CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

De Lanen-Oost_Toelichting (incl. toevoeging par. 5.14)

Gemeenteraad 27 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan De Lanen-Oost, Barneveld26.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (25 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (15 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 70.000, voor sociale koop laag op € 60.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijsen inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking in plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling van 226 woningen in het plangebied 'De Lanen-Oost' is deels invulling gegeven aan de woningbouwopgave uit de Woonvisie Barneveld 2021-2025. Tevens is met de ontwikkeling van zowel goedkope, middeldure, dure koopwoningen en sociale huurwoningen ingespeeld op de vraag naar een divers woningaanbod.

Voor de sociale koop- en huurwoningen, is de doelgroepenverordening van toepassing. De beoogde goedkope woningen (huur en koop) dienen gedurende een termijn van ten minste 10 jaren (of 25 jaar in geval van sociale huur) na eerste ingebruikname voor de doelgroep sociale huur-/koopwoning beschikbaar te blijven. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de woningbehoefte in de gemeente Barneveld.

26

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost

Hoofdstuk 5 5.1

RANDVOORWAARDEN

Bodem

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. De onderstaande onderzoeken zijn (deels) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied 'De Lanen-Oost': 1. Milieuhygiënische onderzoeken Nederwoudseweg 66-68 Barneveld, PJ Milieu bv, 18006601A, 30-04-2018 (licht groen op onderstaande afbeelding, bijlage 19); 2. Verkennend bodemonderzoek (percelen 3494 en 5105) Barneveld, PJ Milieu bv, 18030901A, 18-05-2018 (donker groen op onderstaande afbeelding, bijlage 18); 3. Verkennend bodemonderzoek Scherpenzeelseweg/Burgemeester Aschofflaan in Barneveld, Ortageo, 210980/R02, 10-04-2020 (lichtgeel op onderstaande afbeelding, bijlage 17); 4.

Diverse (milieu) onderzoeken De Burgt III te Barneveld, Buro Ontwerp&Omgeving, 3049.01, 10-02-2021, bijlage 25 (rood gearceerd op onderstaande afbeelding).

Afbeelding 10 Kaart bodemonderzoeken Op de kaart met bodemonderzoeken is de grens van het plangebied 'De Lanen-Oost' aangeduid met de blauwe lijn. De oranje lijn vormt de grens van het meeromvattende gebied 'De Burgt III'. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt het volgende met betrekking tot de bodemkwaliteit. In zowel de grond als het grondwater zijn over het algemeen maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Uitzondering hierop zijn de sterk verhoogde concentratie nikkel in het grondwater aan de noordwestkant van het plangebied en de matig verhoogde concentratie nikkel in het grondwater aan de oostkant van het plangebied. Het betreft hier echter van nature voorkomende achtergrondwaarden waardoor de Wet bodembescherming niet van toepassing is. Bij bemaling en/of oppompen van grondwater voor beregening dient hier wel rekening mee gehouden te worden. Ter plaatse van het zuidelijk deel van het plangebied is de bovengrond onderzocht op PFAS. Ook dam I is onderzocht op PFAS. Hierbij is geen PFAS aangetoond in gehalten boven de landelijke achtergrondwaarde uit het Handelingskader. In de grond is, ter plaatse van de op asbest in bodem onderzochte terreindelen, geen asbest aangetoond. Uitzondering op bovenstaande is de asbestverontreiniging ter plaatse van dam I. In de bodemlaag van 0 tot 0,5 m-mv is "De Lanen-Oost" (vastgesteld)

