CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Ontwerp Hanzeweg-Zuid I_Bijlagen (1)

Commissie Samenleving 13 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Raadsagenda: Herzien kaders ivm voortgang verplaatsing Flying Bikes27.915 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat het plangebied een hoge archeologische verwachting voor nagenoeg elke archeologische periode krijgt. Het plangebied ligt deels op een dekzandrug en in de nabijheid van beken en vennen. Dergelijke landschappelijke zones zijn voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum gunstig voor kampementen en vanaf het Neolithicum gunstig als vestigingslocatie. Op een afstand van circa 450 m ten noorden van het plangebied zijn op een dekzandrug bewoningssporen uit de Late-IJzertijd - Romeinse tijd aangetroffen. Archeologische waarden uit de Vroege-Middeleeuwen zijn in deze contreien niet of nauwelijks aangetroffen. Tijdens de aanleg van de Hanzeweg zijn sporen en resten waargenomen uit de Romeinse tijd en de Late-Middeleeuwen. Op basis van dit gegeven krijgt het plangebied een hoge verwachting voor beide perioden. In het plangebied is echter wel een mantelspeld afkomstig uit de 5e eeuw n. Chr. aangetroffen. Hierdoor krijgt het plangebied tevens een hoge verwachting voor de VroegeMiddeleeuwen. Aangezien het plangebied in de afgelopen 200 jaar niet bebouwd is geweest krijgt het plangebied voor de Nieuwe tijd een lage verwachting.

Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uit27

Louwe Kooijmans et al., 2005

R 13845.001 versie 1

Pagina 13 van 21

gevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Door de kleine omvang van het plangebied, de ligging van het archeologisch niveau direct onder de bouwvoor en een verwachting van een archeologische laag of vondststrooiing met een hoge vondstdichtheid (> 40 vondsten/m 2) is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel dient de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd te worden met behulp van een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het zeefresidu dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 5 november 2020 door mevr. M. Derks, MA en dhr. drs. J. Holl (senior KNA-prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. Er is in zeven raaien geboord met een afstand van 20 m tussen de raaien en een afstand van 25 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 15 cm) 82 boringen tot maximaal 250 m -mv gezet (figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 28 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van GPS. Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel.

Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuur28

Bosch, 2005

R 13845.001 versie 1

Pagina 14 van 21

lagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel is de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het zeefresidu is met het blote oog geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 8 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat de bodemopbouw op de dekzandrug nagenoeg intact is. Voor deze delen geldt een volgende bodemopbouw: aan de top is een circa 30 cm dikke bouwvoor aanwezig. Deze bouwvoor bestaat uit donker bruingrijs, matig humeus en zwak tot matig siltig matig fijn zand. Daaronder is een restant van de A-horizont aangetroffen. Deze A-horizont is slechts vijf cm dik en is verrommeld. De A-horizont is zwak humeus en heeft een bruine kleur. Het zand is matig fijn en zwak tot matig siltig. Deze A-horizont gaat geleidelijk over in een restant van de B-horizont. Deze laag bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand en is zwak humushoudend en bruin gekleurd. De onderkant van de B-horizont gaat geleidelijk over in de C-horizont, het natuurlijke moedermateriaal De C-horizont bestaat uit lichtbruin grijs, matig fijn en zwak siltig zand. Plaatselijk is de C-horizont grindhoudend en zijn roestvlekken waargenomen. Vanaf de flanken van de dekzandrug naar de lager gelegen delen bestaat de natuurlijke ondergrond uit verspoeld dekzand.

