Bosweg I_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Gebiedsbescherming 21
4.1 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone 4.2 Natura 2000 5
Conclusies 24
5.1 Overzicht van de bevindingen 5.2 Conclusies en aanbevelingen 6
Wettelijk kader 27
6.1 Inleiding 6.2 Gebiedsbescherming 6.3 Soorten bescherming 6.4 Rode lijsten [3]
1
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van de initiatiefnemer voerde Ruimte voor Advies een ecologische quickscan uit op de percelen van de camping Beloofde Land, Bosweg 17 te Voorthuizen. De initiatiefnemer is voornemens om vanuit het bedrijfseconomisch oogpunt en in lijn met de marktontwikkeling de camping uit te breiden. Daarnaast vindt op enkele delen van de camping herinrichting plaats. Voor de voorgenomen uitbreiding is het noodzakelijk om de huidige agrarische percelen om te vormen naar campingterrein, de bestaande opslag schuur te slopen, een groepsgebouw met evenementterrein te ontwikkelen, een parkeerterrein te realiseren en een uitrit te ontwikkelen. Voor de voorgenomen activiteiten worden een aantal bomen en begroeiing verwijderd. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, onderdelen ‘soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige een inschatting maakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. De quickscan betreft een momentopname, er kan dus geen rekening worden houden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
De quickscan kan leiden tot uitvoeriger onderzoek of tot een advies voor mitigerende/compenserende maatregelen. De geldigheidsduur van resultaten bedraagt voor zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar. Naast de soortbescherming is een beoordeling gemaakt van de gebiedsbescherming. In dat kader is een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische gevolgen van de voorgenomen ingreep ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. 1.2 Beschrijving locatie en ingreep De camping Beloofde Land is gelegen aan de Bosweg 17 te Voorthuizen, gemeente Barneveld (afbeelding 1.1 en 1.2). Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Voorthuizen. Het voornemen bestaat om het huidige camping terrein uit te breiden en een deel van de camping te herinrichten. De huidige agrarische gras- en maislanden en paardenbak aan de oostzijde van de camping (plangebied 1) worden ontwikkeld tot kampeerterrein. Plangebied 1 heeft een oppervlakte van ca. 36.000 m2. Voor de uitbreiding aan de oostzijde van het huidige kampeerterrein wordt ook de huidige opslagschuur aan de oostzijde van het terrein gesloopt. De opslagschuur beschikt over een ongeïsoleerde luchtspouw en is opgetrokken uit baksteen. Het dak bestaat uit een golfplaten dak waar aan de binnenzijde isolatieplaten zijn bevestigd.
Op het huidige maisland is het voornemen om een groepsgebouw te ontwikkelen met verhard evenemententerrein. Aan de noordzijde van plangebied 1 wordt een verharde uitrit gerealiseerd. De uitrit zal aansluiten om de bestaande rondweg van de camping. Ook tussen de staanplaatsen van de nieuw te realiseren camping komt een verharde rijbaan. Daarnaast zal aan de noordzijde van plangebied 1 een parkeerplaats worden gerealiseerd. De huidige parkeerplaats van ca. 5.700 m2 (plangebied 2) blijft behouden, er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Wel wordt de parkeerplaats heringericht, de huidige hagen op het parkeerterrein zullen vervangen worden door het infiltratiegreppels. De begroeiing rondom het parkeerterrein blijft behouden, evenals de middelste groenstructuur. Het huidige sportterrein van ca. 2.500 m2 (plangebied 3) wordt ook her ontwikkeld. In het plangebied wordt een sportterrein, kinderboerderij en opslag gerealiseerd. Het sportterrein en de locatie voor de kinderboerderij is al aanwezig. Dit plangebied verandert niet wezenlijk, wel wordt het opslaggebouw gerealiseerd.
[4]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Rondom het plangebied liggen recreatie woningen en parken, agrarische percelen, natuurgebieden en het Wilbrinkbos. Rondom het plangebied is veel afwisseling van cultuur en natuur met grootschalige recreatiegebieden en grote bosgebieden. In oostelijke richting ligt het Natura 2000gebied Veluwe. De voornaamste ingrepen zijn: • Omvorming agrarische percelen naar campingterrein; • Sloop opslag schuur; • Verwijderen bosschages en struweel • Kap van aantal bomen; • Herinrichting parkeerterrein en sportveld; • Realisatie rondweg en parkeerterrein; • Aanplant laanbomen en houtsingels; • Realisatie groepsgebouw. Alle ingrepen vallen onder de noemer “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting”. 1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, websites etc.), een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. De locatie is op 9 oktober 2020 bezocht door K. Wegerif, ecoloog van bureau Ruimte voor Advies. Tijdens dit onderzoek is het terrein verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op (mogelijke) verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (zoals huismus, vleermuizen, uilen en marters), sporen van de das en de geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten.
Het locatiebezoek is onder bewolkte omstandigheden uitgevoerd bij een temperatuur van 10 0C en matige wind, ZW 2-3 bft. 1.4 Kwaliteitsborging Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Ruimte voor Advies is kandidaat-lid van en hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), soortinventarisatieprotocollen van het NGB en/of richtlijnen kennisdocumenten van BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeenten, provincies en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met de veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
[5]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
1
3 2
Afb. 1.1: Luchtfoto onderzoekslocaties met plangebied 1, 2 en 3 (rode kaders). 1= uitbreiding camping op voormalig agrarische grond en aanleg van uitrit, 2= herinrichting parkeerplaats en 3= herinrichting sportveld. Bron ondergrond: PDOK.nl/viewer.