27

De Lanen-Oost over een oppervlak van circa 25 m2 een sterk verhoogd gehalte asbest aanwezig. Verwacht wordt dat de omvang van de sterke verontreiniging circa 13 m3 betreft. Er is sprake van een niet-spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit is zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van de weilanden over het algemeen altijd toepasbaar. Zeer plaatselijk valt de grond in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit is in de bovengrond, tot maximaal 1 m-mv, het geval ter plaatse van één van de dammen en ter plaatse van een aantal boringen op het zuidwestelijk deel van het plangebied. In de ondergrond is dit het geval bij een aantal boringen ter plaatse van de voormalige bebouwing aan de zuidoostkant van het plangebied. De bodemkwaliteit is voldoende in beeld gebracht en vormt geen belemmeringen voor de herziening van het bestemmingsplan en de voorgenomen nieuwbouw van woningen. Wel dient het geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest ter plaatse van dam I gesaneerd te worden. Hiervoor is toestemming van het bevoegd gezag (Provincie Gelderland) noodzakelijk. Deze toestemming wordt verkregen middels het indienen van een saneringsplan of BUS-melding. Voorafgaande aan de uitvoering zal de sanering plaatsvinden. Alvorens te kunnen starten met de uitvoering is goedkeuring van de provincie nodig op de aanvraag.

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologische verwachting en onderzoeksresultaten

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied De Lanen Oost maakte in eerste instantie onderdeel uit van een groter plangebied; De Burgt. Het plangebied De Burgt kent vier verwachtingszones op de gemeentelijke Archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er is sprake van een lage archeologische verwachting, een middelhoge archeologische verwachting, voor een klein deel geldt een hoge archeologische verwachting en binnen het plangebied bevindt zich een historisch erf. Ter plaatse van het historische erf dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij plangebieden groter dan 100 m². Ook de laagste waarde (meer dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm- mv voor gebieden met een lage verwachtingswaarde) wordt overschreden aangezien de omvang van het plangebied meer dan 26 hectare bedraagt. Daarom is er archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 10). Dit onderzoek is in drie fasen uitgevoerd en begin 2023 afgerond. Na de uitvoering van een bureauonderzoek en twee booronderzoeken werd besloten voor een deel van het plangebied een apart bestemmingsplan op te stellen; De Lanen-Oost.

Het plangebied "De Lanen-Oost" kent twee verwachtingszones; een lage archeologische verwachting en een middelhoge archeologische verwachting. 28

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost

Het bureauonderzoek is in één keer uitgevoerd voor het gehele plangebied De Burgt (waaronder ook het deel dat nu "De Lanen Oost" is). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd in drie fasen. Dit had te maken met het ontbreken van een betredingstoestemming voor het gehele plangebied. De resultaten van het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek van fase 1, 2 en 3 zijn samengevoegd in één rapport. Resultaten bureauonderzoek Op basis van de aardwetenschappelijke gegevens is er in het plangebied vermoedelijk sprake van verspoeld dekzand, een dalvormige laagte en twee dekzandkopjes. De ondergrond bestaat uit dekzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Hierin heeft zich grotendeels een beekeerdgrond ontwikkeld. In een kleiner deel van het plangebied kan er tevens sprake zijn van een laarpodzolgrond. Op historisch kaartmateriaal is waar te nemen dat er twee historische erven aanwezig zijn geweest binnen het plangebied, waarvan het erf Groot Butzelaar nog steeds bestaat (beide in plangebied De Burgt). Ter plaatse van de historische bebouwing geldt een hoge archeologische verwachting. De twee vermoedelijk aanwezige dekzandkopjes krijgen tevens een hoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden. Een lage archeologische verwachting geldt ter plaatse van de dalvormige laagte en het verspoelde dekzand.

Agrarische activiteiten in het plangebied kunnen ervoor gezorgd hebben dat de bodem tot in het archeologisch niveau verstoord is geraakt. Verkennend booronderzoek dient aan te tonen of er nog sprake is van intacte bodemprofielen. Resultaten booronderzoek fase 1 Op basis van het booronderzoek (bijlage 11) is gebleken dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand, behorend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. In het dekzand heeft zich voornamelijk een veldpodzol ontwikkeld. In enkele boringen is sprake van een beekeerdgrond. In de overige boringen is sprake van hoge bruine enkeerdgronden. De verwachte laarpodzolgronden zijn niet aangetroffen. Binnen het plangebied is veelal sprake van verstoorde bodemprofielen. Het merendeel van de boringen bestaat uit een gemengde A/B-horizont als gevolg van diepploegen. In slechts negen van de drieënvijftig boringen is een intacte veldpodzol waargenomen. In vier boringen is als bijmenging sprake van grijze leem of zandige klei, welke in het veld geïnterpreteerd is als een voormalige beekafzetting (Laagpakket van Singraven). Het plangebied is deels gelegen in het beekdal van de Barneveldse beek. Resultaten booronderzoek fase 2 De natuurlijke ondergrond in het onderzochte deel van het plangebied (fase 2, bijlage 12) bestaat uit een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden).

