CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Heetkamperweg II_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Heetkamperweg II.19.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt deels in een gebied dat wordt aangeduid als droge kampontginningen of engen met een zeer hoge waardering. De volgende karakteristieken zijn van belang: Kromme lijnen (perceelsranden, wallen, wegen, bosranden); Contrast met het omliggende landschap (bos); Gecompartimenteerd door bosstroken en houtwallen. In de geleverde tekening is voldoende aandacht gegeven aan deze karakteristieken, waardoor de plannen niet strijdig zijn met de cultuurlandschappelijke waarde. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Om de effecten van het plan op het nabij gelegen Natura 2000-gebied Veluwe inzichtelijk te maken is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Econsultancy, Rapportage quickscan Wet natuurbescherming, rapportnummer 12782.001, versie D3, gedateerd 23 juli 2020, zie Bijlage 6). Uit de toetsing blijkt dat verstoring als gevolg van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, geluid, licht, trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten niet aan de orde zijn.

Vervolgstappen in het kader van bescherming van Natura 2000-gebieden zijn dan ook niet nodig. Stikstofdepositie Separaat is onderzoek gedaan naar de effecten van de depositie van stikstof (Econsultancy, Onderzoek stikstofdepositie Heetkamperweg 21 te Stroe, rapport 12782.004, versie D4, gedateerd 12 mei 2021, zie Bijlage 8). "Heetkamperweg II" (vastgesteld)

25

Heetkamperweg II

In het onderzoek is de nieuwe situatie (aanleg- en gebruiksfase) vergeleken met de referentiesituatie (camping van circa 23.000 m² met 5 huisjes, 132 stacaravanplaatsen en 43 toercaravanplaatsen). Deze verschilberekening (voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase) is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator. Uitkomst is dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden in vergelijking tot de referentiesituatie kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Geconcludeerd wordt dan ook dat de natuurwaarden van de omliggende stikstofgevoelige habitattypen niet zullen verslechteren ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van het project. 5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. In de in paragraaf 5.3.1.1 genoemde quick scan (zie Bijlage 6) is ook ingegaan op de soortenbescherming. Ten aanzien van broedvogels wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van de huismus in het sanitair gebouw ten zuidwesten van het hoofdgebouw op de camping. Verstoring van de ransuil kan worden uitgesloten wanneer gewerkt wordt in de periode begin juni - eind september. Buiten deze periode kan er alleen rond de boom gewerkt worden indien een ecoloog een controle van tevoren uitvoert om te bepalen of de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder ransuilen te verstoren. Wanneer de boom verwijderd wordt zal aanvullend onderzoek naar de functie van de boom voor ransuilen uitgevoerd moeten worden. Nestgelegenheden van andere broedvogels in struiken, bomen en op andere plaatsen op de onderzoekslocatie, kunnen buiten het broedseizoen (globaal maart tot half augustus) worden verwijderd.

Het vele groen, stapels stenen en andere materialen en de omgeving van schuurtjes en stacaravans biedt voor amfibieën, kleine zoogdieren en reptielen een geschikte plek om te overwinteren. Ten aanzien van reptielen dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden met betrekking tot zandhagedis, levendbarende hagedis en hazelworm om doden en verwonden te voorkomen. Voor de rugstreeppad wordt dit geadviseerd. Voor kleine zoogdieren en algemene amfibieën geldt dat het planvoornemen niet leidt tot aantasting van het leefgebied, zodanig dat er gesproken kan worden over een overtreding van de Wet natuurbescherming. Echter zal wel voorkomen moeten worden dat dieren worden gedood of verwond. In dat kader is het van belang dat de deze schuilplaatsen voor genoemde soorten niet in de periodes van koude worden opgeruimd of verwijderd. In houtstapels en onder materialen kunnen overwinterende dieren zich ophouden die bij koude weinig mobiel zijn. Op 30 oktober 2020 is het aanvullende onderzoek naar de aanwezigheid van de huismus afgerond (zie Bijlage 7, Bureau Ruimte voor Advies B.V., gedateerd 30-10-20220). Conclusie is dat er geen nesten van huismus of andere vogelsoorten aangetroffen zijn in het sanitairgebouw.