In enkele gevallen, met name in het westelijke deel van het plangebied, zijn aan de basis van de C-horizont ijzerconcreties waargenomen. In sommige gevallen (boringen 13 en 14) is er geen A-horizont, maar een AE-horizont met daaronder een E-horizont waargenomen. De AE-horizont bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand, is matig humushoudend en donkergrijs gekleurd. De onderliggende E-horizont betreft matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs zand. In het noordelijke deel van het plangebied, nabij de Esvelderbeek is een andere bodemopbouw geconstateerd. Hier is de invloed van de Esvelderbeek merkbaar. De opbouw bestaat uit een afwisseling van zand- en veenlagen. Deze lagen zijn matig tot sterk humushoudend en bevatten plantenresten. De C-horizont bevindt zich in de meeste gevallen op een diepte tussen 70 en 100 cm -mv, maar is in sommige gevallen pas op een diepte van 180 cm of 230 cm -mv waargenomen. De C-horizont bevindt zich in het noordelijke deel van het plangebied tussen 11,0 en 10,0 m +NAP, terwijl deze zich op de top van de dekzandrug bevindt tussen de 12,5 en 13,0 m +NAP. Plaatselijk heeft zich in het noorden een pakket bosveen (boringen 75, 76 en 82) gevormd. Onder het veenpakket bevindt zich een sterk verspoelde C-horizont. Deze C-horizont is lichtgrijs en donkergrijs gevlekt.

Aan de basis is de C-horizont enkel lichtgrijs van kleur en bevat plantenresten en sporadisch roestvlekken. Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn in de archeologisch relevante lagen tot de top van het dekzand boormonsters genomen. Deze monsters zijn na het veldwerk gezeefd met een 3 mm zeef op archeologische indicatoren. In 12 van de 82 boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen (tabel V). De aangetroffen archeologische vondsten zijn voorgelegd aan Mevrouw H.N. de Koning, MA materiaalspecialist van Econsultancy.

R 13845.001 versie 1

Pagina 15 van 21

Tabel V.

Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren

Boring nr.

Vondstnr.

Datering

Indicator

4

1

2000 v. Chr. - 200 n. Chr.

Handgevormd aardewerk

6

2

2000 v. Chr. - 200 n. Chr.

Handgevormd aardewerk

8

3

-

Handgevormd aardewerk

10

4

-

Aardewerk gruis

11

5

-

Onbewerkt vuursteen

14

6

-

Handgevormd aardewerk

30

7

-

Aardewerk gruis

34

8

-

Aardewerk gruis

38

9

1700 - 1950

Fragment Faience

42

10

-

IJzer slak en onbewerkt vuursteen

62

11

-

Onbewerkt vuursteen

63

12

-

Onbewerkt vuursteen

In de boringen is met name aardewerk aangetroffen. Twee fragmenten (boringen 4 en 6) kunnen globaal in de Vroeg-Bronstijd tot en met Midden-Romeinse tijd gedateerd worden. Een ander fragment (boring 38) betreft Faience-aardewerk daterend in de Nieuwe tijd (1700 – 1950). De overige aardewerk fragmenten zijn te fragmentarisch voor een nadere beschrijving en datering. Naast aardewerk zijn vier stuks vuursteen en één ijzer slak aangetroffen. De vuurstenenfragmenten vertonen geen sporen van bewerking door menselijk handelen. De ijzerslak is een mogelijke indicatie van ijzerproductie. De archeologische vondsten zullen conform de specifieke eisen van het depot worden aangeleverd aan het provinciaal depot van de provincie Gelderland. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Ter plaatse van de top van de dekzandrug is de bodem nagenoeg intact bevonden. Hier bevindt zich onder de bouwvoor een pakket omgewerkte grond. Daaronder is een A-horizont aangetroffen, gevolgd door een B-horizont en aan de basis de C-horizont. Op de overgang van de B- naar de Chorizont bevindt zich een potentieel sporenniveau. Vanaf de flanken van de dekzandrug richting de grenzen van het plangebied is de bodemopbouw in veel gevallen wel verstoord. Plaatselijk komen in deze delen een intacte overgang naar de C-horizont voor. De C-horizont bestaat in de lagere delen van het plangebied uit verspoelde dekzand. In deze lagere delen binnen het plangebied heersen nattere omstandigheden die onaantrekkelijker zijn geweest voor bewoning.