De top hiervan is op minimaal 30 cm-mv en op maximaal 125 cm-mv waargenomen. In het dekzand heeft zich van oorsprong een veldpodzol ontwikkeld, waarvan de restanten in slechts 4 boringen nog waargenomen zijn in de vorm van een (zwak ontwikkelde) B-horizont. In enkele boringen is op het dekzand nog een (bijmenging van) zandige klei waargenomen, welke in het veld geïnterpreteerd is als een voormalige beekafzetting (Laagpakket van Singraven). Het plangebied is deels gelegen in het beekdal van de Barneveldse beek. Gezien de aanwezigheid van een beekdal mag ervan uitgegaan worden dat de aangetroffen laag een voormalige beekafzetting betreft en dat het geen bodemmateriaal betreft dat is aangevoerd van elders. In 8 boringen is een eerdlaag waargenomen (A1-horizont). Aangenomen mag worden dat het hier niet gaat om een oude laag, maar om een (sub)recente horizont die is ontstaan als gevolg van het kweken van graszoden. Deze 8 boringen komen namelijk verspreid door het plangebied voor, en niet per definitie op de locatie van de (historische) erven. De overgang naar de onderliggende natuurlijke afzettingen is in alle gevallen scherp. Resultaten booronderzoek fase 3 Uit de resultaten van het booronderzoek fase 3 is gebleken dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit verspoeld dekzand en löss.

De bodemopbouw is in het hele onderzoeksgebied van fase 3 verstoord tot in de C-horizont als gevolg van (diep)ploegen en/of egalisatie. De twee dekzandruggen die op basis van het bureauonderzoek verwacht werden, zijn in het onderzoeksgebied niet aangetroffen. Ook zijn geen (restanten van) podzolbodems waargenomen. De bodem ter plaatse van het voormalig historisch erf Klein Butzelaar was eveneens verstoord en ook de bodem langs de grenzen van het nog aanwezige historisch erf Groot Butzelaar was verstoord. De archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied van fase 3 kan op basis van de verstoorde bodem worden bijgesteld naar laag, met als indicatie ‘verstoord’. "De Lanen-Oost" (vastgesteld)

29

De Lanen-Oost

Selectieadvies fase 1 voor 'De Lanen-Oost' Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend booronderzoek tijdens fase 1 is besloten geen vervolgonderzoek uit te voeren voor de huidige onderzochte delen van het plangebied. In het plangebied is slechts in negen van de drieënvijftig boringen tijdens fase 1 een intact bodemprofiel waargenomen. De overige boringen waren allen tot in de top van de C-horizont verstoord. De kans dat met de geplande ontwikkelingen behoudenswaardige archeologische waarden verloren gaan wordt gering geacht. Tijdens fase 1 zijn de percelen op en rond de twee historische erven nog niet onderzocht. Ook de dekzandrug in het centrale deel van het plangebied viel buiten de beboorde delen van fase 1. De archeologische potentie van de historische erven en de dekzandrug in het centrale deel van het plangebied dient tijdens fase 2 of 3 te worden vastgesteld. Samengevat kan worden gesteld dat de onderzochte delen van het plangebied "De Lanen-Oost" van fase 1 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. Selectieadvies fase 2 voor "De Lanen-Oost" Op basis van de resultaten van het veldonderzoek in fase 2 is besloten om in dit deel van het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren voor de huidige onderzochte delen. De ondergrond is sterk verstoord als gevolg van het diepwoelen en kweken van graszoden.

