CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Ontwerp Hanzeweg-Zuid I_Bijlagen (1)

Commissie Samenleving 13 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Raadsagenda: Herzien kaders ivm voortgang verplaatsing Flying Bikes27.915 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Hanzeweg-Zuid I

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Archeologisch bureau- en booronderzoek, Econsulanncy, maart 2021

Bijlage 2

Archeologie, selectiebesluit, april 2021

Bijlage 3

Archeologisch bureau onderzoek (nader gedeelte), Econsultancy, december 2022

Bijlage 4

Bodemonderzoek, Vink 2019

Bijlage 5

Quickscan natuurtoets Hanzeweg in Barneveld, Staring, oktober 2022

Bijlage 6

Aanvullend natuuronderzoek Hanzeweg in Barneveld, Staring, maart 2023

Bijlage 7

Verlichting BMX baan, Tast, februari 2023

Bijlage 8

Verlichting Mountainbike Track, Tast, februari 2023

Bijlage 9

AERIUS berekening aanlegfase, SPA, februari 2023

Bijlage 10

AERIUS berekening gebruiksfase, SPA, februari 2023

Bijlage 11

Onderzoek stikstofdepositie Flying Bikes Hanzeweg in Barneveld, SPA, februari 2023

Bijlage 12

Akoestisch onderzoek, SPA, september 2022

Bijlage 13

Onderzoek luchtkwaliteit, SPA, februari 2023

Bijlage 14

MER beoordelingsbesluit

Bijlage 15

aanmeldnotitie MER, SPA, mei 2022

Bijlagen Bijlage 1

Nota Parkeernormen 2020

Bijlage 2

Beplantingsplan, slijpkruik, februari 2023

"Hanzeweg-Zuid I" (ontwerp)

1

ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN BOORONDERZOEK HANZEWEG-ZUID TE BARNEVELD GEMEENTE BARNEVELD

Archeologisch bureau- en booronderzoek Hanzeweg te Barneveld Opdrachtgever

Flying Bikes Essenerweg 59 3774 CB Kootwijkerbroek

Rapportnummer

13845.001

Versienummer1

2

Datum

2 maart 2021

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

Mevr. M. Derks, MA & dhr. drs. E. Louwe

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

13845.001

Toponiem

Hanzeweg-zuid

Opdrachtgever

Flying Bikes Dhr. W. Mudde Essenerweg 59 3774 CB Kootwijkerbroek T: 0342-441380 E: info@lyingbikes.nl

Gemeente

Barneveld

Plaats

Barneveld

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

Gemeente Barneveld sectie B nummers 6388 en 6390

Omvang plangebied

circa 4,0 ha

Kaartblad

32 F (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 171.370/Y: 463.220

Bevoegde overheid

Gemeente Barneveld

Deskundige namens de bevoegde overheid

Mevr. C. van Eijk

ARCHIS3

Bureau- en booronderzoek 4907680100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland

Uitvoerders veldwerk

Econsultancy, dhr. drs. J. Holl (senior KNA-prospector)

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Flying Bikes in november 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Hanzeweg te Barneveld in de gemeente Barneveld. In het plangebied zal een sportpark worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat het plangebied een hoge archeologische verwachting voor nagenoeg elke archeologische periode krijgt. Het plangebied ligt deels op een dekzandrug en is in de nabijheid van water. Dergelijke landschappelijke zones zijn voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum gunstig voor kampementen en vanaf het Neolithicum gunstig als vestigingslocatie.

Op een afstand van circa 450 m ten noorden van het plangebied zijn op een dekzandrug bewoningssporen uit de Late-IJzertijd - Romeinse tijd aangetroffen. Archeologische waarden uit de Vroege-Middeleeuwen zijn in deze contreien niet of nauwelijks aangetroffen. Tijdens de aanleg van de Hanzeweg zijn sporen en resten waargenomen uit de Romeinse tijd en de Late-Middeleeuwen. Op basis van dit gegeven krijgt het plangebied een hoge verwachting voor beide perioden. In het plangebied is echter wel een mantelspeld afkomstig uit de 5 e eeuw n. Chr. aangetroffen. Hierdoor krijgt het plangebied een middelhoge verwachting voor de Laat-Romeinse tijd tot Vroege-Middeleeuwen. Aangezien het plangebied in de afgelopen 200 jaar niet bebouwd is geweest krijgt het plangebied voor de Nieuwe tijd een lage verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek Ter plaatse van de top van de dekzandrug is de bodem nagenoeg intact bevonden. Hier bevindt zich onder de bouwvoor een pakket omgewerkte grond. Daaronder is een A-horizont aangetroffen, ge-

