Bosweg I_Regels.pdf
Tekst van het document
de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 3. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.1 en de stalling van caravans, campers en boten van derden toestaan, mits deze plaatsvindt in bestaande gebouwen. 4. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.1 en verblijfsrecreatie in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein toestaan, met inachtneming van het volgende: a. het aantal kleinschalige kampeerterreinen mag in totaal niet meer dan 30 bedragen; b. kleinschalig kamperen is uitsluitend toegestaan vanaf 15 maart tot en met 31 oktober; c. per kleinschalig kampeerterrein zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan; d. een kleinschalig kampeerterrein mag uitsluitend zijn gesitueerd binnen het bouwvlak of binnen een afstand van 50 m vanaf het bouwvlak; e. een kleinschalig kampeerterrein mag niet zijn gelegen in directe aansluiting op een reeds bestaand kleinschalig kampeerterrein of een regulier verblijfsrecreatieterrein; f. een kantine en horeca-activiteiten zijn niet toegestaan; g. sanitaire voorzieningen ten behoeve van het kleinschalige kampeerterrein zijn uitsluitend toegestaan in bestaande bebouwing tot een maximum oppervlakte van 75 m2; h.
de onderlinge afstand tussen kampeermiddelen mag niet minder dan 3 m bedragen; i. het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein mag niet minder bedragen dan 1,3 per standplaats; "Bosweg I" (vastgesteld)
25
Bosweg I j. geen significante aantasting plaatsvindt van ecologische waarden; k. het terrein dient te worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing; l. de omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van maximaal 10 jaar; m. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 5. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.5.1 ten behoeve van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast in een bijgebouw, mits: a. maximaal 25% van de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfswoning, indien aanwezig de 'kleine woning' en de bijgebouwen wordt gebruikt voor het aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast; b. de totale gezamenlijke (vloer)oppervlakte die wordt aangewend voor het aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast niet meer bedraagt dan 60 m2; c. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; e. een kamer/verblijfseenheid voor bed & breakfast heeft een maximum oppervlakte van 30 m2. 6. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.5.1 ten behoeve van het gebruik van grond als paardrijbak, waarbij de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn ligt, mits: a.
de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij hieraan door het nemen van maatregelen voldoende tegemoet kan worden gekomen. 7. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.1 en buitenopslag ten behoeve van een nevenactiviteit toestaan, mits: a. aannemelijk is gemaakt dat de buitenopslag noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van de nevenactiviteit; b. aannemelijk is gemaakt dat het agrarisch bedrijf belangrijkste functie blijft; c. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; d. landschappelijke inpassing plaatsvindt op basis van een overgelegd landschapsplan. 8. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.1 en verblijfsrecreatie in de vorm van trekkershutten toestaan binnen een bouwvlak. 9. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.5.2 ten behoeve van het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen en/of ten behoeve van het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, mits: a. geen onevenredige belemmering plaatsvindt van de ontwikkelingsmogelijkheden op nabijgelegen gronden; b.
de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 3.7
Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1
Wonen
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van een bouwvlak wijzigen in de bestemming 'Wonen' met inachtneming van het volgende: a. uitsluitend de bestaande bedrijfswoning(en) met de tot dezelfde bouwmassa behorende voormalige bedrijfsruimte mag (mogen) worden gebruikt voor het bestaande aantal woningen, waarbij geldt dat 26
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I indien een kleine woning is toegestaan, deze toegestaan blijft; b. het nieuwe bestemmingsvlak kan kleiner zijn dan het agrarische bouwvlak, dat geheel wordt verwijderd; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 3.7.2
Wonen, woongebouw
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van een bouwvlak wijzigen in de bestemming 'Wonen' om de bouw van maximaal twee extra woningen (ten opzichte van het bestaande aantal bedrijfswoningen en/of kleine woningen) mogelijk te maken en daarbij de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woongebouw', de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' en/of aanduidingen over de inhoud van woningen en de oppervlakte aan bijgebouwen opnemen, de bestemming wijzigen in 'Groen' en 1 regels opnemen met inachtneming van het volgende: a. de inhoud van een woning die geen deel uitmaakt van een woongebouw mag niet minder dan 350 m3 en niet meer dan 1.000 m3 bedragen; b. per woning geldt een basisrecht van 80 m2 bijgebouw. Voor een groter oppervlakte aan bijgebouw zijn inzetbare sloopmeters vereist overeenkomstig het bepaalde in artikel Afwijken van de bouwregels; c. het nieuwe bestemmingsvlak kan kleiner zijn dan het agrarische bouwvlak, dat geheel wordt verwijderd; d. waar wordt gesproken over een nieuw bestemmingsvlak kan in plaats daarvan ook gekozen worden voor meerdere bestemmingsvlakken met de bestemming Wonen, die voor de toepassing van de regels in dit lid, samen gelden als het nieuwe bestemmingsvlak; e. het terrein dient te worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing; f.