Het is daarbij niet nodig nader onderzoek naar huismus uit te voeren tijdens het broedseizoen aangezien voor vogels geschikte delen van de dakconstructie volledig geïnspecteerd kon worden. Sloop van het sanitairgebouw leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de huismus. Eventuele sloopwerkzaamheden moeten wel buiten het broedseizoen worden uitgevoerd omdat toekomstige nesten van met name kleine zangvogels in het sanitairgebouw niet uitgesloten zijn. Alternatief is om voorafgaand aan het broedseizoen maatregelen te treffen om broedgevallen te voorkomen. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

26

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Hiervan is bij het plan geen sprake. Een herplantplicht is in dit kader dan ook niet aan de orde. Een dergelijke plicht is wel aan de orde wanneer individuele bomen of bomen in de houtwallen gekapt worden. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) "Heetkamperweg II" (vastgesteld)

27

Heetkamperweg II Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.

Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Uit akoestisch onderzoek (Sain milieuadvies, projectnummer 2020-3051-1, gedateerd 12 mei 2020, zie Bijlage 3) blijkt dat ter plaatse van twee nieuwe woningen, als gevolg van de geluidsbelasting van de N310, de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 53 28

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II dB. De geluidsbelasting van de overige wegen voldoet aan de voorkeusgrenswaarde. Voor deze overschrijding worden hogere waarden vastgesteld middels een aparte (aan het bestemmingsplan) gekoppeld besluit. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de N310 tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet mogelijk, niet opportuun of niet haalbaar. Daarom zijn hogere waarden vanwege de N310 nodig voor de betreffende twee woningen. Dit is ook mogelijk aangezien voldaan kan worden aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid om de hogere waarden te kunnen vaststellen. Zo is er bij alle nieuwe woningen minimaal 1 geluidsluwe gevel ten gevolge van alle geluidsbronnen. Daarnaast is (er ook) buitenruimte gelegen aan de geluidluwe zijde. Er kan voor gezorgd worden, dat er op grond van het geldende beleid geen sprake is van een onaanvaardbare geluidhinder. Indien ervoor gezorgd wordt, dat het binnenniveau voldoet aan de nieuwbouweis uit het Bouwbesluit, is er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de woningen. Er is dan sprake van een goede ruimtelijke ordening. De geluidwerendheid van de betreffende gevels zal dan ook bij de aanvraag omgevingsvergunning moeten worden aangetoond. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied ligt aan de Heetkamperweg 27 een veehouderij. De afstand tussen dit bedrijf en de ontwikkeling bedraagt circa 150 meter zodat dit bedrijf geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Uit de uitgevoerde geurberekening (zie Bijlage 10) blijkt dat er sprake is van een voorgrondbelasting van het bedrijf aan de Heetkamperweg 27 van 0,3 tot 0,6 OuE/m3. Aangezien de voorgrondbelasting op de geplande woningen zeer beperkt is (streefwaarde uit de geurverordening is 8,0 OuE/m3), is de achtergrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Deze bedraagt 2,2 tot 2,6 OuE/m3. In de geurverordening is er bij een dergelijke achtergrondbelasting sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat. Daarnaast is het gebied aangewezen als 'camping en verblijfsrecreatie' waarvoor een streefwaarde geldt van 10,0 OuE/m3. Daaraan wordt ruimschoots voldaan. Als de locatie beschouwd als 'buitengebied' wordt ook ruimschoots voldaan aan de gestelde normen aangezien de streefwaarde voor de voorgrondbelasting dan 14,0 OuE/m3 bedraagt.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

29

Heetkamperweg II

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van vijf extra woningen op de locatie valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Het aspect 'ladder voor duurzame verstedelijking' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor

30

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn.

Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan/wijzigingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. Weliswaar komt de activiteit voor op de lijst in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, maar de omvang van de activiteit ligt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D 11.2 en het onderhavige plan is geen project dat vanwege aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect zal hebben. Dat blijkt ook uit de toetsing (zie de vormvrije m.e.r.-beoordeling van BJZ.NU van 10 januari 2019 in Bijlage 8) van het plan aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. Zo heeft die toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet).

Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening "Heetkamperweg II" (vastgesteld)

31

Heetkamperweg II Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: Wolweg 2 in Stroe, het hier gevestigde pluimveeverwerkingsbedrijf heeft een hinderafstand van 100 meter. De afstand tot het onderhavige plan bedraagt minimaal 300 meter Heetkamperweg 2 in Stroe, voor het hier gevestigde mestverwerkingsbedrijf geldt een hinderafstand van 300 meter. De afstand tot het onderhavige plan bedraagt minimaal 450 meter Bosbergerweg 10 in Stroe, voor het hier toegestane recreatieverblijf heeft een maximale hinderafstand van 50 meter. De afstand tot het onderhavige plan bedraagt minimaal 75 meter Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter).

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het onderhavige plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 28 augustus 2020 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.

5.12

Natuur en landschap

Huidig landschap Het plangebied maakt deel uit van het kleinschalige Kampenlandschap aan de oostzijde van het Veluwse dorp Stroe. Kenmerkend voor het Kampenlandschap is het reliëf in een overwegend vlak gebied. Dit reliëf is mede te danken aan de invloed van de ijstijden en werd in de loop van de eeuwen versterkt door het ophogen van de enken met zandhoudende schapenpotstalmest. Vroegere zandpaden en latere wegen volgen het hoogteverschil en hebben daardoor veelal een grillig en bochtig verloop. Het landschap is vrij kleinschalig door de vele houtwallen, waardoor de verkaveling een onregelmatig en blokvormig karakter heeft. Bebouwing, veelal met een agrarische functie, volgt eveneens dat hoogteverschil en staat ook niet altijd haaks op de weg. De bebouwing staat veelal op zichzelf in het gebied, waardoor de afstand tot de weg varieert. De contouren van het plangebied zijn al zichtbaar op oude topografische kaarten in 1850. De houtwallen 32

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II rondom het plangebied zijn goed herkenbaar, evenals de talrijke zandpaden en wegen. Deze landschapsstructuur is sindsdien nauwelijks meer aangepast. Het aantal zandpaden is afgelopen decennia afgenomen en de resterende zijn verhard, eerst als klinkerweg, daarna voorzien van een asfaltdek. Lag het Kampenlandschap in 1850 als een enclave temidden van de woeste gronden/heidevelden, nu sluit het plangebied aan de oostzijde aan op de bosranden van het natuurgebied die behoren tot het Kootwijksche Veld. Een ruimtelijke en ecologische barrière tussen het plangebied en het Kootwijksche Veld vormt evenwel de Provinciale weg N310. Bestaande beplanting De randen van het plangebied kenmerken zich hoofdzakelijk door de structuur van de oude houtwallen. Deze zijn binnen het plangebied nog grotendeels intact. De houtwallen langs de Breveenseweg, Bosbergerweg en de op het terrein gelegen oost-west georiënteerde houtwallen zijn in redelijk goede staat. Op enkele plaatsen zijn keerwanden in de houtwal aangebracht om meer ruimte voor de standplaatsen te maken. Langs de Heetkamperweg en gedeeltelijk langs de Breveenseweg is de houtwal geheel verdwenen. De erfgrenzen zijn hier met coniferenhagen beplant. In de houtwallen rond de maïsakker naast de Breveenseweg en Bosbergerweg wordt op enkele plaatsen de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) aangetroffen.

