Groot Bielderweg I_Toelichting
Tekst van het document
Het verlies aan oppervlakte bestemming 'Natuur' wordt gecompenseerd door de gronden langs de Kleine Barneveldse Beek de bestemming 'Natuur' op te leggen en ook daadwerkelijk in te richten als natuur. Zoals hiervoor reeds toegelicht bestaan de kernkwaliteiten in dit deel van het GNN (Erica – het Paradijs) uit het kleinschalige kampen- en heideontginningslandschap met veel hoogwaardige natuur die een schakel vormt tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Daarbinnen vormen het landgoed Erica en de Kleine Barneveldse Beek met beekbegeleidend bos een natuurparel. Onderhavig plan voorziet in de omvorming van een voormalige intensief veehouderij bedrijf op een centrale locatie binnen landgoed het Paradijs naar een woonfunctie. De milieubelasting in het gebied neemt daardoor af waardoor de natuur de kans krijgt om zich te herstellen. Onderhoud en beheer van het landgoed draagt daar verder aan bij. Om de weggevallen inkomsten uit de landbouw op te vangen het herstel van cultuurhistorisch waarden te kunnen bekostigen, wordt één extra woning toegevoegd in bestaande karakteristieke bebouwing. In het kader van de maatwerkafspraken is bovendien sprake van het herstel van de paden- en laanstructuren binnen het landgoed en de aanleg van een plas-draszone langs de Kleine Barneveldse Beek.
Deze afspraken zijn geheel in lijn met de ontwikkelingsdoelen die voor het gebied zijn geformuleerd en die gericht zijn op de ontwikkeling van landgoedbossen, het ontwikkelen van plas-drasbermen en moeraszones. Ten slotte is op het erf bij de hoeve een amfibieënpoel aangelegd waarmee extra biotoop is ontstaan voor reptielen en amfibieën. Ook het herstel van kleine landschapselementen en het terugbrengen van de oorspronkelijke erfinrichting draagt bij aan de ontwikkelingsdoelen voor het gebied. 24
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I Zodoende kan worden gesteld dat het plan op verschillende onderdelen bijdraagt aan de ontwikkelingsdoelen. De maatwerkafspraken gaan daarmee dus verder dan het provinciale beleid waarbij op grond van het bepaalde in artikel 2.53 onder b Omgevingsverordening bij ontwikkelingen op landgoederen alleen hoeft te worden aangetoond dat geen sprake is van aantasting van kernkwaliteiten. De inrichting van het erf gaat gepaard met landschappelijke inpassingsmaatregelen en landschapsherstel en het renoveren en in stand houden van karakteristieke bebouwing. Er vindt landschappelijke inpassing plaats van het voormalige agrarisch bedrijfserf, wat wordt omgevormd tot een boerenerf met de functie wonen. Het erf wordt dus landschappelijk ingepast (zie ook 5.12). Houtschuurtje binnen GNN Het landgoed heeft ervoor gekozen om de Hoeve te verduurzamen en voor de verwarming gebruik te maken van hybride warmtepompen. Om deze zo min mogelijk afbreuk te laten doen aan het karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle ensemble zijn deze niet direct naast de hoeve geplaatst, maar op korte afstand in de bosrand ten noorden van de bestaande boerderijwoning met bakhuis. Om de warmtepompen maximaal aan het zicht te onttrekken, zijn deze geïntegreerd in een houtschuurtje (opslagruimte). Bij de plaatsing is gekozen voor een minimale fundering op een locatie tussen de bomen.
Deze locatie ligt dus echter (net) binnen GNN en om het oppervlakteverlies (circa 8 m²) binnen GNN te compenseren is gekeken naar aanknopingspunten vanuit het beleid voor het GNN. Het verlies in oppervlakte van het GNN ter plaatse van het houtschuurtje zal gecompenseerd worden door de inrichting van gronden met beekbegeleidend bos en zoomvegetatie langs de Kleine Barneveldse Beek. Deze gronden liggen buiten het GNN en binnen GO. Deze gronden hebben een oppervlakte van ruim 300 m2 (de bestemming 'Natuur' is ruimer gelegd). Het compensatieplan is als Bijlage 4 opgenomen bij de planregels van het bestemmingsplan. Landgoed het Paradijs ligt in deelgebied '83' dat zich kenmerkt als een kleinschalig kampen- en heideontginningslandschap met veel hoogwaardige natuur. De cultuurhistorische waarden in het gebied bestaan onder meer uit ontginningen en boerderijen. In navolging van de ontwikkelingsdoelen voor dit gebied. In aansluiting op dat gegeven, is het voorstel opgesteld om langs de rand van één van de akkers direct ten noordwesten van het perceel Bielderweg 3 de zoomvegetatie langs de bosrand en oeverzone langs de Kleine Barneveldse beek te ontwikkelen om de verbindende functie te verbeteren. De strook met mantelzoomvegetatie zal in de hoek van het perceel worden aangelegd en ligt pal op het zuiden. Deze strook / hoek zal in verschillende zones worden aangeplant.
Langs de achterkant (de mantel) worden struiksoorten zoals meidoorn, sleedoorn en rozebottel geplant. Daarvoor komt een zoom van bloemen en planten. De spontane ontwikkeling van braam zal niet worden tegengewerkt en zorgt voor de benodigde biodiversiteit. Ook biedt deze zoomvegetatie beschutting voor kleine zoogdieren. Door de toepassing van bloeiende en besdragende struiken neemt ook het voedselaanbod voor insecten en andere dieren toe. Het beheer richt zich op het periodiek (eens per 10 jaar) afzetten van de struiken. De ruigte voor de struiken zal om de 2 tot 4 jaar worden gemaaid. Deze ecologische mantelzoom draagt enerzijds bij aan een grote diversiteit en dient tevens als verbindingszone voor kleine zoogdieren en insecten. De inrichting sluit dus aan bij de hierboven genoemde ontwikkelingsdoelen (ontwikkeling landgoedbossen/ bosranden). Binnen dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die er voor zorgdraagt dat de inrichting binnen 1 jaar - na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan - wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Deze gronden krijgen ook de bestemming 'Natuur'.
De wezenlijke waarden, zoals beschreven in de catalogus gebiedskenmerken en het Natuurbeheerplan van de provincie Gelderland, worden niet significant aangetast door verstoring of versnippering, aangezien de ontwikkeling slechts zeer gering is en langs de randen en in het gebied reeds sprake is van menselijke invloed. Wel dient het verlichten van de directe omgeving te worden voorkomen door gebruik te maken van gericht licht en strooilicht beperkende armaturen. In ieder geval dienen werkzaamheden overdag plaats te vinden, zodat geluid en licht 's avonds en 's nachts niet voor extra verstoring zorgen. Tevens dienen geen permanente extra lichtbronnen geplaatst te worden, zodat donkerte van het omliggende terrein gegarandeerd kan blijven. Gezien de ligging van dit bouwwerk in de bosrand en de huidige beperkte hoogte van het bestaande gebouw worden de hoogtematen ook vastgelegd in het bestemmingsplan met maatvoeringsaanduiding. Na onherroepelijk worden bestemmingsplan zal er een formeel verzoek worden ingediend bij de provincie om het GNN te herbegrenzen voor de toepassing van paragraaf 2.6.1. (de hoofdregel artikel 2.39). De geplande ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de kwalitatieve waarde van het gebied. Er vinden "Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
25
Groot Bielderweg I geen activiteiten plaats die de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied negatief aantasten. De waarden en kenmerken van het gebied worden eerder positief beïnvloed. Met de beoogde werkzaamheden wordt de kwaliteit van het gebied aanzienlijk verbeterd. Ook ten aanzien van verstoring is de ontwikkeling c.q. het wegbestemmen van het agrarische bouwvlak naar een woonbestemming per saldo positief. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden en dient verlichting van omliggende omgeving voorkomen te worden door het gebruik van strooilicht beperkende en gerichte armaturen. Doorwerking in plangebied Gelet op het bovenstaande is voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming met de Verordening (en de Omgevingsvisie). Er is geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten, samenhang of oppervlakte van het GNN. In hun onderlinge samenhang bezien, worden deze juist versterkt, omdat het plan een bijdrage levert aan verschillende ontwikkelingsdoelen voor het gebied. Nu de inrichting van het erf met omliggend terrein en de natuurontwikkeling planologisch is verankerd (met een tweetal voorwaardelijke verplichtingen, zie artikel 15.1 van de regels van dit bestemmingsplan) wordt ook aan de andere voorwaarden uit de Omgevingsverordening voldaan. De regels inzake GNN en GO vormen geen belemmering voor dit plan.
Het plan is in overeenstemming met de verordening. Klimaatadaptatie Artikel 2.65b van de provinciale verordening gaat over klimaatadaptatie. Het artikel bepaalt dat voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. b. c. d.
waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte.
In dit plan is op verschillende onderdelen aandacht besteed aan deze aspecten. Zo is bij de inrichting van het erf en tuin nadrukkelijk rekening gekozen voor verschillende bloeiende en besdragende soorten die aantrekkelijk zijn voor vlinders, bijen en vogels. De bestaande bomen blijven behouden. Nieuwe bomen zijn van inlandse soorten. Ook in de rest van het landgoed is veel aandacht voor biodiversiteit. Exoten, zoals Japanse Duizendknoop, worden daarom actief bestreden en een-soortige bospercelen worden omgevormd tot loofbos met meer variëteit en inlandse soorten. Het hemelwater van alle daken is afgekoppeld van de riolering en wordt ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. Een deel wordt naar een retentievijver ten oosten van de hoeve geleid. Verharding is over het hele erf tot een minimum beperkt en/of uitgevoerd in waterdoorlatende half-verharding wat bijdraagt aan hittebestrijding op het perceel en naar de directe omgeving. Doorwerking in plangebied Het plan is ook op dit punt in overeenstemming met de Omgevingsvisie/-verordening.
26
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I
4.4
Regio
4.4.1
Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley
De Regionale beleidsinvulling voor functieverandering en nevenactiviteiten geldt voor de gemeenten Ede, Wageningen, Nijkerk, Scherpenzeel, Barneveld en Putten. De nota is in 2006 vastgesteld en een verfijning van dit beleid is in 2008 vastgesteld. Het betreft een eigen beleidsinvulling voor functieverandering, nevenfuncties op agrarische bedrijven en uitbreiding van niet-agrarische bedrijven. De verdere toepassing van dit beleid is terug te vinden in de toelichting op het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Alleen wat van toepassing is op deze herziening wordt beknopt weergegeven. Inmiddels is op 22 maart 2017 het “Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016” vastgesteld. Dit betreft een actualisering van de regionale beleidsafspraken. Voor dit verzoek geldt dus echter nog het oude functieveranderingsbeleid, vastgelegd binnen de "Regionale beleidsinvulling voor functieverandering en nevenactiviteiten" d.d. 4 april 2008 met de "Nadere Invulling Regionale beleidsinvulling voor functieverandering en nevenactiviteiten" d.d. 20 juni 2012. Dit vanwege de overgangsregeling die is opgenomen binnen het recentelijk geactualiseerde functieveranderingsbeleid "Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016". Daarin is onder andere besloten dat 17 januari 2017 als grens wordt gehanteerd tussen toepassing van het voorgaande en geactualiseerde beleid.
Dit verzoek is voor de overgangsdatum van 17 januari 2017 ingediend. Het beleid stelt (voormalige) agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied, door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik/nieuwbouw ten behoeve van wonen of niet- agrarische bedrijvigheid. Voor de regio gemeenten zijn de volgende doelen van belang voor functieverandering: Verbetering van de ruimtelijke kwaliteit vindt, naast sloop van bebouwing, tevens plaats door middel van verbetering van publieke functies, zoals ontwikkeling van landschap en natuur door versterking van de kenmerken van het oorspronkelijke landschap, bijdragen aan recreatieve routes, bijdragen aan waterberging en dergelijke, op plaatsen waar dit wenselijk is. Functieverandering is geen doel op zich, maar moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied; Versterking van de economische en sociale vitaliteit van het buitengebied door, onder voorwaarden, niet aan het buitengebied gebonden functies toe te staan als nieuwe economische dragers en, onder voorwaarden, ruimte te bieden voor uitbreiding van deze functies. Voorkeur is hergebruik van bestaande bebouwing voor nieuwe functies.
Het gebruik van bestaande bebouwing wordt gestimuleerd. Als de bestaande bebouwing van een te slechte (beeld)kwaliteit is om voor de nieuwe functie hergebruikt te worden, is vervangende nieuwbouw, die goed is ingepast in de omgeving, mogelijk. De functieverandering wordt ingepast in het omringende landschap, bijvoorbeeld door de aanleg (en zo nodig bestemmen) van natuur- en landschapselementen. De initiatiefnemer moet daartoe een erfinrichtingsplan overleggen. De functieverandering moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke en economische vitaliteit, door middel van sloop van bebouwing, al dan niet in combinatie met verbetering van publieke functies, zoals natuurontwikkeling, bijdragen aan recreatieve routes of waterberging en dergelijke, op plaatsen waar dit wenselijk is. In geval van vrijgekomen gebouwen van een stoppend agrarisch bedrijf, dient de milieuvergunning te zijn ingetrokken. Versterking van de economische en sociale vitaliteit van het buitengebied door, onder voorwaarden, niet aan het buitengebied gebonden functies toe te staan als nieuwe economische dragers en, onder voorwaarden, ruimte te bieden voor uitbreiding van deze functies. Op 20 juni 2012 heeft de regio FoodValley ingestemd met de "Nadere Invulling Regionale beleidsinvulling voor functieverandering en nevenactiviteiten".
Vanuit de ervaringen en de actualiteit ontstond er namelijk behoefte aan een nadere invulling van het functieveranderingsbeleid. Het betreft geen herijking van het functieveranderingsbeleid, maar een nadere invulling van het eerder vastgestelde beleid. In de nadere invulling zijn de ontwikkelingsmogelijkheden, in ruil voor het slopen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, vergroot. De doelstelling van de nadere invulling is en blijft om de verrommeling van het landelijke gebied tegen te gaan door het bieden van voldoende planologische ruimte aan sanering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Daarbij staat het behalen van ruimtelijke kwaliteitswinst centraal. Doorwerking plangebied Onderhavig bestemmingsplan is voor een deel gebaseerd op de uitganspunten van het regionale functieveranderingsbeleid, maar voor een aantal onderdelen is maatwerk van toepassing. De hierboven genoemde overgangsdatum is ruimschoots voorbij. Echter zijn de uitgangspunten van het verzoek en in "Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
27
Groot Bielderweg I relatie tot het functieveranderingsbeleid hetzelfde gebleven. De verdere en nadere uitwerking van de afzonderlijke onderdelen, uitgewerkt tot het totaalplan en het uiteindelijk komen tot onderhavig bestemmingsplan heeft lang op zich laten wachten. Dit vanwege onder andere de uitwerking van het totaalplan en de erfinrichting, het zoeken naar een exacte invulling voor de natuurontwikkeling, afstemming met andere partijen en de late constatering dat een klein deel van de bebouwing binnen GNN ligt. 4.4.2
Landschapsontwikkelingsplan
In regionaal verband is in 2005 een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld, namelijk het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei. Het belangrijkste doel van het LOP is het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling door particulieren, instanties en de gemeente. Hierbij staat het behouden, versterken en verbeteren van de landschappelijke identiteit en de groenblauwe structuur voorop. Het LOP dient er voor om bouwstenen te bieden voor ontwikkelingen in het buitengebied en deze actief te geleiden. Het LOP vormt de basis voor een actief landschapsbeleid. Enkele onderdelen van de visie zijn per landschapstype nader uitgewerkt: de erfinrichting en kleine landschapselementen; de spelregels voor nieuwe landgoederen; de inrichting van de beken; het soortenbeleid. Doorwerking plangebied De ontwikkelingen binnen dit plan sluiten aan bij de uitgangspunten opgenomen binnen het landschapsontwikkelingsplan. Voor wat betreft het landgoed en de erfinrichting van het (voormalige) boerenerf is dit uitgewerkt tot een beheersplan en erfinrichtings-/beplantingsplan. 4.4.3
Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe
Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie. Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen. In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.
Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd. Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan. Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie. Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust. Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120.
In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 28
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 4.5.2
BOP 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
29
Groot Bielderweg I
4.6
Gemeente
4.6.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De structuurvisie Buitengebied Barneveld is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie Buitengebied Barneveld bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied. De visie voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Er doen zich belangrijke ontwikkelingen voor die bepalend zijn voor de toekomst van het buitengebied. De landbouw heeft niet stil gestaan en past zich aan, aan nieuwe ontwikkelingen. De doorgaande ontwikkeling in de agrarische sector heeft onder andere tot gevolg dat er steeds minder maar wel grotere agrarische bedrijven zijn gekomen en nog zullen komen. Een gevolg hiervan is vrijkomende agrarische erven door functieverandering naar wonen of werken. Ook is steeds vaker sprake van verbreding en verduurzaming. Tevens wordt geconstateerd dat recreatiebedrijven moderniseren en de kwaliteit verhogen. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap, cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. Met de visie wordt ruimte geboden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten.
Dat gaat de gemeente doen door initiatieven mede te beoordelen op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon- en leefmilieu, verkeer en natuur. De gemeente wil diverse ontwikkelingen faciliteren. Wat betreft de landbouw gaat dat om zowel schaalvergroting als verbreding en innovatie. Die verbreding verdient mogelijkheden om enerzijds extra inkomsten te bieden aan agrarische ondernemers en anderzijds om duurzame en innovatieve ontwikkelingen ruimte te geven. Verbreding is bovendien interessant voor de beleidsopgave om recreatieve mogelijkheden in het hele buitengebied te benutten en te stimuleren. Innovatie verdient kansen omdat daarmee kan worden gewerkt aan de versterking van de positie van de Regio FoodValley, aan ondernemingszin en aan klimaatadaptatie. De schaalvergroting en de innovatieve ontwikkelingen moeten echter wel passen in het landschap van de gemeente Barneveld. Die voorwaarde geldt ook voor de locaties waar de agrarische bedrijven juist stoppen en gebruik maken van het beleid voor functieverandering waarmee woningen of (kleine) bedrijven worden gerealiseerd. Het spreekt vanzelf dat ook recreatieve functies moeten bijdragen aan een fraai en herkenbaar landschap. Een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen.
Een buitengebied dat zo wordt ingericht dat het een aangename plek is om er te werken en te recreëren. Dat vergt een goed klimaat om passende werk- en recreatiefuncties daadwerkelijk te kunnen behouden en ontwikkelen. Het buitengebied als een prettige omgeving om te verblijven geeft ook een meerwaarde voor de talrijke woningen die in het buitengebied aanwezig zijn en is van groot belang als positieve vestigingsfactor voor de (toekomstige) bewoners van de negen woonkernen. Die meerwaarde wil de gemeente graag verder versterken door het ontwikkelen van de relaties tussen de dorpen en het buitengebied. Daarom wil de gemeente initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld de lokale voedselvoorziening en het beleven van veehouderij (kijk- en doemogelijkheden) en natuur (rust zoeken en onderhoud) faciliteren. De hiervoor genoemde aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in deelgebieden, met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie. Zie hiervoor de afbeelding 'Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld'. De deelgebieden zijn: Agrarisch bedrijvenlandschap. Agrarisch bekenlandschap. Agrarisch slagenlandschap. Veluws natuurgebied met agrarische enclaves.
30
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
31
Groot Bielderweg I
Afbeelding: Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. Het plangebied ligt in het deelgebied 'Agrarisch bekenlandschap'. Tevens is het plangebied gelegen binnen de zone 'Robuuste ecologische verbindingszone'. 4.6.1.1
Agrarisch bekenlandschap
De functie landbouw is in een groot deel van het gebied richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik; deze is niet richtinggevend in de natuurkerngebieden. Functieverandering naar wonen / niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. De functie landbouw in het gebied is richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik. Functieverandering naar wonen / niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. Karakteristiek Het agrarisch bekenlandschap wordt gekarakteriseerd door een afwisseling van hogere ruggen met dichtere beplanting (onder andere lanen) en bebouwing en lagere open delen waar de beken lopen. Langs de beken is sprake van langere doorzichten. Delen van het gebied zijn zeer kleinschalig door kleinschalige landschapselementen en bosjes. In dit deelgebied zijn een aantal relatief gave relicten van het kampenlandschap. 32
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I
Gebruik In een groot deel van het gebied is de functie landbouw richtinggevend, ingepast in het streven naar behoud en versterking van de structuurbepalende natuur en landschapselementen in het gebied. In de natuurkerngebieden van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur is de landbouwfunctie niet richtinggevend. In die gebieden wordt gestreefd naar duurzame landbouw binnen de natuurdoelstellingen. In het gemeentelijk ruimtelijk beleid wil de gemeente rekening houden met passende schaalvergroting, waardoor enerzijds bedrijven kunnen groeien en anderzijds bedrijven hun agrarische activiteiten zullen beëindigen. Functieverandering naar wonen / niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. In het agrarisch bekenlandschap wordt gestreefd naar een goede dagrecreatieve structuur. Voor versterking van die toeristisch-recreatieve functie van het gebied besteedt de gemeente aandacht aan mogelijkheden voor het realiseren en verbeteren van wandel-, fiets- en ruiterpaden. De gemeente is terughoudend ten aanzien van verblijfsrecreatie, uitgezonderd het stimuleren van recreatief medegebruik van agrarische gronden als onderdeel van het beleid met betrekking tot nevenactiviteiten en functieverandering.
Ontwikkelingsfonds Platteland De structuurvisie beschrijft het type projecten die tot doel hebben de beschreven ruimtelijke kwaliteiten te realiseren. Investeringen voor die projecten kunnen, al dan niet gedeeltelijk, worden gefinancierd uit het Ontwikkelingsfonds Platteland. Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst. Doorwerking plangebied Functieverandering naar wonen/niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. Voorliggend plan sluit voor een groot deel aan bij de uitgangspunten van het functieveranderingsbeleid en wordt in het kader van maatwerk ter compensatie voor een deel ingezet op natuurontwikkeling in plaats van het aanleveren van sloopmeters. Vanwege de ligging binnen de ecologische verbindingszone is de landbouwfunctie niet richtinggevend. In die gebieden wordt gestreefd naar duurzame landbouw binnen de natuurdoelstellingen. Hiermee is het omzetten van de agrarische gronden naar natuur een acceptabele compensatie. De wijziging van agrarisch naar natuur past daarmee binnen de doelstellingen van de structuurvisie.
De plannen zijn in overeenstemming met de structuurvisie Buitengebied Barneveld. Voorliggende plan voor wat betreft het realiseren van de extra woning draagt bij aan het Ontwikkelingsfonds Platteland door een gebruikelijke financiële bijdrage (van € 10,-- per m3). 4.6.2 Woonvisie Barneveld 2021-2025, regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021 In maart 2021 heeft de raad de Woonvisie Barneveld 2021-2025 'Wonen voor jong en oud' met doorkijk tot 2030/2040, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen, waarvan gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog van € 230.000 tot € 280.000), 20% middeldure woningen (middendure huur tot € 1.067,- en koop van € 280.000 tot € 350.000) en 30% duurdere woningen vanaf € 350.000,- en 10% vrij in te delen. In regio FoodValley zijn onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2017-2027 maximaal zo'n 3.800 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort.
Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, Foodvalley, waarbij er in de periode 2020-2040 in Foodvalley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zou dit een opgave van tenminste 6.000 woningen beteken. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. "Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
33
Groot Bielderweg I
In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor. Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2021 t/m 2024 is een programma van ruim 2.600 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75-80% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, dit betekent zo'n 500 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2021 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021.
Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen (opgesplitst in sociale koop laag tot € 230.000 en sociale koop hoog € 230.000 - € 280.000) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 1.067,- in 2022). In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen, goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 65.000, voor sociale koop laag op € 55.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijsen inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening.
Doorwerking plangebied De toevoeging van de extra woning in het buitengebied is voorzien in het meerjaren woningbouwprogramma van de gemeente Barneveld, waarin ruimte is opgenomen voor particulier initiatief. De gemeentelijke taakstelling woningbouwprogramma is regionaal afgestemd en er is ruimte om te groeien. Toevoeging van één woning behoort derhalve tot de mogelijkheden. In de woonvisie is in de realisatie van duurdere woningen voorzien. Volkshuisvestelijk is het plan voor de realisatie van de extra woning acceptabel. 4.6.3
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.
Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om 34
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 4.6.4
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Bij het verbouwen van de Veldschuur tot woning met inpandig bijgebouw annex onderhoudsgebouw wordt hier rekening mee gehouden. Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Per 1 april 2021 worden nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. De Hoeve (voormalige boerderijwoning) wordt geheel geïsoleerd en de gasgestookte verwarmingsinstallatie is vervangen door een tweetal hybride warmtepompen. Daarmee wordt bijgedragen aan de doelstelling om de CO2 uitstoot te verminderen. Ook de nog te realiseren woning in de Veldschuur zal volgens de huidige normen gasloos worden gebouwd.
Zonnepanelen en -collectoren Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energie- en warmteopwekking. In dit plan zijn vooralsnog geen zonnepanelen opgenomen. Het toepassen van zonnepanelen op het dak zou echter (te veel) afbreuk doen aan het uiterlijk van de karakteristieke bebouwing en worden daarom niet toegepast. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. In voorliggend plan is verharding over het hele erf tot een minimum beperkt en/of uitgevoerd in waterdoorlatende half-verharding. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / "Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
35
Groot Bielderweg I wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.16). Het hemelwater van alle daken is afgekoppeld van de riolering en wordt ter plaatse geïnfiltreerd in de bomen. Een deel wordt naar een retentievijver ten oosten van de hoeve geleid. Doorwerking in plangebied Binnen voorliggend plan is de bestaande woning overgegaan op een tweetal hybride warmtepompen. In de aanvraag omgevingsvergunning(en) voor het bouwen van de nieuwe woning in veldschuur en het realiseren van de bed- & breakfastvoorzieningen in de bijgebouwen wordt te zijner tijd aangeven welke duurzaamheidsmaatregelen er verder worden toegepast dan hierboven aangegeven. Daarbij zal worden voldaan aan de vanuit de gemeente gestelde eisen voor duurzaamheid op dat moment. 4.6.5
Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities
Visie Verblijfsrecreatie Toerisme en recreatie is voor de gemeente Barneveld een belangrijke sector. Het is een belangrijke economische motor voor ons gebied. Dit gaat dan zowel om de verblijfsrecreatie als om de horeca, toeristische voorzieningen, winkelcentra, etc. De verblijfsrecreatieve sector is al decennialang vertegenwoordigd in Barneveld. Denk daarbij aan de grotere recreatieclusters bij Voorthuizen en Garderen maar ook de hotels, breakfastvoorzieningen en boerencampings die onze gemeente rijk is. En dat is niet voor niets: de goede bereikbaarheid en de locatie op de Veluwe maakt dat Barneveld een geliefde plek is om te recreëren. In juli 2020 heeft de gemeenteraad de Visie Toerisme & Recreatie 2030 vastgesteld. In deze visie zijn vier pijlers opgenomen. Een van deze pijlers is ‘logies aanbod’. In deze overkoepelende visie wordt beoogd de verblijfsrecreatieve sector kwalitatief door te ontwikkelen en aan te vullen met bijzondere en vernieuwende concepten. Daarnaast is er aandacht voor de minder vitale vakantieparken binnen onze gemeenten. De Actualisatie Visie Verblijfsrecreatie is de nadere uitwerking van deze pijler en doelstelling. De visie biedt duidelijke kaders om het verblijfsrecreatieve aanbod in de gemeente naar een kwalitatief hoger niveau te brengen.
Met het opstellen van de Actualisatie Visie Verblijfsrecreatie komen we tegemoet aan een van de activiteiten uit het uitvoeringsprogramma Toerisme en Recreatie. Op 29 september 2022 heeft de raad ingestemd met de uitgangspunten en kaders zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Actualisatie Visie Verblijfsrecreatie 'Kansen en Koersen: Visie op de toekomst van de verblijfsrecreatie in de gemeente Barneveld'. Er is daarin ook ingegaan op het concept van een bed & breakfastvoorziening (B&B). Aangegeven is dat een B&B in de woning kan worden gerealiseerd of in een bijgebouw. Als een B&B in een bijgebouw wordt gerealiseerd moet duidelijk zijn dat het echt om een B&B gaat en niet om een losse recreatiewoning. Dat betekent dat er geen keuken, washok of andere ruimten in het bijgebouw aanwezig zijn die makkelijk bij de kamers kunnen worden aangetrokken. In een woning of bijgebouw mogen maximaal 2 kamers, met elk 2 bedden ten behoeve van een B&B worden gerealiseerd. Het is wel toegestaan een kinderbedje toe te voegen. De B&B moet altijd ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Dat betekent dat de bebouwing altijd uitstraalt dat het om een woning gaat. Daarnaast mag de oppervlakte van een B&B in een bijgebouw maximaal 60 m² bedragen. Om overlast van parkeren te voorkomen moet parkeren op het eigen erf plaatsvinden.
In Barneveld is het toegestaan een eigen woning te verhuren aan toeristen voor kort verblijf: Particuliere vakantie-verhuur. De woning is in dit geval duidelijk ingericht voor eigen bewoning. Er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken om particulier te worden verhuurd voor recreatief gebruik. Een woning mag daarom niet meer dan 60 nachten per kalenderjaar worden verhuurd tijdens afwezigheid van de bewoner. Dit kan een aaneengesloten periode zijn of meerdere korte periodes van in totaal 60 nachten. De bewoner van de woning is verantwoordelijk voor de verhuur. Verder is aangegeven dat in bijzondere situaties, bijvoorbeeld om erfgoed te behouden zijn meer of grotere kamers per B&B mogelijk. Een dergelijk initiatief is maatwerk waarbij onder andere wordt gekeken of het initiatief aanvullend is op het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod in Barneveld. 36
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I
Doorwerking plangebied Voor dit bestemmingsplan is sprake van een bijzondere situatie. In dit geval is er sprake van een landgoed en een uitzonderlijke locatie om een (luxer, ruimere met grotere oppervlakte aan) B&B toe te staan. Het vormt een toegevoegde waarde ten opzichte van het bestaande aanbod, gezien de unieke locatie op het landgoed in het buitengebied nabij wandelroutes. Daarnaast gaat het voor een deel om het behoud van bij het historische boerenerf karakteristieke bebouwing dan wel erfgoed, waarbij het erf Groot Bielderweg 1 wordt teruggebracht naar de situatie van het boerenerf van omstreeks 1930. De te hergebruiken bebouwing krijgt met deze invulling een passende functie, waarmee wordt bijgedragen aan het behoud en ook onderhoud van deze bebouwing. Het toestaan van een grotere oppervlakte aan B&B wordt daarom ook in dit bijzondere geval bij uitzondering mogelijk gemaakt. Daarbij wordt afgeweken van de standaard maximale vloeroppervlakte voor een B&B-unit. Het gaat om het toestaan van een B&B-unit in een bijgebouw annex bakhuis bij de bestaande woning met een oppervlakte van 60 m2 (met een totale vloeroppervlakte van circa 90 m2). Daarnaast worden maximaal twee B&B-eenheden in een voormalig agrarisch bijgebouw met een oppervlakte van 104 m2 (totale vloeroppervlakte van circa 134 m2) bij de andere woning mogelijk gemaakt.
De overige uitgangspunten voor van het vestigen van een B&B in een bijgebouw blijven overeind, zoals een maximaal aantal verblijfseenheden per bijgebouw en per woning. Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d.
mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid. Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het voorliggende bestemmingsplan is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. 4.6.5.1
Saldering
In de beleidsnotitie 'Kaders herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012' heeft de gemeenteraad een aantal beleidskeuzes vastgelegd die een aanvulling vormen op de Structuurvisie Buitengebied en het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Een deel van deze beleidskeuzes heeft betrekking op de groeimogelijkheden voor agrarische bedrijven. Het gaat hierbij om een herverdeling van de ruimte die nu reeds in het bestemmingsplan geboden wordt. Deze herverdeling wordt bereikt door de introductie van een salderingsregistratie. Deze salderingsregistratie is een gemeentelijke administratie waarin twee elementen worden geregistreerd: 1. hoeveel agrarische bedrijven in planologische zin verdwijnen (bijvoorbeeld door functieverandering), respectievelijk worden toegevoegd; 2. welke oppervlakte aan agrarisch bouwvlak verdwijnt; respectievelijk wordt toegevoegd. Saldering van het aantal agrarische bedrijven Op basis van het reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost kunnen wij als gemeente de nieuwvestiging van veehouderijen mogelijk maken in Landbouw Ontwikkelingsgebieden (verder kortweg LOG). Gezien de specifieke kenmerken van ons buitengebied is er in het vastgestelde bestemmingsplan voor gekozen om nieuwvestiging op nog onbebouwde locaties niet mogelijk te maken. In plaats daarvan is "Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
37
Groot Bielderweg I de mogelijkheid opgenomen om in het LOG een woonbestemming te transformeren naar een agrarische bestemming. Feitelijk betekent dit dat het plan de nieuwvestiging van agrarische bedrijven onder voorwaarden mogelijk maakt. Onze verwachting is echter dat van deze mogelijkheid slechts zeer weinig gebruik zal worden gemaakt in de komende planperiode. Daar komt bij dat wij verwachten dat het aantal stoppende agrarische bedrijven het aantal nieuwvestigers vele malen zal overtreffen. Deze verwachtingen zijn gebaseerd op de ervaringen de afgelopen planperiode. Dit betekent dat er veel groeiruimte is geboden in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 waarvan te verwachten is dat deze niet gebruikt zal worden in de komende planperiode. Deze omschakelings- mogelijkheid wordt dan ook ingeperkt door een salderingsregeling te introduceren in de betreffende wijzigingsbevoegdheden. In deze salderingsregeling wordt een koppeling aangebracht tussen het aantal stoppende agrarische bedrijven en de nieuwe bedrijven die ontstaan door omschakeling van wonen naar agrarisch. Het aantal nieuwe bedrijven dat met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt toegestaan bedraagt daarbij maximaal 50% van het aantal bedrijven dat stopt. Op deze manier zal er per saldo binnen de planperiode altijd sprake zijn van een afname van het aantal agrarische bouwvlakken in het plangebied.
Voor wat betreft de benodigde oppervlakte aan bouwvlak wordt gebruik gemaakt van het saldo van de hiervoor genoemde salderingsregistratie. Salderen van de oppervlakte agrarisch bouwvlak Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' maakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden de vergroting van agrarische bouwvlakken mogelijk. Deze groeimogelijkheden zijn afgestemd op de twee reconstructieplannen Veluwe en Gelderse Vallei/Utrecht-Oost. Onze verwachting is dat de groeiruimte die in theorie geboden wordt door het vastgestelde plan niet in zijn geheel noodzakelijk is in de komende planperiode. Het is daarom beter deze groeiruimte in te kaderen. Dit wordt gedaan door een salderingssystematiek te introduceren waarbij er een koppeling wordt gelegd tussen de oppervlakte aan bouwvlakken die vrij komt door stoppers (b.v. via functieverandering) en de agrarische bedrijven die willen groeien. Hierbij wordt de oppervlakte aan bouwvlak die vrij komt door een stopper opgenomen in een salderingsregistratie. Een bedrijf dat gebruik wil maken van de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van zijn bouwvlak kan vervolgens kosteloos gebruik maken van het saldo dat aanwezig is op de salderingsregistratie. Op deze manier zal de totale oppervlakte aan bouwvlak in het plangebied niet toenemen.
De salderingsregistratie zorgt er daarbij voor dat de ruimte die beschikbaar komt (door stoppers) ook op de gewenste plek kan worden ingezet door groeiers. Op basis van de ervaringen de afgelopen jaren met ons functieveranderingsbeleid en de ervaring met de aantallen stoppende agrarische bedrijven, verwachten wij dat het saldo van de salderingsregistratie voldoende zal zijn om daar waar nodig het vergroten van bouwvlakken te faciliteren. Doorwerking in plangebied Met de bestemmingsplanherziening wordt per saldo één agrarisch bouwvlak verwijderd. De oppervlakte van het agrarische bouwvlak bedraagt 9.495 m2. De verwijdering van het bouwvlak is opgenomen in de salderingsregistratie.
38
"Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
Groot Bielderweg I
Hoofdstuk 5 5.1
RANDVOORWAARDEN
Bodem
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Op basis daarvan zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik. Gezien het (voormalige) gebruik van deze locatie (agrarisch erf) is de locatie verdacht op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging (oude erfverhardingen, stallen/schuren met mogelijke aanwezige/voormalige bodembedreigende activiteiten die mogelijk zijn voorzien van asbesthoudende dakbedekking). Agrarische erven vallen daardoor niet in de vrijstellingsregeling die op grond van de bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer kan worden gegeven.
Voor de voorgenomen herontwikkeling/bestemmingswijziging - waarbij diverse sloop- en grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden - dient een historisch vooronderzoek worden uitgevoerd conform de NEN 5725 opgevolgd door een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740. Aan de hand van de uitkomsten van deze onderzoeken kan worden bepaald of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het gebruik als woning. Dit onderzoek dient te worden gecombineerd met een verkennend asbestonderzoek in grond/puin (conform de NEN 5707/NEN 5897). Als de aanwezige bedrijfsgebouwen waren/zijn voorzien van asbesthoudende dakbedekking die (in het verleden) niet (allemaal) voorzien (waren) zijn van een dakgoot en onverhard maaiveld ter plaatse dient het verkennend asbestonderzoek zich eveneens te richten op de toplaag van de druppelzones. Deze druppelzones dienen te worden onderzocht op de aanwezigheid van asbest (met name asbestvezels). Voor de sloop van de (bedrijfs)gebouwen dient ook vooraf een asbestinventarisatie uitgevoerd te worden. Daartoe is in eerste instantie een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De door Econsultancy te Doetinchem opgestelde rapportage 'Historisch onderzoek (NEN 5725) Groot Bielderweg 1 en 1-1 te Terschuur' (rapportnummer 5327.001 d.d.
12 april 2018), welke als Bijlage 2 is opgenomen, gaf aanleiding ten aanzien van de verdachte locaties en het onderzoeksvoorstel het volgende op te merken: twee voormalige ondergrondse dieseltanks: voorgestelde onderzoeksstrategie (VEP-OO) is akkoord, analyse op vluchtige aromaten kan achterwege blijven (in diesel zijn vluchtige aromaten afwezig); een voormalige bovengrondse petroleumtank: voorgestelde onderzoeksstrategie (VEP) is akkoord; voormalige werkplaats: voorgestelde onderzoeksstrategie (VEP) dient te worden aangepast, meerdere parameters zijn namelijk verdacht (niet alleen minerale olie en vluchtige aromaten), onderzoekstrategie VED-HE toepassen en naast het plaatsen van een peilbuis tevens grondboringen plaatsen; voormalige varkensschuur: voorgestelde onderzoeksstrategie (VED-HE) is akkoord; daarnaast is met name de toplaag (0-0,2 m-mv) ter plaatse van de druppelzone verdacht op inspoeling van asbestvezels, de druppelzone dient aanvullend separaat onderzocht te worden op asbest; voormalige opstelplaats landbouwmachines: voorgestelde onderzoeksstrategieën (2xVED-HE) is akkoord; daarnaast is met name de toplaag (0-0,2 m-mv) ter plaatse van de druppelzone verdacht op inspoeling van asbestvezels, de druppelzone dient aanvullend separaat onderzocht te worden op asbest; toegangswegen: voorgestelde onderzoeksstrategie (OHV) is akkoord Overig terreindeel: voorgestelde
onderzoeksstrategie (ONV) is akkoord, met dien verstande dat ter plaatse van de 'waterpartij ten westen van de locatie' separaat als verdachte locatie wordt onderzocht om uit te zoeken of de waterpartij aanwezig is geweest en is gedempt. Met het voornoemde is het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek rekening gehouden. Als vervolg op het historisch bodemonderzoek is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage 'Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem, Groot Bielderweg 1 en 1-1 te Terschuur' (rapportnummer 5327.002 d.d. 13 december 2018), welke als Bijlage 3 bij de toelichting is opgenomen, is correct uitgevoerd. Op de locatie zijn enkel licht verhoogde gehalten aangetroffen. Er is "Groot Bielderweg I" (vastgesteld)
39
Groot Bielderweg I geen aanleiding voor een nader onderzoek of sanering. De locatie is geschikt voor het toekomstig gebruik. Ondanks dat het verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging (o.a. stortgaten, asbestverdacht materiaal etc.). Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de onderzoekslocatie dient te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het Tijdelijk handelingskader PFAS. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanherziening/functiewijziging. Gezien het (voormalige) gebruik van de onderzoekslocatie dient bij de herontwikkeling en de daarbij behorende grondroerende werkzaamheden rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging (o.a. stortgaten, asbesthoudende plaatmateriaal ect.). Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van deze ontwikkeling.