er moet sprake zijn van een clustering van gebouwen, waarbij de vorm van het nieuwe bestemmingsvlak is afgestemd op zowel het omringende landschap als de belangen van derden; g. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad; h. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de milieusituatie; i. er dient sprake te zijn van sloop (en hergebruik) van gebouwen, waarbij de volgende eisen gelden: Per woning
Benodigde inzetbare sloopmeters
Woningrecht
300 m2
Per m3 woninginhoud
1,5 m2
met dien verstande dat: alle bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, met uitzondering van de bedrijfswoning(en) en de daaraan toe te rekenen bijgebouwen, tenzij het (een) gebouw(en) betreft welke met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid word(t)(en) ingezet voor hergebruik; de inhoud van een woongebouw mag niet meer bedragen dan 1.500 m3; indien op het betreffende perceel per bestaande woning een daarbij behorende oppervlakte van meer dan 400 m2 aan al dan niet onder het overgangsrecht gebrachte of te brengen bijgebouwen aanwezig is, de sloopmogelijkheden boven die oppervlakte op het betreffende perceel volledig moeten zijn benut voordat de sloopoppervlakte van meerdere locaties mag worden meegerekend om aan de vereiste oppervlakte te komen; bij de berekening van de sloopoppervlakte de bestaande bedrijfswoning (inclusief minimaal 80 m2 aan daaraan toe te rekenen bijgebouwen) en indien aanwezig de kleine woning (inclusief minimaal de daaraan toe te rekenen bijgebouwen buiten beschouwing wordt gelaten; monumentale gebouwen niet mogen worden gesloopt en niet meetellen in de bepaling van de sloopoppervlakte; de inzetbare sloopmeters afkomstig moeten zijn uit het buitengebied van de gemeente Barneveld, dan wel uit het buitengebied van een andere gemeente die het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 heeft vastgesteld; verzekerd is dat herbouw van de gesloopte
gebouwen niet mogelijk is.
"Bosweg I" (vastgesteld)
27
Bosweg I
3.7.3
Groen
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming Groen, mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden en ecologische waarden; b. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad. 3.7.4
Natuur
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' wijzigen in de bestemming 'Natuur' mits: a. de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische hoofdstructuur'; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden en ecologische waarden; c. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad. 3.7.5
Nevenactiviteit
Burgemeester en wethouders kunnen de uitbreiding van een bestaande niet-agrarische nevenactiviteit of vestiging van een nieuwe niet-agrarische nevenactiviteit toestaan, de bestemming wijzigen in 'Groen' en een voorwaardelijke verplichting(en) in de regels opnemen, mits: a. aannemelijk is gemaakt dat de nevenactiviteit ondergeschikt is aan de agrarische functie; b. de nevenactiviteit wordt uitgeoefend door degene die het agrarisch bedrijf uitoefent; c. maximaal 25% van het bebouwde (vloer)oppervlakte van de bedrijfsgebouwen wordt gebruikt voor de nevenactiviteit, tot ten hoogste: 500 m2 voor nevenactiviteiten in het kader van recreatie; 350 m2 voor overige nevenactiviteiten; waarbij geldt dat: in geval van cumulatie van meerdere vormen van nevenactiviteiten de totale (vloer)oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25% van het bebouwde oppervlak tot een maximum van 500 m2; ondergeschikte en onzelfstandige horeca ten dienste van de activiteit is toegestaan op een vloeroppervlakte van niet meer dan 50 m2; aannemelijk is gemaakt dat geen onevenredige verkeersaantrekkende werking optreedt; d. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; e.
geen detailhandel plaatsvindt, met uitzondering van detailhandel als onzelfstandig en ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen; f. geen buitenopslag plaatsvindt; g. de nevenactiviteit plaatsvindt binnen het bouwvlak, tenzij de aard en de omvang van de nevenactiviteit buiten het bouwvlak toelaatbaar worden geacht; h. landschappelijke inpassing plaatsvindt op basis van een overgelegd landschapsplan, waaraan door burgemeester en wethouders goedkeuring is verleend. 3.7.6
Aangrenzende gronden
Burgemeester en wethouders kunnen, wanneer het bij gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid bij een naastgelegen bestemming nodig is om daarbij ook aangrenzende gronden met de bestemming 'Agrarisch' te betrekken, deze gronden daarbij betrekken en de bestemming 'Agrarisch' wijzigen ten behoeve van de doeleinden en met inachtneming van de regels die in die betreffende wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen.
28
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I
3.7.7
Toevoegen woongebouw
Burgemeester en wethouders kunnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woongebouw' opnemen ten behoeve van het omzetten van de bedrijfswoning naar een woongebouw met twee bedrijfswoningen en daarbij aanduidingen over de inhoud van bedrijfswoningen opnemen, met inachtneming van het volgende: a. er is in de bestaande situatie niet meer dan één bedrijfswoning binnen het bouwvlak aanwezig; b. per bedrijfswoning geldt een basisrecht van 80 m2 bijgebouw; c. er moet sprake zijn van een situatie van bedrijfsopvolging, waarbij bewoners van beide woningen een binding hebben met het bedrijf; d. aannemelijk moet zijn dat bedrijfsopvolging alleen uitvoerbaar is indien beide betrokkenen zelfstandig bij het bedrijf woonachtig zijn; e. er moet sprake zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf; f. er dient sprake te zijn van sloop (en hergebruik) van gebouwen, waarbij de volgende eisen gelden: Per woning
Benodigde inzetbare sloopmeters
Woningrecht
300 m2
Per m3 vergroting
1,5 m2
Basisrecht bijgebouw extra woning
160 m2
met dien verstande dat: de inhoud van een woongebouw mag niet meer bedragen dan 1.500 m3; monumentale gebouwen niet mogen worden gesloopt en niet meetellen in de bepaling van de sloopoppervlakte; de inzetbare sloopmeters zijn afkomstig uit het buitengebied van de gemeente Barneveld, dan wel uit het buitengebied van een andere gemeente die het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 hebben vastgesteld; verzekerd is dat herbouw van de gesloopte gebouwen niet mogelijk is.