De kans dat met de toekomstige bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan, wordt gering geacht. De archeologische potentie van het nog niet onderzochte deel van het plangebied moet in fase 3 nog vastgesteld worden. Samengevat kan worden gesteld dat de onderzochte delen van het plangebied De Lanen-Oost van fase 2 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. Selectieadvies fase 3 voor "De Lanen-Oost" Uit de resultaten van het veldonderzoek in fase 3 is gebleken dat de ondergrond in het hele onderzoeksgebied is verstoord tot in de C-horizont. Er zijn geen intacte (podzol)bodems aangetroffen. De kans dat bij de beoogde bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan wordt laag ingeschat. Samengevat kan worden gesteld dat de onderzochte delen van het plangebied De Lanen-Oost van fase 3 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. Conclusie Het plangebied De Lanen-Oost kan op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologische onderzoek worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. Aanvulling op selectieadviezen Wel geldt altijd het volgende: Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE) verplicht.

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart wel/geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Het aspect historische stedenbouwkundige waarden/monumenten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het bestemmingsplan.

5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan is niet aangeduid als zeer hoog gewaardeerd landschap (waarde 5) of hoog gewaardeerd landschap (waarde 4). Het is daarmee niet noodzakelijk om een dubbelbestemming voor cultuurlandschappelijke waarden op te nemen in het bestemmingsplan. 30

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost

Dit bestemmingsplan is niet strijdig met de cultuurlandschappelijke waarden.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied. Dat is te zien op de onderstaande kaart die afkomstig is van de Natura2000-viewer, https://natura2000.eea.europa.eu/. De afstand tussen het plangebied en de Veluwe bedraagt ongeveer 4,3 kilometer.

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

31

De Lanen-Oost

Afbeelding 11 Natura 2000-gebied Veluwe Negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden worden vanwege de aard van de ingreep en de afstand tot het plangebied niet verwacht. Om eventueel negatieve effecten van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden te kunnen uitsluiten, is wel een AERIUS-berekening uitgevoerd met bijbehorende effectbeoordeling (bijlage 36). Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (bijlage 36). De uitkomst van het onderzoek is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De conclusie van het onderzoek naar de depositie van stikstof als gevolg van berekende stikstofemissies luidt dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in beginsel niet worden uitgesloten. Verder is vastgesteld dat door interne saldering geen sprake zal zijn van significante effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Quickscan 2020 Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets uitgevoerd. De quickscan is opgenomen als bijlage 33 van de toelichting bij dit bestemmingsplan. Nader ecologisch onderzoek De quickscan natuurtoets gaf aanleiding om nader ecologisch onderzoek uit te voeren (bijlage 26). Daarbij is de aanwezigheid van een aantal soorten in het plangebied onderzocht. Ten tijde van de terinzagelegging van het voorontwerp van dit bestemmingsplan (2 - 15 september 2022) was het onderzoek echter nog niet compleet. Arcadis Nederland B.V. voert het vervolg van het ecologische onderzoek uit. Quickscan 2022 Door nieuwe ontwikkelingen in het plangebied sinds 2020 was het mogelijk dat de getroffen onderzoeksinspanning onvoldoende was met als gevolg dat er opnieuw aanvullend onderzoek moest worden verricht.

Aan Arcadis is gevraagd om opnieuw een quickscan (bijlage 34) uit te voeren waarbij alle mogelijke ecologische risico's in beeld worden gebracht. Activiteitenplan beschermde soorten Op 7 december 2022 heeft Arcadis het Activiteitenplan beschermde soorten (bijlage 1) opgeleverd, waarin de uitkomsten van de hiervoor genoemde quickscans zijn verwerkt. In de conclusie van het activiteitenplan staat welke maatregelen worden getroffen om negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen nieuwbouwontwikkeling zo goed mogelijk te voorkomen. Ondanks de maatregelen kunnen voor bepaalde beschermde soorten geen resteffecten worden uitgesloten. Hiervoor is in december 2022 een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is.

Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

32

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO ligt. Op een afstand van ongeveer 500 meter van het plangebied bevindt zich Dennebroek, dat deel uitmaakt van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en deels van een Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de afstand zal de verwezenlijking van 'De Lanen-Oost' de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het GNN en de GO niet aantasten. Dennebroek is te zien op de onderstaande afbeelding. Het betreft een fragment van kaart nr. 5 van Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, de themakaart Natuur- en landschapsbeleid.

Afbeelding 12 GNN - GO Dennebroek

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven "De Lanen-Oost" (vastgesteld)

33

De Lanen-Oost geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Binnen het plangebied komen nieuwe kwetsbare objecten in de vorm van woningen. Het aantal woningen neemt ten opzichte van de het geldende bestemmingsplan toe. Het plangebied is in de huidige situatie voornamelijk agrarisch in gebruik. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met een blauwe cirkel.

34

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost

Afbeelding 13 Risicokaart Nederland

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen Bevi-inrichtingen. Op circa 900 meter van het plangebied ligt aan de Scherpenzeelsweg 56 een LPG-tankstation. Voor LPG-tankstations geldt een invloedsgebied van het groepsrisico van 150 meter. Het plangebied 'De Lanen-Oost' ligt ruim buiten deze zone. Een nadere onderbouwing wat betreft stationaire risicobronnen blijft daarom achterwege. Wat betreft mobiele risicobronnen het volgende. Het plangebied is gelegen op circa 800 meter afstand van de rijksweg A30 (wegvak G32 en G67). Over de A30 worden gevaarlijke stoffen, LF1, LF2, LT1 en LT2, getransporteerd. Het invloedsgebied van deze weg bedraagt 880 meter. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied. Om die reden dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden. De maatgevende scenario's voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen ligt is een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Navolgend is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

35

De Lanen-Oost

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Wegverkeerslawaai Buro Ontwerp & Omgeving uit Arnhem heeft het akoestische onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (bijlage 9). Hieronder volgen de conclusies wat betreft autosnelweg A30, de Scherpenzeelseweg (N802), de Burgemeester Aschofflaan - overgaand in de Burgemeester Labreelaan, en de nieuwe ontsluitingsweg. Autosnelweg A30 Bij 42 woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden ten gevolge van de A30. De hoogste geluidsbelasting van bij de nieuwe woningen bedraagt 50 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh, afkomstig van de A30. Voor woningen buiten de zone hoeft formeel geen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Hierdoor is een toetsing aan de normen uit de Wgh voor woningen buiten de zone formeel ook niet mogelijk.

Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 53 dB gebruikt, welke gelden voor nieuwe woningen binnen de zone van de snelweg. Bij 42 woningen in het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB wordt niet overschreden. Aangezien het ontwikkelingsgebied ligt buiten de zone van de A30, is de verlening van hogere waarden niet nodig en niet mogelijk. Scherpenzeelseweg (N802) Bij 48 woningen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De hoogste geluidsbelasting bij de nieuwe woningen bedraagt 59 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij 48 woningen in het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Burgemeester Aschofflaan - Burgemeester Labreelaan De Burgemeester Aschofflaan gaat over in de Burgemeester Labreelaan. In het onderzoek zijn deze twee wegen als één weg beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt dat bij 41 woningen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hoogste geluidsbelasting bij de nieuwe woningen bedraagt 54 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh.

Bij 41 woningen in het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Ontsluitingsweg Uit het onderzoek volgt dat 22 woningen een geluidsbelasting hebben hoger dan de 36

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogste geluidsbelasting bij de nieuwe woning bedraagt 51 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij 22 woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Het doel van de Wet geluidhinder is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Scherpenzeelseweg (N802) en de Burgemeester Aschofflaan, het vergroten van de afstand tussen de woningen en de weg of het toepassen van dove gevels. In het gemeentelijke geluidbeleid ‘Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld’, d.d. 22 december 2009, ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder. Echter de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, dan wel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in het gebiedsdeel 'De Lanen-Oost' van de woonwijk De Burgt. Dit is één van de uitbreidingswijken van gemeente Barneveld.