Het karakter van de houtwallen is door het landbouwkundig gebruik wel op enkele plekken aangetast, maar de oude landschapsstructuur is nog wel duidelijk herkenbaar. In de bermen langs de Breveenseweg en Bosbergerweg liggen watervoerende sloten. Een watervoerende sloot ligt ook op de erfgrens tussen de houtwal langs de maïsakker en beukenhaag op de camping. De houtwallen bestaan hoofdzakelijk uit een inheems sortiment (gebiedsgebonden), beplanting, zoals zomer eik, ruwe berk, lijsterbes, meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, vuilboom en Gelderse roos. Daar waar het landschappelijke kader van het plangebied uit voornamelijk inheemse houtopstanden bestaat, komt op het campingterrein zelf vrijwel uitsluitend gebiedsvreemde en groenblijvende beplanting voor, die vooral bestaat uit haagconiferen en groepen dennen en sparren. Verspreid over dit deel van het terrein worden ook loofbomen aangetroffen. Op het open gedeelte met de seizoensplaatsen wordt een gedeelte van het terrein omzoomd met een beukenhaag. In de droge zomer van 2018 en 2019 hebben veel coniferenhagen op de kavelgrens en op de camping deze droogte niet overleefd. Door de droogte zijn ook een aanzienlijk aantal dennen en sparren dood gegaan. Landschappelijke inpassing Het beplantingplan richt zich op het duurzaam in stand houden en waar nodig versterken van de typisch lineaire houtwallenstructuur van het Kampenlandschap.

De omgeving van het plangebied is één van de best bewaarde gebieden van het Kampenlandschap rond het Veluwse dorp Stroe. De structuur van de karakteristieke houtwallen is sinds de ontginning van het plangebied vrijwel ongewijzigd gebleven. Dit raamwerk van de oude landschapsstructuren zorgt voor een sterk ruimtelijk kader, waarbinnen de woonbebouwing op een verantwoorde en ingetogen wijze kan worden ingepast. De bestaande houtwallen binnen het plangebied blijven gehandhaafd, alle coniferenhagen, sparren en dennen worden gekapt en het achterstallige onderhoud van de loofbomen en struiken wordt aangepakt. Waar natuurlijke aanwas van de beplantingen niet mogelijk is, worden de open stukken van een aanvullende beplanting voorzien. Langs de Heetkamperweg wordt de coniferenhaag vervangen door een houtsingel met een inheems assortiment. De coniferenhaag langs een deel van de Breveenseweg wordt ook vervangen door een beukenhaag/houtsingel. Het noordelijke deel van het plangebied is in 1925 nog woeste grond. Het is nooit omkaderd door een houtwal of houtsingel. De aanwezige houtsingels aan de noord- en westzijde van het perceel vormen het landschappelijk kader. Op de erfgrens ten westen van de voormalige bedrijfswoning wordt een houtsingel aangeplant. Deze loopt visueel door op het perceel aan de zuidzijde van de Breveenseweg.

Rond dit perceel wordt op de erfgrens aan beide zijden langs de Breveenseweg en aan de westzijde van de Heetkamperweg een beukenhaag en/of houtsingel aangeplant. Aanplant vindt plaats in overleg met de toekomstige bewoners en is afhankelijk van het uitzicht of de mate van privacy die de bewoners wensen. "Heetkamperweg II" (vastgesteld)

33

Heetkamperweg II

Ook in de houtsingel rond de maïsakker wordt, waar nodig herstelwerk gedaan, waaronder het verwijderen van de Amerikaanse vogelkers. Doel is hierbij dat de beplanting in de houtsingel door natuurlijke ontwikkeling wordt aangevuld. De beukenhaag, die in oost-westelijke richting op het perceel met seizoenplaatsen staat is in het plan opgenomen. Zij vormt de begrenzing van de bouwkavels en achterliggende sloot. Het volledige inpassingsplan is overigens als Bijlage 4 bij de regels gevoegd.

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer

Het voorliggende plan bestaat uit twee aparte woonclusters. Alle woningen worden individueel ontsloten op de Breveenseweg, Heetkamperweg of Bosbergerweg. Alle percelen zijn voldoende groot om voldoende parkeerplaatsen te realiseren.

5.15

Water

Dit wateradvies is een onderdeel van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is wettelijk verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee krijgt water een evenwichtige plaats in het ruimtelijk planproces. Uiteindelijk vormt de waterparagraaf in het bestemmingsplan het resultaat van de watertoets. Dit wateradvies is, als onderdeel van de watertoets, niet vrijblijvend. Voor de initiatiefnemer is dit advies bindend, tenzij er goede argumenten voor alternatieven worden aangevoerd. Planontwikkeling en toetsing De planontwikkeling (sloop bestaande bebouwing en realisatie 8 nieuwe woningen met bijgebouwen) is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag 34