Artikel 4 4.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. opgaande beplanting; met daaraan ondergeschikt: b. waterhuishoudkundige voorzieningen; c. parkeervoorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' ook voor geluidscherm; met de daarbij behorende: e. f. g. h. 4.2
andere groenvoorzieningen; bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde; werken, geen bouwwerken zijnde; paden. Bouwregels
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 9 m; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
"Bosweg I" (vastgesteld)
29
Bosweg I
4.3
Nadere eisen
1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. een goede milieusituatie; d. de bereikbaarheid voor hulpdiensten; e. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden; f. de landschappelijke inpassing van de bebouwing; g. architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing; h. een ongestoorde ligging van kabels en leidingen. 2. Bij het stellen van nadere eisen is de procedure zoals weergegeven in artikel 17.1 van toepassing. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Gebruik strijdig met de bestemming
Als gebruik strijdig met de bestemming wordt aangemerkt het verharden van onverharde paden.
4.5
Afwijken van de gebruiksregels
1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 4.1 ten behoeve van het aanleggen van in- en uitritten om aangrenzende gebouwen en terreinen te kunnen bereiken en verlaten. De breedte van een in- en uitrit mag niet meer bedragen dan 4 m. 2. Het afwijken kan slechts, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de bereikbaarheid voor hulpdiensten; d. de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden. 4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het vergraven, egaliseren en ophogen van gronden; b. het kappen en/of rooien van bomen en houtgewas c. het verbreden en verharden van paden, het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; d. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur; e. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief en/of educatief medegebruik; f. werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tengevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten. 2.
Het in artikel 4.6, eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 3. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn in strijd met het bestemmingsplan indien door de uitvoering daarvan, dan wel door de direct of indirect te verwachten gevolgen, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde, bedoeld in artikel 4.1, en hieraan door het stellen van voorwaarden onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
30
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I
Artikel 5 5.1
Recreatie - Verblijfsrecreatie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. één recreatiebedrijf per verblijfsrecreatieterrein, dat gelegenheid biedt tot recreatief verblijf in kampeermiddelen, stacaravans, glamping en recreatiewoningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - wisselende verhuur' uitsluitend gebruik in de vorm van permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden is toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening' de gronden uitsluitend mogen worden gebruikt voor sport en spel; d. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' de gronden uitsluitend mogen worden gebruikt voor recreatief verblijf in kampeermiddelen en voor sanitaire en centrale voorzieningen; e. één groepsaccommodatie per recreatiebedrijf; f. per recreatiebedrijf maximaal 5 trekkershutten; g. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' de gronden uitsluitend mogen worden gebruikt voor parkeervoorzieningen; h. centrale voorzieningen en sanitaire voorzieningen op recreatiebedrijven, i. het gebruik als omschreven in 5.5.1; met daaraan ondergeschikt: j. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen; k. waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende: l. bedrijfswoning(en) met bijbehorende bijgebouwen; m. gebouwen; n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; o. werken, geen bouwwerken zijnde; p. tuinen en erven; q.
sport- en speelvoorzieningen; r. parkeervoorzieningen conform de normen in de Nota Parkeernormen 2020 gemeente Barneveld. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels s. groenvoorzieningen en landschapselementen; t. paden. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Bebouwing
Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende bepalingen: a. Uitsluitend de bebouwing die zijn grondslag vindt in artikel 5.2 is toegestaan; b. voor het bouwen van gebouwen geldt dat de afstand tot de bestemmingsgrens 'Wonen' en 'Verkeer' niet minder dan 10 m mag bedragen. 5.2.2
Gebouwen voor recreatief verblijf
Voor het bouwen van gebouwen als bedoeld in artikel 5.1, gelden de volgende bepalingen: a. Het maximum aantal kampeermiddelen per recreatiebedrijf wordt berekend met behulp van de volgende formule: (n1 x 200) + (n2 x 300) + (n3 x 500) < of = X, waarbij geldt: n1 = aantal toeristische standplaatsen, n2 = aantal stacaravans, n3 = aantal recreatiewoningen, X = totale bestemde oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein in m²; "Bosweg I" (vastgesteld)
31
Bosweg I b. in aanvulling op het bepaalde onder 5.2.2 onder a, geldt dat er maximaal 20 stacaravans gebouwd mogen worden; c. in aanvulling op het bepaalde onder 5.2.2 onder a, geldt dat er maximaal 40 recreatiewoningen gebouwd mogen worden; d. in aanvulling op het bepaalde onder 5.2.2 onder a, geldt dat er maximaal 0 recreatiewoningen vergroot gebouwd mogen worden; e. voor het bouwen van gebouwen voor recreatief verblijf gelden de maten en afstanden zoals weergegeven in de onderstaande tabel: Type gebouw
Maximum Maximum goothoogte (m) bouwhoogte (m)
Max ma Minimale imu xim onderlinge m o um afstand (m) pper inh vlakt oud e (m (m 2) 3)
Maximu m aanta l bouwla gen
Recreatiewoning
3
4,5
70
262 ,5
7,5
1
Recreatiewoning vergroot
3
6
100 400
7,5
2
Bijgebouw bij recreatiewoning
-
3,0
6
15, 0
-
Stacaravan
-
3,5
50 150 ,0
5,0
Bijgebouw bij stacaravan
-
2,5
15,0 15, 0
-
recreatiewoning - stacaravan
-
-
-
-
7,5
Groepsaccomodatie
3
4,5
300
-
7,5
f.
