeelding 1. Ligging en begrenzing plangebied
4
Toetsing natuurwetgeving
[Status]
1 1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer heeft 47 hectare grond gekocht waar een landgoed gerealiseerd wordt. De ontwikkelingen die hiermee samenhangen betreffen onder andere het realiseren van een natuurwoning, het saneren van een bestaand erf (schuren met asbest en saneren van een vuilstort) en het realiseren van een vervangende woning met bijgebouw, het verwijderen van de bestaande asfaltweg, het omvormen van landbouwgrond naar natuur en het kwalitatief verbeteren van bestaande natuur. In verband met deze ontwikkelingen is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. In verband met deze ontwikkeling heeft een uitgebreid natuuronderzoek plaatsgevonden. Er is een bureauonderzoek en een gericht veldonderzoek naar reptielen, das, boommarter, vleermuizen, vliegend hert, zwarte specht, wespendief en wild zwijn uitgevoerd. In deze rapportage zijn de bevindingen van dit veldonderzoek weergegeven. Op basis daarvan zijn uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen plannen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen.
De nieuwe Veluwe
5
2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1
Huidige situatie
Het plangebied bestaat grotendeels uit naaldbos. Dit betreft voornamelijk douglas, fijnspar en verschillende dennensoorten die als productiehout zijn aangeplant. Aan de zuidoostkant van het plangebied is een ouder loofbosperceel aanwezig met voornamelijk beuken en zomereiken, waaronder enkele oude en forse exemplaren. Door het plangebied lopen veel paden die veelal worden begeleid door lanen van beuken, Amerikaanse eiken en zomereiken. Behalve bos is er een goed ontwikkeld heideterrein aanwezig van circa 5,5 ha. Ook is er ruim 3,6 ha landbouwgrond aanwezig die bestaat uit een extensief grasland dat wordt begraasd door vee. Het terrein wordt doorsneden door een asfaltweg. Deze weg is in het verleden vermoedelijk aangelegd in opdracht van de Nederlandsche bank en diende als oprijlaan van hun landgoed met conferentie-en vakantieoord “De Pauwenhof”. Op het terrein bevindt zich een oude woning, die bewoond wordt. De bijbehorende schuren zijn inmiddels gesloopt. Het voormalige gebruik van de schuren was een teckelkennel met zo’n 100/150 honden. Met grote groepen honden is dagelijks gewandeld over de heide en door de bossen van het terrein. Hiervan getuigen nog de brede paden die aanwezig zijn over de heide en door het bos. De bewoonster heeft in het verleden Japanse duizendknoop in haar tuin geplant, die is gaan woekeren.
Naast Japanse duizendknoop, komt ook Amerikaanse vogelkers veelvuldig op het terrein voor. De volgende foto’s geven een impressie van het plangebied en de directe omgeving.
6
Toetsing natuurwetgeving
De nieuwe Veluwe
7
Afbeelding 2: Enkele foto’s van het plangebied
8
Toetsing natuurwetgeving
2.2
Voorgenomen ontwikkeling
De initiatiefnemer wil op 47 hectare grond een landgoed realiseren. Het landgoed wordt gedeeltelijk opengesteld. De volgende ontwikkelingen vinden plaats:
Het realiseren van een natuurwoning ter hoogte van het heideveld bij de te sneren asfaltweg. De wens is om geheel “zelfvoorzienend” te zijn. Om dit te bereiken wordt de woning voorzien van de modernste technieken op het gebied van o.a. waterhuishouding en energievoorziening. Het saneren van een kleine houten zomerwoning (75 m2) met een bijbehorend schuurtje aan de noordwestzijde van het plangebied, hier zal natuur gerealiseerd worden. Het afbreken van de bestaande woning en het realiseren van een tweede natuurwoning op de locatie van de huidige woning. Hier zullen tevens zonnepanelen gerealiseerd worden. Het verwijderen van de asfaltweg van circa 1 km lengte en de bijbehorende toegangshekken. Na het verwijderen van de weg krijgt de natuur de kans om zich op dit tracé te ontwikkelen. Het omvormen van de 3,6 hectare aanwezige landbouwgrond naar natuur, zodat er meer “eenheid” ontstaat en er natuurdoelen van de provincie gerealiseerd worden. Daarnaast worden de aanwezige natuurkwaliteiten door de omvorming versterkt. Het creëren van een geleidelijke overgang tussen het bestaande bos en het bestaande heideterrein met bovengenoemd doel. Bestrijden Japanse duizendknoop en Amerikaanse vogelkers. Aan de zuidzijde van de Hunnenweg wordt de natuur hersteld van wat eerder een opslagplaats van puin en afval is geweest. Afbeelding 3 geeft deze ontwikkeling weer.
Hier wordt kruidenrijk grasland ontwikkeld en worden de grafheuvels weer zichtbaar gemaakt.
Daarnaast is reeds een aantal werkzaamheden t.b.v. de voorgenomen ontwikkeling uitgevoerd.
Een bosperceel met Amerikaanse eiken wordt omgevormd naar heide en loofbos. Hiervoor zijn 43 Amerikaanse eiken gekapt. 500 meter van de asfaltweg is verwijderd en omgevormd naar een zandpad. Schuren op de bestaande woonkavel zijn gesloopt. De aanwezige vuilstort is gesaneerd. Een klein gedeelte Japanse duizendknoop is verwijderd.