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. Hemelwater Door de realisatie van dit plan (sloop 894 m2 bestaande bebouwing, realisatie ongeveer 980 m2 woningen en 640 m2 bijgebouwen) is er sprake van een toename van verhard oppervlak (daken en terreinen) in vergelijking met de originele situatie. Hierdoor treedt bij neerslag een snellere afstroming van het hemelwater op. Dit is een negatieve ontwikkeling voor de waterhuishouding. Wanneer sprake is van een toename van verhard oppervlak is het verplicht waterberging op eigen terrein te realiseren. Deze waterberging dient een inhoud te hebben van 20 mm maal het verhard oppervlak. Waterberging kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden m.b.v. infiltratiekratten, grindkoffers, of wadi's, of door rekening te houden met waterberging in de tuininrichting. Een grote verscheidenheid aan maatregelen om hemelwater op te vangen en te bergen of infiltreren is o.a. in de volgende bronnen te vinden: Operatie Steenbreek; Handboek voor watervriendelijke tuin; Huisje Boompje Beter; Waterpagina van Tuinbranche Nederland; en Amsterdam Rainproof.

Het hemelwater dat op het verhard oppervlak (daken en/of terreinen) valt, mag niet op het drukriool worden aangesloten. Initiatiefnemer dient de wijze van hemelwaterafvoer en de type(n) voorziening(en) op een inrichtingstekening (met nieuwe situatie van woningen en verhard oppervlak) aan te geven. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Een grove indicatie is dat het GHG >140 cm onder maaiveld zit in het plangebied. Het advies aan de initiatiefnemer is om een goed beeld te krijgen van de grondwaterstanden en hier rekening mee te houden tijdens de planontwikkeling. Het structureel onttrekken van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Door de realisatie van de nieuwe woningen komt huishoudelijk afvalwater vrij dat aangesloten wordt op het drukriool. Bouwmaterialen In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud.

Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen.

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

35

Heetkamperweg II

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECT EN

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels bestaan uit vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 zijn de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. Wijze van meten In artikel 2 is de wijze van meten opgenomen. Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

36

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II

6.3

Bestemmingsregels

6.3.1

Terugkerende thema's

6.3.1.1

Mantelzorg

In het voorliggende bestemmingsplan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de afwijkingsmogelijkheid voor de bouwregels in de bestemmingen waar dit relevant is. Mantelzorg is niet toegestaan binnen de bestemmingen 'Recreatie - Recreatiewoning' en 'Wonen - Voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3. 6.3.1.2

Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast

Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante bestemmingen staan de voorwaarden beschreven onder de kop 'Gebruik overeenkomstig de bestemming'. Een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf is niet toegestaan binnen de bestemmingen 'Recreatie - Recreatiewoning' en 'Wonen - Voormalige recreatiewoning'. Bed & breakfast is niet mogelijk binnen de bestemmingen 'Recreatie - Recreatiewoning' en 'Wonen - Voormalige recreatiewoning', gelet op het kleinschalige oppervlak van de woning. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied.

Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Tevens wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan. 6.3.1.3

Paardrijbak ken

Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan. De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen alle bestemmingsvlakken en/of bouwvlakken waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden tevens toegestaan aansluitend aan het bestemmingsvlak waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een bestemmingsvlak of bouwvlak wordt gerealiseerd ligt in de bestemming 'Agrarisch'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de bestemming 'Agrarisch' staan dan ook vermeld in de regels van de bestemming 'Agrarisch'. De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels.

Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

37

Heetkamperweg II

6.3.1.4

Zonnecollectoren

Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnecollectoren op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnecollectoren op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnecollectoren op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende bestemmingsplan biedt mogelijkheden om bij recht zonnecollectoren binnen een bouwvlak (bijvoorbeeld bij een agrarisch bedrijf) of bestemmingsvlak (bijvoorbeeld bij een woning) te realiseren. Daarnaast bevat het bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid voor het gebruik om zonnecollectoren te bouwen op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een bestemmingsvlak voor bijvoorbeeld de bestemming 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnecollectoren als de landschappelijke inpassing van deze zonnecollectoren. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van het bouwvlak kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnecollectoren. Wat betreft de bouwregels worden zonnecollectoren beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde.