voor recreatiewoningen geldt voorts dat zij uit maximaal 1 bouwlaag mogen bestaan of het bestaande aantal bouwlagen. g. in afwijking van het bepaalde in artikel 5.1, aanhef en het lid a en van het bepaalde in artikel 5.2, aanhef en lid a, b, c en d mag per recreatiebedrijf maximaal 50% van het aantal toeristische standplaatsen worden benut voor een glampingverblijf. h. in afwijking van het bepaalde in artikel 5.1, aanhef en het lid a en van het bepaalde in artikel 5.2, aanhef en lid a, b, c en d mag per recreatiebedrijf maximaal 50% van het aantal toeristische standplaatsen worden benut voor recreatiewoningen en stacaravans. 5.2.3
Gebouwen voor centrale en sanitaire voorzieningen
Voor het bouwen van centrale voorzieningen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte van een gebouw voor een centrale en/of sanitaire voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3,5 m; b. de bouwhoogte van een gebouw voor een centrale voorziening en/of sanitaire voorzieningen mag niet meer bedragen dan 6,5 m; c. de totale bebouwde oppervlakte van de centrale voorziening mag per recreatiebedrijf niet meer bedragen dan de in onderstaande lijst aangegeven oppervlakte: Maximum oppervlakte (m2)
Type gebouw Horecavoorziening, niet zijnde hotel
300
Kantoren ten behoeve van de bedrijfsvoering
300
32
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I
Overdekte sport-, spel, wellness- en zwemvoorziening
850
Kampwinkels
300
Bergingen
150
d. onderbouwen zijn uitsluitend toegestaan onder gebouwen ten behoeve van centrale voorzieningen met een totale oppervlakte van niet meer dan 150 m2 per recreatiebedrijf. 5.2.4
Bedrijfswoning
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. per bestemmingsvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan; b. bij vervangende nieuwbouw dient een bedrijfswoning te worden gebouwd ter plaatse van de bestaande woning; c. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 3,5 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', want daar geldt de maximum goothoogte zoals op de verbeelding is weergegeven; d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m), maximum goothoogte (m)', want daar geldt de maximum bouwhoogte zoals op de verbeelding is weergegeven; e. een inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)', want daar geldt de maximum inhoud zoals op de verbeelding is weergegeven; f. onder een bedrijfswoning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat de ruimte tussen de onderzijde van de begane grondvloer en maaiveld meetelt voor de inhoud van de bedrijfswoning. 5.2.5
Bijgebouwen bij bedrijfswoning
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d.
de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m; de totale oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 80 m²; onder bijgebouwen zijn onderbouwen toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte aan onderbouwen niet meer mag bedragen dan 80 m2.
5.2.6
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 12 m; b. de oppervlakte van overkappingen telt mee bij de berekening van de totale oppervlakte van een gebouw of gebouwen als bedoeld in 5.2.2 en 5.2.3 waar de overkapping bij behoort voor zover deze meer dan 10 m2 bedraagt per stacaravan, recreatiewoning, trekkershut of kampeermiddel; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 m. 5.3
Nadere eisen
1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de milieusituatie; d. de bereikbaarheid voor hulpdiensten; e. de brandveiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden; "Bosweg I" (vastgesteld)
33
Bosweg I g. de landschappelijke inpassing van de bebouwing; h. architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing. 2. Bij het stellen van nadere eisen is de procedure zoals weergegeven in artikel 17.1 van toepassing. 5.4
Afwijken van de bouwregels
1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.2 aanhef en onder e voor wat betreft het aantal bouwlagen en toestaan dat deze wordt vergroot naar twee bouwlagen, mits: a. de belangen en gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. de bedrijfseconomische noodzaak daartoe is aangetoond; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; d. aangetoond dient te zijn dat er een kwaliteitsverbetering van het totale terrein plaatsvindt; e. de verandering passend is binnen de visie Verblijfsrecreatie. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels. 2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.3 aanhef en onder c voor wat betreft de maximum oppervlakte van de centrale voorzieningen en toestaan dat de oppervlakte wordt vergroot, mits: a. de vergroting niet meer bedraagt dan 50% van de in 5.2.3 aanhef en onder c genoemde oppervlakte; b. de bedrijfseconomische noodzaak daartoe is aangetoond; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 3. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.4 voor wat betreft de plaats van de bedrijfswoning en toestaan dat vervangende nieuwbouw op een andere plaats plaatsvindt, mits: a.
