CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Hanzeweg-Transportweg_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 26 april 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan "Hanzeweg-Transportweg" (Barneveld)21.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem.

De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie 28

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

Hanzeweg-Transportweg

Op het zuidelijke deel van het plangebied is het perceel bestemd met 'Agrarisch”. Het verzoek is de bestemmingsplan om te vormen naar bestemming 'Bedrijventerrein'. Het is nu nog een agrarisch perceel met kadastrale perceel nummers 6589 en 6590. De locatie wordt aan de Oostzijde van het perceel begrensd door een A watergang. Toekomstige situatie Door de gewijzigd bestemming van 'Agrarisch' naar 'Bedrijventerrein' zal sprake zijn van een toename van verhard oppervlak. Ter compensatie zal er waterberging op eigen terrein gerealiseerd dient te worden. Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak (dak + terrein), is het verplicht waterberging op eigen terrein te realiseren. Bij een toename van verhard oppervlak van minder dan 1500 m2 geldt de bergingseis van de gemeente van 30 mm maal het verhard oppervlak. Bij een toename van verhard oppervlak van meer dan 1500 m2 geldt de bergingseis van Waterschap Vallei en Veluwe van 60 mm. . Ook dient er dan een watervergunning aangevraagd te worden bij Waterschap Vallei en Veluwe. De locatie wordt aan de Oostzijde van het perceel begrensd door een A watergang de keurzone moet minimaal 5 meter breed vrij blijven voor onderhoud.

In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

29

Hanzeweg-Transportweg

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECT EN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 6.1.1 6.1.1.1

Inleidende regels Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. 6.1.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

30

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

Hanzeweg-Transportweg

6.1.2 6.1.2.1

Bestemmingsregels Bestemming 'Bedrijventerrein'

De bestemming 'Bedrijventerrein' wordt toegepast in gebieden waar meerdere bedrijven bij elkaar gevestigd zijn of waar zwaardere milieucategorieën mogelijk zijn. Via de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen is aangegeven welke milieucategorieën toelaatbaar zijn. Bij de bestemming 'Bedrijf' is in sommige gevallen een bedrijfswoning toegestaan, bij de bestemming 'Bedrijventerrein' niet, vanwege de zwaardere categorieën bedrijven die zijn toegestaan. In verband met de bereikbaarheid van objecten voor de hulpdiensten (met name de brandweer) is bepaald dat de onderlinge afstand van een bedrijfsgebouw tot een zijdelingse perceelsgrens en tussen bedrijfsgebouwen onderling niet minder dan 5 meter mag bedragen (Notitie Proactie Gemeentebrandweer Barneveld). De maximale hoogte voor overige bouwwerken is drie meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven. Er kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels voor een hoogte van 4 meter.

6.1.2.2

Bestemming 'Water'

Alleen wanneer het water een belangrijk element vormt in zijn omgeving dan wel van groot belang is voor de waterhuishouding, wordt de bestemming 'Water' toegekend. Ook kan de bestemming 'Waterstaat-waterlopen' toegepast worden indien het bijvoorbeeld gaat om een waterloop welke ondergronds of via een overkluisd gedeelte loopt. In de andere gevallen valt water onder de bestemming 'Groen'. 6.1.3 6.1.3.1

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 6.1.3.2

Algemene gebruik sregels

Ter verduidelijking van het plan wordt aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen.

6.1.3.3

Algemene aanduidingsregels

De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende gebiedsaanduiding is toegepast: geluidszone industrie. 6.1.3.4

Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Het is niet de bedoeling dat deze algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Een voorbeeld: de maximale goothoogte voor een woning is 6 meter. Bij de bestemming 'Wonen-1' is de bevoegdheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van "Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

31

Hanzeweg-Transportweg de bouwregels en die goothoogte te vergroten met maximaal 3 meter. Het is niet de bedoeling dat dan nog eens toepassing wordt gegeven aan de algemene afwijkingsbevoegdheid met een vergroting van nog eens 10% tot gevolg. 6.1.3.5

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein.

6.1.3.6

Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan. 6.1.4 6.1.4.1

Overgangs- en slotregels Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 6.1.4.2

Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

6.2

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. 32

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

Hanzeweg-Transportweg

Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

33

Hanzeweg-Transportweg

Hoofdstuk 7 7.1

ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID

Kostenverhaal en zekerstellingen

De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

34

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

Hanzeweg-Transportweg

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 25 mei 2022 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van het voornemen om het voorliggende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).

8.1

Participatie

De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met belanghebbenden. Hierbij is men geïnformeerd over de plannen.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 1500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen.

Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over een voorontwerp betreffende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden. Aangezien er geen sprake is van een provinciaal belang, is er geen vooroverleg gevoerd met de provincie.

