De Lanen-Oost_Toelichting_Bijlage 34 Quickscan natuurtoets (2022) (1)
Tekst van het document
Omdat de methodiek van Buro Ontwerp & Omgeving geen volledige inzage geeft in de onderzoeksinspanning zullen hier vragen over komen die Arcadis niet kan beantwoorden. Indien Buro Ontwerp & Omgeving deze extra informatie kan aanleveren zal dit naar verwachting leiden tot een minder intensieve onderzoeksinspanning. Indien de benodigde informatie niet wordt aangeleverd wordt geadviseerd om het aanvullend soortgericht onderzoek opnieuw uit te voeren. De bevindingen van Buro Ontwerp & Omgeving dragen bij aan het totaal aan bevindingen waarvoor een ontheffing Wnb aangevraagd zal moeten worden, zie ook paragraaf 3.5.5. Van andere beschermde soorten is aanwezigheid van functioneel leefgebied op basis van deze QuickScan uitgesloten. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met kolonisatie door oeverzwaluw en rugstreeppad, zie paragraaf 3.5.1. In navolgende tabel zijn de resultaten van voorliggende QuickScan samengevat.
32
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Tabel 9 Conclusie per relevante soort(groep) Relevante Mitigerende maatregelen soort(groep) Broedvogels (nest Ja, zie paragraaf 5.3.1 beschermde gedurende broedperiode) Broedvogels (nest Mogelijk. Volgt uit soortgericht jaarrond beschermd) onderzoek, zie paragraaf 3.5.2
Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen
Overige zoogdieren en amfibieën
6.2
Mogelijk. Volgt uit soortgericht onderzoek, zie paragraaf 3.5.2 Mogelijk. Volgt uit soortgericht onderzoek, zie paragraaf 3.5.2
Zorgplicht, zie paragraaf 3.5.4.
Soortgericht onderzoek
Ontheffing nodig?
Ja, zie paragraaf 3.5.2
Mogelijk. Volgt uit soortgericht onderzoek.
Huismus, buizerd, sperwer, havik, boomvalk, ransuil, kerkuil en steenuil
Ja, voor huismus.
Boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Vleermuizen: Gebouwen en bosschage en groenstructuur (lopend) Vleermuizen: bomen (aanvullend) N.v.t.
Mogelijk ook voor andere broedvogels/functies. Volgt uit soortgericht onderzoek. Mogelijk. Volgt uit soortgericht onderzoek. Ja, gewone dwergvleermuis. Mogelijk ook voor andere vleermuissoorten/functies. Volgt uit soortgericht onderzoek. N.v.t.
Wet natuurbescherming; gebiedsbescherming
Op basis van voorliggende QuickScan is geconcludeerd dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, als gevolg van ruimtebeslag en verstoring door geluid, licht en trillingen, niet plaatsvinden. Externe werkingen door een toename van stikstof is echter niet uitgesloten. Een Aerius-berekening dient uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase en zal hierover uitsluitsel geven. Op basis van de uitkomsten kunnen eventuele vervolgstappen in beeld gebracht worden.
6.3
Gelders Natuurnetwerk
Op basis van voorliggende QuickScan is geconcludeerd dat negatieve effecten op het GNN uitgesloten zijn. Verdere vervolgstappen zijn niet aan de orde.
33
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
7
Bronnen
Buro Omgeving & Ontwerp, 2020. QuickScan natuurtoets - Realisatie woonwijk De Burgt III te Barneveld. Projectnummer: 3049.01. D.d. 3 april 2020. Buro Omgeving & Ontwerp, 2021.Nader ecologisch onderzoek - Realisatie woonwijk De Burgt III te Barneveld. Projectnummer: 3049.01. D.d. 23 november 20202 Nationale databank Flora & Fauna, (NDFF). februari 2022 BIJ12, Kennisdocument: • •
Buizerd, juli 2017. Huismuis, juli 2017.
Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. D.d. 13 oktober 2017. Website: • •
34
www.verspreidingsatlas.nl, verspreidingsgegevens (beschermde) soorten. februari 2022. www.natura2000.nl, ligging Natura 2000-gebieden. februari 2022.
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Bijlage A Wettelijk kader Wet natuurbescherming Soortenbescherming Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2).
Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3). Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •
Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1). Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2). Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3).
Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden.
Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).
35
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b).
Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).
Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. Een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. b. Een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw. c. Een bestendig gebruik. d. Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder).
Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. In de provincie Gelderland geldt algemene vrijstelling verleend voor: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hazelworm, huisspitsmuis, konijn, Levendbarende hagedis, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie.
36
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6.
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang.
37
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Gebiedsbescherming Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • •
Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat -gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1).
Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking2. Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten.
De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden).
2 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.
38
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Bijlage B Wettelijke kader Gelders Natuurnetwerk Beschermingsregime In bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen het GNN worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt (art. 2.7.1.1, eerste lid verordening). Nee, tenzij Wanneer een bestemmingsplan betrekking heeft op het GNN worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt, tenzij (art. 2.7.1.1, eerste lid verordening); a.
er geen reële alternatieven zijn,
b.
er sprake is van groot openbaar belang,
c. de negatieven effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk in toom gehouden wordt, en d. de overblijvende negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig gecompenseerd worden. Wanneer sprake is van natuurbegraven, windturbines of kleinschalige recreatie gelden andere voorwaarden. Raadpleeg deze voorwaarden uit de artikelen 2.7.1.4 tot en met 2.7.1.6 verordening. Compensatie In afwijking van het beschermingsregime kunnen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden wanneer de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd (art. 2.7.1.1, tweede lid verordening). Compensatie moet gerealiseerd worden op gronden die nog geen bestemming natuur hebben in of grenzend aan de GO of grenzend aan het GNN of in het zoekgebied van het GNN. De compensatie wordt, zoveel mogelijk, gerealiseerd aan of nabij het aangetaste gebied. Deze wijzigingen worden vastgelegd in hetzelfde bestemmingsplan of in een ander, maar gelijktijdig vastgesteld, bestemmingsplan.
Wanneer het niet mogelijk is de compensatie vast te leggen in hetzelfde bestemmingsplan of in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan, vind de compensatie plaats in een compensatiepoule (natuurontwikkelingsgebieden op strategische locaties in het GNN). Wanneer het niet mogelijk is dat de compensatie naast of nabij het aangetaste gebied kan plaatsvinden, dan vindt het op afstand van het aangetaste gebied plaats (art. 2.7.1.1, derde lid verordening). De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het aangetaste gebied waarbij een toeslag wordt berekend, zowel in oppervlak, als in budget, te onderscheiden in de categorieën (art. 2.7.1.1, vierde lid verordening): 1. Natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag. 2. Tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer. 3. Tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer. 4. Bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer zijn maatwerk. Wanneer fysieke compensatie niet of niet geheel mogelijk is, wordt er een financiële compensatie bepaald aan de hand van (art. 2.7.1.1, vijfde lid verordening): 1.
De kosten van de aanschaf en de verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats. 2. De kosten van de basisinrichting; en 3. De kosten van het ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd. De bovenstaande kosten worden gelabeld aan de betreffende ingreep en gestort in het provinciaal compensatiefonds.
39
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Voor de onderbouwing met betrekking tot mitigatie en compensatie wordt een compensatieplan vastgesteld. Deze dient binnen vijf jaar te worden afgerond. Hierin dient het volgende behandeld te worden en dient tevens ingegaan te worden op (art. 2.7.1.1 en art. 2.7.1.3, tweede lid verordening): 1. De wijze waarop wordt verzekerd dat de mitigatie en de compensatie daadwerkelijk worden uitgevoerd. 2. De wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging van de mitigatie en de compensatie. Bij het compensatieplan wordt tevens een afbeelding van de locatie van de ingreep enerzijds en de locatie waar de mitigatie en de compensatie zal plaatsvinden anderzijds, gevoegd (art. 2.7.1.3, vierde lid verordening). De uitvoering van het bepaalde in een compensatieplan wordt verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in het betreffende bestemmingsplan en desgewenst gecombineerd met een privaatrechtelijke overeenkomst alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld (art. 2.7.1.3, vijfde lid verordening). Saldobenadering In de toelichting van de verordening staat beschreven dat saldobenadering mogelijk is wanneer er sprake is van uitbreinding van bestaande functies die geheel omsloten zijn door bestaande natuur van het GNN. Deze uitbreinding moet gecombineerd gaan met de ontwikkeling van een compensatielocatie, zodat de kernkwaliteit per saldo verbeteren.