de belangen en gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 4. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.1 aanhef en onder b voor wat betreft de minimale afstand tot de bestemmingsgrens 'Wonen' en 'Verkeer' en toestaan dat een gebouw wordt gebouwd op een kleinere afstand tot de bestemmingsgrens, mits: a. de afstand niet minder bedraagt dan 7,5 m; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij hieraan door het nemen van maatregelen voldoende tegemoet kan worden gekomen; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 5. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.3 aanhef en onder a voor wat betreft de maximum goothoogte van gebouwen voor centrale voorzieningen en toestaan dat de goothoogte van een gebouw niet meer dan 6 m bedraagt en/of de bouwhoogte van een gebouw niet meer dan 10 m bedraagt, mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit; b. de verhoging bedrijfstechnisch noodzakelijk is; c. het aantal bouwlagen niet toeneemt. 6.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.4 aanhef en onder c voor wat betreft de maximum goothoogte van een bedrijfswoning en toestaan dat de goothoogte van een bedrijfswoning niet meer dan 6 m bedraagt, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit. 7. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.2 aanhef en onder e voor 34
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I wat betreft de minimale onderlinge afstand van recreatiewoningen en toestaan dat recreatiewoningen maximaal per 4 aan elkaar worden gebouwd, met dien verstande dat elke aaneen gebouwde recreatiewoning afzonderlijk bruikbaar blijft. 8. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.2 aanhef en onder e voor wat betreft de minimale afstand van recreatiewoningen ten opzichte van elkaar of ten opzichte van stacaravans en toestaan dat deze worden gebouwd op een kleinere afstand, met inachtneming van het volgende: a. de onderlinge afstand mag niet minder dan 5 m bedragen; b. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij door het nemen van maatregelen hieraan voldoende tegemoet kan worden gekomen; c. vergroting van de oppervlakte is uitsluitend toegestaan als is aangetoond dat de recreatiewoningen worden gebruikt voor recreatief verblijf in de vorm van permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden. d. aangetoond dient te zijn dat er een kwaliteitsverbetering van het totale terrein plaatsvindt; e. de verandering passend is binnen de visie Verblijfsrecreatie. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels. 9.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.2 aanhef en onder e voor wat betreft de bouw van bijzondere recreatiewoningen, stacaravan of trekkershutten en toestaan dat een recreatiewoning, stacaravan of trekkershut wordt gebouwd met een grotere goothoogte en/of bouwhoogte, met inachtneming van het volgende: a. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden en beeldkwaliteit; b. de goothoogte maximaal 8 m bedraagt; c. de bouwhoogte maximaal 10 m bedraagt; d. de maximum inhoudsmaten zoals genoemd in artikel 5.2.2 aanhef en onder d blijven onverkort van kracht. 10. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.2 voor de bouw van een bijzonder recreatieverblijf in de vorm van een boomhut met in achtneming van het volgende: a. de oppervlakte maximaal 10 m2 bedraagt; b. de inhoud maximaal 30 m3 bedraagt; c. het aantal boomhutten per recreatieterrein maximaal 8 bedraagt; d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. e. aangetoond dient te zijn dat er een kwaliteitsverbetering van het totale terrein plaatsvindt; f. de verandering passend is binnen de visie Verblijfsrecreatie. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels. 11.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.1 aanhef en onder f voor wat betreft het aantal trekkershutten en toestaan dat een groter aantal trekkershutten wordt gerealiseerd, met inachtneming van de volgende regels: a. per recreatieterrein zijn maximaal 13 trekkershutten toegestaan; b. de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt minimaal 15 m; c. de onderlinge afstand tussen de trekkershutten bedraagt minimaal 5 m. 12. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.6 onder a en toestaan dat er een antennemast ten behoeve van de verblijfsrecreatie wordt gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: a. per recreatieterrein is maximaal één antennemast toegestaan; b. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de aanwezige landschapswaarden; c. de hoogte van de antennemast bedraagt maximaal 35 m; d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie.
"Bosweg I" (vastgesteld)
35
Bosweg I 13. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.4 voor wat betreft het toestaan dat binnen de inhoud van een bedrijfswoning een tweede zelfstandige wooneenheid wordt gerealiseerd, mits: a. de tweede wooneenheid rechtstreeks ten dienste staat van een situatie waarin mantelzorg verleend wordt binnen de bedrijfswoning dan wel dat er sprake is van een zodanige relatie tussen de bewoners van de beide wooneenheden en van zodanige omstandigheden, dat in redelijkheid aannemelijk is dat men om reden van het mogelijk in de toekomst kunnen verlenen van mantelzorg in dezelfde woning wil wonen; b. schriftelijke verklaringen worden overgelegd van de (hoofd)bewoners van beide wooneenheden waaruit blijkt dat er sprake is, of zo nodig zal zijn, van mantelzorg; c. maximaal 35% van de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfswoning, tot ten hoogste 65 m2, wordt benut voor de tweede wooneenheid; d. de bedrijfswoning waarin de tweede wooneenheid wordt gerealiseerd in visueel opzicht de uitstraling van één woning behoudt; e. de bedrijfswoning waarin de tweede wooneenheid wordt gerealiseerd een toegelaten minimale inhoud heeft van meer dan 350 m3; f.
