Hanzeweg-Zuid I_Toelichting_Bijlage 3 Archeologisch bureau onderzoek (nader gedeelte), Econsultancy, december 2022
Tekst van het document
Knotters, M., D. Walvoort, F. Brouwer, L. Stuyt & J. Okx, 2018: Landsdekkende, actuele informatie over grondwatergrappen digitaal beschikbaar. Loo, H. van het, 1997: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000; Toelichting bij het herziene kaartblad 32 Oost-Amersfoort. Wageningen. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G., P. van Delft, & h. Heidema, 2021: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research).
20592.001 versie 1
2/5
Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Oosterhout, F. van & F. de Roode, 2008: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Barneveld: Deel 1: beleidsnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart. Weesp (RAAP-Rapport 1682). Oude Rengerink, J.A.M., 2003: Plangebied Harselaar-Zuid, gemeente Barneveld: een inventariserend archeologisch onderzoek. Amsterdam (RAAP-Rapport 922). Pronk, E.C. & M.L. Schabbink, 2015: Plangebied Harselaar-Zuid, fase 1a, vindplaatsen 4 en 6, gemeente Barneveld: archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek proefsleuven. Weesp (RAAPRapport 2979). Rooij, J.A.G. van, 2010: Hoornweg 10 te Barneveld; Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Amersfoort (ADC Rapport 2485). Schut, P., 2013: Harselaar zuid: een historisch geografische verkenning. Stichting voor Bodemkartering, 1965: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000; Toelichting bij kaartblad 32 Oost Amersfoort. Wageningen. Vos, P., M. Meulen, H. van Weerts, J. Bazelman, B. Hoogendoorn & M. van der Meulen, 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus.
Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
20592.001 versie 1
3/5
BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’; internetsite, november 2022. https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, november 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, november 2022 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemdata, internetsite, november 2022. http://maps.bodemdata.nl/ Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, november 2022. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, november 2022. http://www.dinoloket.nl/ HisGIS; internetsite, november 2022. https://hisgis.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, november 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, november 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-5cf058314ebf. Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, november 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-8513-7370867ad32e. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, november 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35.
NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’, internetsite, november 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0.
20592.001 versie 1
4/5
Omgevingsrapport Provincie Gelderland; internetsite, november 2022. https://gelderland.omgevingsrapportage.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, november 2022. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, november 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F153C906C 9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Provincie Gelderland; Cultuurhistorie, internetsite, november 2022. http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=2cc6fb09cfc24a8d8a923867ecf57d7c Provincie Gelderland; Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie, internetsite, november 2022. http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=06b30b3eff92405b9f97773b62d Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, november 2022. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, november 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, november 2022. https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, november 2022. https://www.topotijdreis.nl VEO Bommenkaart; internetsite, november 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
20592.001 versie 1
5/5
KAARTEN
Kaart 1.
Het plangebied op de topografische kaart
Kaart 2.
Het plangebied op de kadastrale kaart
Kaart 3.
Het plangebied op een luchtfoto
Kaart 4.
Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart
Kaart 5.
40
Het plangebied op de paleogeografische kaarten40
Vervolg en legenda op volgende pagina.
Kaart 6.
Het plangebied op geomorfologische kaart
Kaart 7.
Het plangebied op het AHN
Kaart 8.
Het plangebied op de bodemkaart
Kaart 9.
Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied
Kaart 10. Boorpuntenkaart RAAP (2015) met begrenzing huidige plangebied en interpretatie boorstaten.
Kaart 11.
Het plangebied op historische kaarten
Kaart 12.
Advieskaart
BIJLAGEN
Bijlage 1.
Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Bijlage 2.
Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer (OMnummer) 2179284100 (25915)
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
Overlappend met het plangebied Gemeente Barneveld Coördinaat: 172681/464849
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 30-10-2007 Resultaat: Verwachtingskaart gemeente Barneveld
2436823100 (60719)
Overlappend met het plangebied Wesselseweg te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171233/463101
4907680100
Direct ten noordoosten van het plangebied Hanzeweg te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171369/463239
4758721100
80 meter ten noorden van het plangebied 20kV aanleg Harselaar te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 168637/462525
4773082100
100 meter ten noorden van het plangebied 20kV aanleg Harselaar te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 167313/461027
2139918100 (20299)
130 meter ten zuiden van het plangebied Riolering BarneveldKootwijkerbroek te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 170823/462924
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 17-03-2014 Resultaat: Plangebied heeft grotendeels een (zeer) lage verwachting (beekeerdgronden, verspoelde dekzanden en dekzandvlakten), enkele potentieel interessante locaties aangetroffen (dekzandwelvingen), maar hier zijn tijdens het karterende booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen.41 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 09-11-2020 Resultaat: De bodemopbouw is grotendeels intact en binnen het plangebied is een dekzandrug aanwezig. Op de dekzandrug zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen, namelijk aardewerk (waarvan twee uit de periode Vroege-Bronstijd – Midden-Romeinse tijd en één uit de 18e – 20e eeuw), onbewerkt vuursteen en een ijzerslak. Mogelijk maakt het gebied onderdeel uit van een nederzettingsterrein dat 450 m ten noorden van het onderzoeksgebied is aangetroffen. De (flanken van de) dekzandrug heeft op basis van het onderzoek een hoge verwachting. De buitenranden van het onderzoeksgebied liggen in een lager deel van het dekzandgebied en hier is de bodem verstoord tot in de C-horizont. In deze delen geldt een lage verwachting.