8.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 27 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

35

Hanzeweg-Transportweg

36

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

Hanzeweg-Transportweg

Bijlagen bij de toelichting

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

37

Hanzeweg-Transportweg

Bijlage 1 Rapport externe veiligheid

38

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

Rapport 22100401.r01a Wijziging bestemmingsplan kavel Hanzeweg in Barneveld, onderzoek externe veiligheid

www.SPAWNP.nl

BOUW - MILIEU - RUIMTE

Rapport 22100401.r01a Wijziging bestemmingsplan kavel Hanzeweg in Barneveld, onderzoek externe veiligheid

Datum: 4 februari 2022

Van de Steeg B.V. De heer J. van de Steeg Wesselseweg 23 3771 PA BARNEVELD jan@vandesteegbv.nl

Auteur/ adviseur: De heer ing. M. de Witte De heer ing. D.J. Hobert

Goedgekeurd: De heer ing. L.F.A. Theuws

Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110

info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015

| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01

DENKKRACHT

IN

Opdrachtgever:

SPA WNP ingenieurs

INHOUD

22100401.r01a

PAGINA

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Huidige situatie 1.3 Toekomstige situatie 1.4 Reikwijdte onderzoek

3 3 3 3 4

2.

BELEIDSKADER 2.1 Plaatsgebonden risico 2.2 Groepsrisico 2.3 Plasbrandaandachtsgebied 2.4 Verantwoordingsplicht

5 5 5 6 6

3.

RISICO’S DOOR INRICHTINGEN 3.1 Algemeen 3.2 Inventarisatie 3.3 Beoordeling

8 8 8 9

4.

RISICO’S DOOR BUISLEIDINGEN 4.1 Algemeen 4.2 Inventarisatie 4.3 Beoordeling

10 10 10 10

5.

RISICO’S DOOR VERVOER OVER WEG, WATER OF SPOOR 5.1 Algemeen 5.2 Inventarisatie 5.3 Beoordeling 5.4 Risicoberekening spoorlijn 5.5 Beoordeling spoorlijn

11 11 11 12 13 15

6.

VERANTWOORDINGSPLICHT GROEPSRISICO 6.1 Maatgevende scenario’s 6.2 Bevi, artikel 13 6.3 Bevt, artikel 7

16 16 17 18

7.

CONCLUSIES EN AANBEVELING

19

BIJLAGEN 1

QRA spoorlijn huidige situatie

2

QRA spoorlijn toekomstige situatie

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.

Pagina 2

SPA WNP ingenieurs

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel

22100401.r01a

In opdracht van Van de Steeg B.V. is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De aanleiding daarvoor is de bestemmingsplanprocedure voor de onbebouwde kavel op de hoek van de Transportweg en de Hanzeweg in Barneveld. Het doel van dit onderzoek is om een uitspraak te kunnen doen of voor het initiatief knelpunten zijn op het vlak van externe veiligheid. Met dit onderzoek zijn risicobronnen in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd, voor zover het plangebied zich binnen hun invloedsgebied bevindt. Op basis van de verzamelde informatie is een inschatting gegeven van knelpunten en mogelijke vervolgacties. De bevindingen zijn in dit rapport weergegeven. 1.2

Huidige situatie In afbeelding 1 is de situering van het plangebied en de directe omgeving te zien. Het betreft een bedrijventerrein, waarin kantoren en bedrijven aanwezig zijn. Ten zuiden ligt de spoorlijn Barneveld Noord - Apeldoorn. Afbeelding 1: situering plangebied (rood omlijnd)

1.3

Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft het veranderen van de agrarische bestemming van de kavel naar de bestemming Bedrijf. Uitgangspunt is dat bedrijven tot en met categorie 4.1 worden toegestaan. De exacte toekomstige invulling van de kavel is ten tijde van dit onderzoek nog niet bekend. Het beoogde bouwvlak is wel bekend en omvat niet de gehele kavel.

Pagina 3

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Afbeelding 2: Beoogde bedrijfsbestemming met bouwvlak

Door de ontwikkeling is er in ieder geval sprake van een verhoging van de personendichtheid in de dagperiode. Vanwege dit aspect is de invloed op de hoogte van het groepsrisico van belang voor het onderzoek. 1.4

Reikwijdte onderzoek Door de opdrachtgever is om een onderzoek van de externe veiligheid in relatie tot het initiatief gevraagd. Uitgangspunt daarbij is dat een kwalitatieve en kwantitatieve analyse wordt uitgevoerd.

Pagina 4

SPA WNP ingenieurs

2.

22100401.r01a

BELEIDSKADER Het beoordelingskader externe veiligheid richt zich op gevaarlijke stoffen en kan naar risicobron grofweg als volgt ingedeeld worden: 1. Inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; 2. Buisleidingen; 3. Vervoer over weg, water of spoor; 4. Luchtverkeer1. 5. Fysiek veiligheid (windmolens en hoogspanning, overstroming weide/bos brand) 2. In het veiligheidsbeleid wordt gewerkt met afstanden of gebieden. Daarbij zijn drie basisbegrippen van belang, te weten: · PR-gebied: gebied waar plaatsgebonden risiconormen (PR) gelden en getoetst moeten worden; · Invloedsgebied: gebied waar beoordeling en verantwoording van het groepsrisico (GR) nodig is; · Plasbrandaandachtsgebied: het gebied (PAG) waarin rekening gehouden moet worden met de effecten van een plasbrand.