De nieuwe Veluwe
9
Afbeelding 3: Toekomstige situatie van extra aangekochte kavel
10
Toetsing natuurwetgeving
3 3 NATUURWETGEVING Vanaf 1 januari 2017 bestaat de Nederlandse natuurwetgeving uit de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid is geheel bij de betreffende provincie, waarin de activiteit zich plaatsvindt komen te liggen. De Wet natuurbescherming bestaat uit 3 onderdelen: de bescherming van Natura 2000gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast de natuurwetgeving bestaat de omgevingsvisie, waarbij de kern wordt gevormd door het Natuur Netwerk Nederland, afgekort de NNN. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de wetgeving en het natuurbeleid.
3.1
Bescherming van soorten
De bescherming van soorten is verdeeld in drie categorieën: soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn en overige soorten. Wettelijk zijn enkele uitzonderingen opgesteld, waarvoor geen ontheffing nodig is: Handelingen volgens instandhoudingsmaatregelen of passende maatregel door provincie; Handelingen volgens een beheerplan of ander plan of programma of een programma per AMvB; Mits dat beheerplan, plan of programma voldoet aan de ontheffingsgronden; en het betreffende bestuursorgaan tevens bevoegd is om vrijstelling of ontheffing te verlenen of daarmee instemt; Ter voorkoming van schade (hele land of per provincie); Ter voorkoming van overlast (hele land of per provincie); Ter beperking van de populatie; Ter bestrijding van invasieve soorten; Voor de jacht, zoals wilde eend houtduif, haas en konijn. Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De beschermde status van de overige soorten verschilt per provincie. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Soorten van de Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 Vogelrichtlijn.
De nieuwe Veluwe
11
Handelingen die de wet verbiedt zijn: opzettelijk doden of vangen; opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen e.d.; eieren onder zich te hebben; opzettelijk te storen, tenzij dit geen wezenlijke invloed heeft; vogels dood of levend, of herkenbare delen daarvan te verkopen, vervoeren of aanwezig te hebben voor verkoop. Uitgezonderd zijn de soorten die door de AMvB zijn aangewezen. Hieronder vallen onder andere de Canadese gans en de Houtduif. Onder bepaalde voorwaarden mogen deze handelingen wel uitgevoerd worden. U heeft dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen opgesteld via de provinciale verordening of ministeriële regeling. Een ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. Een ontheffing kan verkregen worden als er geen andere bevredigende oplossing is en als het nodig is in verband met de volksgezondheid, openbare veiligheid, luchtverkeer, schade aan gewassen en dergelijk, bescherming van flora en fauna, onderzoek of onderwijs, herinvoering van soorten, vangen van bepaalde kleine hoeveelheden en geen verslechtering van de staat van instandhouding. Soorten van de Habitatrichtlijn Soorten die staan in het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. De soorten staan in bijlage 1.
Handelingen die de wet verbiedt zijn: opzettelijk te doden of te vangen; opzettelijk te verstoren; opzettelijk eieren te vernielen of te rapen; voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen; opzettelijk te plukken of te verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen; anders dan voor verkoop, onder zich te hebben of te uitvoeren. Er zijn vrijstellingen opgesteld via de provinciale verordening of ministeriële regeling. Een ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. Een ontheffing kan verkregen worden ter bescherming van flora- en fauna, voorkoming “ernstige schade” aan gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendommen, in belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van wezenlijk gunstige effecten voor het milieu. Daarnaast zijn de wettelijke uitzonderingen van toepassing. Overige soorten Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Voor de lijst van de overige beschermde soorten zie bijlage 1. Onder dit beschermingsregime is het verboden om: Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen; Vaatplanten opzettelijk te plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen.
Voor deze soorten gelden dezelfde vrijstellingsgronden als bij de soorten van de Habitatrichtlijn en zijn er een groot aantal overige uitzonderingsgronden. Voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het algemeen belang is er een vrijstelling.
12
Toetsing natuurwetgeving
Zorgplicht De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. De mens moet daar zorgvuldig mee omgaan. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat iedereen naar redelijkheid nadelige effecten: moet voorkomen; moet beperken; ongedaan moet maken. Gevolgen plangebied Binnen het plangebied komen verschillende beschermde soorten voor, in hoofdstuk 5 wordt hier verder op ingegaan.
3.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
In Nederland zijn verscheidene natuurgebieden die een beschermde status hebben als Natura 20000-gebied. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt binnen het Natura 2000-gebied Veluwe. In hoofdstuk 6 wordt hier verder op ingegaan.
3.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN denkbaar zijn, is het raadzaam (en in sommige gevallen noodzakelijk) een NNN-toetsing uit te voeren.
De nieuwe Veluwe
13
Gevolgen plangebied Het plangebied ligt deels in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en in de Groene ontwikkelzone (GO) zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van Gelderland. In hoofdstuk 7 wordt hier verder op ingegaan.
3.4
Bescherming houtopstanden
De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom (ihkv Boswet) indien kap plaatsvindt in een houtopstand van 10 are of meer of een bomenrij van 20 bomen. Er geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht. Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de wet natuurbescherming. Onder bos wordt verstaan: bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Indien een bos wordt gekapt, dient een melding te worden gedaan bij de betreffende provincie. Dit geldt ook voor het bij rooien en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen.