De saldobenadering is steeds gericht op het compenseren van de verloren gegane oppervlakte natuur met de compensatietoeslag en de versterking van de ecologische samenhang tussen de natuurgebieden (art. 2.7.1.2, eerste lid verordening). De effecten van het plan op de overige kernkwaliteiten worden in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Saldobenadering is alleen mogelijk wanneer: • •
De wijzigingen binnen één ruimtelijk plan wordt vastgelegd of in een gelijktijdig (onderling samenhangend) vastgesteld plan, en Er juridisch bindende afspraken zijn gemaakt (art. 2.7.1.1, derde tot en met zesde lid verordening).
Herbegrenzing Wanneer een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden geheel omsloten door het GNN kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk worden gemaakt indien in de toelichting bij het plan wordt aangetoond dat: 1. Verplaatsing naar een locatie buiten het GNN niet mogelijk is, en 2. De kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan (art. 2.7.1.2, eerste lid verordening). Bovenstaande is niet van toepassing op de uitbreiding van de recreatiebedrijven opgesomd in de lijst “Groei locaties” van de verordening (onder toelichting van paragraaf 2.7 van de verordening), onder de voorwaarde dat (art. 2.7.1.2, tweede lid verordening): 1. De uitbreiding plaatsvindt op de uitbreidingslocaties zoals weergegeven in de bijlage Groeilocaties recreatiebedrijven Groei en krimp. 2. De uitbreiding de gereserveerde oppervlakte uit de betreffende lijst niet overschrijdt. 3. De uitbreiding uiterlijk 1 januari 2027 is opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan. Wanneer er sprake is van een wijziging van de begrenzing van het GNN de ‘Spelregels EHS’ geraadpleegd worden. Externe werking De bepalingen betreffende het NNN bevatten geen externe werking.
Dit betekent dat wanneer er buiten het GNN ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, deze niet getoetst worden aan de betreffende bepalingen van de verordening.
40
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Bijlage C Foto-impressie projectgebied
Figuur 18 Luchtfoto plangebied (rood omkaderd). Locatie van de gekleurde symbolen komt overeen met onderstaande foto’s waar ook het betreffende gekleurde symbool is opgenomen
41
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
42
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
43
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
44
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Colofon QUICKSCAN NATUURWETGEVING DE BURGT III
KLANT R. van de Mheen BV AUTEUR Jasper Osterthun PROJECTNUMMER 30111193 ONZE REFERENTIE D10046876:56 DATUM 25 april 2022 STATUS Definitief
45
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
QUICKSCAN NATUURWETGEVING
Over Arcadis Arcadis is een toonaangevend wereldwijd ontwerp- en consultancybureau voor de natuurlijke en gebouwde omgeving. Wij maken het verschil voor onze klanten en de maatschappij met doeltreffende, duurzame en digitale oplossingen. Met 27.000 mensen in meer dan 70 landen genereerden we in 2020 een omzet van €3,3 miljard. Wij ondersteunen UN-Habitat met kennis en expertise om leefomstandigheden te verbeteren in gebieden getroffen door de gevolgen van de klimaatverandering. www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland T +31 (0)88 4261 261
Arcadis. Improving quality of life
Volg ons op 46
arcadis-nederland
Onze referentie: D10046876:56 - Datum: 25 april 2022
arcadis_nl
ArcadisNetherlands