2.1

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien deze zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren. Dit zijn lijnen die punten met een zelfde risico met elkaar verbinden op een topografische kaart. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bepaalde bedrijfsgebouwen). De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gesteld op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 contour mogen geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt.

2.2

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het GR voor transport is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van tien of meer personen in de omgeving van een transportroute in een keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt overschreden, legt dit vaak ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR). Het GR wordt meestal weergegeven in een FN-curve grafiek, waarin op de horizontale as het aantal doden N staat en op verticale as de cumulatieve kans F per jaar op een ongeval waarbij N of meer doden vallen.

1

Het aspect luchtverkeer is in dit onderzoek niet van toepassing

2

Het aspect fysieke veiligheid is in dit onderzoek niet van toepassing

Pagina 5

SPA WNP ingenieurs

2.3

22100401.r01a

Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een zogenaamde plasbrand. Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een schip of tankwagen. In de Regeling Basisnet zijn de afstanden van het PAG voor weg, spoor en water vastgelegd. Een PAG geldt alleen voor nieuwe (nog te bouwen) kwetsbare objecten. Indien zich bestaande kwetsbare objecten binnen het PAG bevinden, hoeven deze niet te worden gesaneerd. Bij bouwplannen, die binnen een PAG vallen, zal specifiek moeten worden ingegaan op de effecten van een plasbrand (motivatie verplicht). Hier zouden bijvoorbeeld extra (bouwkundige) maatregelen kunnen volgen. Het PAG is verankerd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

2.4

Verantwoordingsplicht Berekeningen van het groepsrisico geven inzicht in de mate van maatschappelijke ontwrichting. Met de uitkomsten van een dergelijke berekening kan daarom bewuster met risico’s worden omgegaan. Het is bij de beoordeling van dit groepsrisico de vraag welke omvang van ramp of ontwrichting aanvaardbaar is. Hoe er met de verantwoording van het groepsrisico omgegaan dient te worden, verschilt per risicobron. Ten aanzien van inrichtingen wordt de verantwoording geregeld via het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Ten aanzien van buisleidingen is dit geborgd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt hiervoor het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bevi 1. Aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de inrichting/ inrichtingen. 2. De hoogte van het groepsrisico per inrichting op het tijdstip waarop dat besluit wordt vastgesteld. 3. Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico, die worden toegepast door degene die de inrichting drijft. 4. Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico, die in dat besluit zijn opgenomen. 5. Voorschriften ter beperking van het groepsrisico, die het bevoegd gezag voornemens is te verbinden aan een inrichting. 6.

Voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. 7. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst. 8. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp in de inrichting(en). 9. De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de inrichting, om zich in veiligheid te brengen indien zich in die inrichting een ramp voordoet.

Pagina 6

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Bevb Beperkte verantwoording 1. Een vermelding van de personendichtheid in het invloedsgebied. 2. De hoogte van het groepsrisico per kilometer buisleiding. 3. De mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding en beperking van rampen. 4. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. Volledige verantwoording De volledige verantwoording gebeurt conform de hiervoor onder Bevi omschreven verantwoording. Bevt Beperkte verantwoording Het Bevt schrijft voor dat voor alle ruimtelijke plannen binnen de invloedssfeer van een transportroute aandacht moet worden geschonken aan: 1. mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Volledige verantwoording Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten: 1. dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 2. hoogte van het groepsrisico; 3. maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte); 4. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: 1. het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; 2. het groepsrisico niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. 3. het plangebied op meer dan 200 meter afstand van een transportroute ligt. In dat geval kan volstaan worden met een beperkte verantwoording.

Pagina 7

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

3.

RISICO’S DOOR INRICHTINGEN

3.1

Algemeen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om: · · · · ·

bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen vallen (Brzo); LPG/LNG-tankstations; opslagplaatsen (PGS); ammoniakkoel-/vriesinstallaties; spoorwegemplacementen.

Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR en verplicht gemeenten en provincies hier, bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen, rekening mee te houden. Op grond van het Bevi zijn in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) voor een aantal bedrijfscategorieën vaste veiligheidsafstanden opgenomen. Voor zogenaamde niet-categoriale bedrijven moet de veiligheidsafstanden berekend worden. 3.2

Inventarisatie Bij de inventarisatie van de risicobronnen, die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, is gebruik gemaakt van de EV-signaleringskaart van het Impuls Omgevingsveiligheid (IOV). Uit afbeelding 3 blijkt dat er risicobronnen in de buurt van het plangebied aanwezig zijn. In tabel 2 zijn deze risicobronnen opgenomen. Afbeelding 3: Plangebied en risicobronnen Bevi (locatie plangebied rood omlijnd)

Plangebied

1 2

3

Pagina 8

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Tabel 2: Risicobronnen Bevi Bedrijf

Risicobron

Invloedsgebied

PR 10-6

Werkelijke afstand

Relevantie

1

Denka International B.V.

BRZO opslag overig

680 meter

220 meter

575 meter

Ja

2

Storteboom Barneveld B.V.

Opslag ammoniak

Niet relevant*

60 meter

155 meter

Geen

3

Afvalverwerking Vink B.V.

