CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Hanzeweg-Zuid I_Toelichting_Bijlage 3 Archeologisch bureau onderzoek (nader gedeelte), Econsultancy, december 2022

Gemeenteraad 13 december 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Hanzeweg-Zuid I in Barneveld (Flying Bikes)13.549 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek Hanzeweg-zuid Barneveld, gemeente Barneveld

Rapportage archeologisch bureauonderzoek Hanzeweg-zuid, Barneveld, gemeente Barneveld Opdrachtgever

Gemeente Barneveld Postbus 63 3770 AB Barneveld

Rapportnummer

20592.001

Versienummer1

2

Datum

2 december 2022

Opsteller

De heer drs. J. Holl

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

3

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 2 Methoden ...................................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 3 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden .............................................................................................................. 10 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 16

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 19

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 2-1 Tabel 2-2 Tabel 2-3 Tabel 2-4

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12.

Het plangebied op de topografische kaart Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de paleogeografische kaarten Het plangebied op geomorfologische kaart Het plangebied op het AHN Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Boorpuntenkaart RAAP (2015) met begrenzing huidige plangebied en interpretatie boorstaten. Het plangebied op historische kaarten Advieskaart

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

20592.001

Opdrachtgever

Gemeente Barneveld

Toponiem

Hanzeweg-zuid

Plaats

Barneveld

Gemeente

Barneveld

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

Kadastrale gemeente Barneveld, sectie B, perceelnummers 6084, 6085 & 6391

Omvang plangebied

circa 5.000 m2

Centrumcoördinaten (X/Y)

171.265/463.230

Archeoregio NOaA

2: Utrechts-Gelders zandgebied

Bevoegde overheid

Gemeente Barneveld Postbus 63 3770 AB Barneveld

Uitvoeringsperiode

November 2022

Uitvoerder(s)

Econsultancy, De heer drs. J. Holl (Senior KNA Prospector)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5311520100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot

mevr. C. van Eijk T. 06 25435199 E. C.vanEijk@barneveld.nl

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Barneveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Hanzeweg-zuid in Barneveld, gemeente Barneveld. De initiatiefnemer heeft het plan een weg met een rotonde aan te leggen. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Uit eerder booronderzoek ter plaatse van de Hanzeweg blijkt dat het plangebied gelegen is in de verspoelde dekzandvlakte, op de overgang naar een beekdal. Op de nabijgelegen dekzandhoogtes zijn diverse vondsten gedaan uit voornamelijk de IJzertijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie.

Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. Het plangebied ligt in een laaggelegen dekzandgebied, met in de nabijheid diverse dekzandruggen en -koppen. Voor jagers en verzamelaars zal het plangebied een weinig aantrekkelijke locatie gevormd hebben en er zal vooral gebruik gemaakt zijn van de dekzandruggen in de omgeving. Vandaar dat een lage verwachting geldt voor het Paleoen Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. Ook voor landbouwers zal de dekzandvlakte ongunstig zijn geweest voor bewoning. De vondsten in de omgeving zijn allemaal gelegen op de hogere delen van het dekzandlandschap. Op basis hiervan geldt een lage verwachting voor de perioden Neolithicum – Vroege-Middeleeuwen.

Vanaf de Late-Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Het plangebied lag in het begin van de 19e eeuw nog in een heidegebied. Op basis hiervan geldt voor het grootste deel een lage verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het uiterste zuidoosten heeft in ieder geval vanaf het begin van de 19 e eeuw tot circa 1930 een schaapskooi gestaan. Aangezien geen gedetailleerde oudere kaarten gevonden zijn, is onbekend vanaf wanneer een schaapskooi in het plangebied gestaan heeft. Voor de locatie van de schaapskooi geldt een hoge

20592.001 versie 1

verwachting voor resten van (voorgangers van) deze schaapskooi. Deze resten zullen vooral bestaan uit funderingsresten, paalkuilen en insteken. Eventuele archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden direct beneden het maaiveld verwacht. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Advies In het zuidoosten van het plangebied wordt, indien hier graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm -mv uitgevoerd worden, geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het te onderzoeken gebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Binnen het overige deel van het plangebied, waar een lage verwachting geldt voor alle perioden, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Barneveld), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Barneveld wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

20592.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Barneveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Hanzeweg-zuid in Barneveld, gemeente Barneveld. De initiatiefnemer heeft het plan een weg met een rotonde aan te leggen. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig. Bij de aanvraag van deze vergunning is gebleken dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2). Uitgaande van de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in November 2022 door De heer drs. J. Holl Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door De heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).

20592.001 versie 1

1 / 19

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • 2

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s;

SIKB.

20592.001 versie 1

2 / 19

• • •

het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Barneveld;

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.3 De onderzoekslocatie (± 5.000 m²) ligt aan de Hanzeweg-zuid, ten zuiden van bedrijventerrein de Harselaar in Barneveld en is kadastraal bekend als gemeente Barneveld, sectie B, nummers 6084, 6085 en 6391. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 32 F, (schaal 1:25.000), zijn de centrumcoördinaten X = 171.270, Y = 463.130. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. De onderzoekslocatie is in gebruik als grasland en wordt doorsneden door de Hanzeweg Zuid (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht.

Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012 geconsolideerd’. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’, met in het grootse deel van het plangebied de toevoeging ‘specifieke vorm van waarde – archeologie 1 – middelhoge verwachtingswaarde’. In het noordwestelijke deel geldt geen dergelijke toevoeging. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 1.500 m2 en dieper dan 30 cm beneden 3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

20592.001 versie 1

3 / 19

maaiveld in het grootste deel van het plangebied en groter dan 10.000 m 2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld in het noordwesten.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de vorige versie van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Barneveld. Volgens deze kaart ligt het grootse deel van het plangebied in een zone met een middelmatige verwachting en het noordwesten in een zone met een lage verwachting.5 Op het nieuwe bestemmingsplan (nog in ontwerpfase) valt het plangebied grotendeels in een zone met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en het noordoosten valt in een zone met ‘Waarde – Archeologie 1’. In deze zones in archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 2.000 m 2 en 10.000 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Deze dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de nieuwe versie van de gemeentelijke verwachtingskaart (zie kaart 4), waar het plangebied grotendeels een middelhoge verwachting heeft en het noordoosten een lage verwachting. 6 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het omgevingsloket van de provincie Gelderland geraadpleegd.7 Binnen het plangebied zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen gegevens bekend over de milieuhygiënische staat van het plangebied.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de aanleg van een weg met een rotonde gepland. Hierbij zullen diverse bodemingrepen plaatsvinden, waaronder aanleg van wegcunetten en verharding en aanleg van waterwegen (zie bijlage 6). De maximale diepte van de graafwerkzaamheden is 1,5 m -mv, ter plaatse van de duikers en sleuven. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verle-

4

Portaal voor Ruimtelijke Plannen.

5

De Roode & Van Oosterhout, 2008.

6

Keunen, 2018.

7

Omgevingsrapportage Gelderland.

20592.001 versie 1

4 / 19

den heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2-1 Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden op Formatie van Boxtel (ongedifferentieerd)

Geomorfologie9

Grotendeels dalvormige laagte (R23) Uiterste noorden: geulranddekzandrug al dan niet met oud bouwlanddek (B55yc) Uiterste zuiden: dekzandrug, al dan niet met oud bouwlanddek (B53yc)

Bodemkunde10

Grotendeels veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21) Noordwesten: vlakvaaggronden in lemig fijn zand, plaatselijk ijzerrijk binnen 0,5 m beginnend en tenminste 0,1 m dik (fZn23)

Grondwatertrap11

Grotendeels IVc, uiterste oosten IIc Gemiddeld hoogste diepte tussen 30 en 52 cm, gemiddeld laagste diepte tussen 147 en 183 cm

Landschappelijke ontwikkeling12 Het landschap in de omgeving van het plangebied is voor een groot deel ontstaan gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 370.000 tot 130.000 jaar geleden) en de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 115.000 – 11.600 jaar geleden). In het Saalien raakte de noordelijke helft van Nederland met landijs bedekt. Langs het landijsfront werden diepe glaciale bekkens uitgesleten en delen van de ondergrond werden door het landijs opgestuwd tot hoge stuwwallen. Het plangebied is gelegen binnen een glaciaal bekken, de Gelderse Vallei. Aan het eind van het Saalien smolt het landijspakket en werd het glaciale bekken grotendeels opgevuld met afzettingen in smeltwatermeren of glaciolacustriene afzettingen. De afzettingen onder het landijs, evenals de fluvioglaciale en glaciolacustriene afzettingen uit het Saalien worden gerekend tot de Formatie van Drenthe, die binnen het plangebied op circa -14 m NAP (27 m -mv) verwacht wordt. Tijdens het hierop volgende Eemien (130.000 tot 115.000 jaar gelden) steeg de temperatuur en drong het zeewater de Gelderse Vallei binnen. Op de bodem van de hierbij ontstane binnenzee werd kalkhoudend zand met schelpen en kalkhoudende klei afgezet dat binnen het plangebied op circa -10 m NAP (23 m -mv) verwacht wordt. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca.

115.000 – 11.600 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Het Vroeg-Weichselien (tot ca. 73.000 jaar gelden) was een periode waarin afwisselend koude en warme8

Geologische Dienst, 2021.

9

Wageningen Environmental Research, 2017.

10

Bodemdata.

11

Bodemdata.

12

De Roode & Van Oosterhout, 2008 / De Mulder et al., 2003 / DINOloket: Geologisch ondergrondmodel GeoTOP v1.4.1.

