CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

F-2 Besluitenlijsten van de auditcommissie van 16-6-22 en 22-9-22 met bijlagen.pdf

Gemeenteraad 3 november 2022, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken31.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

7

2 Systeemvraagstukken In verschillende tussentijdse rapportages heeft de commissie vraagstukken belicht die buiten de directe beïnvloedingssfeer van de (individuele) gemeenten liggen. Ook in deze rapportage willen we dergelijke vraagstukken benoemen, vanwege de effecten op de financiële positie van gemeenten en de betaalbaarheid van het sociaal domein op langere termijn. Inzichten in de systeemvraagstukken die spelen dragen bij aan het maken van een goede bottom-up-inschatting van de feitelijke verantwoordelijkheid in populatie, transformatie en de financiële vertaling daarbij. De commissie benadrukt dat deze systeemvraagstukken niet uitsluitend de financiële positie en de mate van ervaren grip van een gemeente bepalen, maar wel bepaalde afwijkingen kunnen verklaren. Hier wordt verder bij stilgestaan in hoofdstuk 2 en 3. De commissie heeft in de voorbije periode (2019-2021) onder andere de volgende systeemvraagstukken een grote rol zien spelen bij gemeenten: Systeemvraagstuk

Beknopte toelichting

Regionalisering, uitvoerings- Steeds meer gedecentraliseerde taken worden op regionaal niveau belegd7, met name bij een hogere complexiteit. De regio wordt enerzijds gezien als een adequate schaal om kracht en democratische bepaalde maatschappelijke opgaven op te pakken. Anderzijds hebben gemeenteraden niet legitimering automatisch adequaat zicht op besluitvorming binnen regionale samenwerkingsverbanden, waardoor een democratisch gat kan ontstaan. Hierdoor is er een spanningsveld tussen welke zaken lokaal en welke zaken het beste regionaal kunnen worden opgepakt. Ook is ‘de regio’ geen formeel verankerde bestuurseenheid sinds de opheffing van de Wgr-plus-regio’s; die wettelijke verankering bestaat alleen op het niveau van het Rijk, de provincies en gemeenten. Regionale samenwerking is daarmee vrijwillig, maar de taken die in de regio worden uitgevoerd zijn niet vrijblijvend. Deze spanningen maken regionale samenwerking complex. Een gedeeld gevoel van urgentie en regie is van groot belang om daar goed mee om te gaan.8 Recentelijk is de Norm voor Opdrachtgeverschap (NvO) aangenomen en van kracht geworden. Deze NvO raakt het vraagstuk rondom vrijblijvendheid.8 Met de NvO spreken gemeenten collectief af waaraan de samenwerking binnen regio’s en tussen regio’s minimaal moet voldoen en wanneer er sprake is van kwalitatief goede samenwerking. In de norm staat de regiovisie centraal.

Gemeenten spreken in deze visie onderling af welke taken ze samen als gemeenten oppakken en welke inhoudelijke ontwikkelingen in de regio gewenst zijn. De VNG heeft een routekaart ontwikkeld die gemeenten meeneemt in wat de NvO is en aan welke kaders minimaal moet worden voldaan. De NVO is een stap in de goede richting, maar adresseert niet het aanpalende systeemvraagstuk dat financiële gevolgen vervolgens per definitie landen in de gemeentelijke begrotingen. (Boven)regionale samenwerkingen zijn weliswaar vaak onvermijdelijk in verband met schaalgrootte van aanbieders of gemeenten, maar de spanning die dit oplevert is zonder meer oplosbaar met verevening.

7 8

8

Droomland of Niemandsland? Uitgangspunten voor het besturen van regio’s, Raad voor het Openbaar Bestuur (2021) Hieraan gerelateerd is een wetsvoorstel opgesteld, zie ook hier.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Systeemvraagstuk