Voorthuizen
Barneveld
Afb. 1.2: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Voorthuizen en Barneveld. Bron PDOK luchtfoto
[6]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Afb. 1.3: Nieuwe situatie. Inrichtingsschets van de uitbreiding van de camping aan de oostzijde van het huidige campingterrein. De agrarische percelen worden omgevormd naar camping, bedrijfsgebouw en rondweg. Bron: Harleman Natuur & Landschap
Afb. 1.4: Nieuwe situatie plangebied 2 en 3. Inrichtingsschets van de herinrichting van het parkeerterrein en het sportveld. De situaties blijven van aard hetzelfde, er vinden enkel inrichtingsaanpassingen plaats. Wél wordt een opslaggebouw gerealiseerd in deelgebied 3. Bron: Harleman Natuur & Landschap
[7]
2
RE S U LTATE N BES CHER MDE F LO R A EN FAUNA 2.1 Vaatplanten Deelgebied 1 In het deelgebied komen geen beschermde of bijzondere vaatplanten voor. Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten binnen een straal van een kilometer rond het plangebied. In de omgeving zijn wel twee soorten voor die staan op de Rode Lijst, namelijk dubbelloof en stekelbrem. De soorten zijn waargenomen in het Wilbrinkbos. Het voorkomen van de soorten binnen het deelgebied is uitgesloten. De soorten komen voor in bosrijk gebied, dit ontbreekt binnen het plangebied. Daarnaast is het plangebied te voedselrijk voor de soorten. Binnen het plangebied zijn voornamelijk rurale soorten en grassoorten waargenomen, namelijk grote brandnetel, speerdistel, akkerdistel, biggenkruid, klein streepzaad, paardenbloem, Engels raaigras, ridderzuring en bijvoet. De watergang aan de zuidzijde van het plangebied stond ten tijde van het veldbezoek droog. Ook was de watergang recent gemaaid. Soorten die in de watergang zijn waargenomen zijn; rode klaver, grote berenklauw, scherpe boterbloem en heermoes. Het plangebied is te voedselrijk en te intensief beheerd om geschikt biotoop te vormen voor beschermde/ bijzondere flora. Het plangebied voldoet niet aan de eisen die beschermde vaatplanten stellen.
Deelgebied 2 Ook binnen dit deelgebied zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen of bekend in NDFF. Het deelgebied bestaat uit halfverharding, intensief grasland, laurierhaag en solitaire bomen. Het deelgebied is intensief in gebruik en in intensief in beheer. De onverhade delen worden veelvuldig gemaaid in het groeiseizoen en bestaat dan ook uit gazongras. Gezien de voedselrijkdom en het intensieve beheer zijn beschermde vaatplanten uitgesloten binnen deelgebied 2. Deelgebied 3 Deelgebied 3 lijkt qua uitstraling veel op deelgebied 2. Het deelgebied bestaat deels uit halfverharding en deels uit intensief beheerd gazongras. Het huidige voetbalveld wordt intensief gemaaid en bestaat voornamelijk uit gras en algemene soorten, zoals zachte ooievaarsbek, smalle weegbree en paardenbloem. Specifieke omstandigheden die geschikt zijn voor beschermde vaatplanten ontbreken. Het voorkomen van beschermde vaatplanten is derhalve uitgesloten.
[8]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
2.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Ook andere onderdelen van de leefomgeving van belang voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van huismussen struiken. In de NDFF zijn 63 waarnemingen bekend van jaarrond beschermde nesten. De waargenomen soorten betreffen; boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Binnen de deelgebieden zijn geen waarnemingen bekend van vogels jaarrond beschermde nesten. Deelgebied 1 De te slopen bebouwing, bomen en omliggende opgaande begroeiing is uitgebreid gecontroleerd op het voorkomen van vogels met jaarrond beschermde nesten en of het gebouw potentie heeft om te dienen als jaarrond beschermde verblijfplaats. In de te slopen schuur zijn meerdere plekken waargenomen met roestplekken van de kerkuil. Er zijn erg veel braakballen, veren en mestsporen aanwezig in de schuur.
De braakballen op locatie zijn vers. Boven in de nok van de schuur staan de isolatieplaten open waardoor er geschikte ruimtes zijn ontstaan waar de kerkuil kan broeden. Op de grond van de schuur zijn ook delen isolatiemateriaal te zien. Het is te zien dat de kerkuil nestruimte heeft gemaakt tussen de isolatieplaten en het dak. De kerkuil kan de schuur binnentreden door de ontbrekende ramen aan de zijkant van de schuur. Het is mogelijk dat de kerkuil de schuur gebruikt als broedlocatie. De percelen van dit deelgebied kunnen dan een essentieel onderdeel zijn van het leefgebied van de kerkuil. De gras- en maislanden met omliggende ruigtes en begroeiing is erg geschikt jachtgebied voor de soort. In de westelijke nok van de schuur zijn mestsporen aangetroffen van vermoedelijk de boeren- of huiszwaluw. Nesten of sporen van oude nesten (anders dan uitwerpselen) ontbreken echter. Het wordt daarom niet verwacht dat de vogels de schuur nog gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. De schuur is ongeschikt voor huismussen, er ontbreken geschikte ruimtes waar de soort kan nestelen. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen huismussen gezien of gehoord. De nok en uiteinde van de golfplaten zijn afgedicht met stalen platen waardoor huismussen niet kunnen binnen treden. Daarnaast wordt het, gezien de aanwezigheid van de kerkuil niet verwacht dat huismussen voorkomen in de schuur.
Ook ontbreken geschikt schuilmogelijkheden, zoals dichte hagen of struiken die kunnen dienen als schuil- en slaapmogelijkheid voor huismussen. Door het ontbreken van geschikte broedlocaties is de aanwezigheid van huismussen uitgesloten. Gezien de ligging de lage bouw en het ontbreken van geschikte nestlocaties is de aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw uitgesloten. De te slopen bebouwing is in theorie geschikt als broedlocatie voor de steenuil. De locatie waar vermoedelijk de kerkuil zijn verblijfplaats heeft gevestigd kan ook als verblijfplaats dienen voor de steenuil. Kasten voor de steenuil en sporen ontbreken in de schuur. Van de steenuil is wel een waarneming bekend, deze is ten westen van de camping vastgesteld. Deze waarneming betreft een roepend exemplaar. Waarschijnlijk heeft de soort westen van de camping een verblijfplaats. Het word gezien bovenstaande niet verwacht dat de steenuil gebruikt maakt van de schuur als verblijfplaats. In de opgaande begroeiing op en rondom het plangebied zijn geen horsten of holtes waargenomen die kunnen dienen als verblijfplaats voor uilen of roofvogels. De agrarische percelen zijn mogelijk onderdeel van het jachtgebied van de
[9]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
buizerd, ransuil. Echter wordt het niet verwacht dat de percelen essentieel onderdeel zijn van het leefgebied van de uilen en roofvogels. Er zijn in de omgeving voldoende alternatieven voorhanden zoals de graslanden van het Geldersch Landschap en Kasteelen. Deelgebied 2 en 3 Binnen de deelgebieden ontbreekt bebouwing die als verblijfplaats kan dienen voor vogels jaarrond beschermde nesten zoals uilen of huismussen. In of rondom het plangebied zijn geen horsten of holtes aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor vogels met jaarrond beschermde nesten zoals buizerd of spechten. Het plangebied zelf is ongeschikt als broedlocatie voor vogels met jaarrond beschermde nesten, sporen ontbreken dan ook. Overige broedvogels Alle deelgebieden De opgaande begroeiing op en rondom het terrein is geschikt voor algemene broedvogels zoals merel, roodborst, winterkoning en houtduif. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook waarnemingen gedaan van de roodborst, houtduif, ekster en heggenmus. Tijdens het broedseizoen is de kans op broedgevallen zeer groot. Voor veel soorten valt het broedseizoen in de periode half maart half augustus, maar eerdere of latere broedgevallen van met name houtduif kunnen voorkomen.