De zone langs de noordelijke perceelsgrens van het plangebied toont een verstoorde bodemopbouw met pakketten omgewerkte en opgebrachte grond direct op de natuurlijke ondergrond. Deze natuurlijke ondergrond bestaat in deze delen uit verspoelde dekzanden en is lemiger/siltiger dan het centrale

R 13845.001 versie 1

Pagina 16 van 21

deel en plaatselijk wisselen zand- en veenlagen elkaar af. Plaatselijk heeft zich bosveen kunnen vormen. Onder het veenpakket bevindt zich een laag sterk verspoelde C-horizont. Op de dekzandrug zijn in 12 boringen 13 vondsten aangetroffen. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, vuursteen en een fragment ijzer. Het aardewerk is sterk fragmentarisch waardoor slechts drie fragmenten konden worden gedetermineerd. Twee fragmenten handgevormd aardewerk daterend in de Vroege-Bronstijd tot en met Midden-Romeinse tijd en een fragment faience kan gedateerd worden in 18e eeuw tot de eerste helft van de 20e eeuw. De twee fragmenten handgevormde aardewerk hebben een pot-/steengruis magering en in een fragment aardewerk is organisch materiaal waargenomen. Van het laatste is niet duidelijk of het organisch materiaal als magering gebruikt is. De twee typen magering (pot-/steengruis en het mogelijke organische materiaal) komen overeen met de typen aardewerk aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek ten noorden van het plangebied. De archeologische laag aangetroffen op de flank van de dekzandrug bevindt zich tussen de 12,6 m 12,3 m +NAP. Het maaiveld bevindt zich ter plaatse op circa 13,2 - 13,3 m +NAP. Voor de top van het dekzand ligt de archeologische laag tussen de 13,2 m - 12,7 m +NAP. Het maaiveld ligt hier op circa 13,7 m +NAP.

Over het algemeen wordt de archeologische laag op circa 60 cm -mv verwacht. Wat betreft het vuursteen kon vastgesteld worden dat deze niet door menselijk handelen zijn bewerkt. Als laatste is een slak ijzer verzameld. De ijzer slak is mogelijk een indicatie ijzerproductie in de omgeving. Het is niet aannemelijk dat in het plangebied ijzerproductie heeft plaatsgevonden. In dat geval had het inventariserend veldonderzoek meer aanwijzingen voor een dergelijke productie aangetroffen. In vier gevallen is aardewerk gruis in een intacte bodemopbouw aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek is amateurarcheoloog de heer Bert Wisse op bezoek geweest. De heer Wisse heeft op het perceel meerdere vondsten gedaan, waaronder een 5 e-eeuwse steunarmfibula en een fragment van een La Tène-armband. Daarnaast is aan de veldmedewerker medegedeeld dat het plangebied lange tijd in gebruik is geweest door een graszoden-kwekerij. Het plangebied is met regelmaat ontdaan van graszoden en opnieuw ingezaaid. Dit verklaart de relatief siltige bovenlaag die is aangetroffen binnen het plangebied.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van de dekzandrug, de reeds aangetroffen vondsten en de aanwezigheid van nederzettingssporen ten noorden van het plangebied de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase uitgevoerd. Ter plaatse van de top van de dekzandrug is de bodem nagenoeg intact bevonden. Hier bevindt zich onder de bouwvoor een pakket omgewerkte grond. Daaronder is een A-horizont aangetroffen, gevolgd door een B-horizont en aan de basis de C-horizont. Plaatselijk komt een AE- en/of E-horizont voor. Op de overgang van de B- naar de C-horizont bevindt zich een potentieel sporenniveau. Vanaf de onderkant van de flanken van de dekzandrug in alle richtingen betreft de ondergrond verspoelde dekzanden. In deze lagere delen binnen het plangebied heersen nattere omstandigheden die onaantrekkelijker zijn geweest voor bewoning. De zone langs de perceelsgrens toont een verstoorde bodemopbouw met pakketten omgewerkte en opgebrachte grond direct op de natuurlijke ondergrond. Deze natuurlijke ondergrond bestaat in deze delen uit verspoelde dekzanden en is lemiger/siltiger dan het centrale deel en plaatselijk wisselen zand- en veenlagen elkaar af.