er sprake is van sloop van gebouwen, met een oppervlakte van ten minste 300 m2 inzetbare sloopmeters, met dien verstande dat: indien de sloopmogelijkheden op het betreffende perceel volledig zijn benut, mag ook de sloopoppervlakte van meerdere locaties worden meegerekend om aan de vereiste sloopoppervlakte te komen; monumentale gebouwen niet mogen worden gesloopt en niet mee tellen in de bepaling van de sloopoppervlakte; de inzetbare sloopmeters afkomstig moeten zijn uit het buitengebied van de gemeente Barneveld, dan wel uit het buitengebied van een andere gemeente die het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 heeft vastgesteld; verzekerd is dat herbouw van de gesloopte gebouwen niet mogelijk is. 14. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.4 onder e voor wat betreft de maximum inhoud van de 'bedrijfswoning' en toestaan dat een 'bedrijfswoning' wordt gebouwd met een grotere inhoud, mits: a. de inhoud niet meer bedraagt dan 1.000 m3; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit en mits de architectonische en/of cultuurhistorische waarden van de bebouwing niet in onevenredige mate worden geschaad; c. sprake is van vermindering (door sloop) van gebouwen volgens de staffeling in de onderstaande tabel: Inhoud woning
Sloopeis
Tot 1000 m3
1,5 m2 inzetbare sloopmeters voor iedere m3 vergroting
met dien verstande dat: indien de sloopmogelijkheden op het betreffende perceel volledig zijn benut, mag ook de sloopoppervlakte van meerdere locaties worden meegerekend om aan de vereiste sloopoppervlakte te komen; monumentale gebouwen niet mogen worden gesloopt en niet mee tellen in de bepaling van de sloopoppervlakte; de inzetbare sloopmeters afkomstig moeten zijn uit het buitengebied van de gemeente Barneveld, dan wel uit het buitengebied van een andere gemeente die het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 heeft vastgesteld; verzekerd is dat herbouw van de gesloopte gebouwen niet mogelijk is. 15. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.1, en toestaan dat hotelkamers worden gerealiseerd, met inachtneming van het volgende: 36
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I a. de hotelkamers vormen een onzelfstandig en ondergeschikt onderdeel van het recreatiebedrijf; b. het aantal hotelkamers bedraagt per recreatiebedrijf maximaal 8; c. de hotelkamers maken onderdeel uit van een gebouw voor centrale voorzieningen, danwel dienen ter invulling van en komen in de plaats van recreatiewoningen; d. indien hotelkamers in de plaats komen van recreatiewoningen kunnen in de plaats van één recreatiewoning twee hotelkamers worden gerealiseerd; e. de hotelkamers worden gerealiseerd binnen de toegestane afmetingen voor de centrale voorzieningen, danwel binnen die voor recreatiewoningen, met dien verstande dat in het laatste geval twee hotelkamers samen de afmeting van één recreatiewoning mogen hebben. f. de wijziging plaatsvindt in het kader van op continuïteit gerichte bedrijfsmatige exploitatie van het verblijfsrecreatieterrein; 16. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.3, aanhef en lid c, en toestaan dat de toegestane oppervlaktes voor horecavoorziening, niet zijnde hotel, kantoren ten behoeve van de bedrijfsvoering, overdekte sport-, spel-, wellness- en zwemvoorziening, respectievelijk kampwinkels onderling anders worden toegedeeld, met inachtneming van het volgende: a. de gezamenlijk toegestane oppervlakte voor deze voorzieningen mag niet worden overschreden, behoudens het bepaalde in artikel 5.4, lid 3; b.
de toegestane oppervlakte voor bergingen mag hierbij niet worden betrokken; c. aangetoond dient te worden dat de centrale voorzieningen primair zijn bedoeld voor bezoekers die hun recreatieve nachtverblijf op het betreffende recreatiebedrijf hebben. 17. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.2.2, aanhef en lid a, b, c, d en h voor wat betreft het aantal recreatiewoningen, recreatiewoningen vergroot, kampeermiddelen, stacaravans, boomhutten, glamping en groepsaccommodaties met inachtneming van de volgende regels: a. uitsluitend binnen gronden met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1'; b. uitsluitend binnen gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - wisselende verhuur'; c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit; d. het terrein dient te worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing en perceelsindeling; e. aangetoond dient te worden dat er geen aantasting plaatsvindt van ecologische waarden; f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; g. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; h. de afwijking plaatsvindt in het kader van op continuïteit gerichte bedrijfsmatige exploitatie van het verblijfsrecreatieterrein; i.
er moet sprake zijn van een gedifferentieerd aanbod aan verblijfsrecreatie; j. aangetoond dient te zijn dat er een kwaliteitsverbetering van het totale terrein plaatsvindt; k. de verandering passend is binnen de visie Verblijfsrecreatie. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels. 5.5
Specifieke gebruiksregels
5.5.1
Gebruik overeenkomstig de bestemming
Als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt aangemerkt: a. de verkoop van mobiele kampeermiddelen en stacaravans op recreatiebedrijven als aangegeven in artikel 5.1 aanhef en onder b, d en e mits deze detailhandel beperkt blijft tot ten hoogste 5 mobiele kampeermiddelen en stacaravans die op enig moment per recreatiebedrijf ter verkoop worden aangeboden; b. het open stellen van centrale voorzieningen voor bezoekers die hun recreatieve nachtverblijf niet op het betreffende recreatieterrein hebben; c. het gebruik van grond voor het plaatsen van zonnecollectoren, mits: 1. de zonnecollectoren geplaatst worden achter de voorgevelrooilijn; 2. de totale grondoppervlakte die gebruikt wordt voor het plaatsen van zonnecollectoren maximaal 150 m2 bedraagt; "Bosweg I" (vastgesteld)
37