Beknopte toelichting

Het woonplaatsbeginsel

Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet regelt welke gemeente (financieel) verantwoordelijk is voor de geleverde jeugdzorg. Deze verantwoordelijkheid ligt nu bij de gemeente waar de feitelijke woonplaats van de ouder met gezag ligt. Hierdoor moet altijd worden bepaald waar het gezag ligt, wat complex kan zijn. Mede daarom wordt het woonplaatsbeginsel aangepast op 1 januari 2022. In het nieuwe woonplaatsbeginsel hoeft het gezag niet meer te worden uitgezocht voor het bepalen van de verantwoordelijke gemeente. Ook wordt voor de woonplaats aangesloten bij de Basisregistratie Personen (BRP). Daarnaast is de gemeente er na de wetswijziging voor verantwoordelijk waar de jongere woont op het moment dat het beroep op jeugdzorg ontstaat. Deze veranderingen hebben voor veel gemeenten financiële effecten. Enerzijds is dit vanwege de uitvoeringskosten die mogelijk lager komen te liggen (vereenvoudiging). Anderzijds is dit vooral vanwege de verschuivingen in financiële verantwoordelijkheid, die ook de prikkel vergroten om een lokale ondersteuningsoptie voor de jeugdige te organiseren, in de geest van de bedoeling van de Jeugdwet. Dit is echter niet altijd mogelijk. Als gemeenten met een aanbieder van complexe en dus ‘dure’ jeugdzorg niet in hun algemene middelen worden gecompenseerd, kunnen daaruit onbedoelde effecten voortkomen.

Het abonnementstarief

Gemeenten zien grote gevolgen van het Wmo-abonnementstarief, vooral bij Hulp bij Huishouden (HbH). Sinds 2019 is het abonnementstarief in de Wmo-2015 ingesteld om een stapeling van eigen betalingen voor zorg en ondersteuning te beperken. Door het abonnementstarief betalen cliënten een vast bedrag per maand, ongeacht de hoeveelheid hulp die zij ontvangen. Dit heeft geresulteerd in stijgingen in het aantal aanvragen in de Wmo. Het verstrekken van HbH aan draagkrachtige inwoners neemt een belangrijke sturingsmogelijkheid weg bij gemeenten en stelt daardoor de financiële beheersbaarheid van het sociaal domein op de proef.

Toegangspoorten jeugdzorg Verschillende partijen mogen naar specialistische jeugdzorg verwijzen. Naast de gemeentezijn structureel onevenwich- lijke toegang bestaan wettelijk verwijzers uit huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten, tig gecertificeerde instellingen (GI’s) en rechters.9 Landelijk komt de toeleiding binnen de Jeugdwet voor meer dan de helft via een ander loket dan de gemeentelijke toegang. Hoewel verwijzers wettelijk heel effectief kunnen zijn, zien gemeenten zich geconfronteerd met een extra afhankelijkheid – voor het beheersen van het zorgvolume, maar ook in de tijdige informatievoorziening en toeleiding naar de zorg verlenende partijen. De gemeente draagt de financiële eindverantwoordelijkheid voor alle zorgtrajecten, maar kan in veel gevallen niet meebeslissen over welke zorg(verlener) wordt ingezet. Dit maakt het moeilijk voor gemeenten om grip te houden op kosten die bij de externe verwijsroutes horen.10 Bovendien kan de gemeente de regierol die van haar wordt verwacht in het sociaal domein lastig waarmaken, wanneer zij in formele zin geen aangrijpingspunten heeft om die regierol op te eisen. Tegelijkertijd is het mogelijk dat andere verwijzers tenminste net zo effectief zijn als de gemeente. Er moet dus een balans tussen effectiviteit en grip worden gevonden.

Momenteel voeren het Rijk en gemeenten gesprekken over onder andere de toedeling van kosten voor de toegang en het voorliggend veld.6 Deze discussie raakt sterk het effect en de inzet van de tijdelijke extra middelen die het Rijk beschikbaar heeft gesteld voor jeugdzorg. Meer informatie hierover is te lezen in de uitspraak en het advies van de Commissie van Wijzen over dit onderwerp.6 Om hun regierol toch goed invulling te geven, investeren veel gemeenten in de samenwerking met deze verwijzers en meer specifiek met huisartsen. Dat doen ze, zodat zij meer gebruik gaan maken van de gemeentelijke toegang en zo de verwachte omvang beter in beeld komt. Gemeenten die PraktijkOndersteuners Huisartsen (POH) inzetten hebben nog niet altijd afspraken gemaakt over compensatie vanuit de Zvw/Wlz (waar ook naar verwezen wordt). In het licht van al het bovenstaande lijken randvoorwaarden nodig om de ‘drie toegangspoorten’ in de Jeugdwet houdbaar te houden.