Dit betekent onder andere dat zonnecollectoren buiten een bouwvlak of bestemmingsvlak maximaal 2 meter hoog mogen zijn. 6.3.2

Bestemming 'Agrarisch'

Algemeen De bestemming 'Agrarisch' is toegekend aan het grootste deel van het buitengebied van de gemeente Barneveld. Dit zijn gebieden waar weinig (bijzondere) landschappelijke en natuurlijke waarden voorkomen en die goed zijn verkaveld en ingericht voor de agrarische sector. Binnen deze gebiedsbestemming zijn de agrarische belangen in principe leidend. In deze gebieden is het mogelijk om de bouwvlakken voor agrarische bedrijven te verruimen of voorzieningen buiten het bouwvlak (wel in directe aansluiting op het bouwvlak) te realiseren. Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch' is hobbymatig agrarisch gebruik ook toegestaan. 6.3.3

Bestemming 'Groen'

Verspreid over de gemeente komen groensingels voor. Een deel hiervan is waardevol (oude houtwallen) of is op basis van postzegelplannen aangelegd. De bestemming 'Groen' is opgenomen ten behoeve van de instandhouding van de groensingels en nieuwe groensingels. Nieuwe groensingels zijn ter versterking van de landschappelijke waarde en hebben een afschermende functie. Groensingels zijn vaak waardevol voor de natuur omdat ze leefgebied en schuilgelegenheid bieden voor vogels en andere dieren. Binnen de bestemming 'Groen' zijn toegestaan opgaande beplanting met de daarbij behorende bouwwerken (geen gebouwen en overkappingen zijnde), werken, paden en watervoorzieningen. Om werken of werkzaamheden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het verbreden of verharden van paden of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud en de aanleg van nieuw groen valt niet onder de vergunningplicht. 6.3.4

Bestemming 'Wonen'

Algemeen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de bestaande, legale woningen. Binnen een bestemmingsvlak 'Wonen' is maximaal één woning toegestaan. Een uitzondering geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' want daar geldt als maximum het aantal wooneenheden zoals weergegeven op de verbeelding. Een woning is bestemd voor de huisvesting van één huishouden. Dit betekent dat kamerverhuur niet zondermeer is toegestaan behalve als dit specifiek is aangeduid. In het bestemmingsvlak zijn het hoofdgebouw en eventueel aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen opgenomen. De inhoud van een woning bedraagt maximaal 660 m3, inclusief de onderbouw voor zover deze boven het maaiveld uitkomt. Onder een woning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat bij vergunningsvrije aanbouwen en bijbehorende bouwwerken van woningen niet vergunningsvrij mogen worden voorzien van 38

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

Heetkamperweg II een onderbouw. De maximale goot- en nokhoogte bedragen respectievelijk 3,5 en 10 meter. Op sommige plekken komen andere maten of afmetingen voor, deze zijn op de verbeelding weergegeven. Via een afwijking van de bouwregels kan de toegestane goothoogte worden verhoogd naar 6 meter. Bijgebouwen bij woningen De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning bedraagt maximaal 80 m2. De maximale gooten nokhoogte bedragen respectievelijk 3 en 6 meter. Via het functieveranderingsbeleid is het mogelijk om bijgebouwen te vergroten op basis van een sloopeis tot maximaal 400 m2. Dit is in de regels doorvertaald. Vervangende nieuwbouw van de woning Bij een eventuele vervangende nieuwbouw dient de woning op dezelfde plek terug te worden gebouwd. Soms is dezelfde plek niet de beste. De afstand tot een naastgelegen (agrarisch) bedrijf kan zo bijvoorbeeld worden vergroot. In het bestemmingsplan is hiervoor een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de bouwregels. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels.