Propaantank 1500 liter**

190 meter

38 meter

510 meter

Geen

*

Valt niet onder het Bevi en/of Revi.

**

Er is gemeten vanaf de propaantank, omdat de tankauto zich hier opstelt bij de vulling. Het invloedsgebied wordt volledig bepaald door de tankauto. De 1% letaliteitsafstand van de BLEVE van de tankauto ligt op 190 meter.

Uit de gegevens blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van Denka ligt. Om die reden moet op basis van artikel 13 van het Bevi het groepsrisico verantwoord worden. Elementen hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van deze rapportage. 3.3

Beoordeling Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontouren van de inrichtingen reiken niet over het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt, om die reden, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de, inrichting Denka. Om die reden is een verantwoording van het groepsrisico benodigd. Elementen hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van deze rapportage.

Pagina 9

SPA WNP ingenieurs

4.

RISICO’S DOOR BUISLEIDINGEN

4.1

Algemeen

22100401.r01a

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de omgang met externe veiligheid rond buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (zoals gas en brandbare vloeistoffen). De normen die door het Bevb worden gehanteerd, zijn gelijkgesteld met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR) gelijk zijn3. 4.2

Inventarisatie Uit de EV-signaleringskaart is gebleken dat zich binnen of in de buurt van het plangebied geen relevante buisleidingen bevinden. Afbeelding 4: Plangebied en risicobronnen Bevb (locatie plangebied ter plaatse van marker)

4.3

Beoordeling Plaatsgebonden- en groepsrisico Het aspect externe veiligheid, als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen, vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan.

3

Voor hogedruk aardgasleidingen met een ontwerpdruk lager dan 16 bar is geen externe veiligheidsbeleid van kracht. Het plaatsgebonden risico van deze leidingen kan bovendien niet worden berekend, omdat de kansen op lekkage en breuk van dergelijke leidingen niet bekend zijn.

Pagina 10

SPA WNP ingenieurs

5.

RISICO’S DOOR VERVOER OVER WEG, WATER OF SPOOR

5.1

Algemeen

22100401.r01a

Het beleid voor vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, binnenvaart en spoorweg is opgenomen in het Basisnet. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). De wetgeving over het Basisnet wordt ook wel "Wet Basisnet" genoemd. De "Wet Basisnet" is een stelsel van wetten en regels, die hun oorsprong hebben in verschillende gebieden. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs) de belangrijkste wet en die is aangepast aan het Basisnet. Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. In de Regeling Basisnet is opgenomen waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. 5.2

Inventarisatie Aan de hand van de EV-signaleringskaart is gebleken dat in de omgeving van het plangebied: · over de rijksweg A1 gevaarlijke stoffen worden vervoerd met een relevante intensiteit; · over de spoorlijn Barneveld Noord - Apeldoorn gevaarlijke stoffen worden vervoerd met een relevante intensiteit. Afbeelding 5: Plangebied (rood omlijnd) en risicobronnen Bevt

A1

Spoorlijn Barneveld Noord - Apeldoorn

Pagina 11

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Rijksweg A1 Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van de rijksweg A1, waardoor het groepsrisico niet nader hoeft te worden beschouwd. Doordat het plangebied wel binnen het maatgevende invloedsgebied (GF3) ligt, dient het groepsrisico beperkt te worden verantwoord. Door de ligging van het plangebied is het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter niet relevant. Tabel 3: Vervoersintensiteiten rijksweg A1 LF1

LF2

LT1

LT2

LT3

GF1

GF2

GF3

GT2

GT3

GT4

GT5

4301

5274

61

113

0

0

0

4000

0

0

0

0

Spoorlijn Barneveld Noord - Apeldoorn Het plangebied ligt op circa 120 meter van de ten zuiden gelegen spoorlijn Barneveld Noord Apeldoorn. Uit afbeelding 5 blijkt dat het plangebied hiermee binnen de 200 meter zone en het invloedsgebied ligt. Tabel 4: Vervoershoeveelheden spoorlijn (bron: tabel Basisnet spoor, bijlage II Regeling Basisnet)

Naam + trajectnummer Barneveld Noord – Apeldoorn, 30EO.6

5.3

PR 10-6 PR 10-7 PR 10-8 concontour contour tour (afstand in meters) -

-

12

PAG

Nee

Vervoershoeveelheden (in ketelwagenequivalenten) Stofcategorieën A

B2

B3

C3

D3

D4

10

0

0

400

0

0

Beoordeling Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt niet binnen de 10-6 contouren van de transportroutes. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee géén belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de gevaarlijke stoffen, die over de rijksweg worden vervoerd, maar op meer 200 meter van de rijksweg. Om die reden hoeft het groepsrisico ten aanzien van de rijksweg niet nader beschouwd te worden. Wel dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Elementen voor deze verantwoordingplicht zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van deze rapportage. Ten aanzien van de spoorlijn ligt het plangebied binnen de 200 meter zone. Het groepsrisico ten aanzien van de spoorlijn dient zodoende nader beschouwd te worden.