9

Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet, Stuurgroep Maatregelen financiële beheersbaarheid Jeugdwet (2021)

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

9

Systeemvraagstuk

Beknopte toelichting

Impact van COVID-19 op het sociaal domein

De impact van COVID-19 is groot, ook op het sociaal domein. De gevolgen van COVID-19 maken duidelijk dat een stevig sociaal domein onmisbaar is.2 Kwetsbare gezinnen en mensen worden door hun leefstijl en gezondheid vaak zwaarder geraakt door het virus. Hierdoor wordt de mentale en soms fysieke belasting van inwoners zwaar op de proef gesteld. Aanvullend raakt ook de economische crisis als gevolg van COVID-19 deze kwetsbare groepen extra hard. Dit resulteert mogelijk in de toekomst in meer druk op de Participatiewet en een verhoogde vraag naar schuldhulpverlening.10 Ook blijkt dat het aantal verwijzingen voor jongeren naar de GGZ hoger ligt dan vóór COVID-19.11 Dit kan ook duiden op een (toekomstige) stijging van gebruik van jeugdzorg. Daarnaast kampt momenteel een kwart van de jongvolwassenen (18-25 jaar) met psychische problemen;12 een stijging van 10 procentpunten ten opzichte van 2020.

10 Macroveranderingen en invloed op budget Sociaal Domein, NDSD (2020) 11 Samenvatting Monitor Toegankelijkheid van Zorg, NZA (2021) 12 Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken, CBS (2021)

10

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3 Reflecties van de commissie op ontwikkelpunten Hoewel de inrichting van het sociaal domein en de bovengenoemde systeemvraagstukken de invloedsfeer van de gemeenten overstijgen, ligt voor veel vraagstukken in het sociaal domein de regie wel voor een groot deel in eigen handen van de gemeenten. Dit hoofdstuk gaat in op de bevindingen van de commissie binnen de beïnvloedingscirkel van gemeenten.

Eén gezin, één plan, één regisseur wordt in de praktijk nog onvoldoende toegepast Het beginsel één gezin, één plan, één regisseur richt zich op het in samenhang inzetten van voorzieningen om de meest kwetsbare inwoners passende steun te bieden. Daarnaast stimuleert dit beginsel gemeenten om ondersteuning dichter bij de inwoner te organiseren en versnippering tegen te gaan. Hiervoor is naast effectieve afstemming met de inwoner ook samenwerking nodig tussen zowel zorgaanbieders als gemeenten en regio’s. Deze samenwerking is echter nog niet altijd vanzelfsprekend. Integrale hulp aan inwoners en een domeinoverstijgende aanpak missen nog te vaak bij bezochte gemeenten. Eenduidigheid in aanpak is nagestreefd met de decentralisaties, maar blijkt in de praktijk erg lastig en vraagt sterke regie. In de praktijk werken gemeenten vaak in verschillende verbanden samen: Jeugdzorgregio, Arbeidsmarktregio en centrumtaken Wmo overlappen dan niet. Hierdoor is het ook al lastig om een congruente aanpak te formuleren. De commissie ziet het belang van congruentie tussen deze gremia wanneer de velden dicht bij elkaar liggen, zoals de regio-indeling rondom passend onderwijs voor primair en secundair onderwijs en de jeugdregio’s.

Ook binnen het sociaal domein kunnen bijvoorbeeld inkoop, toegang en backoffice per wet in het sociaal domein in verschillende verbanden georganiseerd zijn, met de nodige bestuurlijke druk en administratieve lasten als gevolg. Met de verschillende regio’s waarin gemeenten opereren maken ze het extra moeilijk voor zichzelf om integraal te werken. Daarnaast lopen vaak verschillende trajecten bij verschillende zorgaanbieders. Een casemanager kan helpen om zorg integraal aan de inwoners te bieden. Echter, ook zonder casemanager is proces- en casusregie mogelijk. Dit stelt eisen aan de informatie-uitwisseling en prikkels in het stelsel, waarin gemeenten randvoorwaardelijk zaken kunnen organiseren, zodat zorgaanbieders rondom kwetsbare gezinnen de hulp gecoördineerd inzetten. Bij een meer integrale aanpak kunnen kwetsbare groepen effectiever ondersteund worden. Dit speelt ook breed buiten het sociaal domein. Investeren in bestaanszekerheid, kansengelijkheid en gezond leven kan een goede basis leggen. Dat bevordert het meedoen aan de samenleving, voorkomt stress en geldzorgen en stimuleert positieve gezondheid. 2