R 13845.001 versie 1

Pagina 17 van 21

Op de dekzandrug zijn in 12 boringen 13 vondsten verzameld. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, vuursteen en een fragment ijzer. Het aardewerk is sterk fragmentarisch waardoor slechts drie fragmenten gedetermineerd konden worden. Twee fragmenten handgevormd aardewerk daterend in de Vroege-Bronstijd tot en met Midden-Romeinse tijd en een fragment faience kan gedateerd worden in 18e eeuw tot de eerste helft van de 20e eeuw. Wat betreft het vuursteen kon vastgesteld worden dat deze niet door menselijk handelen zijn bewerkt. Als laatste is een ijzerslak verzameld. Het handgevormde aardewerk lijkt van dezelfde typen aardewerk aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek ten noorden van het plangebied. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek kan gesteld worden dat er zich ter hoogte van de dekzandrug waarschijnlijk archeologische waarden in de ondergrond bevinden (bijlage 7). De bodemopbouw is hier nagenoeg intact bevonden en de aangetroffen archeologische indicatoren zijn allen afkomstig op de top of op de flanken van de dekzandrug. Het is mogelijk dat onderhavig plangebied onderdeel is van het nederzettingsterrein dat zich op circa 450 m te noorden van onderhavig bevindt en dat zich mogelijk Late-IJzertijd - Romeinse tijd nederzettingssporen in de ondergrond verhouden.

Ter plaatse van de dekzandrug geldt voor alle archeologische perioden, met uitzondering van de Nieuwe tijd, een hoge verwachting. Deze archeologische waarden (vondsten en grondsporen) kunnen vanaf 60 cm -mv maaiveld worden verwacht. Doordat het plangebied de afgelopen 200 jaar niet bebouwd is geweest blijft de lage verwachting voor de Nieuwe tijd behouden. Vanaf de onderkant van de flanken van de dekzandrug in de richting van de grenzen van het plangebied is de bodem dermate verstoord dat een mogelijk vondstniveau niet meer intact is. Hierdoor zullen vuursteenstrooiingen binnen het plangebied niet meer in oorspronkelijke context liggen. De archeologische verwachting voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum kunnen bijgesteld worden naar laag. Voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd geldt in feite hetzelfde. Doordat in de lagere delen van het plangebied nattere omstandigheden heersen en de bodem over het algemeen verstoord is tot in de C-horizont zullen archeologische grondsporen verdwenen zijn. Ten behoeve van de fietscrossbaan zal de grond grotendeels worden verhoogd. Op grond van de resultaten en het advies uit de conceptversie van dit rapport is het planontwerp van de fietscrossbaan aangepast. Bij het nieuwe ontwerp is de fietscrossbaan gespiegeld waardoor de start van de baan zich nu op de top van de dekzandrug bevindt.

De start van de fietscrossbaan bevindt zich op de top van de dekzandrug en zal plaatsvinden op een platform. Het platform zal uit twee startposities van verschillende hoogten bestaan (5 en 8 m) en daarom gefundeerd worden. De exacte diepte voor deze fundering is nog niet bekend doordat het ontwerp van het platform ook nog niet bekend is. Gezien de locatie van het platform, op de top van de dekzandrug, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de ontgraving voor de fundering van het startplatform archeologisch te begeleiden. Daarnaast zullen rondom de fietscrossbaan kabels en leidingen worden aangelegd voor onder andere de lichtmasten. Deze kabels worden aangelegd met behulp van een kabelploeg waardoor de bodemverstoring beperkt blijft. De kabelploeg zal 2 à 3 cm breed zijn en de diepte waarop de kabels en leidingen gelegd zullen worden bedraagt circa 40 cm -mv. Door de beperkte grootte van de kabelploeg zal de bodemverstoring zeer gering zijn. Voor het trekken van de kabels en leidingen zal geen vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. De finish van de fietscrossbaan bevindt zich op de flank van de dekzandrug en zal 50 cm -mv (12,7 m +NAP) afgegraven worden. Ter hoogte van de finish van de fietscrossbaan verhouden eventuele archeologische resten zich op circa 60 cm -mv (12,6 m +NAP).