Van de te verwachten broedvogels is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt, ofwel vanaf de nestbouw totdat de jongen het nest permanent verlaten hebben. 2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop en renovatie zijn de laatste decennia veel potentiële verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineair doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied zijn beschermd. Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF waarnemingen van gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis bekend. Op basis van expert judgement zijn ook laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, de ruige dwergvleermuis en franjestaart in de omgeving te verwachten. Verblijfplaatsen Een aantal in Nederland voorkomende vleermuissoorten worden voornamelijk in gebouwen aangetroffen. Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens het locatiebezoek is de te slopen schuur uitgebreid geïnspecteerd op aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen zoals toegankelijke spouwen en ruimtes onder dakpannen, achter daklijsten, betimmeringen etcetera.
Deelgebied 1 De te slopen schuur bevat over een luchtspouw. De oostelijke gevel bevat enkele openingen en kieren tussen de muur en het dak. Hierdoor kunnen vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis de spouw van de muur binnentreden en gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Voor de laatvlieger zijn de openingen te klein om de spouw binnen te treden. De westelijke kopgevel bevat een windveer, deze sluit naadloos aan de gevel waardoor openingen ontbreken waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken. Het dak is geïsoleerd met isolatieplaten, echter zijn de platen te glad voor vleermuizen om zich aan vast te plaken en te [10]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
gebruiken als vast rust- en verblijfplaats. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of gebouwbewonende vleermuissoorten al dan niet verblijfplaatsen in de te slopen schuur hebben. De overige soorten die in de omgeving voorkomen verblijven in Nederland hoofdzakelijk in bomen of grote, hoge zolders van kerken en grote schuren. De te kappen boom heeft geen spechtengaten, rottingsholtes, scheuren, losse stukken schors of andere potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. Aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten op het terrein is daarmee uitgesloten. Deelgebied 2 & 3 De deelgebieden bevatten geen bebouwing, hierdoor is de aanwezigheid van verblijfplaatsen die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Daarnaast worden voor de herinrichting van deze deelgebieden geen bomen gekapt. Ook zijn in de directe omgeving van de deelgebieden geen bomen aanwezig met spechtgaten, rottingsholtes, scheuren, losse stukken schors of andere potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. Aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten op en rondom het terrein is daarmee uitgesloten.
Alle deelgebieden Foerageergebied en vliegroutes Het terrein is met haar bomen, struiken en ruigtes geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen zoals de gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het is aannemelijk dat vleermuizen er ook daadwerkelijk in kleine aantallen foerageren. De waarde van de graslanden zal gering zijn, vleermuizen foerageren niet graag boven open vlaktes. Hier zijn zij vatbaar voor predatoren, zoals uilen. De omliggende groenstructuren zijn wel zeer geschikt als foerageergebieden voor vleermuizen. De lijnvormige beplanting blijft behouden. Het relatieve belang van de deelgebieden zelf (uitgezonderd omliggende opstanden) is op voorhand klein. Van essentieel foerageergebied is geen sprake aangezien er is veel foerageergebied in de directe omgeving voorhanden is in de vorm van andere erven, bomenrijen, bosranden en open plekken tussen bomen. 2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marters. In de omgeving komen diverse grondgebonden zoogdieren voor. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren binnen de NDFF.
Zo zijn een aantal zwaarder beschermde soorten waargenomen, bunzing, das een eekhoorn. Daarnaast zijn een aantal algemene soorten waargenomen, de haas, ree , konijn en mol. Van de das is één waarneming bekend en is op relatief korte afstand van deelgebied 1 waargenomen. Deze is op 200 meter ten noorden van het plangebied, aan de andere zijde van de N344 in het bosgebied waargenomen. De bunzing is waargenomen rondom de Grijzeveen. Deelgebied 1 Het deelgebied is uitgebreid onderzocht op de aanwezigheid van sporen van de das. Het plangebied kan essentieel onderdeel zijn van het foerageergebied van de das. Er zijn dassentunnels ten noorden van het plangebied. De tunnels bevestigen het plangebied met de vermoedelijke burcht
[11]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
aan de noordzijde van de N-weg. Echter zijn geen sporen waargenomen van de soort. Er ontbreken graafsporen, plukken haar aan prikkeldraad of andere sporen van de soort. Het wordt derhalve niet verwacht dat de soort het plangebied gebruikt als foerageergebied. De soort komt voor in het Wilbrinkbos. Om dit bos zijn verschillende agrarische percelen gelokaliseerd. Het wordt daarom verwacht dat de das deze omliggende percelen gebruikt als foerageergebied. Het is gezien bovenstaande uitgesloten dat de agrarische percelen essentieel onderdeel zijn van het leefgebied van de das. De das kan hooguit het plangebied aandoen als passant. De ruigtes tussen de twee agrarische percelen is mogelijk een verblijfplaats of leefgebied van de bunzing en andere marterachtigen. Deze ruigte blijft in de nieuwe situatie behouden. De steenmarter kan de te slopen schuur binnen treden, echter ontbreken latrines, prooiresten of andere gebruikssporen van de soort. Daarnaast is het uitgesloten dat kerkuilen en steenmarters gebruik maken van één en hetzelfde gebruik als rust- en verblijfplaats. In is een houtstapel aanwezig. In theorie kan deze houtstapel gebruikt worden door kleine marterachtigen als verblijfplaats. Maar ook hier geldt het zelfde als voor de steenmarter. Het is niet aannemelijk dat kleine marterachtigen en kerkuilen in hetzelfde gebouw verblijven.