20592.001 versie 1

5 / 19

re fasen optraden. Er ontstonden sneeuwsmeltwaterrivieren die het stuwwallandschap doorsneden. Het Midden-Weichselien (tot ca. 14.800 jaar geleden) begon met een sterke daling van de gemiddelde jaartemperatuur. De zeespiegel daalde en de grond was permanent bevroren. In deze periode trad veel erosie door rivieren en beken op. De Gelderse Vallei werd voor een groot deel opgevuld met smeltwaterafzettingen die gerekend worden tot de Formatie van Boxtel. Binnen het plangebied worden deze afzettingen op 10,75 tot 11,75 m NAP verwacht (circa 1,5 à 3 m -mv). Het Laat-Weichselien (tot ca. 11.600 jaar geleden) was een periode waarin het klimaat soms zo koud en droog was dat vegetatie vrijwel geheel afwezig was. Tijdens deze periode traden ijzige sneeuwstormen op, waarbij veel zand verstoof. Dit materiaal werd afgezet als een deken van fijn, zwak lemig zand met leemlagen, het Oude Dekzand. Na enkele warmere perioden (Bølling en Allerød interstadialen), was het laatste millennium van het Weichselien weer een periode van felle kou. Het landschap veranderde in een droge poolwoestijn waarin op grote schaal zandverstuivingen plaatsvonden. Dit zwak lemige zand wordt aangeduid als Jong Dekzand en werd afgezet als glooiende ruggen, koppen en welvingen. Rond 11.600 jaar geleden begon het Holoceen, de huidige geologische periode.

Deze periode begon met een sterke temperatuurstijging, smelten van de ijskappen en stijging van de zeespiegel. Hierdoor nam de vegetatie sterk toe, waardoor het landschap grotendeels werd vastgelegd. Door verwaaiing zijn lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol; door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, dat eveneens behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, die eveneens behoren tot de Formatie van Boxtel. Buiten de beekdalen ontstonden in de Gelderse Vallei met name in de lager gelegen gebieden veenmoerassen en hoogveenkussens. Met name vanaf de tweede helft van het Atlanticum (vanaf circa 5500 v. Chr.) raakten grote gebieden bedekt met hoogveen. Op basis van paleogeografische kaarten (zie kaart 5)13 lag het plangebied in het dekzandgebied op de rand van een beekdal. Rond 1500 v. Chr. was nog sprake van een zandgebied, maar 500 v. Chr. was het gebied zodanig vernat dat veenvorming opgetreden had. Vanaf toen, tot in de Late-Middeleeuwen was het plangebied vermoedelijk bedekt met veen. Vanaf de Late-Middeleeuwen is het veen door ontginning, afgraving en ontwatering verdwenen.

DINO Het Dinoloket14 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen,

13

Vos et al., 2018.

14

Dinoloket.

20592.001 versie 1

6 / 19

geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn geen boringen bekend binnen een straal van 1000 meter rond het plangebied. Er zijn daarom geen boorprofielen uit het Dinoloket meegenomen. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. In een boring circa 240 m ten noordoosten van het plangebied is vanaf het maaiveld zandige beekleem van de Formatie van Boxtel, Singraven Laagpakket aangetroffen. Op 0,4 m -mv gaat deze laag over in matig fijn zand van de Formatie van Boxtel (vermoedelijk dekzand).15 Circa 330 m ten noordwesten van het plangebied is vanaf het maaiveld sterk siltig, deels humeus zand aangetroffen tot 1,2 m -mv, met hieronder een laag zandig veen. Vermoedelijk betreffen dit Holocene beekafzettingen van het Laagpakket van Singraven. Vanaf 1,5 m -mv matig fijn zand (vermoedelijk dekzand) met vanaf 2,5 m -mv matig grof, grindhoudend zand (Formatie van Boxtel), vermoedelijk fluvioperiglaciale afzettingen. 16 Circa 360 m ten zuidoosten van het plangebied is vanaf het maaiveld matig fijn zand aanwezig (vermoedelijk dekzand) met vanaf 1,2 m -mv grindhoudend zand (vermoedelijk fluvioperiglaciale afzettingen.

17 Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat in het plangebied vermoedelijk fluvioperiglaciale afzettingen aanwezig zijn op 1,2 à 2,5 m -mv, met hierboven een pakket dekzand. Ook kan een pakket beekafzettingen van circa 0,4 à 1,2 m dik verwacht worden. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels binnen een dalvormige laagte (zie kaart 6). Dit zijn langgerekte, ondiepe depressies die meestal ontstaan zijn door het oppervlakkig afstromen van sneeuwsmeltwater in het Weichselien. Het noorden bevindt zich op een geulranddekzandrug. Dit zijn lange, smalle dekzandruggen die parallel aan dalvormige laagten liggen. Deze vormen zijn vaak te vinden in de Gelderse Vallei en zijn mogelijk ontstaan in een milieu waarin geulen in puinwaaiers van sneeuwsmeltwaterafzettingen droogvielen, waarna het sediment kon opwaaien tot duinen op de rand van de geul. Het zuiden bevindt zich op een dekzandrug. Deze terreinvormen zijn in het laatste deel van het Weichselien ontstaan door opstuiving, waarbij in de Gelderse Vallei langgerekte ruggen ontstonden met een zuidwestnoordoost oriëntatie.18

15

DINO-boring B32F0237.