Geadviseerd is om de plannen aan te passen waardoor geen verstoringen op de dekzandrug plaatsvinden.42 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Antea Group Archeologie Datum: 12-12-2019 Grootschalig bureauonderzoek waar voor grote delen een hoge verwachting is vastgesteld en delen hebben een lage verwachting. In de delen waar geen grootschalige bestaande bodemverstoringen verwacht worden en waar een middelhoge tot hoge verwachting geldt, is verkennend booronderzoek geadviseerd.43 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Antea Group Archeologie Datum: 17-2-2020 Dichtstbijzijnde boringen zijn 700 m ten noordwesten van het plangebied uitgevoerd. Hierbij is een omgewerkte laag van 0,4 m dik aangetroffen, met hieronder een 0,2 m dikke, zandige leemlaag die sterk ijzerhoudend is, vermoedelijk een solifluctiedek. Hieronder bevinden zich smeltwaterafzettingen bestaande uit zwak grindig, zeer fijn, lichtgrijs zand. Plangebied vrijgegeven.44 Type onderzoek: archeologische begeleiding Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 2006-12-14 Resultaat: Het betreft een Archeologische begeleiding van een aantal vindplaatsen binnen het genoemde riooltracé. Binnen het huidige onderzoeksgebied is één werkput aangelegd, circa 300 m ten zuidwesten van het huidige plangebied.
De bodem bestaat hier uit een hoge zwarte enkeerdgrond en in één zone zijn ijzertijdsporen in het profiel aangetroffen, afgedekt door een middeleeuwse akkerlaag. Het vlak was tijdens de begeleiding reeds afgegraven, waardoor alleen sporen in het profiel zijn waargenomen. Enkele delen zijn niet door RAAP begeleid, maar hier zijn door een amateurarcheoloog (Jaap Wisse) wel vindplaatsen aangetroffen. Circa 350 m ten zuidwesten van het huidige plangebied is een rond grondspoor met een diameter van 30 cm waargenomen, met hierin aardewerkfragmenten uit vermoedelijk de IJzertijd. Ook is hier op de stort een vuurstenen krabber uit het Meso- of Neolithicum gevonden. Circa 150 m ten zuidwesten van het huidige plangebied zijn ontginningsgreppels uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd gevonden, evenals sporen van een spieker en aardewerk uit de IJzertijd. Ook is een vuurstenen kernfragment ui het Meso- of Neolithicum gevonden. Circa 410 m ten oosten van het
41
Goossens, 2015.
42
Derks & Louwe, 2021.
43
Fleuren & Fens, 2020.
44
Fens & Fleuren, 2020.
2047845100 (6429)
200 meter ten noordwesten van het plangebied Harselaar-Zuid te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 170650/463787
2300678100 (42862)
260 meter ten zuidwesten van het plangebied Hoornweg 10 te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171050/462842
2473695100 (65423)
470 meter ten noorden van het plangebied Harselaar Zuid, vindplaatsen 4 en 6 te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171411/463709
45
De Groot, 2007.
46
Oude Rengerink, 2003.
47
Van Rooij, 2010.
48
Pronk & Schabbink, 2015.
plangebied is een ovaal grondspoor aangetroffen (kuil) met hierin fragmenten houtskool en aardewerk uit de IJzertijd.45 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 2003-05-08 Resultaat: Plangebied ligt deels op een dekzandrug, waar archeologische resten gevonden zijn uit de Late Prehistorie en Late-Middeleeuwen (voornamelijk aardewerk), zowel in de cultuurlaag als in de onderliggende bodemlaag. De nederzettingssporen bevinden zich waarschijnlijk onder het esdek, vanaf 0,5 à 0,6 m -mv. Enkele delen zijn verstoord tot meer dan 0,75 m mv, hier zullen de archeologische resten grotendeels zijn verstoord. Proefsleuvenonderzoek aanbevolen.46 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 2010-09-23 Resultaat: Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de bodem binnen het plangebied tot minimaal 30 cm in de C-horizont is omgewerkt. Eventuele aanwezige archeologische resten zullen zich derhalve niet meer in situ bevinden. Plangebied vrijgegeven. 47 Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 2015-03-05 Resultaat: Vindplaats 4 betreft een historisch erf, waar delen van twee kelders zijn aangetroffen (eind 17e eeuw). Resten van de boerderij zelf zijn niet aangetroffen. Vindplaats 6 is een erf uit waarschijnlijk de Late-IJzertijd.
Hier zijn sporen van een boerderij en enkele bijgebouwen gevonden.48
Bijlage 3. Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 4907680100
2754570100
2962854100
Vondstmeldingen Locatie
Omschrijving
90 meter ten noordoosten van het plangebied Hanzeweg-Zuid te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171368/463232
Bronstijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk
250 meter ten zuidwesten van het plangebied Barneveld te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171000/463000 250 meter ten zuidwesten van het plangebied te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171000/463000
Nieuwe tijd : - fragment van een keramische kraal Gevonden tijdens booronderzoek Neolithicum : - 2 fragmenten van vuursteen bijlen Vondlocatie onbekend (administratief geplaatst), vondst is ergens in Barneveld gedaan. Neolithicum : - fragment van een vuursteen bijl - fragment van een zandsteen/kwartsiet bijl - fragment van een vuursteen spits Vondlocatie onbekend (administratief geplaatst), vondst is ergens in Barneveld gedaan.
Bijlage 4.
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.
De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnen-
velden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.
De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheemsRomeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'.
Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Bijlage 5.
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZcyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen.
Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten ▼ ▼ worden over te gaan op het begeleiden van de graafVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek werkzaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - booron- oppervlaktekartering derzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel ▼ met bouwkundige voorwaarden).
Ook kan besloten Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie worden over te gaan op het begeleiden van de graaf▼****** werkzaamheden door archeologen.*** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen Besluit ► vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waarde(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventu▼ ▼ eel met bouwkundige voorwaarden). Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Bijlage 6.
Planontwerp