Het is uitgesloten dat de te slopen schuur verblijfplaatsen van marterachtigen voorkomen. Het plangebied is kan onderdeel zijn van het leefgebied van marterachtigen. Deze steenmarter wordt daarom hooguit als passant of jagend op het perceel verwacht. De ruigtes met oevers en omliggende houtopstanden zijn geschikt leefgebied voor marterachten. Geschikte verblijfplaatsen voor boommarters ontbreken in en rondom het plangebied, er zijn geen bomen met holtes aangetroffen. In de bomen in en rondom het plangebied zijn geen bomen met nesten van eekhoorns of holtes waar beschermde zoogdieren kunnen verblijven. Binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen voorkomen van de haas of konijn. Tijdens het veldbezoek is dan ook een foeragerende haas waargenomen. Algemene kleine zoogdiersoorten zoals veldmuis, bosmuis, aardmuis, huismuis, huisspitsmuis, vos en egel komen vrijwel zeker voor in de omgeving van het onderzoeksgebied. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling. Deelgebied 2 & 3 Binnen het plangebied komt geen bebouwing voor die als verblijfplaats kan dienen voor de steenmarter. Daarnaast ontbreken ruigtes, hout- en takkenstapels die kunnen dienen als verblijfplaats van marterachtigen. Het plangebied heeft een sterk cultuurlijke uitstraling waardoor verblijfplaatsen van zwaar beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
De bomen in en rondom het plangebied bevinden zich geen verblijfplaatsen van eekhoorns, nesten en holtes ontbreken. Ook voor deze deelgebieden geldt dat vrijwel zeker kleine zoogdieren zoals veldmuis, bosmuis, aardmuis, huismuis, huisspitsmuis egel voorkomen binnen het plangebied. Provincie Gelderland heeft voor deze soorten een vrijstelling afgegeven bij ruimtelijke ontwikkelingen. 2.5 Vissen Deelgebied 1 Ten zuiden van het plangebied is een watergang aanwezig. De watergang stond tijdens het veldbezoek droog terwijl een regenachtige week daar aan vooraf ging. De watergang is onbegroeid en bevat geringe watervegetaite en bevat geen kiezelbodem. De watergang is gezien bovenstaande ongeschikt voor beschermde vissen zoals grote modderkruiper of beekprik.
[12]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Deelgebied 2 & 3 Watergangen of ander oppervlaktewater binnen het plangebied ontbreekt. Hierdoor is het voorkomen van (beschermde) vissoorten uitgesloten in de deelgebieden. 2.6 Amfibieën Deelgebied 1 Binnen het deelgebied is de zuidelijke watergang geschikt als voortplantingswater voor amfibieën, zoals bruine kikker, bastaard kikker en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Door het feit dat de sloot in de zomer droog staat maar in het voorjaar (waarschijnlijk) wel water bevat is de sloot geschikt als voortplantingswater voor amfibieën. Door het tijdelijke droogstaan van de sloot is het voorkomen van (grotere) vissen uitgesloten waardoor predatie nauwelijks optreedt. Echter bevat de sloot geringe water- en oevervegetatie en is de sloot gelegen langs intensief agrarisch gebied waardoor het niet verwacht wordt de sloot gebruikt wordt door beschermde amfibieën, zoals de heikikker en poelkikker. Daarnaast blijft de watergang behouden, de watergang krijgt een natuurlijke uitstraling en grote oeverzones waardoor de sloot na de werkzaamheden geschikter leefgebied is voor amfibieën. Ook tijdens de werkzaamheden is de sloot geschikt leefgebied voor amfibieën. Geschikte voortplantingswateren, zoals ondiepe wateren, voor de rugstreeppad ontbreken.
De ruigtes binnen het plangebied kunnen dienen als overwinteringslocatie voor algemeen voorkomende amfibieën. Het voorkomen van beschermde amfibieën is uitgesloten. Deelgebied 2 & 3 Door het ontbreken van oppervlaktewater binnen de deelgebieden is het voorkomen van voortplantingswater van (beschermde) amfibieën uitgesloten. De deelgebieden zijn wel in beperkte mate geschikt als landhabitat voor algemeen voorkomende amfibieën. 2.7 Overige soortgroepen (reptielen & ongewervelden) Van de reptielen komen hazelworm en levendbarende hagedis in de omgeving voor. Voor beide soorten sluit het perceel niet aan bij de eisen die ze aan hun leefgebied stellen. Zo ontbreken bijvoorbeeld overgangen van heidevelden naar bosranden en het perceel sluit niet aan op dergelijke gebieden. Het terrein voldoet niet aan de voorwaarden waaraan potentieel leefgebied van beschermde ongewervelden (libellen, kevers, weekdieren) moet voldoen, waardoor aanwezigheid van dergelijke soorten is uitgesloten.
[13]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Afb. 2.1: Het oostelijke deel van deelgebied 1. Het deel betreft intensief agrarisch grasperceel met een verruigde paardenrijbak. Het plangebied is mogelijk essentieel onderdeel van het leefgebied van de kerkuil. Overige belangrijke functies of beschermde soorten worden niet verwacht.
[14]
Afb. 2.2: Het oostelijke deel van deelgebied 1 betreft agrarisch maisland. De percelen worden gescheiden door een ruigte singel. Deze blijft behouden en kan al verblijfplaats dienen voor de bunzing en andere marterachtigen.
Afb. 2.3: De omliggende houtopstanden van deelgebied 1 bevatten geen horsten of holtes die geschikt zijn voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Wel kunnen algemene broevogels voorkomen in de begroeiing.
Afb. 2.4: De te verwijderen boom bevat geen holtes, horsten of nesten van vogels of eekhoorns. De boom is ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten.
Afb. 2.5: De te slopen schuur. In de schuur bevindt zich vermoedelijk een verblijfplaats van de kerkuil. Ook is de schuur geschikt voor vleermuizen als vaste rust- en verblijfplaats.
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
[15]
Afb. 2.6: In de schuur zijn veel sporen aangetroffen van de kerkuil. Het wordt verwacht dat de soort de schuur gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats. De braakballen op locatie waren nog vers. De kerkuil broedt vermoedelijk in de loshangende isolatieplaten.
Afb. 2.7: De oostelijke kopgevel van de schuur. De bovenzijde van de gevel kiert ten opzichte van het dak. Hierdoor kunnen vleermuizen de luchtspouw bereiken en gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats.
Afb. 2.8: Droogstaande sloot aan de zuidzijde van deelgebied 1. De sloot bevat weinig begroeiing. De sloot is geschikt voor algemene amfibiesoorten. Het voorkomen van beschermde soorten is uitgesloten.