De ontheffingscriteria uit het geluidbeleid zijn van toepassing, te weten: 'Woningen zijn in een uitbreidings-, stads- of dorpsvernieuwingsplan opgenomen'. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid en de Wgh kan de gemeente Barneveld hogere waarde verlenen voor 111 woningen afkomstig van de Scherpenzeelseweg (N802), de Burgemeester Aschofflaan, en de interne ontsluitingsweg. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een separate hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. De te verlenen hogere waarden zijn genoemd in bijlage 9. Er is sprake van een aanvaardbare toekomstige woonsituatie voor het gehele plangebied, met dien verstande dat voor bepaalde woningen de hogere waarde-procedure dient te worden gevolgd en dat in sommige gevallen maatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB te garanderen. Wegreconstructie Buro Ontwerp & Omgeving uit Arnhem heeft nog een tweede akoestisch onderzoek uitgevoerd dat specifiek is gericht op de nieuwe rotonde bij de Burgemeester Aschofflaan / Burgemeester Labreelaan en de nieuwe ontsluitingsweg van de woonwijk (bijlage 8). Uit de geluidsberekeningen is gebleken dat er uit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de aanleg van de rotonde, het verleggen van de Burgemeester Aschofflaan in oostelijke richting en de aanleg van de interne ontsluitingsweg.

Conclusie wegverkeerslawaai en wegreconstructie De algemene conclusie luidt dat sprake is van een aanvaardbare, toekomstige woonsituatie voor de hele nieuwe woonbuurt. Voor bepaalde woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en is het noodzakelijk om hogere waarden vast te stellen volgens de Wgh-procedure. Voor een aantal woningen zijn maatregelen nodig om de binnenwaarde van 33 dB te garanderen. Wat betreft de wegreconstructie is de conclusie dat de geluidsbelasting kleiner is dan 2 dB. Er is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh. Er zijn geen maatregelen aan bestaande woningen vereist en er is wat betreft de wegreconstructie geen Wgh-procedure aan de orde. Industrielawaai In juli 2022 is door AV Consulting B.V. een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 7 bijgevoegd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de navolgende conclusies getrokken worden. De gerealiseerde bouwmarkt aan de Burgemeester Aschofflaan 2-4 in Barneveld voldoet bij nagenoeg alle woningen aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit, namelijk een etmaalwaarde van 50 dB(A) (inclusief 5 dB toeslag voor de achteruitrijsignalering). Daarnaast wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 2 van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering voor het gebiedstype 'gemengd gebied'.

Alleen ter plaatse van de tweede en derde bouwlaag (beoordelingshoogte 5,0 en 7,5 meter) van de meest zuidwestelijke woning wordt deze waarde met 1 respectievelijk 2 dB overschreden. Op onderstaande afbeelding is deze woning met een rode cirkel aangeduid.

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

37

De Lanen-Oost

Afbeelding 14 Geluidscontouren etmaalwaarde LAr, LT in dB(A) De deskundige heeft geadviseerd om hiermee rekening te houden bij het uitwerken van het plan. De volgende opties zijn mogelijk: Op de tweede en derde bouwlaag achter deze gevel géén verblijfsruimte realiseren, maar bijvoorbeeld een trappenhuis, zolder of onbenoemde ruimte. Het toepassen van een 'dove gevel' (gevel zonder te openen delen) of een 'vliesgevel' (aan de gevel bevestigd geluidscherm) ter plaatse van de naar de Gamma/PDV gerichte gevel. Het geluidscherm is gerealiseerd. Het treffen van maatregelen bij de Gamma/PDV zelf. De gerealiseerde bouwmarkt voldoet ten aanzien van de maximale geluidsniveaus aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Daarnaast wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 2 van de publicatie Bedrijven en milieuzonering voor het gebiedstype 'gemengd gebied'. Met betrekking tot de indirecte hinder voldoet de te realiseren bouwmarkt ter plaatse van woningen van derden aan de streefwaarde van 50 dB(A) uit de zogenaamde Schrikkelcirculaire. Het bovenstaande geldt zowel voor de bestaande woningen in de omgeving als voor de nieuwe woningen in de te realiseren nieuwe woonwijk ten noorden van de bouwmarkt.