R 13845.001 versie 1

volgd door een B-horizont en aan de basis de C-horizont. Op de overgang van de B- naar de Chorizont bevindt zich een potentieel sporenniveau. Vanaf de flanken van de dekzandrug richting de grenzen van het plangebied is de bodemopbouw in veel gevallen wel verstoord. Plaatselijk komen in deze delen een intacte overgang naar de C-horizont voor. De C-horizont bestaat in de lagere delen van het plangebied uit verspoelde dekzand. In deze lagere delen binnen het plangebied heersen nattere omstandigheden die onaantrekkelijker zijn geweest voor bewoning. De zone langs de perceelsgrens van het plangebied toont een verstoorde bodemopbouw met pakketten omgewerkte en opgebrachte grond direct op de natuurlijke ondergrond. Deze natuurlijke ondergrond bestaat in deze delen uit verspoelde dekzanden en is lemiger/siltiger dan het centrale deel en plaatselijk wisselen zand- en veenlagen elkaar af. Plaatselijk heeft zich bosveen kunnen vormen. Onder het veenpakket bevindt zich een laag sterk verspoelde C-horizont. Op de dekzandrug zijn in 12 boringen 13 vondsten aangetroffen. Het aangetroffen vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, vuursteen en een fragment ijzer. Het aardewerk is sterk fragmentarisch waardoor slechts drie fragmenten konden worden gedetermineerd.

Twee fragmenten handgevormd aardewerk daterend in de Vroege-Bronstijd tot en met Midden-Romeinse tijd en een fragment faience kan gedateerd worden in 18e eeuw tot de eerste helft van de 20e eeuw. De twee fragmenten handgevormde aardewerk hebben een pot-/steengruis magering en in een fragment aardewerk is organisch materiaal waargenomen. Van het laatste is niet duidelijk of het organisch materiaal als magering gebruikt is. De twee typen magering (pot-/steengruis en het mogelijke organische materiaal) komen overeen met de typen aardewerk aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek ten noorden van het plangebied. De archeologische laag aangetroffen op de flank van de dekzandrug bevindt zich tussen de 12,6 m 12,3 m +NAP. Het maaiveld bevindt zich ter plaatse op circa 13,2 - 13,3 m +NAP. Voor de top van het dekzand ligt de archeologische laag tussen de 13,2 m - 12,7 m +NAP. Het maaiveld ligt hier op circa 13,7 m +NAP. Over het algemeen wordt de archeologische laag op circa 60 cm -mv verwacht. Wat betreft het vuursteen kon vastgesteld worden dat deze niet door menselijk handelen zijn bewerkt. Als laatste is een slak ijzer verzameld. De ijzer slak is mogelijk een indicatie ijzerproductie in de omgeving. Het is niet aannemelijk dat in het plangebied ijzerproductie heeft plaatsgevonden.

In dat geval had het inventariserend veldonderzoek meer aanwijzingen voor een dergelijke productie aangetroffen. In vier gevallen is aardewerk gruis in een intacte bodemopbouw aangetroffen. Conclusie en advies Op grond van de resultaten van het veldonderzoek kan gesteld worden dat er zich ter hoogte van de dekzandrug mogelijk nog archeologische waarden in de ondergrond verhouden. De bodemopbouw is hier nagenoeg intact bevonden en de aangetroffen archeologische indicatoren zijn allen afkomstig van de top of op de flanken van de dekzandrug. De archeologische verwachtingen voor de dekzandrug blijft behouden. Het is mogelijk dat onderhavig plangebied onderdeel is van het nederzettingsterrein dat op 450 m ten noorden van het plangebied is aangetroffen en dat zich Late-IJzertijd - Romeinse tijd nederzettingssporen in de ondergrond verhouden. Voor alle archeologische perioden, met uitzondering van de Nieuwe tijd, geldt een hoge verwachting ter hoogte van de dekzandrug. Doordat het plangebied de afgelopen 200 jaar niet bebouwd is geweest blijft de lage verwachting voor de Nieuwe tijd behouden. Vanaf de onderkant van de flanken van de dekzandrug in de richting van de grenzen van het plangebied is de bodem dermate verstoord dat een mogelijk vondstniveau niet meer intact is. Hierdoor zullen vuursteenstrooiingen binnen het plangebied niet meer in oorspronkelijke context liggen.