U hoeft de voorgenomen kap van een houtopstand niet te melden als het gaat om: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande; 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
14
Toetsing natuurwetgeving
2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. i. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; j. het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; k. het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode; De provincie kan u een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moet u meestal ook nieuwe bomen aanplanten. De provincie kan u hiervan ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Misschien heeft u ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet u apart van elkaar doen. Voorwaarden Als u bossen mag kappen, dan moet u meestal dezelfde grond herbeplanten. Dit doet u: op een bosbouwkundige manier; binnen 3 jaar na het kappen van het bos; volgens de regels van de provinciale verordening (als de provincie die hiervoor heeft opgesteld).
De provincie kan een verordening hebben opgesteld voor: de gegevens die u bij de melding verstrekt; de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan; de wijze waarop de melding wordt gedaan; de situatie waarin u een bos niet mag kappen; de voorwaarden voor een herplantplicht, de vrijstelling en ontheffing daarvan. Gevolgen plangebied Er zullen in het plangebied mogelijk nog enkele bomen gekapt worden, het gaat echter om een beperkt aantal bomen die buiten de bescherming van houtopstanden vallen, een nadere toetsing of herplantplicht is niet noodzakelijk. De te kappen bomen vallen onder dunnen van houtopstanden.
De nieuwe Veluwe
15
4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en twee verkennende veldbezoeken.
4.1
Bureauonderzoek
Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en (indien beschikbaar) regionale verspreidingsinformatie. Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer). De soortgegevens hebben daarom veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. Daarnaast is gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren. Het is de meest complete natuurdatabank van Nederland door een bundeling van meer dan 100 verschillende databanken. De databank bevat uitsluitend gevalideerde gegevens, gevalideerd door de (voormalige) Gegevensautoriteit Natuur (GAN). De NDFF is gevuld met gegevens uit databanken van verschillende organisaties die deze gegevens op professionele wijze verzamelen (zoals SOVON Vogelonderzoek Nederland, de Zoogdiervereniging en De Vlinderstichting). Ook de gegevens van verschillende gemeenten, waterschappen, provincies en terrein beherende organisaties zijn toegevoegd.
De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen die via de invoerportalen binnenkomen. Voor het berekenen van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator. Vanaf medio 2015 is dit het verplichte rekenprogramma waarmee stikstofdeposities en hun effect op stikstofgevoelige habitats in beeld kunnen worden gebracht. Het is het rekeninstrument van de Programmatische Aanpak Stikstof. Op basis van deze calculatie kan bepaald worden of er een vergunning nodig is in het kader van vermesting en verzuring uit de lucht. De Calculator laat ook zien hoe groot de effecten op de stikstofgevoelige habitats zijn. Door het invoeren van een aantal kenmerken van het project, zoals de ruimtelijke ligging, de soort activiteit en de hoogte waarop de stikstof uitgestoten wordt, wordt de emissie berekend. AERIUS bevat alle basisgegevens die nodig zijn voor de berekeningen, bijvoorbeeld de windrichting en -kracht, de ruwheid van het terrein en de hoogte van de vegetatie. De berekening gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en
16
Toetsing natuurwetgeving
stikstofoxide (NOx) of beide. De berekening is uitgegaan van de gegevens bekend uit het jaar 2016.
4.2
Terreinbezoek
Verkennend veldbezoek 2016 Op basis van twee veldbezoeken is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. De veldbezoeken zijn overdag door Vincent de Lenne uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude. Dit betrof op 4 juli 2016 en 5 augustus 2016, beide bij goede weersomstandigheden (zonnig weer en weinig wind). Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopen onderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd. Daarnaast hebben verschillende veldbezoeken door de eigenaar, in de periode tussen eind december 2014 tot heden waardevolle informatie opgeleverd met betrekking tot de aanwezige flora en fauna op het terrein. Ook heeft de initiatiefnemer wildcamera’s geplaatst waarmee onder andere de aanwezigheid van een boommarter is vastgelegd. Ook is er op deze wijze een relatief goed beeld ontstaan van het aantal dassen op het terrein. Gericht veldonderzoek 2018 Aanvullend op deze veldbezoeken is in 2018 een aanvullend nader onderzoek uitgevoerd naar reptielen, das, boommarter, eekhoorn, vleermuizen, vliegend hert, zwarte specht en wespendief, edelhert en wild zwijn. Onderstaand wordt de methode van de aanvullende veldbezoeken toegelicht. 4.2.1 Reptielen Binnen het terrein komen levendbarende hagedis en hazelworm voor.
Het voorkomen en leefgebied van deze reptielen wordt is in kaart gebracht doormiddel van de plaatjesmethode. Hierbij zijn bitumen plaatjes neergelegd waaronder de dieren zich kunnen schuilhouden. In totaal zijn 6 raaien van 10 plaatjes geplaatst in het plangebied. De plaatjes zijn medio mei 2018 geplaatst waarna ze gedurende 2 maanden 4 keer gecontroleerd zijn. 4.2.2 Zwarte specht en wespendief Het onderzoek heeft zicht gericht op de aanwezigheid van wespendief en zwarte specht en een inschatting van de functie van het plangebied als leefgebied en biotoop voor beide soorten. Er zijn 3 gerichte veldbezoeken uitgevoerd in de periode half mei/half juli 2018.
Veldronde 1 (half mei) gericht op territoriaal gedrag en zoeken nestbomen wespendief en zwarte specht. Veldronde 2 (eind mei/half juni) gericht op territoriaal gedrag en controle of nestbomen bezet zijn. Tevens is op basis van zicht waarnemingen het habitatgebruik ingeschat.