Om te voorkomen dat archeologische waarden per ongeluk weggegraven worden is een bufferzone van 15 cm boven de archeologische laag vastgesteld. Dit houdt in dat er niet dieper ontgraven mag worden dan 45 cm -mv (12,75 m +NAP). In het geval van het nieuwe planontwerp zou bij een afgraving van circa 50 cm mv ter hoogte

R 13845.001 versie 1

Pagina 18 van 21

van de finish te diep gegraven worden en de bufferzone aansnijden. Daaropvolgend is na overleg met zowel de opdrachtgever als de gemeente afgesproken om de grond ten behoeve van de fietscrossbaan extra te verhogen dan in eerste instantie gepland was om zo buiten de archeologische laag én de vastgestelde bufferzone te blijven. Aan de noordkant van de fietscrossbaan wordt het clubgebouw gerealiseerd. Het clubgebouw bevindt zich in de zone waar het bodemprofiel volledig verstoord is. Tevens zal de grond ter plaatse met circa 2,5 m verhoogd worden. De realisatie van het clubgebouw zal geen gevolgen hebben voor eventuele archeologische waarden. Aan de zuidkant van de baan komt een demontabele tribune en rondom de fietscrossbaan zal een weg en een grasstrook voor tenten worden ingericht. Deze inrichtingen zullen geen gevolgen hebben voor eventuele archeologische waarden. Verder komt er ten oosten van de baan een parc fermé. Bovengenoemde inrichtingen vallen gedeeltelijke buiten de middelhoge/hoge archeologische verwachting. De tribune en het parc fermé vallen binnen de zones met middelhoge of hoge verwachting. De bodemingrepen voor de tribune blijven beperkt waardoor dit geen gevolgen zal hebben voor eventuele archeologische waarden.

De grond ter hoogte van het parc fermé zal net als bij het clubgebouw met circa 2,5 m opgehoogd worden en daardoor geen risico vormen voor eventuele archeologische waarden. Ten westen van de baan wordt een gedeelte ingericht als pumptrack en worden twee zones ingericht als waterbuffer en parkeervoorziening. Het westelijk deel van het plangebied valt nagenoeg binnen de lage archeologische verwachting. In dit deel van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Door middel van de aanpassingen in het planontwerp zullen eventuele archeologische waarden niet worden aangetast en is behoud in situ mogelijk en wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Barneveld), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 29).

29 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

R 13845.001 versie 1

Pagina 19 van 21

LITERATUUR Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Derks, M., & J. Holl, 2020: Plan van Aanpak booronderzoek Hanzeweg-Zuid te Barneveld, gemeente Barneveld, Econsultancy, Zwolle. Geerts, R.C.A., 2019: Vondsten aan de Hanzeweg. Een toevalsvondst aan de Hanzeweg in de gemeente Barneveld. Amersfoort (ADC rapport 4888). Goossens, E., 2015: Plangebied Esvelderbeek - Wesselseweg, gemeente Barneveld; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek). Weesp (RAAP-notitie 4999) Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.

Normalisatie-Instituut, Nederlands, 2020: NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl: Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving. Delft. Roode, de F. en F. van Oosterhout, 2008: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Barneveld: Deel 1: beleidsnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart. Weesp (RAAP-rapport 1682). Rooij, van J.A.G., 2010: Hoornweg 10 te Barneveld; Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Amersfoort (ADC Rapport 2485). Stichting voor Bodemkartering, 1997: Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 32 Oost/Amersfoort. Stichting voor Bodemkartering, 1997: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 32 Oost/Amersfoort. TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. TNO, 2013: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013.