De archeologische verwachting voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum kunnen bijgesteld worden

R 13845.001 versie 1

naar laag. Voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd geldt in feite hetzelfde. Doordat in de lagere delen van het plangebied nattere omstandigheden heersen en de bodem over het algemeen verstoord is tot in de C-horizont zullen archeologische grondsporen verdwenen zijn. Ten behoeve van de fietscrossbaan zal de grond grotendeels worden verhoogd. Op grond van de resultaten en het advies uit de conceptversie van dit rapport is het planontwerp van de fietscrossbaan aangepast. Bij het nieuwe ontwerp is de fietscrossbaan gespiegeld waardoor de start van de baan zich nu op de top van de dekzandrug bevindt. De start van de fietscrossbaan bevindt zich op de top van de dekzandrug en zal plaatsvinden op een platform. Het platform zal uit twee startposities van verschillende hoogten bestaan (5 en 8 m) en daarom gefundeerd worden. De exacte diepte voor deze fundering is nog niet bekend doordat het ontwerp van het platform ook nog niet bekend is. Gezien de locatie van het platform, op de top van de dekzandrug, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de ontgraving voor de fundering van het startplatform archeologisch te begeleiden. Daarnaast zullen rondom de fietscrossbaan kabels en leidingen worden aangelegd voor onder andere de lichtmasten. Deze kabels worden aangelegd met behulp van een kabelploeg waardoor de bodemverstoring beperkt blijft.

De kabelploeg zal 2 à 3 cm breed zijn en de diepte waarop de kabels en leidingen gelegd zullen worden bedraagt circa 40 cm -mv. Door de beperkte grootte van de kabelploeg zal de bodemverstoring zeer gering zijn. Voor het trekken van de kabels en leidingen zal geen vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. De finish van de fietscrossbaan bevindt zich op de flank van de dekzandrug en zal 50 cm -mv (12,7 m +NAP) afgegraven worden. Ter hoogte van de finish van de fietscrossbaan verhouden eventuele archeologische resten zich op circa 60 cm -mv (12,6 m +NAP). Om te voorkomen dat archeologische waarden per ongeluk weggegraven worden is een bufferzone van 15 cm boven de archeologische laag vastgesteld. Dit houdt in dat er niet dieper ontgraven mag worden dan 45 cm -mv (12,75 m +NAP). In het geval van het nieuwe planontwerp zou bij een afgraving van circa 50 cm mv ter hoogte van de finish te diep gegraven worden en de bufferzone aansnijden. Daaropvolgend is na overleg met zowel de opdrachtgever als de gemeente afgesproken om de grond ten behoeve van de fietscrossbaan extra te verhogen dan in eerste instantie gepland was om zo buiten de archeologische laag én de vastgestelde bufferzone te blijven. Aan de noordkant van de fietscrossbaan wordt het clubgebouw gerealiseerd. Het clubgebouw bevindt zich in de zone waar het bodemprofiel volledig verstoord is.

Tevens zal de grond ter plaatse met circa 2,5 m verhoogd worden. De realisatie van het clubgebouw zal geen gevolgen hebben voor eventuele archeologische waarden. Aan de zuidkant van de baan komt een demontabele tribune en rondom de fietscrossbaan zal een weg en een grasstrook voor tenten worden ingericht. Deze inrichtingen zullen geen gevolgen hebben voor eventuele archeologische waarden. Verder komt er ten oosten van de baan een parc fermé. Bovengenoemde inrichtingen vallen gedeeltelijke buiten de middelhoge/hoge archeologische verwachting. De tribune en het parc fermé vallen binnen de zones met middelhoge of hoge verwachting. De bodemingrepen voor de tribune blijven beperkt waardoor dit geen gevolgen zal hebben voor eventuele archeologische waarden. De grond ter hoogte van het parc fermé zal net als bij het clubgebouw met circa 2,5 m opgehoogd worden en daardoor geen risico vormen voor eventuele archeologische waarden. Ten westen van de baan wordt een gedeelte ingericht als pumptrack en worden twee zones ingericht als waterbuffer en parkeervoorziening. Het westelijk deel van het plangebied valt nagenoeg binnen de lage archeologische verwachting. In dit deel van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht.

Door middel van de aanpassingen in het planontwerp zullen eventuele archeologische waarden niet worden aangetast en is behoud in situ mogelijk en wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren.

R 13845.001 versie 1

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Barneveld), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).

2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

R 13845.001 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 21

R 13845.001 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied (blauw) binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart met de resultaten

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Archeologische verwachting Boorprofielen

R 13845.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Flying Bikes een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Hanzeweg te Barneveld in de gemeente Barneveld (figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens een fietscrossbaan met toebehoren te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch veldonderzoek is uitgevoerd in november 2020 door dhr. drs. J. Holl (senior KNAprospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).

R 13845.001 versie 1

Pagina 1 van 21

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Barneveld; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

3

SIKB

R 13845.001 versie 1

Pagina 2 van 21

2.3

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 4 ha, ligt aan de Hanzeweg-zuid, ongeveer 3,2 kilometer ten zuidwesten van de kern van Barneveld in de gemeente Barneveld (figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 13,4 – 13,7 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Barneveld, sectie B, nummers 6388 en 6390. Volgens de topografische kaart van Nederland, 32 F (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 171.370, Y = 463.220. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland (figuur 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht.

Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Barneveld ligt het centrale deel van het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. De noordelijke, oostelijke en zuidelijke randen liggen in een zone met een lage verwachting. Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’, geconsolideerd op 16 september 2020 gaat echter nog uit van de vorige versie van de gemeentelijke verwachtingskaart. Op deze kaart heeft het zuiden van het plangebied een hoge verwachting en het noorden een lage verwachting. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 250 m² en 10.000 m² en dieper dan 30 cm -mv vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. 4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

R 13845.001 versie 1

Pagina 3 van 21

Binnen het plangebied is reeds een onderzoek uitgevoerd. Inhoudelijk is er geen informatie beschikbaar, maar het gebied is als onverdacht aangemerkt.5 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. Flying Bikes, een fietscrossclub, gaat in samenwerking met de gemeente Barneveld een sport locatie in het plangebied realiseren. Centraal in het plangebied wordt een fietscrossbaan aangelegd. Deze baan zal plaatselijk verhoogd worden om hellingen te creëren. Het laatste deel van de crossbaan zal verlaagd worden tot 50 cm -mv. Ten noorden van de baan wordt een demontabele tribune (3000 zitplaatsen) gerealiseerd. Direct naast de baan in oostelijke richting worden twee zogenaamde parc fermés ingericht. Dit zijn afgesloten parkeerplaatsen waar deelnemende fietsen ’s nachts geparkeerd worden zodat deze niet meer last-minute aangepast kunnen worden. Zuidelijk van de fietscrossbaan komt een clubgebouw met buitenterras, een juryruimte en een opslag container voor mtb’s. Rondom de fietscrossbaan zal een weg worden aangelegd en de baan wordt verlicht door middel van negen lichtmasten. In het westen van het plangebied worden parkeerplaatsen gerealiseerd een waterbuffer en een circa 1.600 m2 pumptrack. Verder wordt het plangebied ingericht met groenstroken (ruimte voor tenten), bomen en struiken (bijlage 6). De toekomstige gebruiker van het plangebied is Flying Bikes.

De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie6

Formatie van Boxtel, met een dek van het Lp. van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek

Geomorfologie7

Noordelijk deel: Dalvormige laagte / Zuidelijk deel: Geulranddekzandrug

Bodemkunde8

Noordelijk deel: Vlakvaaggronden; lemig fijn zand (Zn23) / Zuidelijk deel: Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21)

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied is gelegen in de Gelderse Vallei. Deze vallei vormt een glaciaal tongbekken welke in het westen en het zuiden wordt begrensd door de stuwwal van de Utrechtse heuvelrug en in het oosten door de Veluwe. Het landschap is gevormd in het Pleistoceen, met name gedurende het Saalien,

5

Geoweb Gelderland. De Mulder et al., 2003. 7 Wageningen Environmental Research, 2017. 8 Stichting voor Bodemkartering, 1997. 6

R 13845.001 versie 1

Pagina 4 van 21

de voorlaatste ijstijd (circa 250.000 – 130.000 jaar geleden). Het oppervlak van Nederland was tijdens Saalien voor een groot deel bedekt met landijs. De stuwende werking van het landijs zorgde ervoor dat het landschap omhoog werd gedrukt. Zo ontstonden de stuwwallen. Op de grens van het landijs sneed het ijs zich in het landschap in waardoor dalen en laagten zich vormden. Op het moment dat het landijs zich begon terug te trekken begon de zeespiegel weer te stijgen waardoor lager gelegen delen in het land opgevuld werden. In de Gelderse Vallei ontstond zo de Eemzee. Hier werden grofzandige sedimenten, rijk aan schelpen en -gruis afgezet. Gedurende het Weichselien, de laatste ijstijd (ca. 120.000 – 10.000 jaar geleden) bereikt het landijs Nederland niet, maar heerste er over het algemeen een toendraklimaat. Er groeide nagenoeg geen vegetatie en straffe winden hadden vrij spel. Deze harde winden zorgden ervoor dat zand kon verstuiven en elders als dekzand weer werden afgezet. Het dekzand is veelal als langgerekte ruggen gedurende het Laat-Glaciaal afgezet. Het Holoceen begon circa 10.000 jaar geleden toen een temperatuurstijging de ijskappen op het noordelijk halfrond deed smelten, waardoor de zeespiegel wederom sterk steeg. Door deze temperatuurstijging kreeg vegetatie een kans om te groeien en zich uit te breiden waardoor het landschap grotendeels werd vastgelegd.