16

DINO-boring B32F0233.

17

DINO-boring B32F0982.

18

Maas et al., 2021.

20592.001 versie 1

7 / 19

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland19 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN loopt het maaiveld in het plangebied geleidelijk op van 12,6 m NAP in het noordoosten naar 13,2 m NAP in het zuidwesten van het plangebied (zie kaart 7). De Hanzeweg, die het plangebied doorsnijdt, vormt een duidelijke verhoging tot 13,8 m NAP. Het plangebied ligt in vergelijking met de omgeving in een relatief laag gebied, direct ten noorden is een dekzandrug te herkennen, waar het maaiveld oploopt tot 13,7 m NAP. Hoewel het uiterste noorden van het plangebied volgens de geomorfologische kaart op deze dekzandrug zou moeten liggen, lijkt deze op basis van AHN-beelden direct ten noorden van het plangebied te liggen. Het zuiden ligt volgens de geomorfologische kaart eveneens op een dekzandrug. Hier is inderdaad te zien dat het maaiveld iets omhoog loopt. Het hoogste deel van de dekzandrug ligt circa 200 m ten zuiden van het plangebied op 15,2 m NAP. Binnen het plangebied zijn, behalve de Hanzeweg, geen aanwijzingen voor afgravingen of ophogingen waargenomen op het AHN.

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied grotendeels gekarteerd als veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig zand (zie kaart 8). Podzolgronden zijn gronden waarin een duidelijke, overwegend bruine, uitspoelingslaag (B-horizont) voorkomt waarin door regenwater organische stof en/of ijzeroxiden zijn ingespoeld. De lichtgrijze laag hierboven, waar de humus en ijzeroxiden zijn uitgespoeld, wordt de E-horizont genoemd. Wanneer de ingespoelde humus in de B-horizont overwegend amorf is, wordt gesproken van een humuspodzolgrond. Veldpodzolgronden zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes rondom de zandkorrels direct onder de B-horizont en met een humeuze bovenlaag (A-horizont) dunner dan 30 cm. In de Gelderse Vallei is de bovengrond wat homogener dan op de overgang naar de stuwwallen, vermoedelijk omdat de gronden in de Gelderse Vallei wat eerder ontgonnen zijn. Tevens is de bovengrond wat dikker en minder homogeen in de gronden die in gebruik zijn geweest als bouwland. De E-horizont is verschillend van dikte en ontbreekt vaak. De dikte en aard van de B-horizont is eveneens verschillend. Meestal is deze ijzerarm en soms komen ijzerconcreties voor. De C-horizont (moedermateriaal) bevat meestal geen roest. In het noordwesten komen volgens de bodemkaart vlakvaaggronden in lemig fijn zand voor. Deze gronden komen verspreid in beekdalen voor.

In eerdere versies van de bodemkaart waren deze gronden als beekeerdgronden gekarteerd, maar hierna zijn veel beekeerdgronden sterk omgewerkt, waardoor een bovengrond van een vermenging van de A- en C-horizont is ontstaan en het leemgehalte varieert op korte afstand.20

19

PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.

20

Van het Loo, 1997 / Stichting voor Bodemkartering, 1965.

20592.001 versie 1

8 / 19

Boringen en/of sonderingen In het kader van de aanleg van de Hanzeweg Zuid is in het wegtracé een archeologisch booronderzoek uitgevoerd, waarbij één boring binnen het plangebied gezet is. In deze boring is op 0,4 m -mv (12,7 m NAP) lichtgrijs, matig grof, verspoeld dekzand aangetroffen. Hierboven bevond zich een verstoord pakket sterk humeus, donkerbruingrijs zand. Op basis hiervan is aan het tracé van de Hanzeweg binnen het plangebied een lage verwachting toegekend.21 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ weergegeven. Tabel 2-2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. De grondwatertrappen worden verder onderverdeeld door toevoeging van letters achter de grondwatertrap. Tabel 2-2 Grondwatertrappenindeling22 Grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

VIII

GHG (cm -mv)

-

-

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

>120

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich grotendeels in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap IVc. Dit zijn gronden met een gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 cm -mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm -mv. Het uiterste oosten ligt in een gebied met grondwatertrap IIc. Dit zijn gronden met een gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 40 cm -mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 50 en 80 cm -mv.23

21

Goossens, 2015.

22

Knotters et al., 2018.

23

Knotters et al., 2018.

20592.001 versie 1

9 / 19

2.6 Archeologische waarden AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, is Archis3, geraadpleegd, de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 9 zijn de archeologische waarden in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. AMK-terreinen Archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn terreinen waar op basis van historische gegevens of vondsten archeologische resten worden vermoed of aanwezig zijn. Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen AMK-terreinen. Onderzoeksmeldingen Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en definitieve opgravingen. Bureauonderzoeken worden buiten beschouwing gelaten. Een uitdraai van de onderzoeksmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 2.

Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren diverse onderzoeken uitgevoerd, namelijk bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) een proefsleufonderzoek en een archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden (zie kaart 9). Hieronder worden de voor het plangebied meest relevante meldingen besproken. Het tracé van de Hanzeweg, die door het plangebied loopt, is voor de aanleg hiervan onderzocht met een booronderzoek (zie kaart 10). Hierbij is vastgesteld dat binnen het plangebied verspoeld dekzand op 0,4 m -mv aanwezig is, met hierboven een verstoord pakket. Ook in de boringen direct ten noorden en zuiden van het plangebied is vanaf 0,4 à 0,6 m -mv verspoeld dekzand aangetroffen, ten noorden van het plangebied afgedekt met enkele decimeters beekafzettingen. Hierboven bevindt zich een verstoord pakket. Circa 70 m ten noorden bevindt zich een welving in het dekzand. Hier is de bodem verstoord tot in de C-horizont. Vanaf circa 80 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich een rug in het landschap, die een dekzandrug lijkt. Volgens de auteurs is hier sprake van een maximaal 1 m dik esdek op een dekzandvlakte. Uit de boorstaten blijkt echter dat het pleistocene oppervlak hier oploopt tot 14,1 m NAP, circa 1 tot plaatselijk 2 m hoger dan in de overige delen van het plangebied.

Hier lijkt dus wel degelijk sprake van een dekzandrug waarin geen podzolprofiel meer aanwezig is. In het zuiden van het gebied, circa 600 m ten zuiden van het huidige plangebied, is een dekzandwelving aanwezig, waar een B-horizont is aangetroffen. Volgens de auteurs is deze dekzandwelving hier slechts ter plaatse van één boring aanwezig en het dekzand ligt hier op 13,0 m NAP. Uit de boorstaten blijkt echter dat in boringen ten zuiden hiervan (waar geen podzolbodem is aangetroffen), het dekzand eveneens op 13,0 m NAP ligt, dus verwacht wordt dat de dekzandhoogte doorloopt richting het zuiden. Bij de boring waar een B-horizont is

20592.001 versie 1

10 / 19

aangetroffen, is een karterend booronderzoek uitgevoerd, waarbij geen vondsten zijn aangetroffen. 24 Dit onderzoek biedt een goede dwarsdoorsnede van het huidige plangebied, op basis waarvan het gehele plangebied in een verspoeld dekzandgebied lijkt te liggen. Direct ten noordoosten van het plangebied is eveneens een booronderzoek uitgevoerd. Hierbij is vastgesteld dat het centrale deel van dit terrein op een dekzandrug ligt, waarop diverse vondsten gedaan zijn, onder andere aardewerk uit de periode Bronstijd – Romeinse tijd. De randen van het onderzoeksgebied (waaronder het deel direct grenzend aan het huidige plangebied) liggen in een lager dekzandgebied en hiervoor geldt op basis van het onderzoek een lage verwachting. In de boringen het dichtst bij het huidige plangebied is een verstoorde bodem aangetroffen tot 0,5 à 0,8 m -mv, met hieronder zwak tot uiterst siltig, lichtgrijs zand met meestal veel roestvlekken en ijzerconcreties. Dit betreft vermoedelijk verspoeld dekzand.25 Ten zuiden van het plangebied is de aanleg van een riooltracé archeologisch begeleid. Hierbij zijn binnen het huidige onderzoeksgebied diverse vindplaatsen aangetroffen. Circa 300 m, 350 m en 150 m ten zuidwesten van het plangebied en 410 m ten oosten van het plangebied zijn grondsporen en soms aardewerk aangetroffen, daterend uit (vermoedelijk) de IJzertijd.

Ook zijn 350 m en 150 m ten zuidwesten van het plangebied vuursteenfragmenten uit het Meso- of Neolithicum aangetroffen. Tenslotte zijn 150 m ten zuidwesten van het plangebied ontginningsgreppels aangetroffen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.26 Ook circa 200 m ten westen van het plangebied zijn tijdens booronderzoek archeologische resten aangetroffen, daterend uit de late prehistorie en Late-Middeleeuwen. Deze zijn aangetroffen op een dekzandrug, afgedekt door een esdek.27 Tijdens proefsleuvenonderzoek 470 m ten noorden van het plangebied zijn tenslotte resten van een historisch erf uit de Late-Middeleeuwen en een erf uit de Late-IJzertijd aangetroffen.28 Samenvattend kan gesteld worden dat in de omgeving van het plangebied diverse vindplaatsen aangetroffen zijn, grotendeels uit de IJzertijd, maar ook uit de perioden Meso-/Neolithicum en Middeleeuwen. Deze vindplaatsen bevinden zich allemaal op de in de omgeving van het plangebied gelegen dekzandruggen. Op basis van de onderzoeken binnen het plangebied en direct grenzend aan het plangebied lijkt het plangebied in een relatief laag gebied te liggen, vermoedelijk een verspoelde dekzandvlakte. Ook is in de boringen binnen en direct grenzend aan het plangebied vastgesteld dat de bodem tot in de C-horizont verstoord is (tot 0,4 à 0,8 m -mv) en dat hieronder verspoeld dekzand aanwezig is.