R 13845.001 versie 1

Pagina 20 van 21

Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. BRONNEN AHN; internetsite, november 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, november 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, november 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, november 2020. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, november 2020. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, november 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, november 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, november 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, november 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, november 2020. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, november 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, november 2020. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, november 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

R 13845.001 versie 1

Pagina 21 van 21

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland30

30 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

R 13845.001 versie 1

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied31

31 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

R 13845.001 versie 1

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied32

32 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

R 13845.001 versie 1

Figuur 4. Situering van het plangebied (blauw) binnen de archeologische beleidskaart 33

33

Schriftelijke comm. P. Kloosterman, december 2020

R 13845.001 versie 1

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart34

34

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

R 13845.001 versie 1

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 35

35

AHN

R 13845.001 versie 1

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart36

36

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

R 13845.001 versie 1

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 37

Hanzeweg te Barneveld. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

37

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

R 13845.001 versie 1

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

R 13845.001 versie 1

Figuur 10. Boorpuntenkaart met de resultaten

R 13845.001 versie 1

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

R 13845.001 versie 1

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

1950

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

R 13845.001 versie 1

Bijlage 2 Zaaknummer (OM-nummer) 2436823100 (60719)

Onderzoeksmeldingen Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

160 meter ten zuidwesten van het plangebied

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 17-3-2014 Resultaat: Niet vermeld in Archis

Wesselseweg te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171233/463101 2300678100 (42862)

450 meter ten zuidwesten van het plangebied Hoornweg 10 te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171050/462842

2473695100 (65423)

450 meter ten noorden van het plangebied Harselaar Zuid te Barneveld, Gemeente Barneveld

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 23-9-2010 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek werden in het hele plangebied archeologische resten verwacht vanaf het Laat-Paleolithicum, en gezien de archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, in het bijzonder uit het Neolithicum en de IJzertijd. Het vondstniveau wordt verwacht onderin het plaggendek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De beperkte beschikbare gegevens laten niet toe, het complextype en de omvang van de verwachte resten nader te specificeren. Teneinde deze verwachting te toetsen werd in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. In het plangebied werden archeologische resten aan de basis van de aanwezige enkeerdgrond tot en met 25 cm in de C-horizont verwacht. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de bodem binnen het plangebied tot minimaal 30 cm in de C-horizont is omgewerkt. Eventuele aanwezige archeologische resten zullen zich derhalve niet meer in situ bevinden. Binnen het plangebied zijn de potentiële archeologische niveaus omgewerkt. Archeologische resten zullen derhalve niet meer in situ aanwezig zijn. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen.

Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 5-3-2015 Resultaat: vervolgonderzoek aanbevolen

Coördinaat: 171411/463709 4686015100

600 meter ten zuiden van het plangebied Hanzeweg te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171315/462654

R 13845.001 versie 1

Type onderzoek: niet-archeologisch graafwerk Uitvoerder: - (amateurarcheoloog de heer J. Top) Datum: 01-03-2016 Resultaat:

Tijdens de aanleg van de Hanzeweg te Barneveld zijn in maart 2016 archeologische resten te voorschijn gekomen. Uit enkele van de grondsporen en de afgegraven grond zijn veel vondsten verzameld. De grondsporen waren in het gele zand zichtbaar en worden afgedekt door een esdek, van soms bijna een meter dik. Het vondstmateriaal is in diverse archeologische perioden te dateren. In onderhavige rapportage is de determinatie van al het vondstmateriaal opgenomen en dat heeft geresulteerd in het onderscheiden van enkele perioden waaruit veel materiaal afkomstig is. De oudste vondsten zijn in het Laat Neolithicum en de Vroege Bronstijd te dateren. Hierbij gaat het om de vuurstenen en het met kwartsgruis gemagerde aardewerk. Het assemblage van vuursteen wijst op een vindplaats uit de steentijd, de gevleugelde spits is de enige dit met enige nauwkeurigheid te dateren is. Deze is in het Laat Neolithicum te plaatsen. Het aardewerk kan op basis van de versiering, touwindrukken en gepaarde vingertopindrukken, in de Vroege Bronstijd gedateerd worden. Hoewel vergelijkbaar materiaal in Barendrecht ook al in het Laat-Neolithicum voorkomt. Het merendeel van het vondstmateriaal is in de Romeinse tijd te dateren. Enkele stukken in de Midden-Romeinse tijd maar het merendeel van de diagnostische stukken in de Laat-Romeinse tijd.