Pagina 12

SPA WNP ingenieurs

5.4

22100401.r01a

Risicoberekening spoorlijn Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van het software pakket RBM II (versie 2.3). Met dit rekenprogramma kan voor een bepaalde route berekend worden wat het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is, als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen. Naast de transportroute worden de (beperkt) kwetsbare objecten gemodelleerd. Er is een berekening uitgevoerd voor de huidige situatie en de situatie na planrealisatie. Door beide situaties met elkaar te vergelijken wordt het effect van het plan op het groepsrisico duidelijk. Transportintensiteit spoorlijn De vervoersstatistieken voor de spoorlijn zijn overgenomen uit bijlage II van de regeling Basisnet. Tabel 5: Transportintensiteit spoorlijn PR 10-6 contour Naam + trajectnummer Barneveld aansl.-Apeldoorn ER

PR 10-7 contour

PR 10-8 contour

PAG

(afstand in meters) 0

0

15

Nee

Vervoershoeveelheden (in ketelwagenequivalenten) Stofcategorieën A B2 B3 C3

D3

D4

10

0

0

0

0

400

Personendichtheden Huidige situatie In de huidige situatie is de personendichtheid in de omgeving van het plangebied door middel van de BAG populatieservice bepaald. Deze gegevens zijn daarna geverifieerd met de gegevens van ruimtelijke plannen en BAG viewer. Toekomstige situatie De exacte invulling van het plangebied is ten tijde van dit onderzoek nog niet bekend. Om die reden is de personendichtheid aangesloten bij de in de omgeving aanwezige bedrijven. Deze bedrijven bestaan hoofdzakelijk uit een industriële functie met kantoorfunctie. Omdat de exacte invulling van het plangebied voorlopig onbekend is, is voor de bepaling van de personendichtheid worstcase uitgegaan van een kleine kantoorfunctie. Deze functie past binnen de met de wijziging van het bestemmingsplan beoogde milieucategorieën. De personendichtheid bij een kleine kantoorfunctie is namelijk hoger dan bij industriële functies. Ook is uitgegaan van het hoogst mogelijke bruto vloeroppervlak binnen de kavel, uitgaande van een bouwvlak van circa 1.720 m². Voor de bepaling van het aantal personen is gebruik gemaakt van de kentallen conform de handreiking Verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM, 2007). Tabel 6: Personendichtheid toekomstige situatie (afgerond) Functie

Aantal / oppervlakte m²

Kengetal

Invoer RBM II (dag/nacht)

Kantoorfunctie klein

1.720 m²

1 werknemer per 30 m²

57/0

Overige instellingen Een volledig overzicht van de invoergegevens van het RBM II -rekenprogramma is weergegeven in bijlagen 1 en 2 (onder andere selectie weerstation, modellering van de spoorweg).

Pagina 13

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Resultaten en bevindingen Voor de twee beschouwde situaties zijn de rapportages van de berekeningen opgenomen in bijlagen 1 en 2. De resultaten voor het PR zijn als 10-5 tot en met 10-8 waarden per jaar gepresenteerd. De contouren worden samen met de desbetreffende bevolkingsverdeling langs de route vertoond. De resultaten voor het GR worden vertoond in een FN-curve. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt niet binnen de 10-6 contour van de spoorlijn. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee géén belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Groepsrisico Uit de berekeningen volgt dat het hoogste groepsrisico in de toekomstige situatie niet nabij het plangebied wordt berekend, maar ten zuidwesten van het plangebied (zie afbeelding hierna). Afbeelding 6: Hoogste GR toekomstige situatie

Plangebied

Hoogste GR

Vanwege de lage vervoersaantallen over de spoorlijn en de lage personendichtheid in de omgeving van het plangebied, wordt ter plaatse van het plangebied geen groepsrisico berekend. Er is daarmee geen berekenbaar risico op ongevallen door vervoer over de spoorlijn. Volledigheidshalve is in de afbeelding hierna het groepsrisico van de totale route te zien. Deze blijft in de huidige- en toekomstige situatie gelijk met een normwaarde van 0,001.

Pagina 14

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Afbeelding 7: FN-curve huidige en toekomstige situatie totale route

Oriëntatiewaarde

Huidige & toekomstige situatie

5.5

Beoordeling spoorlijn Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van de spoorlijn. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico, ter plaatse van het plangebied, in de toekomstige situatie niet berekenbaar is en daarmee onder de oriëntatiewaarde blijft. Omdat het plangebied wel binnen de 200 meter zone ligt, dient het groepsrisico beperkt te worden verantwoord. Elementen voor de verantwoordingsplicht ten aanzien van de spoorlijn én de rijksweg A1 zijn uitgewerkt in het volgende hoofdstuk van deze rapportage.

Pagina 15

SPA WNP ingenieurs

6.