In het Holoceen zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol; door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, dat eveneens behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen, zoals de Kleine Barneveldse Beek, afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, die eveneens behoren tot de Formatie van Boxtel. Buiten de beekdalen ontstonden in de Gelderse Vallei met name in de lager gelegen gebieden veenmoerassen en hoogveenkussens. Met name vanaf de tweede helft van het Atlanticum (vanaf circa 5500 v. Chr.) raakten grote gebieden bedekt met hoogveen. DINO9 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.

10 Hieruit blijkt dat de ondergrond binnen een radius van 500 m rondom onderhavig plangebied bestaat uit een toplaag (50 cm dik) van matig fijn, matig humeus zand. Vanaf 50 cm -mv is het zand siltig en sterk humeus. Deze laag is circa 80 cm dik. Op 130 cm -mv is een circa 10 cm matig grof, sterk grindig zandlaagje aangetroffen. Het aangetroffen zand behoort tot de Formatie van Boxtel. De toplaag tot het Laagpakket van Wierden. In een boring ten noorden (100 m) van het plangebied bestaat de toplaag uit zandig leem. Deze laag is matig humeus en behoort tot het Laagpakket van Singraven. Circa 200 m ten westen van het plangebied bevindt zich op een diepte van 120 – 160 cm -mv een zandige veenlaag. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. 9

Dinoloket. DINO boornummers B32F0240, B32F0237 en B32F0233.

10

R 13845.001 versie 1

Pagina 5 van 21

Volgens de geomorfologische kaart bevindt het zuidelijk deel van het plangebied zich op een westoost georiënteerde dekzandrug. Het noordelijke deel van het plangebied bevindt zich in een dalvormige laagte (figuur 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)11 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op grond van het AHN ligt het plangebied op de flank van een dekzandrug. De top van de dekzandrug bevindt zich ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 350 m. Ten oosten van het plangebied is een laagte zichtbaar. Op de hoogtekaart is duidelijk te zien dat het plangebied zich op de flank van één van de stuwwallen de Veluwe bevindt (figuur 6). Bodemkunde Op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied voor het grootste deel gekarteerd als veldpodzolgronden. In het noordelijk deel bevindt zich volgens de bodemkaart vlakvaaggronden (figuur 7). Vlakvaaggronden komen in de beekdalen verspreid voor. De vlakvaaggronden kenmerken zich door een mengsel van A- en C-materiaal in de bovengrond. Hierdoor kan het leemgehalte op korte afstanden sterk variëren.

Plaatselijk is de ondergrond roestig en sporadisch komen in de bovengrond dezelfde roestvlekken voor.12 De veldpodzolgronden zijn ontwikkeld in oude dekzandafzettingen. De bovengrond is over het algemeen humeus of humusrijk en bestaat uit sterk lemig, fijn zand. Naar onderen toe neemt de lemigheid af tot zwak lemig of zelfs leemarm. Onder de bovengrond heeft zich een duidelijke B-horizont ontwikkeld.13 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog.

Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.

11

AHN. Stichting voor Bodemkartering, 1997. 13 Stichting voor Bodemkartering, 1997. 12

R 13845.001 versie 1

Pagina 6 van 21

Grondwatertrappenindeling14

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap IV (vlakvaaggronden) en VI (veldpodzolgronden). De grondwatertrap in het noordelijke deel van het plangebied (IV) is ongunstig als vestigingslocatie voor landbouwsamenlevingen. Het zuidelijk (en overgrote) deel van het plangebied (VI) is gunstig als vestigingslocatie voor landbouwsamenlevingen. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).15 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied16 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen.

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied17 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vier archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen (bijlage 2 en figuur 8).

14

Locher & De Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 16 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 17 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 15

R 13845.001 versie 1

Pagina 7 van 21

Aan de Hoornweg 10 in Barneveld, circa 450 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied, is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en booronderzoek (zaaknr. 2300678100) uitgevoerd. Op grond van het bureauonderzoek is vastgesteld dat er archeologische resten in het plangebied aan bovengenoemde locatie vanaf het Laat-Paleolithicum konden voor komen. Daaropvolgend is een booronderzoek uitgevoerd om bovenstaande verwachting te toetsen. Hieruit is gebleken dat de bodem tot in de C-horizont is omgewerkt waardoor archeologische resten niet meer in situ aanwezig zijn.18 Ten zuidwesten (160 m) van het plangebied heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2014/15 een inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek; zaaknr. 2436823100)19 uitgevoerd in het kader van de aanleg van de Hanzeweg. Hieruit is gebleken dat de ondergrond verstoord is op uitzondering van één dekzandwelving waar een intacte archeologische laag is waargenomen. Het karterend onderzoek heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd. Tijdens de aanleg van de Hanzeweg zijn ondanks de resultaten van het vooronderzoek in 2014/15 archeologische waarden aangetroffen (zaaknr. 4686015100). De vondsten zijn circa 600 m ten zuiden van onderhavig plangebied gedaan. Het wegtracé leende zich er goed voor om de bodemopbouw in kaart te kunnen brengen.