Visie is vaak op hoofdlijnen geformuleerd De visie van gemeenten op het sociaal domein moet richtinggevend zijn voor wat nodig is en voor hoe de gemeente wil inzetten op zelf- en samenredzaamheid van de samenleving. Uit de visitatietrajecten is naar voren gekomen dat gemeenten vaak wel een duidelijk opgestelde visie hebben, maar dat concretisering en vertaling van deze visie naar doelen en daarmee samenhangende stuurinformatie een uitdaging is. Waar logische indicatoren en handelingsinstructies ontbreken om te beoordelen of de beoogde resultaten ook worden bereikt, is het uitermate lastig om effectief bij te sturen. Bovendien wordt evalueren, samen leren en sturen op resultaat ook ingewikkeld. Bij een heldere doorvertaling van een visie naar doelstelling en naar prioriteiten van doelgroepen kunnen

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

11

inwoners gemakkelijker gedifferentieerd benaderd worden: zo worden met name de meest kwetsbare inwoners ondersteund. Vervolgens is het belangrijk om de doelstellingen goed te kunnen monitoren. 35% van de ambtenaren geeft aan dat er te weinig geschikte data zijn om effectief beleid te kunnen voeren. Belangrijke obstakels zijn onder meer het koppelen van gegevens, tijdrovende data-analyse en privacyaspecten. Meer informatie over het opstellen van een visie en de doorvertaling naar doelen en monitoring vindt u in onze derde tussenrapportage.

Optimaliseer regionale samenwerkingen Rondom regionale samenwerking ziet de commissie dat de organisatiegraad van regio’s invloed heeft op de ervaren meerwaarde en daarmee het succes van de samenwerking tussen gemeenten. De commissie ziet grote meerwaarde in regionale samenwerkingen, waar die samengaan met een goede regionale governance. De commissie adviseert om energie te steken in het opstellen van een gedeelde, inspirerende, regionale visie waar alle betrokken gemeenten zich in herkennen. Goede voorbeelden van regionale samenwerkingen zijn de regio’s Foodvalley en West-Brabant West. Zo geldt in Foodvalley het principe dat zowel gemeenten als zorgaanbieders in samenwerking sterker staan dan alleen. Gemeenten blijven constant in verbinding via verschillende transformatieprojecten. Data en monitoring vanuit Foodvalley wordt benut, om transformatiedoelen te meten en hier op te sturen. In West-Brabant West wordt nauw samengewerkt tussen en geleerd met gemeenten en voortdurend kritisch gereflecteerd met partners, ook met een landelijke denktank.

Spanning tussen schaal inkoopsamenwerkingen en schaal (hoog)specialistische zorg De commissie heeft met name bij kleinere gemeenten gezien dat het inkopen van zorg lastig is, specifiek bij grotere aanbieders, omdat zij voor de betreffende aanbieders een relatief kleine partner zijn. Verder kunnen spanningen ontstaan wanneer grote aanbieders in de problemen komen, terwijl een gemeente van zo’n grote aanbieder afhankelijk is. Bij een eventueel geschil en continuïteitsrisico’s kan vroegtijdig in gesprek worden gegaan en uiteindelijk waar nodig bemiddeling worden ingeschakeld.

Verbinding tussen jeugdhulp en passend onderwijs De commissie ziet dat de Wet passend onderwijs een decentraal georganiseerde taak bevat, die van groot aanpalend belang is bij de drie decentralisatiewetten (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) in het algemeen, maar bij de Jeugdwet in het bijzonder. Deze wet is in een vergelijkbare periode ingevoerd en heeft eveneens betrekking op kinderen en jongeren in kwetsbare posities. De toepassing van deze wet door schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs en hun regionale samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs is gebaat bij een nauwe samenwerking met gemeenten voor de Jeugdwet en andersom. Ieder kind is immers leerplichtig en sommigen komen daardoor op school in aanraking met een ondersteunings- en zorgaanbod vanuit de Wet passend onderwijs. Hoe eerder problemen – van welke aard dan ook – bij opgroeiende jeugd op school kunnen worden gedetecteerd, hoe eerder een passend zorgaanbod kan worden aangeboden en verzorgd. Hierdoor kunnen kleine problemen klein blijven en grote problemen bij de kern worden behandeld, uiteraard in nauwe samenspraak met ouders/verzorgers. Ook zijn de percentages van het aantal jeugdhulptrajecten soms zo hoog op scholen, dat het vaak logisch is om te zorgen voor groepsvoorzieningen en gecoördineerde inzet. De gemeente heeft samen met het onderwijs een rol om dit te organiseren.