Het aardewerk bestaat uit enkele fragmenten van terra nigra voetschalen, ruwwandige potten van het type Alzei 27 en handgevormd aardewerk. Het is waarschijnlijk dat ook de fragmenten van maalsteen en het slakmateriaal in deze periode te plaatsen zijn. Sporen van ijzerbewerking uit de Romeinse komen vaker voor. Een aanzienlijk deel van het aardewerk uit de Middeleeuwen is in de Volle Middeleeuwen te dateren. Hoewel het relatief weinig materiaal is, kan toch niet uitgesloten worden dat er in die periode ook een vindplaats in (de nabijheid van) het gebied gelegen was.

Bijlage 3 Zaaknummer (Waarnemingsnr.) Niet bekend

Vondstmeldingen Locatie

Omschrijving

In het plangebied Verschillende locaties door amateurarcheologen

(laat)Paleolithicum - Neolithicum - Vuursteen Late-IJzertijd - fragment La Tène-armband; glas Laat-Romeinse tijd - Vroege-Middeleeuwen - Fibula Nieuwe tijd - Aardewerk

2754570100 (11557)

400 meter ten zuidwesten van het plangebied Barneveld te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171000/463000

Neolithicum : - 2 fragmenten van vuursteen bijlen

2962854100 (45872)

400 meter ten zuidwesten van het plangebied te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171000/463000

Neolithicum : - fragment van een vuursteen bijl - fragment van een zandsteen/kwartsiet bijl - fragment van een vuursteen spits

2436823100

450 meter ten noorden van het plangebied Wencopperweg te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171410/463710

IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk

2473695100 (426477)

450 meter ten noorden van het plangebied Harselaar Zuid te Barneveld Gemeente Barneveld Coördinaat: 171415/463715

IJzertijd : - huisplattegrond:2-schepig - fragmenten van huttenleem/verbrande leem - paalgaten IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk - zandsteen/kwartsiet brok

R 13845.001 versie 1

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

R 13845.001 versie 1

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

R 13845.001 versie 1

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

R 13845.001 versie 1

Bijlage 5

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

R 13845.001 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

R 13845.001 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

R 13845.001 versie 1

Bijlage 6

Planontwerp

R 13845.001 versie 1

Bijlage 7

R 13845.001 versie 1

Archeologische verwachting

Bijlage 8

R 13845.001 versie 1

Boorprofielen

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

R 13845.001 versie 1

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

R 13845.001 versie 1

Selectiebesluit aanleg Fietscrossbaan Hanzeweg Datum advies: Aanvrager:

26 april 2021 Dhr. T. Wagteveld (projectleider gemeente Barneveld)