Om aan de geluidsvoorschriften/richtwaarden te kunnen voldoen, is langs de laad-loslocatie van de bouwmarkt inmiddels het vereiste geluidscherm gerealiseerd met een hoogte van minimaal 3,0 meter en een lengte van circa 25 meter.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 8 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe 38

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in nieuwe geurgevoelige objecten. Er komen 226 woningen in de buurt 'De Lanen-Oost'. Het plangebied wordt onderdeel van de bebouwde kom. Volgens de geurverordening geldt een voorgrondnorm van 8,0 ouE/m3.

Geuronderzoek In bijlage 4 is het rapport van het onderzoek naar agrarische geurhinder bijgevoegd (projectnummer 3049.01 van 9 september 2022, uitgevoerd door buro ontwerp & omgeving). Hierbij is echter geen rekening gehouden met alle veehouderijen in de omgeving. Daarom is een aanvullende beoordeling gedaan van de agrarische geurhinder op het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Nederwoudseweg 66-68; varkens en rundveehouderij Nederwoudseweg 70-72; varkens en rundveehouderij Beoordeling ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Om te beoordelen of veehouderijen in de omgeving niet onevenredig is hun belangen worden geschaad moet rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Dit betekent dat voor geur getoetst moet worden vanaf de rand van het bouwvlak. Binnen 100 meter van het plangebied liggen geen veehouderijen. Hierdoor is voldaan aan de afstandsnorm van 100 meter voor dieren, zonder vastgestelde geuremissie. Op de veehouderijen op de Nederwoudseweg worden daarnaast dieren gehouden met een geuremissiefactor. De geurbelasting vanuit beide bedrijven is daarom berekend op de dichtstbijzijnde hoeken van het plangebied. Om eventueel te verwachten ontwikkelingen op een veehouderij mee te wegen is een zogenaamde worst-case berekening gemaakt.

Hierbij is, conform jurisprudentie, uitgegaan van alle vergunde geur op de rand van het bouwvlak. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het programma V-stacks vergunning (V-2020). Uit de berekeningen blijkt dat de geurbelasting niet hoger is dan 3,7 ouE/m3, waar 8,0 ouE/m3 is toegestaan. Op de rand van het plangebied wordt dan ook voldaan aan de geurnormen uit het gemeentelijke geurbeleid. Hierdoor is woningbouw binnen het plangebied mogelijk. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie Aan de afstanden wordt voldaan. De geurbelasting wordt niet te hoog bij een worst-case/ uitbreiding scenario. De ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen worden daarom niet beperkt door het voorgenomen plan. Beoordeling woon-en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In dit geval is de voorgrondbelasting vanuit de veehouderijen ten noorden van het plangebied beperkt; in een worst-case scenario is al sprake van een redelijk goed tot goed woon-en leefklimaat. Daarnaast is in "De Lanen-Oost" (vastgesteld)

39

De Lanen-Oost dit gebied volgens een (verouderde) kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 10-14 OuE/m³. Daarmee is ook sprake van een redelijk goed woon-en leefklimaat. De eindconclusie luidt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een deel van een nieuwe woonwijk met 226 woningen. Dit is aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de regio Foodvalley is nog niet voldoende harde plancapaciteit aanwezig om de woningbehoefte te kunnen opvangen. In de gemeente Barneveld is sprake van een behoefte aan nieuwe rij-, hoek- en vrijstaande woningen.

Deze ruimtelijke ontwikkeling voorziet in totaal in circa 2.500 woningen, waarvan 226 komen in het deelgebied 'De Lanen-Oost'. Het woonprogramma bestaat uit rij- en hoekwoningen, vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en appartementen die worden aangeboden in de vrije sector, maar ook bestemd zijn voor sociale huur. Op basis van het bijgevoegde onderzoek (bijlage 23) luidt de conclusie dat de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied voorziet in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkellocatie. Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Deze voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Er zijn geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 dan wel 3.000 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging (Voorschrift 3A.2 (Woningbouwlocaties) van Bijlage 3a bij de Regeling niet in betekenende mate bijdragen 40

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost (luchtkwaliteitseisen)). Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd.