De commissie constateert dat maar een beperkt aantal gemeenten deze verbinding beleidsmatig en in de uitvoering volledig maken. Het idee van ‘vindplaats is werkplaats’ kan hier echter zeker ook voor gemeenten voordelen opleveren. De commissie adviseert gemeenten vanuit het ‘Op Overeenstemming Gericht Overleg’ (OOGO, verplicht onderdeel van de Wet passend onderwijs) strakkere en meer inhoudelijke afspraken te maken met schoolbesturen. Daarnaast adviseert ze om de lokale en regionale visie op de Jeugdwet maximaal te integreren met de regionale visie op passend onderwijs.

12

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4 Een blik op de toekomst Met het water aan de lippen De oplopende (structurele) tekorten van gemeente worden vaak doorvertaald in druk op tarieven en hebben zo grote impact op de bedrijfsvoering van zorgaanbieders. Met een kleiner beschikbaar bedrag worden zij gevraagd dezelfde zorg te leveren. Hierdoor staat voor veel zorgorganisaties en -professionals het water aan de lippen. Deze constante druk is niet bevorderlijk voor innovatie bij zorgaanbieders en de mogelijkheid om ruimte te geven aan zorgprofessionals.

Wacht niet tot de dijken breken In 2021 zijn verschillende adviezen uitgebracht over hervormingen in het sociaal domein, waarover het volgende kabinet besluiten moet nemen. Gemeenten moeten zich voorbereiden op nieuwe ontwikkelingen en impulsen binnen onder meer de jeugdzorg. Eén zo’n nieuwe impuls is de Hervormingsagenda jeugd. De commissie stelt vast dat gemeenten hun eigen rol moeten doordenken, ongeacht de beslissingen van een nieuw kabinet. Het water blijft anders onverminderd stijgen en wachten tot de (financiële) dijken breken is geen optie. Daarom wil de commissie in dit hoofdstuk enkele contouren schetsen voor de toekomst, die randvoorwaardelijk zijn om het gemeentelijke sociaal domein beheersbaar te laten zijn. Als eerste: ondersteun alleen daar waar echt nodig. Hierbij is prioritering belangrijk. Beantwoord vragen als: heb je vindplaatsen om de mensen te vinden die je wilt helpen, en niet alleen vindplaatsen die weliswaar veelvuldig gevonden worden, maar niet door de meest behoeftige mensen? Hoe prioriteer je als gemeente doelgroepen? Heeft de gemeente voldoende aandacht voor die delen van de gemeente waar de achterstanden structureel zijn en de bewoners de weg naar de vindplaatsen minder gemakkelijk kunnen vinden? Zorg er hierbij voor dat de cliënten die zorg ontvangen ook de cliënten zijn die het hardste zorg nodig hebben.

Denk voor jeugdhulp aan kinderen die zonder hulp niet kunnen functioneren en niet kunnen opgroeien tot zelfredzame volwassenen. Hiervoor is een scherpe begrenzing nodig van de doelgroepen die je als gemeente wilt bereiken. Dat kan betekenen dat er kritisch gekeken wordt naar verlening van zorg aan sommigen, en dat de gemeente anderen juist actief benadert. Dit kan bijvoorbeeld worden georganiseerd door wijkgericht te werken: over het algemeen concentreren achterstandssituaties zich in bepaalde delen en wijken van gemeenten. De commissie adviseert daarnaast om kritisch te kijken naar welke dienstverlening geschrapt kan worden en waar beroep kan worden gedaan op de inwoners van de gemeente zelf.. Aansluitend adviseert de commissie om bij het inzetten van vindplaatsen zo breed mogelijk te kijken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan bibliotheken en sportverenigingen: dit zijn in zichzelf waardevolle plekken, die ook nog bijdragen aan het verminderen van sociale achterstanden. De gemeente kan hier laagdrempelige hulp aan inwoners organiseren. Wanneer een gemeente zich ten doel stelt om problematiek bij inwoners te voorkomen, zijn dit cruciale partners in zo’n aanpak. De effecten van de sluitingen van veel van deze ontmoetingsplaatsen in de COVID-19-lockdowns zijn vanuit dit oogpunt bezien dan ook extra groot.

