Hanzeweg-Transportweg_Toelichting.pdf
Tekst van het document
1.4
Besluit milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Er is sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht, wanneer het te realiseren project wordt genoemd in respectievelijk onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
De voorgenomen verandering valt onder de volgende categorie van het Besluit m.e.r.: Tabel 1: Categorie Besluit m.e.r. Categorie
Activiteiten
Gevallen (Drempelwaarde)
D11.3
De aanleg, wijziging, of uitbreiding van een industrieterrein.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.
De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt 75 hectare of meer. De voorgenomen activiteit heeft een oppervlakte van circa 2.600 m2 en blijft dus onder de drempelwaarde, zoals genoemd in kolom 2 onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. 1.5
Doel en belang aanmeldnotitie In deze notitie wordt de informatie gegeven op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, die het noodzakelijk maken om een milieueffectrapport op te stellen. De toekomstige situatie wordt hierbij afgezet tegen de huidige situatie. Er wordt daarnaast rekening gehouden met cumulatie van andere projecten in de omgeving. De aanmeldnotitie geeft de milieugevolgen aan, die kunnen ontstaan als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Hierbij moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU en de wijzigingsrichtlijn 2014/52/EU. Deze volgende criteria zijn in de hoofdstukken 2, 3 en 4 per paragraaf uitgewerkt: 1.
Kenmerken van het project De kenmerken van de projecten moeten in aanmerking worden genomen, en met name: a) de omvang en het ontwerp van het gehele project; b) de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) het risico van zware ongevallen en/of rampen, die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen, die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; g) de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2. Locatie van het project De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden, waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name: a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i) wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ii) kustgebieden en het mariene milieu; iii) berg- en bosgebieden; iv) natuurreservaten en -parken; v) gebieden, die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden, die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; vi) gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; vii) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; viii) landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.
Soort en kenmerken van het potentiële effect De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de onder punten 1 en 2 hierboven uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project, met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking, die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; c) het grensoverschrijdend karakter van het effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. 1.6
Procedure Het bevoegd gezag wordt gevormd door de gemeente Barneveld. De beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt plaats nadat het bevoegd gezag de aanmeldnotitie heeft ontvangen. De initiatiefnemer maakt met het indienen van de aanmeldnotitie aan het bevoegd gezag kenbaar, wat de mogelijke milieueffecten zijn en in hoeverre het opstellen van een milieueffectrapport naar haar mening in dit geval noodzakelijk is. De te volgen procedure is geregeld in de Wet milieubeheer, artikelen 7.16 en 7.17.
1.7
Leeswijzer In deze aanmeldnotitie worden de kenmerken van de nieuwe activiteiten beschreven in hoofdstuk 2. Hier worden tevens de effecten op het milieu beschreven. Hoofdstuk 2 wordt afgesloten met een conclusie en onderbouwing waarom het opstellen van een milieueffectrapportage niet/wel nodig is. In hoofdstuk 3 wordt de locatie van het project beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de kenmerken van de potentiële effecten op het milieu, zoals deze in hoofdstuk 2 reeds aan bod zijn gekomen. Hoofdstuk 5 sluit af met een conclusie over welke nadelige effecten de aangevraagde situatie voor het milieu kan hebben.
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
2.
KENMERKEN VAN HET PROJECT
2.1
Omvang en het ontwerp van het project Referentiesituatie In de aanmeldnotitie wordt het voornemen beoordeeld op doelbereik en milieueffecten. Daartoe worden de (milieu)effecten van de voorgenomen activiteit vergeleken met de situatie waarin dat niet gebeurt. De situatie zonder het voornemen is de referentiesituatie. Deze bestaat uit de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Onder autonome ontwikkeling wordt de situatie verstaan, die in de toekomst zou ontstaan als een voornemen niet gerealiseerd wordt. In dit geval is de autonome ontwikkeling de situatie waar de gronden agrarisch bestemd blijven. Tot de autonome ontwikkeling behoren, behalve de huidige situatie, alle toekomstige ontwikkelingen die binnen de hierna genoemde bestemmingsplannen kunnen plaatsvinden. De projectlocatie bevindt zich in drie verschillende bestemmingsplannen (zie afbeelding 3): A. Buitengebied 2000, vastgesteld op 30 juni 2009 B. Buitengebied 1983, vastgesteld op 17 april 1984 C. Hanzeweg (bp Harserlaar-Oost 1989), vastgesteld op 28 juni 1994 Afbeelding 3: Bestemmingsplannen (bron: ruimtelijke plannen).