Afb. 2.9: Deelgebied 2, het parkeerterrein. Afgezien van algemene broedvogels worden geen bijzondere of beschermde soorten verwacht binnen het deelgebied. Het terrein is intensief in gebruik en beheerd.
Afb. 2.10: Deelgebied 3, het sportterrein. Het sportterrein blijft deels behouden. Beschermde soorten worden, gezienhet intensieve beheer en half verharding niet verwacht.
Afb. 2.11: Houtduif en ekster ter plaatse op deelgebied 2.
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
3
E F FE CTEN EN A A N B E VELINGEN 3.1 Vaatplanten In de drie deelgebieden zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor bijzondere vegetatie ontbreken. Effecten op beschermde planten zijn uitgesloten, nader onderzoek is niet nodig. 3.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde nesten Deelgebied 1 In de te slopen schuur bevinden zich verschillende sporen van de aanwezigheid van de kerkuil. Er zijn veel braakballen, veren en uitwerpselen aanwezig van de soort. Nesten van kerkuil zijn jaarrond beschermd, evenals onderdelen van leefgebied die cruciaal zijn voor het functioneren van vaste rust- of voortplantingsplaatsen. De te slopen schuur is waarschijnlijk een vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil. De voorgenomen sloop van de schuur leidt mogelijk tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voortplantingsplaatsen van broedvogels. Ook de agrarische percelen zijn mogelijk essentieel onderdeel van het leefgebied van de kerkuil. Het is niet met zekerheid te zeggen of de schuur daadwerkelijk als broedlocatie wordt gebruik. Nader onderzoek, conform het Kennisdocument Kerkuil, is nodig om vast te stellen of nestplaatsen essentiële foerageergebieden verloren gaan bij de sloop en omvorming van de percelen.
Wanneer dit het geval is moet ontheffing worden aangevraagd van artikel 3.1 lid 2 (beschadigen/ vernielen van verblijfplaatsen) en lid 4 (opzettelijk verstoren) van de Wet natuurbescherming bij de provincie Gelderland en kan sloop pas plaatsvinden na het verkrijgen van de ontheffing. Een onderdeel van een ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan, hierin wordt de mate van mitigatie en compensatie evenals de juiste periode van uitvoering vastgesteld. Uiteraard dient in het geval van het verlenen van een ontheffing volgens de ontheffingsvoorschriften gewerkt te worden. De bouw van een nieuwe groepsgebouw biedt kansen om nieuwe nestgelegenheid te realiseren voor de kerkuil, zo kan een uilenkast in de zolder worden ingebouwd. Voor het naderonderzoek zijn drie gerichte veldbezoeken noodzakelijk in de periode februari tot en met half oktober. De veldbezoeken vinden ‘s nachts plaats. Het wordt niet verwacht dat huismussen de schuur gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Het dak is afgesloten met metalen platen waardoor huismussen niet onder het dak kunnen komen. Van de soort zijn geen sporen of waarnemingen gedaan. Ook door de aanwezigheid van de kerkuil wordt het niet verwacht dat huismussen de schuur gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats en negatieve effecten zijn daarbij uitgesloten. De schuur is geschikt voor de boeren- en huiszwaluw.
Van de soort zijn dan ook mestsporen aangetroffen. Echter geldt dat nesten van deze soort alleen jaarrond beschermd zijn onder zwaar ecologische omstandigheden. Dit is in dit geval niet het geval, er zijn voldoende alternatieven in de omgeving. Daarnaast is het plangebied na de werkzaamheden weer geschikt als broedlocatie door de bouw van het groepsgebouw. Overige vogels met jaarrond beschermde nesten worden ook niet verwacht in de te slopen schuur. In de omgeving van het deelgebied ontbreken nesten, zoals horsten, van jaarrond beschermde nesten. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten anders dan de kerkuil worden niet verwacht. Vervolgstappen voor vogels met jaarrond beschermde nesten anders dan de kerkuil zijn dan ook niet nodig.
[16]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Alle deelgebieden Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels, zoals houtduif, zanglijster, merel, winterkoning, heggemus en roodborst mogelijk op het terrein. Kap-, bouw- en graafwerkzaamheden kunnen derhalve leiden tot het verstoring of vernieling van nesten van algemene broedvogels wanneer deze in het broedseizoen plaatsvinden. Broedgevallen kunnen zich in opgaande begroeiing (bomen, struiken) voordoen. Het is van belang om mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of tijdig preventieve maatregelen te nemen om vestiging van broedgevallen te voorkomen. Houdt tijdens het broedseizoen een verstoringsvrije zone van enkele meters rond de begroeiing aan en/of snoei de begroeiing in de buurt van verstorende werkzaamheden sterk terug voorafgaand aan het broedseizoen om broedgevallen te voorkomen. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn wel mogelijk, vooral van de houtduif. Bezette nesten zijn altijd beschermd, onafhankelijk van de soort en het moment van nestelen. Worden toch bezette nesten aangetroffen dan dienen werkzaamheden met een mogelijk negatief effect te worden uitgesteld totdat de ouders klaar zijn met broeden en de jongen zelfstandig het nest definitief hebben verlaten.
3.3 Vleermuizen Effectbeoordeling vaste rust- en verblijfplaatsen vleermuizen Deelgebied 1 De te kappen boom is ongeschikt als verblijfplaats, negatieve effecten op boombowonende vleermuizen worden derhalve niet verwacht. De te slopen bebouwing is geschikt als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Te verwachten soorten zijn gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. De sloop van de schuur leidt mogelijk tot vernieling van vaste, jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen. Ook kunnen vleermuizen verstoord worden en, indien niet op vleermuisvriendelijke wijze gesloopt wordt, kunnen vleermuizen verwond of gedood worden tijdens de sloop. Het uitvoeren van nader onderzoek is noodzakelijk om aanof afwezigheid van vaste, jaarrond beschermde vleermuisverblijven vast te kunnen stellen. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2017 (opgesteld door o.a. Zoogdiervereniging, NGB en GAN). Dit houdt in minimaal vier gerichte nachtelijke inventarisaties tussen half mei en eind september, uitgevoerd door erkend deskundigen zoals benoemd in het protocol. Voor details zie Vleermuisprotocol. Wanneer vleermuizen worden aangetroffen moet een ontheffing van artikel 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen/ vernielen van verblijfplaatsen) van de Wet natuurbescherming bij de provincie Gelderland worden aangevraagd.