De commissie heeft deze nauwe betrokkenheid bijvoorbeeld teruggezien bij de gemeente Barneveld. Die helpt met het oprichten van een scoutingvereniging. Daaruit blijkt dat ondersteuning in vele vormen en maten voorkomt. Ook de gemeente Beesel heeft haar beleid gericht op preventie. De gemeente heeft geïnvesteerd in de relatie met partners zoals scholen, zodat ze in samenwerking preventie en vroegsignalering kunnen realiseren. Daarnaast stuurt de gemeente actief op de inzet van vrijwilligers in het voorliggend veld. Zo worden kwaliteit en beschikbaarheid van vrij toegankelijke zorgvormen en voorzieningen in het voorliggend veld geborgd.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

13

Andere aspecten van ‘zo breed mogelijk kijken’ zijn integraal werken, en de mogelijkheid tot uitstroom uit zorg. Met een soepele overgang naar bijvoorbeeld beschermd wonen wordt een duurzame terugkeer in de maatschappij geborgd en doorstroom bevorderd. Wel benadrukt de commissie dat zorg niet per definitie zo thuis mogelijk is. Doen wat het beste past voor de zorgbehoevende inwoner en diens omgeving kan soms iets anders betekenen dan ‘zo thuis mogelijk’. Als laatste staat de gemeente achter de beweging om steeds meer op basis van kwaliteit te differentiëren. In het rapport ‘Stelsel in Groei’ wordt hierover het volgende gezegd: “Doordat gesprekken tussen aanbieder en gemeente meer over kwaliteit dan over kwantiteit zullen gaan, kan er in het gemeentelijk beleid meer focus komen te liggen op het bereiken van doelen in de hulpvragen van jeugdigen. Dit kan de kwaliteit van zorg ten goede komen.”4 Echter, het is van belang dat het (resultaatgericht) financieren daadwerkelijk de focus verandert en niet alleen als instrument wordt gezien om de bekostiging anders af te spreken. De commissie onderschrijft dit belang. Aanvullend benadrukt de commissie dat het van belang is om een systeem in te richten om goed te kunnen meten op kwaliteit. Vervolgens moeten er minimumgrenzen worden gesteld aan de kwaliteitseisen, waar nodig met het afbreken van de samenwerking tot gevolg.

De voorgaande punten kennen allen een sterke binding met de wijze van contractering van en opdrachtgeverschap richting zorgaanbieders. De mate waarin een gemeente slaagt om met zorgaanbieders op zoek te gaan naar kwaliteit van en uitstroom uit zorg, is cruciaal voor succes. Zowel de wijze van bekostiging als andere formele afspraken die in contracten worden gemaakt zijn aangrijpingspunten om hierin te sturen. Het is daarbij altijd onontbeerlijk om aanbieders hierin mee te nemen, ook als de belangen uiteenlopen.

14

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Slotwoord De commissie is in deze eindrapportage ingegaan op verschillende factoren die de toenemende druk op het sociaal domein kunnen veroorzaken. Gemeenten kunnen immers door verschillende factoren hun grip op financiële beheersbaarheid van het sociaal domein versterken. De extra incidentele middelen vanuit het Rijk maken de urgentie voor het transformeren van het stelsel niet minder en de behoefte aan een duurzaam jeugdstelsel blijft groot. Met de middelen krijgen gemeenten tegelijkertijd lucht en ruimte om verder te transformeren en te innoveren. De onderzoekende fase van grip op de uitgaven is ten einde. Dat vormt voor de commissie een natuurlijk moment om de activiteiten af te ronden. Het collectief leren gaat wel door, want hoewel de visitatietrajecten stoppen, blijft het eerdergenoemde ‘Kennisnetwerk grip op het sociaal domein’ bestaan. Dit kennisnetwerk blijft dienen als knooppunt voor de verschillende activiteiten die gemeenten samen met diverse organisaties ontplooien. De opdracht van de commissie is af, maar de gezamenlijke opdracht om tot een financieel beheersbaar sociaal domein te komen is dat niet. Er blijft behoefte bestaan aan een kritische vriend die een spiegel voorhoudt.