Vondstmeldingen Vondstmeldingen zijn meldingen van vondsten die bij toeval zijn gedaan of bij archeologisch onderzoek. Een overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 3.

24

Archis zaakidentificatie 2436823100.

25

Archis zaakidentificatie 4907680100.

26

Archis zaakidentificatie 2139918100.

27

Archis zaakidentificatie 2047845100.

28

Archis zaakidentificatie 2473695100.

20592.001 versie 1

11 / 19

Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd (zie kaart 9). Eén van deze meldingen betreft de vondsten gedaan bij het ten noordoosten van het plangebied uitgevoerde booronderzoek. 29 De andere twee betreffen vuurstenen artefacten die in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw gedaan zijn en waarvan de vondstlocatie onbekend is. 30 Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Gelderland De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland31 geeft inzicht in de archeologische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Het plangebied ligt in een gebied met nat-droge kampontginningen, namelijk oude ontginningen en -bossen en het vochtige dekzandgebied. Circa 40 m ten oosten van het plangebied loopt een historische weg/pad van noord naar zuid. Het plangebied bevindt zich binnen de provinciale archeologische parel A-5. Dit is een gebied ten noorden van Barneveld-Voorthuizen-Nijkerk. Dit gebied ligt tussen twee stuwwallen en de daar vroeger gevestigde machtcentra Gelre en Utrecht in. Op de dekzandruggen en -kopjes die boven dit moerasachtige gebied uitstaken, worden prehistorische vindplaatsen verwacht. Vanaf de Middeleeuwen worden, als gevolg van ontginning, meerdere gebieden bewoonbaar en vond grootschalige kolonisatie plaats.

Het gebied van de Barneveldse Beek is bovendien interessant door het intacte historisch-geografische landschap.32 Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties, archieven en depots geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied33 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4.

29

Archis zaakidentificatie 4907680100.

30

Archis zaakidentificaties 2754570100 & 2962854100.

31

Provincie Gelderland; Cultuurhistorie / Provincie Gelderland; Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie.

32

Bruning, 2012.

33

Bruning, 2012 / De Roode & Van Oosterhout, 2008.

20592.001 versie 1

12 / 19

Over de bewoning in de vroege prehistorie binnen de Gelderse Vallei is weinig bekend. De meeste bekende resten bestaan uit vuursteenstrooiingen. Deze zijn vooral op de hogere landschappelijke zones gevonden, zoals dekzandruggen en -koppen. Bij de aanleg van een waterleiding ten zuiden van Harselaar zijn haardkuilen en artefacten gevonden uit de vroege prehistorie en bij Harselaar West zijn Mesolithische resten aangetroffen. Uit het Neolithicum zijn vrijwel geen duidelijke vindplaatsen bekend. Uit de Bronstijd en IJzertijd is meer informatie bekend. In de Bronstijd lijkt de bewoning zich vooral op het gordeldekzandlandschap langs de oostelijke stuwwal te concentreren. Binnen de Gelderse Vallei zijn geen vindplaatsen uit deze periode bekend. Uit de IJzertijd zijn veel resten bekend, ook op de dekzandruggen in de Vallei, onder andere in de directe omgeving van het plangebied. De bevolking nam flink toe en de landbouw werd geïntensifieerd. Naast bewoningssporen en urnenvelden, zijn uit deze periode ook resten van ijzerwinning bekend. Bij Harselaar-Zuid, langs de Wencopperweg zijn resten van nederzettingen uit de IJzertijd blootgelegd. Het gaat hier om een vele hectaren groot nederzettingsterrein op dekzandruggen. Het nederzettingsterrein bevat huisplaatsen met bijbehorende erven, evenals een grafveld.

Uit de Romeinse tijd zijn enkele vondstcomplexen bekend, vooral in het zuidelijke deel van de Gelderse Vallei, bij Ede, Bennekom en Wageningen (in de nabijheid van de Romeinse limes). Meer noordwaarts zijn zeer weinig resten bekend. Een voorbeeld uit de Romeinse tijd is een vindplaats op een dekzandrug bij Harselaar-West, waar sporen van een huisplattegrond, spieker en kuilen gevonden zijn. Er zijn nog nauwelijks vondstcomplexen uit de Vroege-Middeleeuwen onderzocht en uit het lagere deel van de Gelderse Vallei zijn nauwelijks vondsten bekend. Resten uit deze periode zijn vooral op dekzandhoogtes bij Ermelo, Putten en Wageningen gevonden. Van de Late-Middeleeuwen is meer bekend, vooral op basis van historische bronnen. In Harselaar-Zuid is een 11e-eeuws erf gevonden en zijn bij proefsleuvenonderzoek sporen uit de 13e en 14e eeuw gevonden. De middeleeuwse resten liggen op dekzandruggen in het lage deel van de Gelderse Vallei. Tevens is een middeleeuwse landweer uit de 14e of 15e eeuw gevonden. Vanaf de 14e en 15e eeuw is archeologisch vrijwel niets bekend. Uit historische bronnen is bekend dat in de Late-Middeleeuwen de lagere delen van het gebied ontgonnen werden. Rondom gehuchten met enkele boerderijen ontstonden grote akkercomplexen die enken genoemd worden.