Sloop kan in dat geval pas plaatsvinden met ontheffing en volgens in de ontheffing genoemde voorwaarden. Naar verwachting kan een ontheffing verkregen worden, mits aan diverse randvoorwaarden voldaan wordt zoals het tijdig aanbieden van alternatieven, werken buiten kwetsbare periode(n), onderbouwing van het wettelijk belang en een alternatievenafweging. Hiertoe dient een activiteitenplan te worden opgesteld. Wanneer bij het nader onderzoek geen vleermuizen worden aangetroffen is een ontheffing niet nodig. We adviseren in dat geval wel om alsnog vleermuisvoorzieningen in de nieuwbouw te realiseren, zie volgende alinea.
[17]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Nieuwbouw van de het groepsgebouw biedt kansen voor vleermuizen. Naar verwachting is het mogelijk om op relatief eenvoudige en goedkope wijze ruimte te creëren voor vleermuizen. Het realiseren van verblijfplaatsen kan bijvoorbeeld door ruimtes achter gevelbetimmering of boeidelen toegankelijk te maken, inmetselkasten toe te passen, open stootvoegen in spouwmuren etcetera. Op die manier kan de ingreep een positief effect hebben op (deels) gebouwbewonende vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen (gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis). Deelgebied 2 & 3 Potentieële verblijfplaatsen voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen komen niet voor binnen de deelgebieden. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn voor deze deelgebieden derhalve uitgesloten. Effectbeoordeling vaste vlieg- en migratieroute en essentieel foerageergebied Alle deelgebieden Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen zoals de gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het is aannemelijk dat vleermuizen er ook daadwerkelijk foerageren. Echter worden er geen directe negatieve effecten verwacht doordat de begroeiing behouden blijft.
Integendeel het plangebied wordt door de aanplant van bomen, de realisatie van moeraszone en ruigtes geschikter als foerageergebied voor vleermuizen. De randen van de deelgebieden kunnen deel uitmaken van vaste vliegroutes van vleermuizen. Ook hiervoor geldt dat de begroeiing behouden blijft, er verdwijnen geen lijnvormige beplanting waardoor negatieve effecten niet verwacht worden. Wél kunnen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe inrichting indirecte negatieve effecten optreden, namelijk lichtverstoring. Vleermuizen kunnen gedesoriënteerd raken door felle verlichting. Essentiële foerageergebieden en vaste vliegroutes kunnen hierdoor hun functie verliezen. Negatieve effecten en dus overtreding van artikel 3.5 lid 2, zijn te voorkomen door lichtverstoring tegen te gaan. Negatieve effecten kunnen zich voordoen wanneer tijdens de sloop- of bouwfase gebruik wordt gemaakt van bouwlampen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Daarnaast kan lichtverstoring zich voordoen tijdens de nieuwe situatie. Het voorkomen van lichtverstoring kan door zowel tijdens de sloop- en realisatiefase als de gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen en buitenverlichting naar boven en dan met name richting opgaand groen te voorkomen.
Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik eventueel vleermuisvriendelijke verlichting (zogehete ‘batlampen’) en plaats niet meer verlichting dan nodig. De actieve periode van vleermuizen loopt globaal van april t/m november, waarbij ze tussen zonsondergang en zonsopkomst daadwerkelijk vliegen en gevoelig zijn voor verstoring. Wanneer lichtverstoring voorkomen wordt is het nemen van vervolgstappen (vervolgonderzoek en ontheffingsaanvraag) voor wat betreft foerageergebieden en vliegroutes niet nodig.
[18]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
3.4 Grondgebonden zoogdieren Deelgebied 1 Het wordt niet verwacht dat het deelgebied essentieel onderdeel is van het leefgebied van de das. Er ontbreekt ieder spoor van de soort. Wel zijn er dassentunnels aanwezig aan de noordzijde van het plangebied. Dit betekent dat de soort wel voor kan komen in het plangebied. Bij de nieuwe inrichting van het terrein worden ruigtes en lange graszones gecreëerd. Dit betekent dat het plangebied na de werkzaamheden geschikt leefgebied is blijft voor de soort. Wel wordt er een tijdelijke verstoring verwacht door de realisatiefase van de uitbreiding. De verstoring zal echter gering zijn en tijdelijk. Dit zelfde geldt voor de bunzing en andere kleine marterachtigen. De ruigtes tussen het grasland en maisland is geschikt leefgebied voor de marterachtigen. Ook kan de bunzing de ruigte gebruiken als vaste rust en verblijfplaats. De ruigte ter plaatse blijft behouden in de nieuwe inrichting. Bij de nieuwe inrichting worden zelfs ruigtes, lange grasdelen en moeraszone ontwikkeld waardoor het plangebied geschikter wordt als leefgebied. Wel neemt de verstoring toe door de toename van menselijke activiteiten. De verstoring zal gering zijn, bunzing en marterachtigen zijn verstoringstolerante en nacht-actieve dieren. Hierdoor wordt het niet verwacht dat de toename van menselijke activiteiten leidt tot negatieve effecten op marterachtigen.
De steenmarter gebruikt de te slopen schuur niet als verblijfplaats, sporen ontbreken en de aanwezigheid van de kerkuil sluit uit dat de steenmarter de schuur gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats. Het kan wel dat de steenmarter het plangebied gebruikt als leefgebied, deze blijft geschikt als leefgebied. De geschiktheid van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast. Geschikte verblijfplaatsen van de boommarter ontbreken. Negatieve effecten op de steenmarter en boommarter worden niet verwacht. In en rondom het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen van de eekhoorn, negatieve effecten op de soort worden dan ook niet vewacht. Nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdiersoorten is derhalve niet aan de orde, evenals het aanvragen van een ontheffing voor deze soorten. Deelgebied 2 en 3 De deelgebieden is ongeschikt als verblijfplaats voor marterachtigen, ruigtes, takken- en houtstapels en bebouwing ontbreken. Het plangebied is wel geschikt als leefgebied voor marterachtigen, echter zal de waarde gering zijn. Het plangebied is intensief in gebruik en beheerd. Wel kunnen de soorten voorkomen als passant. Daarnaast blijft het plangebied tijdens en na de werkzaamheden geschikt als foerageergebied. Negatieve effecten op het leefgebied van marterachtigen worden derhalve niet verwacht.
Nesten van de eekhoorn ontbreken waardoor negatieve effecten op de soort niet verwacht worden. Alle deelgebieden In alle deelgebieden worden verder uitsluitend kleine, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen op beperkte schaal tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels van muizen en insecteneters. Omdat voor de te verwachten soorten een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, die voor alle dieren en planten geldt.