22100401.r01a

VERANTWOORDINGSPLICHT GROEPSRISICO Inrichting Denka Wegens de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de inrichting van Denka dient, conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het groepsrisico verantwoord te worden. Rijksweg A1 Het plangebied ligt op een afstand van circa 260 meter tot aan as van de rijksweg en ligt daarmee binnen het invloedsgebied van het transport van GF3. Doordat het plangebied buiten de 200 meter zone van de rijksweg ligt, volstaat een beperkte verantwoording. Spoorlijn Barneveld Noord – Apeldoorn Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter, vanaf een transportroute, is conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico verreist. Doordat het groepsrisico voor de beoogde ontwikkeling niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, volstaat een beperkte verantwoording. Verder dient advies gevraagd te worden aan de Veiligheidsregio.

6.1

Maatgevende scenario’s Denka Denka produceert en levert concentraten of kant-en-klare biociden, gewasbeschermingsmiddelen en diergeneesmiddelen in vaste vorm, in vloeibare vorm en in spuitbussen. Om die reden valt het bedrijf met haar opslag onder de BRZO-regelgeving. Een scenario binnen de effectafstand kan zijn dat er een brand ontstaat, waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. Bij een eventueel incident zijn binnen eventuele toekomstige bebouwing in het plangebied afdoende maatregelen te treffen die de gevolgen van een eventueel incident beperken (ramen en deuren sluiten en/of ventilatie uitzetten). Transport De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van ontvlambare gassen en brandbare vloeistoffen ligt, is een wolkbrand/gaswolkexplosie en plasbrand. Het effect van een wolkbrand is een kortdurende vlammenzee. Wanneer de brandbare wolk ingesloten is en ontstoken raakt, kan naast hittestraling ook een drukeffect ontstaan: een gaswolkexplosie. De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook4. Naast brand en explosie kunnen er bij een incident met een tankwagen toxische stoffen vrijkomen, in de vorm van een plas. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen waarbij een toxische wolk wordt gevormd.

Afhankelijk van de windrichting kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.

4 Bron: Scenarioboek Externe Veiligheid

Pagina 16

SPA WNP ingenieurs

6.2

22100401.r01a

Bevi, artikel 13 Voor ruimtelijke plannen welke binnen het invloedsgebied van inrichtingen liggen dient op grond van artikel 13 van het Bevi ingegaan te worden op: 1. De aanwezigheid en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de inrichting. 2. Het groepsrisico van de inrichting op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in het besluit toegelaten (beperkt) kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico. 3. Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die in het besluit zijn opgenomen. 4. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst. 5. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico 6. De mogelijkheden tot voorbereiding en bestrijding en beperking van de omvang van en ramp in de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt. 7. De mogelijkheden voor personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied van de inrichting die het groepsrisico veroorzaakt om zich in veiligheid te brengen indien zich bij de inrichting een ramp voordoet.

Ad 1: Binnen het invloedsgebied (680 meter) van de risicobron is de werkelijke personendichtheid van 2011 genomen voor het berekenen van het groepsrisico (QRA-Denka 2015), dit komt neer op ongeveer 12 pers./ha in de dag situatie. Het plangebied ligt op minimaal 550 meter van Denka. Door de ontwikkeling van het plan zal deze personendichtheid toenemen met ongeveer 57 personen, alleen gedurende de dag. Deze toename zal geen rekentechnische invloed hebben op de uitkomst van het groepsrisico. Ad 2: Uit de QRA-Denka 2015 is gebleken dat het berekende groepsrisico maximaal 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Tevens blijkt uit de Handreiking verantwoording groepsrisico dat het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt bij een personendichtheid van meer dan 100 personen per hectare binnen het invloedsgebied van de risicobron. Binnen het invloedsgebied van de risicobron is de dichtheid kleiner dan 100 personen per hectare, voor zowel de huidige situatie als na ontwikkeling van het plan. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt.

Ad 3/4/5: Aangezien het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt en het plan niet zorgt voor een significante toename van het groepsrisico, is er geen aanleiding voor nader onderzoek naar het treffen van mogelijke maatregelen om het groepsrisico te verlagen en het in beeld brengen van de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico (alternatieve locatie). Ad 6: Bij een calamiteit waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperkten of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Bij een calamiteit in verband met een BLEVE / wolkbrandexplosie zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen.

Pagina 17

SPA WNP ingenieurs

22100401.r01a

Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. Ad 7: Bij een calamiteit waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarbij toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Bij een scenario met een wolkbrandexplosie/BLEVE is het advies te vluchten van de risicobron af. Bovenstaande elementen kunnen gebruikt worden voor de verantwoording van het groepsrisico. De veiligheidsregio kan in haar advies de beperkte verantwoording aanvullen. 6.3

Bevt, artikel 7 In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft, binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; 2. de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen, indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Ad 1: Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten, ten gevolge van het incident, te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.

Het plangebied en de bron zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de hulpdiensten. Ad 2: Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich, in tegenovergestelde richting van de bronnen, buiten het invloedsgebied te begeven. Er kan van uit worden gegaan dat volwassenen in het plangebied afdoende zelfredzaam zijn. Bij het scenario toxische wolk is het advies om binnen te schuilen en de ramen, deuren en ventilatiesystemen te sluiten. Bovenstaande elementen kunnen gebruikt worden voor de verantwoording van het groepsrisico. De veiligheidsregio kan in haar advies de beperkte verantwoording aanvullen.