De lagere delen van het landschap werden als gras- en hooiland benut, bossen werden voor houtopbrengst gebruikt en de heidegebieden voor het steken van plaggen en als graasgebied. In de loop van de Late-Middeleeuwen werden de akkergronden met plaggenmest bemest. Heide- en grasplaggen werden in de stallen gestort. Door vertrapping van veen en vermenging met mest ontstond zo humusrijke plaggenmest die op het bouwland werd opgebracht. In de loop der eeuwen ontstond zo een dik humeus dik dat soms meer dan een meter dik is. In de loop van de Late-Middeleeuwen werden de nederzettingen meer plaats vast. In de beekdalen werden de venen afgegraven, waartoe vaak nieuwe waterwegen gegraven werden of bestaande beken werden omgelegd. Vermoedelijk hoorde het plangebied bij het Garderbroek, dat vanaf de 12 e eeuw ontgonnen werd. In 1326 wordt voor het eerst melding gemaakt van het wildforstergoed Wendinchem of Wenkum/Wenkop, een gehucht dat 1 km ten noordwesten van het plangebied lag. Met name vanaf de 16e eeuw zal de schapenteelt in de heidegebieden een belangrijk onderdeel hebben gevormd van het boerenbedrijf.

20592.001 versie 1

13 / 19

Vanaf de 15e eeuw werden houtsingels op de randen van akkercomplexen aangelegd om verstuiving tegen te gaan. Rond 1600 kwam de papierindustrie op en in de 17e en 18e eeuw werden veel nieuwe watermolens gebouwd. Door vernieuwingen in de landbouw werden steeds meer woeste gronden voor landbouw gereed gemaakt en werden de meeste natte gronden ook in gebruik genomen. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2-3 Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Bron

Periode

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut34

1811-1832

1:2.500

Heide met in uiterste zuidoosten een schaapskooi, in bezit van Johannes Timmerman

Plangebied maakt onderdeel uit van een heideperceel met hieromheen overwegend bouwland, de heidepercelen en enkele akkers direct ten zuiden en oosten hiervan waren eveneens in bezit van dhr. Timmerman. Ten oosten van het plangebied liep een weg, aan de randen van de akkers lagen houtwallen

Militaire topografische kaart35 (nettekening)

1830-1850

1:50.000

Bouwland

Vermoedelijk foutief als bouwland gekarteerd, aangezien het op de eerdere en latere kaarten in gebruik was als heide met schaapskooi

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1872-1929

1:50.000

Heide met in zuidoosten een schaapskooi

Een deel van het heidegebied rondom het plangebied is omgevormd tot bouwland

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1931-1942

1:50.000

Bouwland

Een groot deel van het bouwland rondom het plangebied is omgevormd tot weiland, langs het zuiden van het plangebied loopt een weg

Topografische kaart

1953

1:25.000

Grotendeels weiland, zuiden: bouwland

De weg langs het zuiden is niet meer aanwezig

Topografische kaart

1962-2006

1:25.000

Weiland

In de omgeving overwegend weilanden met enkele akkers

Topografische kaart

2010-2014

1:25.000

Bouwland

In de omgeving weer meer akkers

Topografische kaart

2015

1:25.000

Weiland

Aantal akkers weer sterk afgenomen

34

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

35

Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

20592.001 versie 1

14 / 19

Bron

Periode

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Topografische kaart

2016

1:25.000

De Hanzeweg is door het plangebied aangelegd, ten oosten hiervan weiland en ten westen bouwland

Geen bijzonderheden

Topografische kaart

2017-2021

1:25.000

Aan weerszijden van de Hanzeweg Idem weiland

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2-3 en kaart 11) was het plangebied in het begin van de 19e eeuw in gebruik als heidegebied met in het zuidoosten een schaapskooi. De aangrenzende akkers hadden dezelfde eigenaar. Het heidegebied zal zijn gebruikt voor het beweiden van schapen, die ’s nachts in de schaapskooi werden gezet. Tot circa 1930 bleef deze situatie gehandhaafd, waarna het heidegebied ontgonnen werd en in gebruik raakte als bouwland. Enkele decennia hierna was het plangebied geheel in gebruik als weiland tot in de 21e eeuw. In de jaren ’10 was het nog enkele jaren als bouwland gebruikt, waarna het weer in gebruik kwam als weiland. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Barneveld is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.