De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen. In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit.

De verwachting is dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van het onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage zijn de m.e.r.-plichtige (Bijlage C) en m.e.r.-beoordelingsplichtige (bijlage D) activiteiten aangewezen. De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit "De Lanen-Oost" (vastgesteld)

41

De Lanen-Oost bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden of voorwaarden. In de derde en de vierde kolom worden de plannen resp. de besluiten genoemd waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Een bestemmingsplan is alleen besluit-m.e.r.-plichtig als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Een bestemmingsplan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Daarbij moet worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.

Toetsing Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. is één activiteit opgenomen die van toepassing kan zijn op het voornemen: Activiteit D11.2: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' in de gevallen dat de aanleg of uitbreiding betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 226 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.

Wet natuurbescherming - passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Het plangebied ligt op voldoende afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (de Veluwe), waardoor door het plan in de gebruiksfase geen stikstofdepositie plaatsvinden dat Natura-2000-gebied. Het plan is daarom niet plan-m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

42

"De Lanen-Oost" (vastgesteld)

De Lanen-Oost

Conclusie Voor het plan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist. Het college heeft een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Dit beoordelingsbesluit is genomen voordat het ontwerp-bestemmingsplan is gepubliceerd. Overigens heeft adviesbureau Tauw Milieu B.V. in 1996 in opdracht van gemeente Barneveld een milieueffectrapport opgesteld met betrekking tot de gehele woonwijk De Burgt, waarvan het plangebied "De Lanen-Oost" deel uitmaakt. Er is geen aanleiding om dit rapport te actualiseren. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in een (wezenlijke) wijziging van het oorspronkelijke plan dat is onderzocht. De samenvatting van het rapport is opgenomen als bijlage 24. M.e.r.-beoordelingsbesluit Op 3 februari 2023 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is omdat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zullen optreden. Het besluit is als bijlage 16 opgenomen.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Er is een onderzoek naar milieuzonering uitgevoerd (bijlage 32). In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspecten van belang: Intratuin Barneveld, Burgemeester Aschofflaan 1 Huisartsenpraktijk De Burgt, Nederwoudseweg 17d Optisport sporthal De Burgthof, Nederwoudseweg 23c Gamma, Burgemeester Aschofflaan 2-4 In de onderstaande tabel zijn per bedrijf de richtafstandsnorm en de werkelijke afstand tot het plangebied opgenomen. Bedrijf

Richtafstandsnorm

Werkelijke afstand ±

Intratuin Barneveld

30

100

Huisartsenpraktijk De Burgt

10

60

Optisport sporthal De Burgthof

50

160

Gamma

30

13

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de woningen buiten alle richtafstanden van bovengenoemde functies vallen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt echter wel aanbevolen een 'onderzoek industrielawaai' uit te voeren naar de Gamma. Hier wordt navolgend op ingegaan. De uitkomst van het onderzoek is dat alleen bij de Gamma niet wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstanden wat betreft de aspecten geluid en gevaar. Om na te gaan of het mogelijk is om desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren, is een onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd (bijlage 7). Daaruit blijkt dat de toekomstige situatie bij nagenoeg alle woningen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit en uit stap 2 (gemengd gebied) van de hierboven genoemde 'Bedrijven en milieuzonering'. Bij de tweede en de derde bouwlaag van één woning zou die norm worden overschreden. In het rapport over industrielawaai zijn oplossingen aangedragen voor overschrijding van de normen. De ontwikkelaar zal de suggesties verwerken in het bouwplan voor de bewuste woning. Er is een geluidscherm van bepaalde, in het rapport gespecificeerde afmetingen langs de laad-loslocatie van de bouwmarkt gerealiseerd. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan "Rozenstraat-Burgemeester Aschofflaan" (2021).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=e018926b-839d-4f74-9b5b-d43d04bbd2fe