De nieuwe Veluwe
17
Veldronde 3 (eind juni/begin juli) gericht op territoriaal gedrag en controle of horsten bezet zijn. Tevens is op basis van zicht waarnemingen het habitatgebruik ingeschat.
Tijdens deze zijn ook overige schaarse broedvogels gekarteerd, waardoor een goed beeld van de kwaliteit van het gebied is verkregen. 4.2.3 Vleermuizen De inventarisatie van vleermuizen heeft zich met name gericht op het vaststellen van verblijfplaatsen in de te slopen woning. Daarnaast is het overige gebied geïnventariseerd op het voorkomen van vleermuizen en het habitatgebruik binnen het plangebied. Bij de uitvoering van het onderzoek is gewerkt conform het vigerende ‘Vleermuisprotocol 2017’ dat door het bevoegd gezag is goedgekeurd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Eelerwoude is aangesloten).
2 x avond/ochtendbezoek kraamperiode (15 mei - 15 juli). 2 x avondbezoeken balts/paarperiode (15 augustus – 15 september).
Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van batdetectoren (Petterson D240x en D100). Indien noodzakelijk voor determinatie worden vleermuiswaarnemingen getapet en geanalyseerd in speciaal hiervoor ontworpen software (Batsounds). Het veldwerk is in de avonduren uitgevoerd en heeft zich geconcentreerd op uitvliegende vleermuizen in de te slopen woning. Tijdens dit onderzoek is tevens gelet op andere nachtactieve soorten als boommarter en das. Het veldwerk bestaat uit twee veldbezoeken in de periode half mei tot half juli 2018 gericht op kraamkolonies van vleermuizen en twee veldbezoeken in de periode van half augustus tot half september 2018 in de baltsperiode van vleermuizen. 4.2.4 Vliegend hert Voor vliegend hert zijn twee veldbezoeken afgelegd in juni en juli. Tijdens deze bezoeken is naar volwassen exemplaren gezocht op geschikte eiken. Tevens zijn dode boomstronken en bomen gecheckt op uitkruipgaten en larven. 4.2.5 Boommarter en das en overige beschermde soorten Het veldwerk naar boommarter, eekhoorn en overige (beschermde) soorten (zoals das) edelhert en wild zwijn is tijdens en voorafgaand aan het onderzoek naar vleermuizen, reptielen en vogels uitgevoerd. Het gaat met name om holten- en sporenonderzoek, tevens zijn aanvullend een aantal cameravallen geplaatst.
18
Toetsing natuurwetgeving
Kader – ecologisch deskundige Bron: RVO / Ministerie van Economische Zaken Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of
-
op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of – bescherming.
Datum
Type onderzoek
24 mei 2018
Broedvogels, reptielen, das en vliegend hert
30 mei 2018
Reptielen en vliegend hert
30 mei 2018
Kraamonderzoek Vleermuizen, das en boommarter
6 juni 2018
Broedvogels, reptielen, das en vliegend hert
2 juli 2018
Reptielen en vliegend hert
2 juli 2018
Kraamonderzoek vleermuizen
2 augustus 2018
Reptielen, das en broedvogels
4 september 2018
Baltsonderzoek vleermuizen
27 september 2018
Baltsonderzoek vleermuizen
Start – eindtijd
Veldmedewerker
Weersomstandigheden
Vincent de Lenne en Bert Haamberg
21 °C, droog, bewolkt, windkracht 1 Bft
18:30:– 21:00 uur
Vincent de Lenne
22 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft
21:0000:30 uur
Vincent de Lenne
20 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft
Vincent de Lenne en Marleen Hoofd
25 °C, droog, onbewolkt, windkracht 1 Bft
Vincent de Lenne
21 °C, droog, onbewolkt, windkracht 2 Bft
21:0000:30 uur
Vincent de Lenne
18 °C, droog, onbewolkt, windkracht 2 Bft
08:0012:00 uur
Vincent de Lenne
25 °C, droog, onbewolkt, windkracht 2 Bft
19:3023:30 uur
Vincent de Lenne
21 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft
Vincent de Lenne
15 °C, droog, onbewolkt, windkracht 1 Bft
08:3015:00 uur
08:3012:30 uur 18:30:– 21::00 uur
19:3023:45 uur
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, uitgevoerde onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.
De nieuwe Veluwe
19
5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit literatuur en andere informatiebronnen. Tevens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. In bijlage 1 zijn de soortkaarten opgenomen.
5.1
Planten
Voorkomen en functie Het plangebied bestaat grotendeels uit bos met algemene soorten als bosbes, adelaarsvaren, vingerhoedskruid, rankende helmbloem en zwarte toorts. Rond het heideveld zijn plaatselijk soorten als akkerviooltje, stekelbrem en akker-vergeet-mij nietje aangetroffen. Het open heideterrein heeft botanisch gezien de meeste waarde. Een deel van dit terrein is recentelijk geplagd, wat de structuur ten goede is gekomen. Binnen de Wet natuurbescherming is slechts een beperkt aantal florasoorten beschermd (alleen zeer zeldzame soorten met zeer specifieke groeiplaatsen in Nederland). Stekende wolfsklauw is bekend uit een bosperceel net buiten het plangebied (NDFF). Deze soort is niet aangetroffen in het plangebied en wordt hier ook niet verwacht, gezien de droge omstandigheden. Overige beschermde soorten worden gezien het huidige verspreidingsgebied, biotoop en bekende groeiplaatsen niet verwacht in het plangebied. Effecten en ontheffing Binnen het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, deze worden ook niet verwacht in het plangebied. Negatieve effecten op beschermde flora worden niet verwacht. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde flora niet noodzakelijk. Het is een aanbeveling om het heideterrein zoveel mogelijk vrij te houden van opslag van dennen en eventueel een aantal vliegdennen te kappen.