Vastgesteld kon worden dat het aangetroffen esdek op sommige plaatsen bijna een meter in dikte was. De aangetroffen archeologische waarden zijn door amateurarcheoloog de heer J. Top gedocumenteerd en verzameld en vervolgens via de de gemeente Barneveld aangeboden ten behoeve van verder onderzoek. In totaal zijn 835 aardewerk fragmenten verzameld met een datering vanaf de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. De aangetroffen vondsten geven aan dat op deze locatie bewoning uit de perioden Bronstijd, Laat-Romeinse tijd en de Volle Middeleeuwen heeft plaatsgevonden. Het laatRomeinse vondstmateriaal is sterk vertegenwoordigd. Naast aardewerk zijn ook vondsten uit de categorieën metaal, vuursteen, natuursteen, verbrande klei, slak, dierlijk bot en houtskool gedaan. De metaalassemblage bestond uit spijkers, een .50 kaliber kogel en dertien stuks niet-determineerbare fragmenten. 350 m ten noorden is een kruisboogfibula uit de laat-Romeinse tijd verzameld. Het vuursteenassemblage bestond uit elf bewerkte vuursteen fragmenten waaronder een bewerkte afslag en een gevleugelde spits. Enkele fragmenten natuursteen zijn gebruikt zoals een polijststeen en tufsteen. Van het verbrande klei kan niet met zekerheid worden gezegd of het huttenleem betreft omdat het vrij kleine fragmenten betreft.

Het aangetroffen slakmateriaal wijst mogelijk op ijzerproductie maar zou ook het gevolg kunnen zijn bij verbranding van aardewerk of glas. Van de laatste twee categorieën (dierlijk bot en houtskool) kan niet worden vastgesteld of er menselijk handelen bij betrokken is. Het dierlijk bot is verbrand en zijn te fragmentarisch voor een nadere beschrijving. Het houtskool kan ook het gevolg zijn van een natuurlijke (bos)brand. Naast vondstmateriaal zijn tijdens de aanleg van de weg ook enkele grondsporen waargenomen. Uit enkele grondsporen is aardewerk verzameld. De aard van deze grondsporen kon door de situatie niet worden vastgesteld.20 Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bureau- en booronderzoek van RAAP Archeologisch Adviesbureau is in 2015 door RAAP Archeologisch Adviesbureau een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (zaaknr. 2473695100) uitgevoerd.21 Het proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden op circa 450 m ten noorden van onderhavig plangebied. Tijdens dit onderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen (vindplaats 4 en 6). Vindplaats 4 bestaat uit sporen en vondsten uit de Nieuwe tijd. Het bleken restanten van een historisch erf met kelder. Daarnaast is een 18 19

Van Rooij, 2010 Goossens 2015

20 Geerts 2019 21

Pronk & Schabbink 2015

R 13845.001 versie 1

Pagina 8 van 21

soort plateau aangetroffen wat mogelijk een (brood)oven is geweest. Het vondstmateriaal kon worden gedateerd in de 16e - 18e eeuw en bestaan uit grapen van roodbakkend aardewerk, fragmenten steengoed van het type Langerwehe en enkele wandtegels gedecoreerd met een voornamelijk paars en blauw landschappelijk decor. In vindplaats 6 zijn bewoningssporen uit de Late-IJzertijd aangetroffen. De bewoningssporen bestaan uit een huisplattegrond, mogelijk het type Colmschate, en enkele paalsporen. Uit vindplaats 6 zijn 39 fragmenten aardewerk, 35 fragmenten verbrande leem en een kooksteen (kwartsitische zandsteen) verzameld. Een fragment aardewerk is versierd met vingertopversiering en een aantal fragmenten zijn besmeten. Verder bestaat de magering van het aardewerk uit potgruis-/steengruismagering en zandmagering. Een enkeling bevat een organische magering of kwartsmagering. Op grond van bovengenoemde kenmerken kan het aardewerk in de Late-IJzertijd of Romeinse tijd worden gedateerd. In de fragmenten leem zijn takindrukken aangetroffen wat doet vermoeden dat ze onderdeel zijn geweest van de wandopbouw van een boerderij. De aangetroffen nederzettingsresten van vindplaats 6 bevinden zich geomorfologisch gezien op een dekzandrug. Rondom deze dekzandrug bestaat de ondergrond uit verspoelde dekzand en komen ijzerconcreties voor.