Besluit: Deels archeologisch onderzoek, deels in situ behoud. Dubbelbestemming archeologie behouden. Locatiegegevens: Hanzeweg, ten zuiden van de Esvelderbeek, Barneveld Kadastrale gegevens: gemeente Barneveld, sectie B, nummers 6086 en 5394 Plan: aanleg fietscrossbaan 1. Inleiding In september 20201 is een advies voor de toekomstige fietscrossbaan aan de Hanzeweg uitgebracht. Er werd geadviseerd een verkennend en karterend booronderzoek uit te laten voeren. Doel van het booronderzoek was het vaststellen van de landschappelijk situatie (aanwezigheid dekzandrug), de dikte van de bouwvoor en eventuele andere niet-relevante lagen en of er sprake was van verstoringen. Daarnaast zou mogelijk de omvang en datering van de eventuele vindplaats(en) kunnen worden vastgesteld. In november 2020 is dit booronderzoek uitgevoerd door Econsultancy2. Vervolgens zijn in januari 20213 de resultaten van dit onderzoek afgezet tegen de voorgenomen plannen van de aanleg van de fietscrossbaan. Het ontwerp van de fietscrossbaan is vervolgens zoveel als mogelijk aangepast om de archeologisch waardevolle zone niet te verstoren. Onderhavig advies betreft een selectiebesluit naar aanleiding van het rapport van het archeologisch booronderzoek en het aangepaste ontwerp voor de fietscrossbaan.

Uitgangspunt is hierbij dat voor de inrichting van het plangebied zo min mogelijk bodemingrepen plaatsvinden, waarbij archeologische resten worden verstoord. Dit betekent ook dat archeologisch vervolgonderzoek zo veel mogelijk wordt voorkomen. Uitgangspunt is dat maximaal 5% van de vindplaats(en) verstoord en dus onderzocht wordt. Anders worden de vindplaatsen te zeer aangetast en is duurzaam behoud in de bodem geen optie. 2. Resultaten booronderzoek Ter plaatse van de top van de dekzandrug is de bodem nagenoeg intact bevonden. Hier bevindt zich onder de bouwvoor een pakket omgewerkte grond. Vanaf de onderkant van de flanken van de dekzandrug richting de grenzen van het plangebied is de bodemopbouw in veel gevallen wel verstoord of bestaat uit verspoeld dekzand, dat te nat is voor bewoning. Op de dekzandrug zijn in 12 boringen 13 vondsten aangetroffen. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, vuursteen en een fragment ijzer. Het aardewerk is sterk fragmentarisch waardoor slechts drie fragmenten konden worden gedetermineerd. Het betreft twee fragmenten handgevormd aardewerk daterend in de Vroege-Bronstijd tot en met Midden-Romeinse tijd en een fragment Faience. Deze laatst genoemde kan gedateerd worden in 18e eeuw tot de eerste helft van de 20e eeuw. De twee fragmenten handgevormde aardewerk hebben een pot-/steengruis magering en in een fragment 1

Advies Fietscrossbaan P. Kloosterman september 2020. Derks, M. & E. Louwe, 2020: Archeologisch bureau- en booronderzoek. Hanzeweg te Barneveld. Econsultancy Rapportnummer 13845.001. (versie 1, concept 17 december 2020) 3 Advies Fietscrossbaan P. Kloosterman januari 2021. 2

aardewerk is organisch materiaal waargenomen. Van het laatste is niet duidelijk of het organisch materiaal als magering gebruikt is. De twee typen magering (pot-/steengruis en het mogelijke organische materiaal) komen overeen met de typen aardewerk aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek 450 m ten noorden van het plangebied. Op grond van de resultaten van het veldonderzoek kan gesteld worden dat er zich ter hoogte van de dekzandrug mogelijk nog archeologische waarden in de ondergrond bevinden. Dit gebied is weergegeven in figuur 1 (Bijlage 1; figuur 1; Roze & geel gebied: Hoge en middelhoge archeologische verwachting). De bodemopbouw is hier nagenoeg intact bevonden en de aangetroffen archeologische indicatoren zijn allen afkomstig uit de top of op de flanken van de dekzandrug. De archeologische verwachtingen voor dekzandrug blijft behouden. Het is mogelijk dat onderhavig plangebied onderdeel is van het nederzettingsterrein dat op 450 m ten noorden van het plangebied is aangetroffen en dat zich Late-IJzertijd - Romeinse tijd nederzettingssporen in de ondergrond verhouden4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=965bd068-04e6-4b50-bbed-0eeb642abab0