Dit zal de heide ten goede komen.
20
Toetsing natuurwetgeving
5.2
Zoogdieren
5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie Het vleermuisonderzoek heeft zich met name gericht op de te slopen woning, na uit/invliegtijdstip is echter ook de rest van het gebied onderzocht op soortensamenstelling en aantallen. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied 4 soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis Hieronder wordt per soort ingegaan op hoe zij het gebied gebruiken, daarnaast zijn deze waarnemingen in de bijlagen op kaart weergegeven. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot half open landschap. Het plangebied wordt gebruikt door een kleine aantal foeragerende gewone dwergvleermuizen 10-15 exemplaren.
De waarnemingen concentreren zich voornamelijk in de meer open gebieden rond het heideterrein en weiland en rond de woning. De dichtere bosgebieden worden gemeden. Vliegroutes zijn niet aangetroffen, het gehele plangebied is zo besloten dat vrijwel overal diffuus langs gevlogen wordt zonder een duidelijke vliegroute te gebruiken. Tijdens het kraamonderzoek is in de te slopen woning een verblijfplaats aangetroffen van 5 gewone dwergvleermuizen. De dwergvleermuizen hebben een verblijfplaats onder het dak en vliegen daarbij aan de kopse kant onder de gevelpannen uit. Tijdens beide bezoeken in de kraamperiode zijn de aanwezige dwergvleermuizen uitvliegend aangetroffen. In de baltsperiode is tevens een baltsende gewone dwergvleermuis aangetroffen, deze is ook aantikkend bij de woning waargenomen. Uitvliegers zijn echter niet meer aangetroffen tijdens de twee baltsronden. De ruimte onder het dak is niet vorstvrij, gezien de waarnemingen wordt de woning waarschijnlijk alleen als zomerverblijfplaats en baltsverblijfplaats in het najaar gebruikt. Laatvlieger De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor (al laat de soort wel een dalende trend zien). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor.
Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. De laatvlieger
De nieuwe Veluwe
21
jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Tijdens beide bezoeken in de kraamperiode zijn 3 laatvliegers aangetroffen die voornamelijk foeragerend boven het heideveld zijn aangetroffen. Tijdens de bezoeken in de baltsperiode zijn geen laatvliegers meer aangetroffen, mogelijk zijn ze in het najaar verhuisd naar een andere locatie. Vliegroutes van laatvlieger zijn niet aangetroffen. Uit de woning zijn tijdens beide bezoeken in de kraamperiode 3 uitvliegende laatvliegers aangetroffen. In de paar/baltsperiode zijn geen laatvliegers meer waargenomen, mogelijk wordt de locaties alleen als zomerverblijfplaats gebruikt, en gebruiken de laatvliegers in het najaar en de winter andere plekken als verblijfplaats. Rosse vleermuis Rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt.
De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting. Tijdens de veldbezoeken is slechts een enkele foeragerende rosse vleermuis boven het heideveld aangetroffen. Ook is een enkele keer een hoog overvliegende rosse vleermuis aangetroffen. In het najaar is in het oude beuken perceel een roepend mannetje vanuit een boomholte aangetroffen. Deze boomholte wordt als paar/baltsverblijfplaats gebruikt. Mogelijk overwinteren hier ook rosse vleermuizen. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis is een middelgrote vleermuis met opvallend lange oren. De soort komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in vogelnest- en vleermuiskasten. Ze vormen meestal groepen van 5 tot 25 dieren, in uitzonderingen tot 80 dieren. Deze gebruiken in kleine groepjes verspreid een groot aantal verblijfplaatsen naast elkaar. Ze verhuizen vaak. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel) kelders.
Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden. Gewone grootoorvleermuizen jagen in de directe omgeving van de verblijfplaats tot op een afstand van maximaal 3 km. Ze volgen hagen en houtwallen, maar vooral in bos of kleinschalig landschap vliegen ze gewoon tussen de bomen door. In enkele donkere en besloten bospercelen zijn kortstondig foeragerende gewone grootoorvleermuizen aangetroffen. Verblijfplaatsen zijn niet gevonden, maar zijn bij deze
22
Toetsing natuurwetgeving
soort ook lastig te vinden. Aangezien gewone grootoorvleermuizen slechts korte afstanden afleggen en er veel geschikte potentiële verblijfplaatsmogelijkheden zijn, zijn verblijfplaatsen waarschijnlijk wel binnen het plangebied aanwezig. In het bosgebied zijn met name de diverse lanen en het bosperceel aan de zuidoostkant interessant voor vleermuizen. Hier staan veel Amerikaanse eiken, zomereiken en beuken waarvan een deel met holten die als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen. Het overige bosgedeelte bestaat voornamelijk uit naaldbomen zonder holten. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouwbewonende en/of boombewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis is voornamelijk boombewonend en gewone grootoorvleermuis
bewoond zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van
verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.
Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Kader - vleermuisvliegroutes Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Het verjagen, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het verstoren of vernielen van vaste verblijfplaatsen (inclusief de functionele leefomgeving), is verboden vanuit de wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dient ten allen tijde gegarandeerd te blijven. Tijdens het vleermuisonderzoek is een verblijfplaats van laatvlieger en gewone dwergvleermuis vastgesteld in de te slopen woning. Met de sloop van de woning verdwijnt een vaste rust en verblijfplaats. Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming aangevraagd te worden. Met de sloop van de recreatiewoning worden geen negatieve effecten op vleermuizen verwacht. Deze woning bestaat uit houtenplaatwerk met een laag pannendak zonder
De nieuwe Veluwe
23
geschikte ruimten die door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden, tevens zijn hier geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Een aantal oudere loofbomen (met name Amerikaanse eiken en Beuken) die voornamelijk aanwezig zijn in het zuidoostelijk deel van het plangebied en langs de verschillende paden, zijn geschikt als potentiële verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Van boombewonende vleermuizen is bekend dat ze een netwerk van verblijfplaatsen gebruiken en veel wisselen tussen verschillende verblijfplaatsen (van een soort als franjestaart is bekend dat deze om de paar dagen kan wisselen van verblijfplaats). Voornamelijk oude loofbomen met holten worden gebruikt als verblijfplaats, waarbij van sommige soorten (franjestaart, baardvleermuis) verblijfplaatsen zeer lastig te vinden zijn (Diets et all). Met name oude bomen met holten langs de rand van bossen, open plekken of laanbomen en open bossen met oude bomen met holten (i.v.m. invliegen en zwermen) worden gebruikt als verblijfplaats. Met het voorgenomen plan blijven de oudere loofbomen gehandhaafd. Met betrekking tot foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen zullen de voorgenomen werkzaamheden geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig.
De omvorming naar een natuurlijk bossysteem en de omvorming van landbouw naar heide leidt naar verwachting juist tot betere foerageermogelijkheden en een toename van voedsel voor vleermuizen. Aanbevelingen Geadviseerd wordt een aantal vleermuiskasten te plaatsen. Voornamelijk boombewonende vleermuizen kunnen erg geholpen worden, door het vergroten van het aantal verblijfplaatsmogelijkheden. Met name het beukenperceel aan de zuidoostkant van het plangebied is hier erg geschikt voor, gezien de ligging en de vrije uitvliegmogelijkheden. Hier is ook een paar/baltsverblijfplaats van rosse vleermuis aanwezig. Conclusie: Voor de sloop van de woning dient een ontheffing aangevraagd te worden voor het vernietigen van een verblijfplaats van laatvlieger en gewone dwergvleermuis. Er zullen vroegtijdig 2 vleermuiskasten geplaatst worden ter vervanging van de huidige verblijfplaats. Voor de realisatie van de plannen worden geen oudere loofbomen gekapt, negatieve effecten op boombewonende vleermuissoorten worden niet verwacht. 5.2.2
Overige zoogdieren
Voorkomen en functie In het plangebied zijn algemene soorten als vos, ree, konijn en haas waargenomen. Het plangebied en de nabije omgeving maken onderdeel uit van het leefgebied van grondgebonden zoogdieren waaronder egel, konijn, haas, vos, ree, kleine marterachtigen, mol en algemene (spits-)muizensoorten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Tevens geldt dat de ontwikkelingen overwegend positief zijn voor de genoemde soorten. In het plangebied zijn tevens wild zwijn, edelhert, das, boommarter en eekhoorn waargenomen. Mogelijk maakt het plangebied tevens onderdeel uit van het leefgebied van
24
Toetsing natuurwetgeving
de steenmarter. Deze soorten vallen onder de nationaal beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling in provincie Gelderland geldt. Das Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van de das. Binnen het plangebied zijn drie burchten aanwezig, waarvan er twee intensief belopen zijn. Tevens zijn verschillende pijpen van de das aanwezig die als vlucht/bijburcht gebruikt worden. De twee intensief belopen burchten betreffen relatief oude burchten, waarvan één met 10 pijpen (zuidelijke burcht) en één met 23 pijpen. Uit onderzoek met cameravallen is gebleken dat de zuidelijke burcht door tenminste 3 dassen gebruikt wordt. Er zijn enkele wissels aangetroffen die leiden naar het weiland direct naast de burcht en de akker aan de zuid- en westkant van het plangebied. Hier zijn ook foeragerende dassen waargenomen. De overige burchten waar tevens cameravallen zijn geplaats bleken niet in gebruik, waarschijnlijk zijn er 3 dassen actief in het plangebied.
Afbeelding 4: 2 dassen bij de zuidelijke burcht
Boommarter Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van de boommarter. Uit het plangebied en de directe omgeving zijn meerdere waarnemingen van de soort bekend (NDFF). Tevens heeft onderzoek met cameravallen een waarneming opgeleverd van deze soort aan de zuidkant van het plangebied. In het perceel met oude beuken aan de zuidkant van het plangebied (waar tevens de waarneming gedaan is) zijn enkele oudere beuken met geschikte holten aanwezig die als verblijfplaats/voortplanting locatie gebruikt kunnen worden. Hier zijn extra cameravallen geplaatst dit heeft echter niet geresulteerd in extra waarnemingen van de soort. Het plangebied maakt naar verwachting onderdeel uit van het leefgebied van de soort, maar wordt niet als voortplantingslocatie gebruikt.