Dit gegeven is relevant voor het huidige onderzoek aangezien in onderhavig plangebied eveneens een dekzandrug aanwezig is. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied22 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn volgens ARCHIS geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vier vondstmeldingen geregistreerd (bijlage 3 en figuur 8). Bij de gemeente Barneveld zijn wel degelijk een aantal vondsten uit het plangebied bekend. Deze vondsten zijn door de jaren heen door verschillende amateurarcheologen gemeld. De vondsten betreffen een steunarmfibula uit de Laat-Romeinse tijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen, een fragment van een La Tène-armband uit de Late-IJzertijd, vuursteen en aardewerk uit de Nieuwe tijd. De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum, IJzertijd en Romeinse tijd. De Neolithische vondsten betreffen drie fragmenten van een vuurstenen bijl, een fragment van een zandstenen/kwartsiet bijl en een fragment van een vuurstenen spits. De Neolithische vondsten zijn op circa 420 m ten zuidwesten van het plangebied waargenomen. Het IJzertijd - Romeinse tijd vondstmateriaal betreft handgevormd aardewerk, fragmenten huttenleem/verbrande leem en een zandstenen/kwartsiet brok.

Deze vondsten zijn afkomstig van het door RAAP Archeologisch Adviesbureau uitgevoerde proefsleuvenonderzoek ten noorden van onderhavig plangebied en behoren tot een IJzertijd - Romeinse tijd nederzetting. Aangezien de landschappelijke situatie van de hierboven genoemde IJzertijd - Romeinse tijd nederzetting overeenkomen met de landschappelijke situatie van onderhavig plangebied en de geringe afstand tussen beide plangebieden is het plangebied in dit onderzoek kansrijk voor het aantreffen van eenzelfde soort bewoningssporen. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft 22

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

R 13845.001 versie 1

Pagina 9 van 21

door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van gemeente Barneveld23 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De oudste vondsten die in de gemeente Barneveld zijn gedaan dateren uit het Laat-Paleolithicum. Ze zijn afkomstig uit het stuifzandgebied van de Veluwe en betreffen laat-paleolithische werktuigen. Deze vondsten laten zien dat er menselijke activiteiten in dit gebied plaatsvonden al vanaf de Oude Steentijd. Uit het Mesolithicum zijn enkele tientallen vondsten bekend. Deze vondsten zijn gedaan op de hogere gelegen landschappelijke zones zoals dekzandruggen, -koppen en -welvingen. Vanaf het Neolithicum doet een sedentaire levenswijze zijn intrede en gaan mensen zich op nagenoeg vaste plekken vestigen. In de gemeente Barneveld vertaald dit naar verscheidene nederzettingsterreinen en vanaf het Laat-Neolithicum tot en met de Bronstijd ook in grafheuvels. In de gemeente Barneveld kan zelfs gesproken worden over een grafheuvellandschap, met tientallen grafheuvels verspreid in het landschap.

In de Gelderse Vallei, waarbinnen het plangebied zich bevindt, zijn in tegenstelling tot de stuifzandgebieden en de hoger gelegen dekzandgebieden weinig vindplaatsen uit het Neolithicum bekend. De vondsten die zijn gedaan zijn afkomstig van hogere dekzandruggen, -koppen en welvingen. Uit de Bronstijd zijn op de Veluwe enkele tientallen nederzettingen bekend. Vanaf de IJzertijd neemt de bevolking flink toe en wordt de landbouw geïntensiveerd door de ontwikkeling van zogenaamde celtic fields. Nabij deze celtic fields worden bewoningssporen aangetroffen en urnenvelden. Daarnaast wordt door het gebruik van ijzer vaker resten gevonden van ijzerwinning (klapperstenen). Uit de Romeinse tijd is met betrekking tot nederzettingen niet heel veel bekend. Nabij het plangebied is een nederzetting uit de IJzertijd - Vroeg-Romeinse tijd bekend. Bij de aanleg van de Hanzeweg, waar het onderhavige plangebied ook aan grenst zijn ruim 800 fragmenten aardewerk aangetroffen. Het gros van het aangetroffen vondstmateriaal dateert in de Laat-Romeinse tijd. Voor wat betreft de Vroege-Middeleeuwen is in deze contreien weinig bekend. In het plangebied zelf is door een amateurarcheoloog een fibula (mantelspeld) uit de 5e n. Chr. Sporen van nederzettingen en grafvelden getuigen een flinke toename in bevolkingsaantallen op de Veluwe. Deze sporen dateren voornamelijk uit de 6e - 8e eeuw n. Chr.

Het intensieve gebruik van het landschap op de Veluwe door het steken van plaggen, afbranden en overbeweiding zorgde ervoor dat deze regio snel uitgeput raakte. Dit had tot gevolg dat er een groot stuifzandgebied ontstond en de regio vanaf de 10e eeuw steeds minder bewoonbaar werd en dorpen als Kootwijk uiteindelijk in de 12 e eeuw verdween. Het is dit landschap dat vandaag de dag enorm gekoesterd en als uniek wordt gezien, maar eigenlijk door menselijk handelen volledig uitgeput is geraakt. De Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd stonden in het teken van ontginningen. Om de groeiende bevolkingsaantallen te kunnen voorzien van levensbehoeften was men noodzakelijk om de minder vruchtbare en bewoonbare delen van in de regio te ontginnen. Om deze gebieden vruchtbaar te maken werd plaggenbemesting op grote schaal toegepast en ontstonden essen of enken. De ontginningen en verkavelingen van de zogenaamde essen gebeurden onder het toeziend oog van landsheren en kloosters. In de Nieuwe tijd trachtten men de verstuivingen tegen te gaan door de aanleg van houtsingels op de randen grote akkercomplexen. In de eeuwen daarop was door de opkomst van nieuwe technologieën het landschap continu in beweging en pas vanaf de 19e eeuw door de intrede van kunstmest werden de verstuivingen aan banden gelegd.

Door gebruik te maken van kunstmest is het niet meer nodig om plaggen te steken ten behoeve van de bemesting. Geleidelijk aan kreeg men vat op het landschap en is het landschap gevormd zoals deze nu zichtbaar. 23

De Roode & van Oosterhout, 2008.

R 13845.001 versie 1

Pagina 10 van 21

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut24

1811-1832

Gemeente Barneveld, Sectie B, Blad 04

1:2.500

Twee percelen, gescheiden door een bosstrook rondom en een pad in het midden. De percelen zijn in gebruik als bouwland

De omgeving laat hetzelfde zien, bouwlanden, bossen en weilanden, begrenst door bosstroken en paden. Ten noorden van het plangebied loopt de Esvelderbeek

Topografische kaart

1850 - 1973

:25.000

idem

In de loop der jaren vindt er een bescheiden ontwikkeling plaats. Links van het plangebied ontstaan enkele boerderijen, zoals ‘De Peppel”

Topografische kaart

1975 - 2001

:25.000

idem

Ten noorden van het plangebied bevindt zich een grote boomkwekerij

Militaire topografische kaart (veldminuut)

2002 - 2019

:25.000

De scheiding tussen beide percelen en met het perceel ten noorden is verdwenen. Daarnaast is de dekzandrug gekarteerd

Uitbreiding van schuren of opslag nabij de kwekerij, mogelijk ook industrie

Op basis van het historische kaartmateriaal is het plangebied jarenlang opgesplitst geweest in twee percelen (683 en 693). Volgens de kadastrale minuut waren de percelen in gebruik als bouwland en in het bezit van de heer Marinus Timmerman (683) en de heer Gerrit Rademaker. De heer Timmerman was woonachtig in Apeldoorn en ontvanger als beroep. De heer Rademaker was woonachtig in Barneveld en verwer (verver in de textielindrustrie) als beroep (figuur 9). Het is onbekend hoelang deze heren beide percelen in het bezit hebben gehad. De twee percelen zijn door een bosstrook en een pad van elkaar gescheiden. Daarnaast worden beide percelen van de omliggende percelen door middel van een bosstrook gescheiden. Deze inrichting blijft tot nagenoeg 1973 behouden, waarna de bosstrook ten noorden van het linker perceel verdwijnt. In 2002 verdwijnt ook de bosstrook ten noorden van het rechter perceel en is de dekzandrug op het oostelijk deel van het plangebied gekarteerd. Daarnaast is het pad bij de scheiding verdwenen en zijn beide percelen samengevoegd. Het terrein blijft tot het heden ongewijzigd. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument.

Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Barneveld is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 25 Het raadplegen van deze bronnen geeft 24 25

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart

R 13845.001 versie 1

Pagina 11 van 21

geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum Mesolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum - Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd - Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging, deels op een dekzandrug en in de nabijheid van water, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van én in het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de alle archeologische perioden. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.26

26

Louwe Kooijmans et al., 2005

R 13845.001 versie 1

Pagina 12 van 21

Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.27 Het plangebied bevindt zich in een dergelijke zone. De dekzandrug is hoog en droog gelegen en daarnaast is het plangebied in de nabijheid van beken. Vanaf het Neolithicum was het plangebied geschikt voor akkerbouw. Landbouwers konden op de top en op de flanken van de dekzandrug akkers aanleggen en hun boerderij bouwen. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het maaiveld en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.

Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=965bd068-04e6-4b50-bbed-0eeb642abab0