A
C
B Toelichting van voorgenomen activiteiten De voorgenomen activiteit betreft het wijzigen van de bestemming van het terrein van agrarisch naar bedrijventerrein, waarbij bedrijven tot en met categorie 4.1 worden toegestaan. Het betreft een uitbreiding van het bestaande industrieterrein Harselaar met een oppervlakte van circa 2.600 m2. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 75 hectare volgens D 11.3 van het besluit m.e.r.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
2.2
22100401.r02
Cumulatie met andere bestaande projecten en/of goedgekeurde projecten Cumulatie met andere projecten in de nabijheid van de planlocatie is niet aan de orde. Er zijn geen recente andere ontwikkelingen of activiteiten in de omgeving, die de milieueffecten vanuit de inrichting beïnvloeden en omgekeerd. Betreffende het geluid wordt cumulatie met andere projecten beoordeeld door de zonebeheerder. Het industrieterrein Harselaar is immers gezoneerd in het kader van de wet geluidhinder, waardoor de totale geluidbelasting op de zonegrens wordt getoetst bij elke relevante wijziging.
2.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het project heeft geen effect op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen binnen de planlocatie. Er is geen sprake van nieuwe en/of andere processen of activiteiten, waarbij natuurlijke hulpbronnen anders dan energie, water en bodem relevant zijn. Op de bedrijfslocatie ter plekke en in de omgeving daarvan is evenmin sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen (water, land, bodem en biodiversiteit). Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de bedrijven. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen als energie, water en grondstoffen. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen hiervan zijn dusdanig beperkt van omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Door het gebruik van duurzame energie wordt tijdens de gebruiksfase het gebruik van natuurlijke hulpbronnen beperkt. Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Waterverbruik Met de komst van de toekomstige bedrijven zal leidingwater gebruikt worden. Omdat het gebied op dit moment niet in gebruik is, neemt het waterverbruik dus toe ten opzichte van de referentiesituatie.
2.4
Productie van afvalstoffen Met de komst van de toekomstige bedrijven zal er sprake zijn van nieuwe productieprocessen met mogelijke nadelige milieugevolgen. De aard en hoeveelheid van deze stoffen is op voorhand niet te bepalen, maar zal voldoen aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot afvalstoffen. Door gescheiden opslag en afvoer kunnen de afvalstoffen extern worden hergebruikt en is het milieueffect beperkt. Afvoer geschiedt door een erkende inzamelaar.
2.5
Verontreiniging en hinder Algemeen Op basis van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG (2009) kan vooraf een inschatting worden gemaakt van de te verwachten milieuhinder. Deze wordt in de handreiking uitgedrukt in minimale richtafstanden tot gevoelige objecten zoals woningen.
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
De toekomstige activiteiten betreffen bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 4.1. Milieucategorie 4.1. heeft een maximale richtafstand van 200 meter. De meest dichtbijgelegen milieugevoelige bestemming (woningen) ligt op circa 480 meter en voldoet daarmee ruim aan de VNG-milieuzonering. In de rest van deze paragraaf wordt nader ingegaan op de te verwachten hinder per milieuthema. Geluid Omdat de planlocatie is gevestigd op een reeds bestaand (gezoneerd) industrieterrein, moeten de nieuw te ontplooien bedrijfsactiviteiten op de plan locatie altijd voldoen aan de op de zonegrens geldende geluidnormen. De te vestigen bedrijven zullen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot geluid. Mogelijke nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (best beschikbare technieken). Met inachtneming van het voorgaande is dan ook geen geluidshinder in de omgeving te verwachten. Daarnaast zijn geen geluidsgevoelige objecten of gebouwen aanwezig in de naaste omgeving. Trillingen De komst van de nieuwe bedrijven brengt, naast de op het bedrijventerrein reeds aanwezige trillingsbronnen, mogelijk nieuwe trillingsbronnen met zich mee welke voor trillingshinder kunnen zorgen.