Bosweg I 3. de geschatte opbrengst in kilowattuur mag niet meer zijn dan ten hoogste het geschatte eigen verbruik van de woning met bijbehorende bijgebouwen; 4. de aanwezige daken van woning(en) en (bedrijfs)gebouwen onvoldoende geschikt zijn door draagconstructie, vorm, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie om de zonnecollectoren op te bevestigen; 5. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit; d. per recreatiebedrijf mag maximaal 50% van het aantal toeristische standplaatsen worden benut voor een glampingverblijf. 5.5.2
Gebruik strijdig met de bestemming
Als gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval aangemerkt: a. het niet bedrijfsmatig exploiteren van gebouwen voor recreatief verblijf; b. het gebruik van centrale voorzieningen, recreatiewoningen, stacaravans, kampeermiddelen en groepsaccommodatie voor permanente bewoning; c. het gebruik van gebouwen voor een bardancing, een nachtclub of een discotheek; d. het plaatsen van kampeermiddelen op verblijfsrecreatieterreinen die niet door een recreatiebedrijf worden geëxploiteerd. 5.6
Afwijken van de gebruiksregels
1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.5.1, ten behoeve van het gebruik van grond voor het plaatsen van zonnecollectoren, mits: a. de zonnecollectoren ten dienste staan van een woning, bedrijfswoning, kleine woning, woongebouw of bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak of bestemmingsvlak met een andere bestemming dan de bestemming Recreatie - Recreatiewoning; b. de grond waarop de zonnecollectoren geplaatst worden direct grenst aan het bestemmingsvlak of bouwvlak waartoe de zonnecollectoren behoren; c. de geschatte opbrengst in kilowattuur mag niet meer zijn dan ten hoogste het eigen geschatte verbruik van in lid a. genoemde gebouwen; d. de aanwezige daken van woning(en) en (bedrijfs)gebouwen onvoldoende geschikt zijn door vorm, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie om de zonnecollectoren op te bevestigen; e. de totale oppervlakte die gebruikt wordt voor het plaatsen van zonnecollectoren maximaal 250 m2 bedraagt; f. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; h. geen significante aantasting plaatsvindt van ecologische waarden; i. het terrein waarop de zonnecollectoren staan wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing. 2.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.5.1, ten behoeve van het toestaan van centrale voorzieningen voor iedereen, mits; a. er sprake is van een recreatieterrein met bedrijfsmatige exploitatie; b. er sprake is van een recreatieterrein met permanent wisselende verhuur; c. er geen sprake is van aantasting van de milieusituatie; d. er geen sprake is van overlast op het recreatieterrein; e. de centrale voorzieningen ondergeschikt zijn aan het recreatieterrein; f. de centrale voorzieningen niet los komen te staan van het recreatieterrein; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; 3. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 5.1 onder d, ten behoeve van het toestaan van stacaravans, recreatiewonnigen en recreatiewoningen vergroot op gronden met de aanduiding 'kampeerterrein', mits: a. uitsluitend binnen gronden met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 1'; b. uitsluitend binnen gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - wisselende verhuur'; 38
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit; d. het terrein dient te worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing en perceelsindeling; e. aangetoond dient te worden dat er geen aantasting plaatsvindt van ecologische waarden; f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie; g. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; h. de afwijking plaatsvindt in het kader van op continuïteit gerichte bedrijfsmatige exploitatie van het verblijfsrecreatieterrein; i. er moet sprake zijn van een gedifferentieerd aanbod aan verblijfsrecreatie; j. aangetoond dient te zijn dat er een kwaliteitsverbetering van het totale terrein plaatsvindt; k. de verandering passend is binnen de visie Verblijfsrecreatie. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels wijzigen, gelden de gewijzigde beleidsregels. 5.7
Wijzigingsbevoegdheid
1. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen om bij een recreatiebedrijf waar nu één bedrijfswoning is toegestaan een tweede bedrijfswoning toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. aangetoond dient te worden dat de aard en de omvang van de bedrijfsvoering - zowel kwantitatief als kwalitatief - zodanig zijn en dat de kwaliteit van de dienstverlening waar het bedrijf voor staat van dien aard is, dat een goede bedrijfsvoering en dienstverlening alleen structureel gewaarborgd kunnen worden indien een tweede beheerder op het terrein woonachtig is; b. aangetoond dient te worden dat deze bedrijfsvoering en dienstverlening ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze zijn verzekerd; c. aangetoond dient te worden dat het recreatiebedrijf een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste twee volledige arbeidskrachten, met een daarbij passend jaarinkomen.
Artikel 6 6.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen waarbij geldt dat wegen uit maximaal 2 rijstroken (2x1) dienen te bestaan, uitgezonderd ter plaatste van de aanduiding 'maximum aantal rijstroken' want daar geldt dat het aantal rijstroken niet meer mag bedragen dan op de verbeelding is weergegeven, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten; b. ter plaatse van de aanduiding 'brug' voor voorzieningen waaronder viaducten, bruggen en faunapassages; c. ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' voor tunnels; d. ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg' voor spoorwegen, inclusief spoorwegovergangen; e. voet-, ruiter en rijwielpaden; f. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen g. waterhuishoudkundige voorzieningen; h. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; i. ongelijkvloerse kruisingen; j. bermen en bermsloten. met de daarbij behorende: k. gebouwen; l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; m. werken, geen bouwwerken zijnde.