[19]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
3.5 Amfibieën De sloot aan de zuidzijde van het plangebied is mogelijk voortplantingswater van algemeen voorkomende soorten, zoals bastaard kikker, bruine kikker en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. De sloot wordt niet gedempt, en zal alleen meanderend worden gemaakt en een brede oeverzone worden gecreëerd. De sloot blijft na de werkzaamheden geschikt leefgebied voor amfibieën. Wél kan er verstoring optreden door de werkzaamheden. Het is daarom van belang de werkzaamheden uit te voeren buiten de kwetsbare periode van de soortgroep. Voer de werkzaamheden uit in de winterslaapperiode. In de periode maken de soortgroep geen gebruik van de sloot en kan zonder verstoring de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het terrein is (beperkt) geschikt als landhabitat en dan voornamelijk foerageergebied en overwinteringsgebied voor enkele algemene amfibieën maar in de begroeide terreindelen vinden nauwelijks ingrepen plaats. Negatieve effecten op het foerageergebied en eventuele overwinteringslocaties worden niet verwacht. 3.6 Overige soorten (vissen, reptielen, ongewervelden) Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (reptielen, vissen, ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied of doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt.
Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. De soorten die voor kunnen komen zijn niet beschermd. Zoals voor alle soorten, beschermd of niet, geldt ook hier de algemene zorgplicht. 3.7 Algemeen • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Gezien de grote van het project is het noodzakelijk om een ecologisch werkprotocol op te stellen om negatieve effecten op de flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen; • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen, dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en moet contact opgenomen worden met een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. • Extra: Ruimte voor Advies promoot natuur in stad & land. Zo is het bij nieuwbouw van bebouwing vaak met relatief weinig moeite mogelijk om huismussen, vleermuizen, zwaluwen en andere dieren een plek te geven. Bij voorkeur door ruimtes naar een spouw, onder dakpannen of achter betimmeringen toegankelijk te maken.
Andere mogelijkheden zijn het aanbrengen van nestkasten, toepassen van inheemse beplanting, terughoudend zijn met buitenverlichting en bestrating en juist royaal met groen.
[20]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
4
GEBIEDSBESCHERMING
4.1 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) De onderzoekslocatie ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Deelgebied 1 grenst aan de noordzijde aan het GNN, deelgebied Wilbrinksbos. In de het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone is het ruimtelijke beleid gericht op behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten. Voorgenomen ingrepen worden getoetst aan het ‘nee, tenzij’ principe. Indien voorgenomen werkzaamheden significant negatieve gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van het deelgebied kunnen deze alleen plaatsvinden indien de nadelige gevolgen worden gemitigeerd en de resterende schade gecompenseerd. Het plan wordt landschappelijk ingepast. Zo worden er houtsingels, ruwgrasland, wadi’s, houtwallen en oeverzones ontwikkeld. Hierdoor zal de waarde van het terrein voor de het omliggende GNN alleen maar toenamen ten opzichte van de huidige situatie (intensief landbouwgebied). Gezien voorgenomen ontwikkelingen is een negatief extern effect op kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van GNN en GO uitgesloten. Het uitvoeren van een ‘Nee, tenzij’-toets is niet aan de orde. 4.2 Natura 2000 Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ ligt op ongeveer 2 kilometer in oostelijke richting. De kortste afstand tot stikstofgevoelige habitattypen (ZGLg13 Bos van arme zandgronden) is ca. twee kilometer.
Het perceel heeft geen landschappelijke binding met de Natura 2000-gebieden. De aangewezen habitatsoorten voor de Veluwe zijn de gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, beekprik, rivierdonderpad, kamsalamander, meervleermuis en drijvende waterweegbree. Gezien de voorgenomen activiteiten en de toekomstige inrichting en de ligging op ruim 2000 meter van het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied zijn directe negatieve effecten door sloop- en bouw- en realisatiewerkzaamheden en door het nieuwe gebruik van het projectgebied op aangewezen soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. De voorgenomen activiteiten leiden mogelijk tot een toename van stikstofemissie in zowel de realisatiefase als in tijdens het nieuwe gebruik van het plangebied. Door de sloop- en realisatiefase door inzet van machines en aan- en afvoer van materialen is er een tijdelijke toename van stikstofdepositie van het plangebied. In de gebruiksfase kan er mogelijk een toename optreden door de toenemende verkeersbewegingen van recreanten en door de stikstofuitstoot van het groepsgebouw. Echter heeft de huidige situatie al veel stikstofuitstoot door het intensieve agrarische gebruik. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de voorgenomen activiteiten en het nieuwe gebruik leden tot significante effecten op doelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en - soorten.
Met behulp van de online rekentool AERIUS Calculator (versie 2020) kan berekend worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor ontwikkelingen waarbij is aangetoond dat er géén sprake is van een toename in stikstofdepositie (ofwel < 0,00 mol/hectare/jaar) is geen vergunning nodig. Is er wel sprake van een toename op stikstofgevoelige habitattypen dan geldt er een vergunningsplicht.
[21]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
Afb. 4.1: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van GNN (donkergroen) GO (lichtgroen). De locatie ligt buiten GNN en GO. Het deelgebied 1 grenst aan de noordzijde aan de GNN. Negatieve effecten worden niet verwacht. Bron ondergrond: geoportal.gelderland.nl
2 km
Afb. 4.2: De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. De minimumafstand tussen het plangebied en N2000-gebied bedraagt ongeveer 2 km. Gezien de afstand en de nieuwe inrichting worden negatieve effecten (uitgezonderd toename in stikstofdepositie) op doelsoorten en habitattypen niet verwacht. Bron: geoportal. gelderland.nl
[22]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
2 km
Afb. 4.2: De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van zeer stikstofgeovelige habitattypen (paars). Dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen liggen op 2 kilometer afstand. Tijdens de aanlegfase en in de nieuwe situatie is er mogelijk sprake van een toename van stikstofdepositie op zeer gevoelige habitattypen. Met behulp van een Aerius-berekening kan bepaald worden of er sprake is van een toename en daarmee vergunningplicht. Bron: https:// calculator.aerius.nl/calculator (bezocht: 23-10-2020), OSM & Kadaster.