De nieuwe Veluwe
25
Edelhert en Wild zwijn Het plangebied maakt onderdeel uit van het leefgebied van edelhert, tijdens de veldbezoeken zijn twee verschillende hindes waargenomen, ook is een hinde vastgelegd op de cameraval. Edelherten hebben grote leefgebieden en maken diffuus gebruik van het gehele plangebied afhankelijk van de beschikbare hoeveelheid voedsel. Wild zwijn komt zeer algemeen voor in het plangebied en foerageerde in de droge zomer met name veel in het weiland in het plangebied (zie bijlage 1). Hier werden soms wel 20 verschillende individuen waargenomen. In het najaar maken de zwijnen meer diffuus van het gehele plangebied gebruik, omdat er dan ook meer voedsel in de vorm van eikels en beukennootjes in de bosgebieden aanwezig zijn.
Afbeelding 5: Wild zwijn voor de cameraval
Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting met name een positief effect hebben op de genoemde zoogdieren. Voor nationaal beschermde soorten als steenmarter, edelhert en wild zwijn geldt ook dat de voorgenomen werkzaamheden voornamelijk een positief effect hebben. Door de omvorming naar een meer natuurlijk bossysteem zal er meer variatie optreden wat de voedselbronnen voor deze soorten in het relatief arme naaldbos vergroot. Door een meer natuurlijk bosbeheer neemt verstoring m.b.t. geluid en drukte enigszins toe. Echter in een groot deel van het noordelijk deel van het plangebied, dat nu ook door soorten als edelhert en wild zwijn gebruikt wordt als rustplek door de dichte ondergroei, vindt geen verstoring plaats waardoor er genoeg rust in het plangebied overblijft. Bij deze werkwijze zijn geen negatieve effecten te verwachten voor deze soort.
26
Toetsing natuurwetgeving
De boommarter maakt van het plangebied gebruik als leefgebied. Het plangebied heeft echter geen belangrijke functie voor boommarter (voortplantingsbiotoop) Mogelijk zal er een zeer lichte toename van verstoring zijn (bewoning natuurwoning). Echter, op en rond het beukenbos is dit niet het geval. Er worden derhalve geen negatieve effecten op de boommarter verwacht. In het plangebied zijn diverse dassenburchten aanwezig. Tevens worden het plangebied en de omliggende agrarische percelen gebruikt als foerageergebied. Met de ontwikkeling worden geen burchten van de das aangetast. De omvorming van het weiland naar heide zal mogelijk een beperkte invloed op de das hebben. Hoewel de das een zeer breed voedselmenu heeft, heeft de das een voorkeur voor regenwormen die vooral in voedselrijke bemeste graslanden te vinden zijn. Het omzetten van landbouwgrond naar heide zal voor de das licht negatief zijn, doordat het voedselaanbod in de schralere heide minder zal zijn. Daarom is besloten slechts de helft van het grasland om te vormen naar heide en het overige grasland te behouden. Doordat er in het bosgebied, door een natuurlijker beheer, meer dood hout gecreëerd wordt zal naar verwachting het voedselaanbod grotendeels hetzelfde blijven. De zuidelijke burcht grenst aan het landbouwperceel dat afgegraven wordt ten behoeve van de ontwikkeling van heide.
Om verstoring van de das tot een minimum te beperken, dienen de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van de das uitgevoerd te worden. Werkzaamheden dienen in september-november uitgevoerd te worden. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk, mits het omvormen van landbouwgrond naar heide in de periode september-november uitgevoerd wordt.
5.3
Vogels
Alle vogels zijn als soort op een gelijke wijze beschermd in de Wet natuurbescherming. Beleidsmatig heeft het Ministerie van Economische Zaken een onderverdeling gemaakt, gericht op de mate van verantwoording en afstemming van werkzaamheden versus het behoud van vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit betreft: vogels met jaarrond beschermde nesten; overige broedvogels. Bij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden kunnen nesten van overige vogels soms ook jaarrond beschermd zijn. Dit is met name aan de orde bij grote ontwikkelingen of zeer bijzondere locaties. In de regel is dit niet aan de orde en zijn de nesten van de vogels alleen beschermd als ze in gebruik zijn. Voorkomen en functie Broedvogels In het plangebied zijn tijdens de veldbezoeken vooral typische (naald)bossoorten als kruisbek, goudhaan, goudvink, grote bonte specht, appelvink, boomklever, boomkruiper, buizerd, glanskop, gaai, grote lijster, kuifmees, sijs, raaf en zwarte mees waargenomen. Kritischere soorten die uit de omgeving bekend zijn, zijn wespendief, havik en zwarte
De nieuwe Veluwe
27
specht (NDFF). Havik heeft succesvol gebroed in het zuidelijke deel van het plangebied en heeft en had 3 jongen. Wespendief is tijdens de veldbezoeken niet waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. Ook zwarte specht maakt geen gebruik van het plangebied, de soort is wel baltsend/zingend ten noorden van het plangebied aangetroffen. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal soorten zijn de verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Een soort waarvan de rust- en verblijfplaats jaarrond beschermd is en die voorkomt in het plangebied is de buizerd, sperwer en havik. Havik heeft succesvol gebroed in het zuidelijke deel van het plangebied en heeft hier 3 jongen grootgebracht. Ook sperwer en buizerd gebruiken het plangebied intensief van beide soorten zijn baltsende exemplaren aangetroffen. het plangebied maakt van beide soorten onderdeel uit van hun territorium. Hoewel er tijdens de veldbezoeken geen horst gevonden is, wordt wel vermoed dat de soort in of nabij het plangebied broedt. Overige soorten waarvan de vaste rust en verblijfplaats jaarrond beschermd is zijn niet aangetroffen in het plangebied. Effecten en ontheffing Overige broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten beschadigen of verstoren.
Verstoring kan in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Vogels met jaarrond beschermde nesten In het zuidelijke deel (zie bijlage 1) is een horst van havik aanwezig. Tevens maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van sperwer en buizerd. De verblijfplaatsen dienen behouden te blijven. Op het leefgebied van de genoemde soorten wordt geen negatief effect verwacht. De voorgenomen maatregelen hebben naar verwachting met name een positief effect op de genoemde soorten. Met de voorgenomen ontwikkelingen zullen er mogelijk enkele bomen gekapt worden. Deze bomen dienen geïnspecteerd te worden op horsten/ nesten. Horstbomen of bomen met nesten en de directe omgeving dienen behouden te blijven. Conclusie: Bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Daarnaast dienen eventuele horstbomen en bomen met nesten behouden te blijven.
28
Toetsing natuurwetgeving
5.4
Amfibieën en reptielen
Voorkomen en functie Amfibieën Het plangebied ligt op droge zandgrond waar permanente natuurlijke watergangen of poelen ontbreken. Wel zijn enkele beleemde poelen aanwezig die door de aanwezige fauna als drinkplek gebruikt worden. Hierin zijn tientallen jonge bruine kikkers aangetroffen, bijzonder is de waarneming van een alpenwatersalamander onder een plaatje midden op de heide. Reptielen Binnen het plangebied zijn zowel hazelworm als levendbarende hagedis aangetroffen. Levendbarende hagedis komt algemeen voor op het heideveld hier zijn tientallen exemplaren waargenomen zowel onder de plaatjes als in de heide zelf. Buiten het heideveld om zijn geen levendbarende hagedissen aangetroffen, de soort is gebonden aan het heideveld, in het overige deel van het plangebied zijn geen levendbarende hagedissen aangetroffen. Hazelworm is 2 keer aangetroffen onder een plaatje centraal in het heidegebied (zie bijlage 1). Ook is een dood exemplaar aangetroffen op een openbaar zandpad aan de noordkant van het plangebied. Uit de ruimere omgeving van het plangebied zijn tevens de gladde slang, zandhagedis en de adder bekend. Met name rondom de grotere heidevelden ten noorden en oosten van het plangebied. Waarschijnlijk ligt het heideveld in het plangebied te geïsoleerd en is het heideveld te klein voor een populatie van de gladde slang, zandhagedis of de adder.
Deze soorten zijn ook niet aangetroffen tijdens het onderzoek. Effecten en ontheffing Rond de aanwezige waterelementen (beleemde poelen) vinden geen werkzaamheden plaats. Negatieve effecten op amfibieën worden derhalve niet verwacht. Op het heideveld komen levendbarende hagedis, alpenwatersalamander en de hazelworm voor. Er vinden geen werkzaamheden plaats op het heideveld. De aanwezige landbouwgrond aan de zuidkant van het heideveld, die wordt omgevormd naar heide, zal het leefgebied voor genoemde soorten vergroten. Er dient rekening gehouden te worden met deze soorten:
Er dient niet gereden te worden over het bestaande heideveld. Tussen het bestaande heideveld en het om te vormen landbouwperceel dient een tijdelijk reptielenraster geplaats te worden, zodat reptielen niet op het werkterrein kunnen komen. Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode (die loopt van april-augustus) van de hazelworm en de zandhagedis. Ter hoogte van de te bouwen woning wordt dekking, zoals dood liggend hout en puin of stenen, voor de werkzaamheden verwijderd, zodat er geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat de soort tijdens de werkzaamheden aanwezig is rond de bouwlocatie.
De nieuwe Veluwe
29
Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor amfibieën en reptielen niet noodzakelijk, mits de genoemde maatregelen ten aanzien van reptielen worden uitgevoerd.
5.5
Vissen
Voorkomen en functie In het plangebied zijn geen geschikte watervoerende elementen (sloten, poelen, enz.) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen. Effecten en ontheffing Er worden geen effecten op beschermde vissen verwacht. Een ontheffing is niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde vissen niet noodzakelijk. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht.
5.6
Beschermde soorten ongewervelden
Voorkomen en functie Een nationaal beschermde soort die bekend is uit de omgeving van het plangebied is vliegend hert. Het vliegend hert maakt met name gebruik van oude loofbossen met veel dood hout. De soort is lastig waar te nemen. Uit de directe omgeving zijn geen waarnemingen van de soort bekend, ook tijdens het nadere onderzoek is de soort niet aangetroffen. Vliegend hert kan uitgesloten worden binnen het plangebied. Effecten en ontheffing Beschermde ongewervelden worden niet verwacht in het plangebied, nader onderzoek of een ontheffing is voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
30
Toetsing natuurwetgeving
6 6 BESCHERMDE GEBIEDEN – NATURA 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijke effecten van de ontwikkeling op de relevante Natura 2000-gebieden.
6.1
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt in Natura 2000-gebied Veluwe. Het gebied is aangewezen als een Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijngebied. Binnen het aanwijzingsbesluit van dit gebied zijn voor 18 habitattypen, 7 habitatsoorten en 10 broedvogelsoorten instandhoudingsdoelen vastgelegd. Het gebied is aangewezen vanwege de hoge natuurwaarden. Bij Kootwijk bevindt zich één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. Basisgegevens Natura 2000-gebied