Pagina 18

SPA WNP ingenieurs

7.

22100401.r01a

CONCLUSIES EN AANBEVELING In opdracht van Van de Steeg B.V. is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De aanleiding daarvoor is de bestemmingsplanprocedure voor de onbebouwde kavel op de hoek van de Transportweg en de Hanzeweg in Barneveld. Samenvattend wordt het volgende geconcludeerd: 1. het plaatsgebonden risico vormt in geen van de gevallen een belemmering voor de planontwikkeling; 2. het groepsrisico blijft na planrealisatie onder de oriëntatiewaarde; 3. Ten aanzien van bij inrichtingen behorende risicobronnen blijft het groepsrisico na planrealisatie minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Aangezien het plangebied wel binnen het invloedsgebied van de inrichting van Denka ligt bestaat de verplichting om het groepsrisico te verantwoorden. In deze rapportage zijn elementen hiervoor aangeleverd. 4. De realisatie van het plan leidt ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn, niet tot een stijging van het groepsrisico. Het groepsrisico blijft na planrealisatie minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Omdat het plangebied binnen de 200 meter zone van de spoorlijn en binnen het invloedsgebied van de rijksweg A1 ligt, bestaat de verplichting om het groepsrisico te verantwoorden. In deze rapportage zijn elementen hiervoor aangeleverd.

Aanbevolen wordt, ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico, deze rapportage, aan de Veiligheidsregio voor te leggen.

SPA WNP ingenieurs

Pagina 19

BIJLAGEN

22100401 Bijlage 1.1

22100401 Bijlage 1.2

22100401 Bijlage 1.3

22100401 Bijlage 1.4

22100401 Bijlage 1.5

22100401 Bijlage 1.6

22100401 Bijlage 1.7

22100401 Bijlage 2.1

22100401 Bijlage 2.2

22100401 Bijlage 2.3

22100401 Bijlage 2.4

22100401 Bijlage 2.5

22100401 Bijlage 2.6

22100401 Bijlage 2.7

Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110

Hanzeweg-Transportweg

Bijlage 2 M .e.r.-beoordelingsbesluit

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

75

Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld inzake de m.e.r.-beoordeling Hoek Transportweg en Hanzeweg in Barneveld Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, gelet op artikel 7.17 van de Wet milieubeheer , besluit: dat ten behoeve van het vaststellen van het bestemmingsplan Hoek Transportweg en Hanzeweg in Barneveld geen milieueffectrapportage behoeft te worden uitgevoerd. Toelichting Het voornemen betreft een wijziging van de bestemmingsplannen die betrekking hebben op het terrein dat is gelegen op de hoek van de Transportweg en Hanzeweg in Barneveld. De locatie heeft in de huidige situatie de bestemming “Agrarisch”. Het is de bedoeling deze bestemming te wijzigen in “Bedrijventerrein”. Ten noorden en westen van de locatie zijn de gronden bestemd als bedrijventerrein (Harselaar). Direct ten noorden en westen van het plangebied (bestemmingsplan “Harselaar-Oost”) is in de naastgelegen percelen milieucategorie 3.2. toegestaan en verder ten noorden en westen milieucategorie 4.2. Ten oosten (bestemmingsplan “Harselaar-Driehoek”) van het plangebied is allereerst de transportweg gelegen en vervolgens bedrijventerrein met de mogelijkheid tot vestiging van bedrijven milieucategorie 5.2.

De beoogde activiteiten waaruit de ontwikkeling bestaat staan vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r., maar omdat de drempelwaarden van de betreffende categorieën van Bijlage D niet worden overschreden, geldt de vormvrije m.e.r. beoordelingsplicht. De “Aanmeldnotitie m.e.r. Hoek Transportweg en Hanzeweg in Barneveld”, opgesteld door SPAingenieurs in opdracht van de initiatiefnemer, is getoetst aan de criteria genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn inzake milieueffectbeoordeling (‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, 2011/92/EU). De conclusie is dat er geen milieueffectrapportage behoeft te worden opgesteld, omdat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Burgemeester en wethouders voornoemd, Namens deze,

P.A.H .Hermens Beleidsadviseur milieu / m.e.r.-coördinator

Hanzeweg-Transportweg

Bijlage 3 M .e.r. aanmeldnotitie

"Hanzeweg-Transportweg" (vastgesteld)

77

Rapport 22100401.r02 Aanmeldnotitie mer Hoek Transportweg en Hanzeweg in Barneveld

www.SPAWNP.nl

BOUW - MILIEU - RUIMTE

Rapport 22100401.r02 Aanmeldnotitie Hoek Transportweg en Hanzeweg in Barneveld

Datum: 14 oktober 2021

Van de Steeg B.V. De heer J. van de Steeg Wesselseweg 23 3771 PA BARNEVELD jan@vandesteegbv.nl

Auteur: De heer W.W. Boomsluiter MSc

Goedgekeurd: Mevrouw ing. E. Jacobs

Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 Hoenderkamp 20 | 7812 VZ EMMEN | 0591 238 110

info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl ISO 9001:2015

| kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01

DENKKRACHT

IN

Opdrachtgever:

SPA WNP ingenieurs

22100401.r02

INHOUD

PAGINA

1.