Mogelijke overlast wordt zoveel mogelijk beperkt door te zorgen, dat de potentiële installaties voldoen aan de laatste stand der techniek en zodanig zijn opgesteld en uitgevoerd, dat de overdracht van trillingen naar de bodem wordt voorkomen. De te vestigen bedrijven zullen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot trillingen. Eventuele nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (best beschikbare technieken). Met inachtneming van het voorgaande is dan ook geen trillingshinder in de omgeving te verwachten. Daarnaast zijn geen trillingsgevoelige objecten of gebouwen aanwezig in de naaste omgeving. Geur De komst van de nieuwe bedrijven brengt, naast de op het bedrijventerrein reeds aanwezige geurbronnen, mogelijk nieuwe geurbronnen met zich mee welke voor geurhinder kunnen zorgen. Zoals eerder beschreven liggen de meest dichtbijgelegen woningen ruim (480 meter) voorbij de VNG-richtafstand (200 meter) van een milieucategorie van 4.1. De te vestigen bedrijven zullen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot geur. Potentiele nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (best beschikbare technieken). Met inachtneming van het voorgaande is dan ook geen geurhinder in de omgeving te verwachten.
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
Lucht Aan- en afvoer van potentiële producten zal naar alle waarschijnlijkheid gebeuren met vrachtwagens en/of bestelbussen. Daarnaast maken de werknemers en bezoekers gebruik van personenauto’s. Het minimaliseren van het aantal transportkilometers voor eigen vervoer maakt deel uit van de standaard bedrijfsvoering van deze bedrijven. Ten opzichte van de referentiesituatie is hiermee sprake van een toename in transportbewegingen. Voor een benadering van de aantallen transportbewegingen is gebruik gemaakt van CROW-kentallen van de CROW publicatie 381, welke spreken over een gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per netto hectare bedrijventerrein. Voor een gemengd (bedrijven)terrein liggen deze kentallen op 138 personenauto’s en 30 vrachtwagens (41% lichte vrachtwagens, 59% zware vrachtwagens) per netto hectare. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.600 m2. Omgerekend betekent dit crica 36 personenwagens en 8 vrachtwagens (3 lichte vrachtwagens en 5 zware vrachtwagens). Met bovenstaande voertuigbewegingen is een NIBM (niet in betekende mate) toets uitgevoerd. Dit is een worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Uit deze tool (zie afbeelding 4) volgt dat de mogelijke toename niet in betekende mate is. Afbeelding 4 : NIBM tool
Bovenstaande NIBM-toets houdt echter geen rekening met andere bronnen van PM 10 en NOx, zoals stookinstallaties, mobiele werktuigen en opstuivende materialen. De aard en de mate van uitstoot van deze potentiële bronnen is op voorhand niet te bepalen, maar zal voldoen aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. Bij de vestiging van de potentiële bedrijven moet een luchtkwaliteitsonderzoek of activiteitenbesluitmelding uitgevoerd worden, waarbij aangetoond wordt dat deze voldoen aan de betreffende normen. Eventuele nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (Beste Beschikbare Technieken). Met inachtneming van het voorgaande is dan ook geen verontreiniging/hinder ten aanzien van het aspect lucht in de omgeving te verwachten.
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
Bodem(kwaliteit) Met betrekking tot de bodem worden er geen potentiële effecten verwacht. Met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij de wet- en regelgeving voor de bodemkwaliteit. Alle eventuele bodembedreigende activiteiten en opslagen worden zodanig gerealiseerd, dat sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Hiermee wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Eventuele nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (best beschikbare technieken). Met inachtneming van het voorgaande is dan ook geen bodemverontreiniging verwachten. Afval- en hemelwater De komst van de nieuwe bedrijven zorgt voor mogelijke (afval)waterstromen. Het waterverbruik van de bedrijven is gerelateerd aan de voorgenomen activiteit en zal toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. Indien grondwater gebruikt wordt, wordt een waterbesparingsplan uitgevoerd. De nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (Beste Beschikbare Technieken). In het plangebied wordt hemelwaterberging gerealiseerd ter compensatie van het te realiseren verhard oppervlak. Om grondwateroverlast tegen te gaan, zal de bebouwing in het plangebied voldoen aan de ontwateringsnormen. Tevens wordt er een gescheiden rioolstelsel aangelegd.
Ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt op basis van een waterparagraaf opgesteld. Potentiële negatieve effecten worden daarmee ondervangen. De te vestigen bedrijven zullen voldoen aan de geldende wet- en regelgeving met betrekking tot water. Eventuele nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT (best beschikbare technieken). Met inachtneming van het voorgaande is dan ook geen overlast of verontreiniging op het aspect water te verwachten. 2.6
Risico van zware ongevallen en/of rampen De beoogde nieuwe bedrijven zullen geen risicovolle inrichtingen zijn. Indien aanwezig worden gevaarlijke stoffen binnen de inrichting, conform de daarvoor geldende richtlijnen, opgeslagen. Hieruit volgt dat het aspect externe veiligheid de voorgenomen activiteiten niet belemmert.
2.7
Risico’s voor de menselijke gezondheid De gezondheid van mensen kan beïnvloed worden door verschillende milieuaspecten. Van deze aspecten, zoals (externe) veiligheid, luchtkwaliteit, bodemverontreiniging, geluid en geur, is in voorliggende paragrafen reeds gemotiveerd hoe de milieugevolgen zo mogelijk worden beperkt. De daarbij gehanteerde wettelijke regels zijn ook allen gebaseerd op het voorkomen van risico’s voor de menselijke gezondheid. In de nabije omgeving van het terrein zijn binnen een straal van 450 meter geen woningen aanwezig en de aanwezige werknemers worden middels Arbo wet en regelgeving beschermd.
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
2.8
22100401.r02
Conclusie kenmerken van het project Gelet op alle kenmerken van het project ten opzichte van de referentiesituatie, wordt niet verwacht dat het verschil tussen de milieueffecten van het nieuwe plan en de milieueffecten van de referentiesituatie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
3.
LOCATIE VAN HET PROJECT
3.1
Bestaand en goedgekeurd landgebruik De planlocatie ligt op het (gezoneerde) industrieterrein Harselaar. De locatie is op dit moment agrarisch bestemd, de ontwikkeling past daarmee niet in het huidige bestemmingsplan. Een globale ligging van de inrichting ten opzichte van de omgeving is omschreven in paragraaf 1.2 en weergegeven in afbeelding 1.
3.2
Relatieve rijkdom aan en aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Omdat de planlocatie in het midden van een bestaand (gezoneerd) industrieterrein ligt, is geen sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Tevens ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Dit aspect is in dezen daarom ook niet relevant.
3.3
Opnamevermogen van het natuurlijke milieu Vanwege de grote afstand gemeten vanaf de inrichtingsgrens tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (de Veluwe op circa 4 kilometer, zie afbeelding 5) kan worden gesteld, dat de bedrijfsactiviteiten geen (negatief) effect hebben op de natuurlijke kenmerken, instandhoudingsdoelstellingen van kwalificerende soorten en habitattypen in het bijzonder.
Pagina 12
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
Afbeelding 5: Ligging plangebied van ten opzichte van omliggende Natura 2000 gebieden (paarse arcering is stikstofgevoelige natuur)
Voor onderhavig plan is het uitgangspunten dat enkel bedrijven zijn toegestaan die niet meer van 0,00 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie veroorzaken op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor de toekomstige bedrijven zal te zijner tijd een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd worden om aan te tonen dat deze onder de grens van 0,00 mol/ha/jaar blijven. Bovendien kan gezien de afstand van de inrichting tot de Natura 2000 natuurgebieden worden gesteld, dat van de bedrijfsactiviteiten verder geen andere (negatieve) effecten zijn te verwachten, zoals verstoring door trillingen, geluid, licht, bodem of grondwater. 3.4
Gebieden waar milieukwaliteitsnormen EU zijn vastgesteld Er zijn Europese (EU) milieukwaliteitsnormen voor stoffen in oppervlaktewater, grondwater, sediment, bodem en lucht. Generieke milieukwaliteitsnormen gelden overal in Nederland. Daarnaast zijn er gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Europese Unie zijn vastgesteld. Er wordt voldaan aan de generieke milieukwaliteitsnormen, omdat de activiteit leidt tot een verwaarloosbaar risiconiveau (VR).