Dat blijkt wel uit het grote aantal aanmeldingen waar de visitatiecommissie niet aan toe is gekomen, de resultaten van de navraag door VNG Realisatie bij de gevisiteerde en niet-gevisiteerde gemeenten, en het aanhoudende enthousiasme voor het werk van de commissie in verschillende gemeentelijke gremia. Eind 2021 en begin 2022 wordt daarom bepaald hoe deze vorm van gezamenlijk leren vorm kan krijgen. (Oud-)wethouders en ambtenaren die zich hiervoor willen inzetten kunnen hun interesse kenbaar maken via visitatiecommissieFBSD@VNG.nl.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

15

Lijst met betrokkenen gedurende de gehele looptijd Commissieleden Aart Boele Berend van der Ploeg Dave Ensberg-Kleijkers Jeltje Schraverus Maarten Allers Marcel Meijs Marco Pastors Mariël Middendorp Marjanne Sint (voorzitter) Reinier ter Kuile

Gemeentelijke experts Evelien Fokkink, Organisatie Zorg en Jeugdhulp Twente Huibert van Dis, Jeugdzorgregio West Brabant-West Jelmer Staal, Gemeente Heerenveen Souhail Chaghouani, Gemeente Utrecht

Penvoerders AEF, KPMG en Significant Jonas van Leeuwen Merel Venhuizen Yannick Lataster Francine Gresnigt Meike Troost Nina Dinaux Coby Peeters Garrit Schumacher

Adviseurs kennisinstituten Movisie en NJi en Divosa Hanneke Mateman Marion Herder Lieke Salomé Monique Malmberg Jost Huijts Marije van Dodeweerd

16

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VNG Edith Boekestijn Juriaan Vrind Milton Solleveld Robbert Verkuijlen Yannick Methorst

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

17

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl November 2021

vng.nl

Evaluatiebehoefte  Strategie, visie en beleid  Maatschappelijke ontwikkelingen  Sturingsmogelijkheden  Kwantitatieve verloop  Kwalitatieve verloop  Toegang  Stakeholders  Governance

 Strategie, visie en beleid  Maatschappelijke ontwikkelingen  Sturingsmogelijkheden  Kwantitatieve verloop  Kwalitatieve verloop  Toegang  Stakeholders  Governance

Herijkingsmatrix Strategie, visie en beleid Actualiteit visie, beleidsuitgangspunten en prioriteiten

Afbakening Jeugdhulp

Ambtelijke zienswijze

 Meenemen in lopende lijn  Geen relevantie  Evaluatie- /ontwikkelbehoefte

Wat weten wij al?

Actueel?

Evalueren?

Barneveld heeft(in vergelijking met andere gemeente) beter zicht op de uitgavenontwikkeling en bijsturingsmogelijkheden door vroegtijdig keuzes te maken ogv sturing, beleid en inrichting.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Voor subonderdelen Sturing, beleid en inrichten zie verder.

Een grotere nadruk op normaliseren, demedicaliseren en eigen kracht biedt mogelijkheden om binnen de uitgangspunten van de Jeugdwet kosten te besparen ten opzichte van de huidige situatie

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Normaliseren, demedicaliseren en eigen kracht nader uitwerken in gezamenlijke preventieplan met scholen.

Herijk de financiële aspecten van de beleidstheorie van de Jeugdwet.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Landelijke oproep is gericht aan het Rijk en gemeenten. Als Barneveld aanhaken bij landelijke hervormingstraject

Het open einde karakter van de Jeugdwet maakt dat gemeenten nauwelijks grenzen stelden aan de toegang tot hulp of hulp via het wijkteam.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. In het verlengde van bovenstaande: als Barneveld aanhaken bij landelijke hervormingstraject

Kijk kritisch naar wat je als gemeente wilt organiseren voor inwoners, en waar je als gemeente juist een stap terug doet en een beroep doet op de eigen kracht van de inwoners van Barneveld. Risico is dat de hoeveelheid zorginzet en de reikwijdte van de ondersteuning vanuit de gemeente (te) breed is.

Ja

Ja, extern

Duiding actueel. Wel evaluatiebehoefte. Missende antwoorden op vragen zoals: is het voorzieningenaanbod van Barneveld te breed? Zo ja, op welke vlakken? En waarop kan worden afgeschaald? Mag het ook een 6 zijn? Kijk ook naar de groei (van aantal jeugdigen) van Barneveld.

Voer een fundamentele discussie over het gewenste voorzieningenniveau. Het is van belang dat binnen gemeenteraden hier het goede gesprek over gevoerd wordt.

Ja

Ja, extern

Zie hierboven

 Strategie, visie en beleid  Maatschappelijke ontwikkelingen  Sturingsmogelijkheden  Kwantitatieve verloop  Kwalitatieve verloop  Toegang  Stakeholders  Governance

Herijkingsmatrix Maatschappelijke ontwikkelingen Wat weten wij al?