Vergroten van de woning De woning kan via het afwijken van de bouwregels worden vergroot. In ruil daarvoor wordt bebouwing (bijgebouwen) gesloopt. Het kan hierbij gaan om bijgebouwen bij de woning zelf, maar ook om sloop elders. In de planregels is hiervoor een staffeling opgenomen, hoe meer vierkante meters worden gesloopt, hoe meer er terug mag worden gebouwd. Ook is in de regels omschreven welke voorwaarden er gelden voor sloop elders. Het herbouwplan mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit. Hobbymatig houden van vee In de gebruiksregels is bepaald dat het hobbymatig houden van vee is toegestaan, zowel binnen de woonbestemming als binnen de bestemming 'Agrarisch'. Steeds meer burgers in het buitengebied houden op hobbymatige wijze dieren. Het gaat vaak om schapen, geiten, kippen en paarden. Bij het houden van paarden speelt daarnaast mee dat een paardrijbak gewenst is om te kunnen paardrijden. Het beweiden van vee en het aanleggen van een paardrijbak zijn mogelijk op gronden met de bestemming 'Agrarisch', waarbij geldt dat een paardrijbak direct moet grenzen aan het betreffende bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' of een andere bestemming waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. 6.3.5

Dubbelbestemmingen en dubbelbestemmingen gebiedswaarden

In het plangebied liggen een aantal gasleidingen, rioolleidingen en een hoogspanningsverbinding. Deze leidingen lopen door andere bestemmingen heen. Deze leidingen zijn daarom bestemd door middel van de dubbelbestemmingen 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanning' en 'Leiding - Riool'. Doel van de bestemming is om de leidingen in het bestemmingsplan op een goede manier te regelen, onder andere om deze te beschermen. 6.3.5.1

Bestemming 'Waarde - Archeologie 1 tot en met 5 en Waarde - Archeologie 6'

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een dubbelbestemming voor archeologie toegepast. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2). De overige dubbelbestemmingen komen niet voor in het plangebied.

"Heetkamperweg II" (vastgesteld)

39

Heetkamperweg II

6.3.5.2

Bestemming 'Waarde - Beplanting en Verkaveling'

Voor te handhaven bomen en houtsingels is een dubbelbestemming 'Waarde - Beplanting en Verkaveling' opgenomen. Aan deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gekoppeld, zodat bijvoorbeeld bomen niet zonder een dergelijke vergunning kunnen worden gekapt, gerooid of verplaatst. Binnen de in de bestemmingsomschrijving genoemde bouwvlakken en bestemmingen geldt dit niet. Ook zijn werkzaamheden en werken in de bodem niet toegestaan zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Dit om de voor het betreffende gebied specifieke en/of cultuurhistorisch waardevolle kavelstructuur te beschermen. 6.3.5.3

Bestemming 'Waarde - Openheid en Reliëf'

Voor het beschermen van waardevolle open gebieden en/of (cultuurhistorisch en/of natuurwetenschappelijk) waardevolle hoogteverschillen is de dubbelbestemming 'Waarde - Openheid en Reliëf' opgenomen. Aan deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gekoppeld. Dit zodat bijvoorbeeld het planten van opgaande beplanting of het egaliseren van gronden niet mag plaatsvinden zonder omgevingsvergunning. Binnen de in de bestemmingsomschrijving genoemde bouwvlakken en bestemmingen geldt dit niet. 6.3.5.4

Bestemming 'Waterstaat - Waterhuishouding'

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterhuishouding' is opgenomen voor het beschermen van de waterhuishoudkundige functie van de betreffende gronden. Het gaat hierbij om gronden die niet zijn bestemd als 'Water'. Aan deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gekoppeld. Op de gronden met deze dubbelbestemming mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Uitzonderingen op het bouwverbod zijn alleen mogelijk na schriftelijke instemming van de waterbeheerder.

6.4

Algemene regels

6.4.1

Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 6.4.2

Algemene bouwregels

In dit artikel zijn onder andere een bepaling over bouwen ten dienste van de bestemming opgenomen evenals regels voor ondergronds bouwen. 6.4.3

Algemene gebruiksregels

In artikel 3.1, eerste lid van de Wro is vastgelegd dat de gemeenteraad de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen grond aanwijst en met het oog op de bestemming regels geeft. Er wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat bijvoorbeeld het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Daarnaast is opgenomen wat als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gezien. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen. Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten. 6.4.4

Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=f5c35dd5-d79a-40b4-bcb3-8fba9c5d8940