36 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Circa 500 m ten zuiden van het plangebied heeft een bombardement plaatsgevonden.37 Mogelijk zijn hier nog resten van aanwezig, maar relevante structuren worden niet verwacht.

36

Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 37 Schut, 2013.

20592.001 versie 1

15 / 19

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2-4 Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Neolithicum

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Bronstijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

IJzertijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Romeinse tijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Vroege-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Late-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

20592.001 versie 1

16 / 19

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

Nieuwe tijd

Hoog in zuidoosten, overige deel laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Vanaf het maaiveld

Uit eerder booronderzoek ter plaatse van de Hanzeweg blijkt dat het plangebied gelegen is in de verspoelde dekzandvlakte, op de overgang naar een beekdal. Op de nabijgelegen dekzandhoogtes zijn diverse vondsten gedaan uit voornamelijk de IJzertijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 38 Het plangebied ligt in een laaggelegen dekzandgebied, met in de nabijheid diverse dekzandruggen en -koppen. Voor jagers en verzamelaars zal het plangebied een weinig aantrekkelijke locatie gevormd hebben en er zal vooral gebruik gemaakt zijn van de dekzandruggen in de omgeving. Vandaar dat een lage verwachting geldt voor het Paleoen Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.

Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.39 Ook voor landbouwers zal de dekzandvlakte ongunstig zijn geweest voor bewoning. De vondsten in de omgeving zijn allemaal gelegen op de hogere delen van het dekzandlandschap. Op basis hiervan geldt een lage verwachting voor de perioden Neolithicum – Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Late-Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Het plangebied lag in het begin van de 19e eeuw nog in een heidegebied. Op basis hiervan geldt voor het grootste deel een lage verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het uiterste zuidoosten heeft in ieder geval vanaf het begin van de 19 e eeuw tot circa 1930 een schaapskooi gestaan. Aangezien geen gedetailleerde oudere kaarten gevonden zijn, is onbekend vanaf wanneer een schaapskooi in het plangebied gestaan heeft. Voor de locatie van de schaapskooi geldt een hoge verwachting voor resten van (voorgangers van) deze schaapskooi. Deze resten zullen vooral bestaan uit funderingsresten, paalkuilen en insteken. Eventuele archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld.

Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en 38

Louwe Kooijmans et al., 2005.

39

Louwe Kooijmans et al., 2005.

20592.001 versie 1

17 / 19

waterputten) worden direct beneden het maaiveld verwacht. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als grasland en voor een korte periode als bouwland. Bij ploegwerkzaamheden kunnen eventuele resten, die vanaf het maaiveld kunnen voorkomen, verstoord zijn geraakt. Tijdens booronderzoek direct ten noordoosten en binnen het plangebied (langs de huidige Hanzeweg) is vastgesteld dat de bodem tot circa 50 cm -mv verstoord is. Vermoed wordt dat dat ook in het overige deel van het plangebied het geval is.

20592.001 versie 1

18 / 19

3

CONCLUSIE EN ADVIES

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft voor alle archeologische perioden voor de Nieuwe tijd. In het zuidoosten van het plangebied geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van resten van een schaapskooi uit de Nieuwe tijd. Het overige deel van het plangebied heeft een lage verwachting voor de Nieuwe tijd. In het zuidoosten van het plangebied wordt, indien hier graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm -mv uitgevoerd worden, geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren (zie kaart 12). Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het te onderzoeken gebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Binnen het overige deel van het plangebied, waar een lage verwachting geldt voor alle perioden, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Barneveld), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Barneveld wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Econsultancy, 2 december 2022

20592.001 versie 1

19 / 19

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bruning, L., 2012: Integrale Kennisagenda Archeologie Provincie Gelderland; Rivierengebied, Veluwe, OostGelderland. Derks, M. & E. Louwe, 2021: Archeologisch bureau- en booronderzoek Hanzeweg te Barneveld. Zwolle (Econsultancy Rapport 13845.001). Fens, R. & I. Fleuren, 2020: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen 20 kV aanleg Harselaar-Barneveld, gemeente Barneveld. Heerenveen (Antea Group Archeologie 2020/144). Fleuren, I. & R. Fens, 2020: Bureauonderzoek 20 kV aanleg Harselaar-Barneveld, gemeente Barneveld. Heerenveen (Antea Group Archeologie 2019/198). Geologische Dienst, 2021: Geologische kaart van het koninkrijk der Nederlanden (2021). Goossens, E., 2015: Plangebied Esvelderbeek – Wesselseweg, gemeente Barneveld; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek). Weesp (RAAP-Notitie 4999). Groot, R.W. de, 2007: Aanleg riolering Hoornweg en Bloemendaallaan, gemeente Barneveld; een archeologische begeleiding. Weesp (RAAP-Rapport 1548). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Keunen, L.J., 2018: Notitie Cultuurhistorisch beleid Gemeente Barneveld. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e30b96fc-dbd4-4c83-a139-4021ca0716a9