"Bosweg I" (vastgesteld)
39
Bosweg I
6.2
Bouwregels
6.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg'; b. de oppervlakte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 15 m2; c. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 4,5 m. 6.2.2
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen: a. het bouwen van geluidswerende voorzieningen is niet toegestaan; b. de bouwhoogte van palen, masten, verwijsborden, portalen voor de geleiding en viaducten mag niet meer bedragen dan 12 m bij rijks-, provinciale en spoorwegen en niet meer dan 10 m bij overige wegen; c. ten behoeve van de bestemming is ondergronds bouwen toegestaan; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m. 6.3
Nadere eisen
1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de milieusituatie; e. de bereikbaarheid voor hulpdiensten; f. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. 2. Bij het stellen van nadere eisen is de procedure zoals weergegeven in artikel 17.1 van toepassing. 6.4
Afwijken van de bouwregels
1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 6.2.2 ten behoeve van het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde (geen geluidswerende voorziening zijnde) tot een bouwhoogte van 20 m, met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden; c. de verkeersveiligheid; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij hieraan door het nemen van maatregelen voldoende tegemoet kan worden gekomen. 2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 6.2.2 ten behoeve van het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde en toestaan dat een geluidswerende voorziening wordt gebouwd met een maximum hoogte van 5 m, met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden; c. de verkeersveiligheid; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij hieraan door het nemen van maatregelen voldoende tegemoet kan worden gekomen.
40
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I
6.5
Specifieke gebruiksregels
6.5.1
Gebruik strijdig met de bestemming
1. In afwijking van artikel 6.1 zijn speelvoorzieningen niet toegelaten ter plaatse van de aanduiding 'spoorweg'; 6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het verbreden en verharden van onverharde paden, wegen en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; b. werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tengevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten. 2. Het in artikel 6.6, eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 3. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn in strijd met het bestemmingsplan indien door de uitvoering daarvan, dan wel door de direct of indirect te verwachten gevolgen, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde, bedoeld in artikel 6.6, en hieraan door het stellen van voorwaarden onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
Artikel 7 7.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.
water; waterlopen; waterberging; watergangen; waterpartijen; waterhuishoudkundige voorzieningen; het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur(wetenschappe)lijke waarde en de landschappelijke waarde;
met daaraan ondergeschikt: h. extensief dagrecreatief medegebruik; met de daarbij behorende: i. 7.2
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder waterkeringen, bruggen, dammen en/of duikers. Bouwregels
Voor het bouwen van gebouwen of bouwwerken geldt dat: 1. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd; 2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m;
"Bosweg I" (vastgesteld)
41
Bosweg I
7.3
Nadere eisen
1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bouwwerken, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de milieusituatie; d. de bereikbaarheid voor hulpdiensten; e. de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden; f. de landschappelijke inpassing van de bebouwing. 2. Bij het stellen van nadere eisen is de procedure zoals weergegeven in artikel 17.1 van toepassing. 7.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 7.2, voor het oprichten van enig bouwwerk na schriftelijke instemming van de waterbeheerder.
7.5
Specifieke gebruiksregels
7.5.1
Gebruik strijdig met de bestemming
Als gebruik strijdig met de bestemming wordt aangemerkt het storten van slib.
7.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het vergraven, egaliseren en ophogen van gronden; b. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters; c. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakte verhardingen; d. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur; e. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief en/of educatief medegebruik. 2. Het in artikel 7.6, eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 3.
De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn in strijd met het bestemmingsplan indien door de uitvoering daarvan, dan wel door de direct of indirect te verwachten gevolgen, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het binnen deze bestemming beoogde gebruik en/of aanwezige waarden, bedoeld in artikel 19.1, en hieraan door het stellen van voorwaarden onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(-en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden. 8.2
Bouwregels
1. Op of in deze gronden mogen, in afwijking van hetgeen in overige bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 42
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I 10.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt. 2. Ter plaatse van de volgende aanduidingen geldt dat op deze gronden, in afwijking van hetgeen in overige bestemmingen en in het eerste lid is bepaald, mogen geen bouwwerken worden gebouwd: a. voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk bij 'specifieke vorm van waarde archeologie 1 - middelhoge verwachtingswaarde' meer dan 1.500 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt, uitgezonderd ter plaatse van een bouwvlak binnen de bestemming Agrarisch, want daar geldt dit voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 2.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt; b. voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk bij 'specifieke vorm van waarde archeologie 1 - hoge verwachtingswaarde' meer dan 250 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt; c. voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk bij 'specifieke vorm van waarde archeologie 1 - historische kern' meer dan 100 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt; d. voor zover de ondergrondse bouwdiepte bij 'specifieke vorm van waarde - archeologie 1 vastgestelde archeologische waarde' meer dan 0,3 m bedraagt. 3.
Als artikel 8.2, lid 1 dan wel 8.2, lid 2 van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 4. Indien uit de hiervoor bedoelde onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat: a. opgravingen worden verricht en daarvan rapport wordt gedaan; en/of b. een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt. 8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1.
Het is binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2: a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen; b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken; c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. 2. De vergunning kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologische deskundige. 3. Het in artikel 8.3 lid 1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.
"Bosweg I" (vastgesteld)
43
Bosweg I
8.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat deze bestemming komt te vervallen, indien als gevolg van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn of indien het rijksmonument is geschrapt uit het register op grond van de Erfgoedwet.
Artikel 9 9.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(-en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden. 9.2
Bouwregels
1. Op of in deze gronden mogen, in afwijking van hetgeen in overige bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 10.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt. 2. Als artikel 9.2, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming (en) - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 3.
Indien uit de hiervoor bedoelde onderzoeksrapportage en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat: opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt. 9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2: a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen; b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken; c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. 2.
De vergunning kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologische deskundige.
44
"Bosweg I" (vastgesteld)
Bosweg I 3. Het in artikel 9.3 lid 1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. 9.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat deze bestemming komt te vervallen, indien als gevolg van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn of indien het rijksmonument is geschrapt uit het register op grond van de Erfgoedwet.