Actueel?

Evalueren?

Ambtelijke zienswijze

 Meenemen in lopende lijn  Geen relevantie  Evaluatie- /ontwikkelbehoefte

Demografische ontwikkelingen

Jeugdhulp irt exogene factoren, populatiekenmerken, type huishouden, spreiding buurten, verhouding oude en nieuwe Barnevelders

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. AHTI heeft onderzoek gedaan naar de groei en samenstelling van Barneveld irt gebruik voorzieningen.

Buurtgericht

Een aantal buurten in Barneveld hebben disproportioneel veel kwetsbare huishoudens.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. AHTI heeft buurtscans uitgevoerd voor Barneveld en een nieuwe rapportage opgeleverd.

Schaalbenutting: Barneveld in relatie tot de (boven) regionale/ landelijke context

In het merendeel van de onderzochte gemeenten is nog geen sprake van een stabiel functionerend jeugdstelsel

Nee

Nee

Duiding niet meer actueel en ook niet meer relevant (geen evaluatiebehoefte).

Bij verblijf helpt het om met de herkomstgemeente tijdig te verkennen hoe een soepele uitstroom kan worden gefaciliteerd.

Nee

Nee

Duiding niet meer actueel en ook niet meer relevant (geen evaluatiebehoefte).

Naast de aanbevelingen raden we gemeente Barneveld aan om gemeenten uit de regio, of uit geheel Nederland, uit te nodigen om mee te kijken naar hoe zij haar sociaal domein heeft ingericht. Op deze manier kan de gemeente haar opgedane kennis en bruikbare uitvoering delen.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Voorbeeldfunctie Barneveld vooral landelijk benutten.

 Strategie, visie en beleid  Maatschappelijke ontwikkelingen  Sturingsmogelijkheden  Kwantitatieve verloop  Kwalitatieve verloop  Toegang  Stakeholders  Governance

Herijkingsmatrix Sturingsmogelijkheden Weinig tot niet beïnvloedbaar (inhoudelijk)

Weinig tot niet beïnvloedbaar (financieel)

Ambtelijke zienswijze

 Meenemen in lopende lijn  Geen relevantie  Evaluatie- /ontwikkelbehoefte

Wat weten wij al?

Actueel?

Evalueren?

De Commissie adviseert om de Glind en de jeugdhulpaanbieders die hier actief zijn (vooral Pluryn) expliciet een status aparte toe te kennen in de transformatiebeweging

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. De positie van De Glind (als 4-milieusvoorziening) meenemen in de uitwerking van de regionale inkoopstrategie verblijf.

Het is van belang dat het Rijk in de oplossing voor het jeugdhulpprobleem voorbij de Jeugdwet kijkt, en ook expliciete verantwoordelijkheden neerlegt bij andere partijen die vanuit hun rol en verantwoordelijkheid kunnen bijdragen aan die brede pedagogische basis.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Meenemen in gezamenlijke preventieplan met scholen.

Het is van belang dat ook het Rijk zich realiseert dat het verlagen van het voorzieningenniveau consequenties heeft en zich eraan committeert om deze consequenties samen met gemeenten te dragen.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Als Barneveld aanhaken bij landelijke hervormingstraject en dit punt meenemen.

Ontwikkelingen in het onderwijs, de GGZ en de Wlz zien onderzochte gemeenten als een risicofactor voor de ontwikkeling van de vraag naar jeugdhulp.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Onderwijs gerelateerde onderwerpen meenemen in gezamenlijke preventieplan met scholen. Aanpak GGZ en WLZ worden opgepakt als onderdeel van de transformatieprojecten.

Het landelijk tekort bedroeg tussen de 1,6 miljard euro en 1,8 miljard euro. Daarnaast kan met de invoering van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage kan er nog 0,8 tot 1,2 miljard euro bespaard worden.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Als Barneveld aanhaken bij landelijke hervormingstraject en dit punt meenemen.

Maak zorgprofessionals deelgenoot van de afwegingen rondom de financiële tekorten. Hierdoor wordt gestimuleerd dat hulpverleners ook meer financiële afwegingen gaan maken tijdens hun werk.

Ja

Nee

Duiding actueel. Geen evaluatiebehoefte. Dit punt meenemen in de uitwerking van de inkoopstrategie. Daarbij aandacht voor positieve prikkels (belonen van goed gedrag).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=32a72920-ca77-467a-9149-8a94fe3dbadf