3.5
Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid Het industrieterrein is gelegen in de gemeente Barneveld, het industrieterrein zelf betreft geen gebied met een hoge bevolkingsdichtheid.
3.6
Cultuurhistorie en archeologie De inrichting bevindt zich op een bestaand industrieterrein. De grond van het plangebied is geroerd voor de aanleg van de Transportweg, tijdens deze werkzaamheden zijn geen archeologische vondsten aangetroffen.
Pagina 13
SPA WNP ingenieurs
22100401.r02
Indien bij de uitvoering van toekomstige werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van desbetreffende vondsten verplicht. 3.7
Landschappelijke waarden Het gebied ligt op dit moment braak en bevindt zich te midden van een industrieterrein. Het gebied heeft geen specifieke landschappelijke waarden.
3.8
Conclusies locatie van het project De realisatie van het project heeft geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, de natuurlijke kenmerken van het Natura-2000 gebied(en) de Veluwe en andere omliggende Natura2000 gebieden en/of invloed op waardevolle structuren of elementen in het gebied.
4.
SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT
4.1
De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten De grootste effecten van de beoogde wijziging zijn te verwachten in de aspecten geluid, lucht en geur. Deze zijn lokaal van aard en kunnen op korte termijn hinder veroorzaken. Voor deze aspecten worden maatregelen getroffen om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen worden beschreven in de technische rapporten, welke onderdeel zijn voor de oprichtingsvergunningen van de toekomstige bedrijven.
4.2
De aard van het effect De aard van het effect wordt beschreven in de technische rapporten, welke onderdeel zijn voor de oprichtingsvergunningen van de toekomstige bedrijven.
4.3
Grensoverschrijdende karakter van het effect Gezien de ligging van de inrichting en de effectafstanden is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter. De ligging van de inrichting en de afstand tot de grens met Duitsland is circa 45 km.
4.4
Intensiteit en complexiteit van het effect Voor zover beoordeeld kan worden, zijn er geen complexe, onoverzichtelijke effecten te verwachten. De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen door voorschriften op het gebied van onder andere geluid-, geur- en luchtemissies te verbinden aan de omgevingsvergunning.
4.5
Waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk, maar door voorschriften in de omgevingsvergunningen van de toekomstige bedrijven zijn deze marginaal en niet significant.
Pagina 14
SPA WNP ingenieurs
4.6
22100401.r02
Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De effecten van emissies van geluid, geur en emissies naar de lucht en de bodembelasting, vanwege de activiteiten, zijn alle omkeerbaar, in die zin dat het effect ophoudt zodra de activiteit ophoudt. Er is dus geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Met betrekking tot effecten naar bodem zijn er afdoende beperkende maatregelen en voorzieningen te treffen. Deze en ook de overige effecten zijn de gangbare effecten die aan bod komen in de vergunningaanvraag op grond van de Wabo.
4.7
Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Eventuele cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten wordt besproken in Hoofdstuk 2.2
4.8
Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Zie Hoofdstuk 2.5 voor de te nemen maatregelen per mogelijke bron van overlast.
4.9
Conclusie kenmerken van het potentiële effect Uit de hiervoor genoemde kenmerken en effecten waaronder de diverse genoemde onderzoeken, die inmiddels voor de aanvraag om revisievergunning zijn uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan, kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen geen effecten zijn, die belangrijke nadelige gevolgen op de omgeving hebben.
5.
CONCLUSIE Op basis van voorgaande informatie zijn wij van mening dat het opstellen van een milieueffectrapportage voor de voorgenomen activiteiten niet nodig is. De effecten voor het milieu zijn in deze aanmeldnotitie inzichtelijk gemaakt. In het onderhavige geval is naar onze opvatting geen sprake van bijzondere omstandigheden. De voorgenomen activiteit heeft door het treffen van maatregelen geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. De nadelige effecten worden zoveel mogelijk beheerst door het toepassen van BBT, werkinstructies en inrichting van de locatie. Het opstellen van een milieueffectrapportage heeft geen toegevoegde waarde.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 15
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110
Hanzeweg-Transportweg
Bijlage 4 titel
"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)
95