INLEIDING 1.1 Gegevens initiatiefnemer 1.2 Aanleiding en situering 1.3 Wat is een m.e.r. beoordelingsplicht? 1.4 Besluit milieueffectrapportage 1.5 Doel en belang aanmeldnotitie 1.6 Procedure 1.7 Leeswijzer

3 3 3 4 4 5 6 6

2.

KENMERKEN VAN HET PROJECT 7 2.1 Omvang en het ontwerp van het project 7 2.2 Cumulatie met andere bestaande projecten en/of goedgekeurde projecten 8 2.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen 8 2.4 Productie van afvalstoffen 8 2.5 Verontreiniging en hinder 8 2.6 Risico van zware ongevallen en/of rampen 11 2.7 Risico’s voor de menselijke gezondheid 11 2.8 Conclusie kenmerken van het project 12

3.

LOCATIE VAN HET PROJECT 3.1 Bestaand en goedgekeurd landgebruik 3.2 Relatieve rijkdom aan en aan en beschikbaarheid, regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen 3.3 Opnamevermogen van het natuurlijke milieu 3.4 Gebieden waar milieukwaliteitsnormen EU zijn vastgesteld 3.5 Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid 3.6 Cultuurhistorie en archeologie 3.7 Landschappelijke waarden 3.8 Conclusies locatie van het project

kwaliteit

12 12 en 12 12 13 13 13 14 14

4.

SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT 14 4.1 De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten 14 4.2 De aard van het effect 14 4.3 Grensoverschrijdende karakter van het effect 14 4.4 Intensiteit en complexiteit van het effect 14 4.5 Waarschijnlijkheid van het effect 14 4.6 Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect 15 4.7 Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten 15 4.8 Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen 15 4.9 Conclusie kenmerken van het potentiële effect 15

5.

CONCLUSIE

15

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.

Pagina 2

SPA WNP ingenieurs

1.

INLEIDING

1.1

Gegevens initiatiefnemer

1.2

22100401.r02

Initiatiefnemer:

Van de Steeg B.V.

KvK-vestigingsnummer:

000015941647

Adres (plangebied):

Hoek van de Transportweg en Hanzeweg te Barneveld

Postadres:

Wesselseweg 23, 3771PA te Barneveld

Kadastrale gemeente:

Barneveld

Kadastrale sectie en percelen (plangebied):

G 6589 + G 5690

Contactpersoon:

De heer J. van de Steeg

E-mail:

jan@vandesteegbv.nl

Aanleiding en situering In opdracht van Van de Steeg B.V. is een aanmeldnotitie opgesteld. Aanleiding is de ruimtelijke procedure voor de kavel op kadastraal perceel G 6589 en G 5690, gelegen op de hoek van de Transportweg en Hanzeweg in Barneveld (zie afbeelding 1). De locatie is in de huidige situatie bestemd als “Agrarisch” en zal in de beoogde situatie bestemd worden als “Bedrijventerrein”. Ten noorden en westen van de locatie zijn de gronden bestemd als bedrijventerrein (Harselaar). Direct ten noorden en westen van het plangebied (bestemmingsplan “HarselaarOost”) is in de naastgelegen percelen milieucategorie 3.2. toegestaan en verder ten noorden en westen milieucategorie 4.2. Ten oosten (bestemmingsplan “Harselaar-Driehoek”) van het plangebied is allereerst de transportweg gelegen en vervolgens bedrijventerrein met de mogelijkheid tot vestiging van bedrijven milieucategorie 5.2.De gronden ten noorden van het bedrijventerrein zijn bestemd als “Verkeer” (de A1) en ten zuiden van het bedrijventerrein zijn de gronden bestemd als “Agrarisch” en “Wonen” (zie afbeelding 2). Afbeelding 1: Locatie plangebied (bron: PDOK)

Plangebied

Pagina 3

SPA WNP ingenieurs

22100401.r02

Afbeelding 2: Bestemmingen, binnen bestemmingsplan Harselaar-Oost en Harselaar-Driehoek e.a. (bron: ruimtelijke plannen)

Plangebied

1.3

Wat is een m.e.r. beoordelingsplicht? Voor activiteiten, waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.), moet het bevoegd gezag beoordelen of er een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Deze verplichting is in de Wet milieubeheer (Wm, artikel 7.2 lid 4) omschreven. Een dergelijke beoordeling kan het bevoegd gezag doen aan de hand van een aanmeldnotitie. Bij de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, wordt met name gelet op de aard, omvang, ligging en effecten van het project. Het opstellen van een milieueffectrapport is alleen noodzakelijk indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, kunnen betrekking hebben op: • de kenmerken van de voorgenomen activiteit (aard en omvang); • de plaats van de voorgenomen activiteit; • de kenmerken van de belangrijkste nadelige gevolgen (reikwijdte).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5f92f06b-dfcb-4f21-bf29-d3212e2218dc