[23]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
5
CO N C LU S I E S E N A A N B E V E L I N G E N 5.1 Overzicht van de bevindingen Soortbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Flora - beschermde soorten nee geen geen Vleermuizen - verblijfplaatsen mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Vleermuizen - vliegroutes mogelijk geen zie 5.2.1 Vleermuizen - essentieel foerageergebied mogelijk geen zie 5.2.1 Vleermuizen - lichtverstoring mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Zoogdieren - gebouwbewonend nee geen geen Zoogdieren - grond-/boombewonend mogelijk geen geen Zoogdieren - vrijgestelde soorten zeker mogelijk zorgplicht Vogels - jaarrond beschermde nesten mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Vogels - algemene broedvogels mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Amfibieën - vrijgestelde soorten mogelijk geen zorgplicht Overige beschermde soorten nee geen geen Gebiedsbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Natura 2000 - doelsoorten/habitattypen nee geen geen Natura2000 - stikstof n.v.t mogelijk zie 5.2.2 NNN en GO nee geen geen
5.2 Conclusies en aanbevelingen 5.2.1 Soortenbescherming Vleermuizen • De te slopen schuur is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis). Sloop van de bebouwing leidt mogelijk tot een overtreding van artikel 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of vleermuizen daadwerkelijk gebruik maken van de schuur. Het nader onderzoek naar vleermuizen dient plaats te vinden in de vorm van vier gerichte nachtelijke inventarisaties conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol (NGB & Zoogdiervereniging); • Wanneer er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn dient ontheffing te worden aangevraagd. Een onderdeel van een ontheffing is een activiteitenplan. Hierin wordt de mate van compensatie, mitigatie, de juiste periode van uitvoering en de gunstige staat van instandhouding behandeld; • De nieuwbouw biedt kansen voor vleermuizen door het realiseren van voorzieningen die kunnen dienen als verblijfplaats. Zie hoofdstuk 3.3 voor meer informatie; • Het is noodzakelijk om negatieve effecten op mogelijke foerageergebieden en vliegroutes van de begroeiing rondom het plangebied te voorkomen. Negatieve effecten kunnen zich voordoen door lichtverstoring.
Onnodige lichtverstoring van het mogelijke foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen dient voorkomen te worden. Dit kan door tijdens de aanlegen gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen. De aanleg van de weg en het uitbreiden van de camping mag niet leiden tot een toename van verlichting richting de boomkronen. Gebruik bijvoorbeeld [24]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik ‘batlampen’ en plaats niet meer verlichting dan nodig. Mogelijk verlangd bevoegdgezag een verlichtingsplan. Vogels - Jaarrond beschermde nesten • De te slopen schuur bevat sporen van de kerkuil. Mogelijk gebruikt de kerkuil de schuur als broedlocatie. Daarnaast zijn de om te vormen agrarische percelen mogelijk essentieel onderdeel van het leefgebied van de kerkuil. De sloopwerkzaamheden en het omvormen van de agrarisch epercelen leiden daarom mogelijk tot aantasting van vaste, jaarrond beschermde nestplaatsen en essentieel leefgebied van de kerkuil. Er is nader onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de kerkuil genoemd in artikel 3.1 lid 2 (beschadigen, vernielen of wegnemen van nesten en eieren) en/ of lid 4 (opzettelijk verstoren van vogels); • Het naderonderzoek dient plaats te vinden in de vorm van drie gerichte nacht-inventarisaties in de periode 1 februari - 15 oktober conform de richtlijnen van het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017); • Wanneer er een broedlocatie van de kerkuil aanwezig is dient ontheffing te worden aangevraagd. Een onderdeel van een ontheffing is een activiteitenplan. Hierin wordt de mate van compensatie, mitigatie, de juiste periode van uitvoering en de gunstige staat van instandhouding behandeld.
Vogels - algemene broedvogels • Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels in te rooien beplanting en opgaande begroeiing in en rondom het plangebied verstoord, beschadigd of vernield worden. Voer werkzaamheden die kunnen leiden tot het vernielen of verstoren van nesten buiten het broedseizoen uit of neem tijdig maatregelen om broedgevallen binnen invloedssfeer van verstorende werkzaamheden te voorkomen, bijvoorbeeld door opgaande beplanting binnen invloedssfeer van de werkzaamheden sterk terug te snoeien. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Tijdens het broedseizoen kunnen mogelijk verstorende werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat een erkend broedvogeldeskundige heeft vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Zonodig worden werkzaamheden uitgesteld of maatregelen getroffen om verstoring of vernieling van nesten te voorkomen, bijvoorbeeld het instellen van een zone rondom het nest totdat de jongen het nest verlaten hebben; Overige soorten • Nader onderzoek naar overige beschermde soorten is niet aan de orde. Houdt wel rekening met de algemene zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet.
[25]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
t.a.v. zorgplicht en calamiteiten • Ten aanzien van álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’. Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er ‘met zorg voor de natuur’ gewerkt dient te worden. Gezien het formaat en de aard van het project wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol op te stellen om te voldoen aan de algemene zorgplicht; • Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. 5.2.2 Gebiedsbescherming • De locatie ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. De intensieve agrarisch percelen worden omgevormd maar landschappelijk ingepast met ruigtes en natuurelementen. De activiteiten zullen niet leiden tot aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen van GNN of GO. Een ‘nee, tenzij’-toets is daarom niet aan de orde.
• De ontwikkelingen voortvloeiend uit het voornemen leiden gezien de aard van het project en de afstand van het plangebied tot het Natura2000-gebied niet tot effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura2000), met mogelijke uitzondering van stikstofgevoeligheid. Nadere toetsing naar effecten op aangewezen doelsoorten voor Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde met uitzondering van een stikstofberekening, zie volgende punt. • Het voornemen leidt mogelijk tot een tijdelijke en permanente toename van stikstofuitstoot tijdens de sloop- en bouwfase (ofwel aanlegfase). Ook in de gebruiksfase kan een toename van stikstofdepositie zich voordoen. Onder andere de toekomstige toename van verkeersbewegingen kan zorgen voor een toename van stikstofdepositie of stikstofgevoelige habitattypen. Het is noodzakelijk om een AERIUS-berekening uit te voeren door de online rekentool (AERIUS Calculator) om te bepalen of de voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een toename van stikstofdepositie (> 0,00 mol/hectare/jaar) op stikstofgevoelige habitattypen. Wanneer het project leidt tot een toename van stikstofdepositie is het project vergunningsplichtig.
[26]
Ecologische quickscan Beloofde Land Voor thuizen
13
januari
2021
6
WETTELIJK KADER 6.1 Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies. 6.2 Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel.
Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natuurbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied, zoals een toename van stikstofemissie en -depositie met mogelijke gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie.