CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bloemendal IIb_Toelichting_Bijlage 36 Quickscan natuur (2023)

Gemeenteraad 25 september 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Bloemendal fase IIb, Barneveld12.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden.

Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).

31

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de soorten van de Habitatrichtlijn beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b).

Ten aanzien van de andere beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. Een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. b. Een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw. c. Een bestendig gebruik. d. Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder).

Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. In de provincie Gelderland geldt algemene vrijstelling verleend voor: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hazelworm, huisspitsmuis, konijn, Levendbarende hagedis, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie.

32

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6.

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor soorten van de Habitatrichtlijn kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang.

33

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Gebiedsbescherming Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat -gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking1.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden).

1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.

34

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Bijlage B Wettelijke kader Gelders Natuurnetwerk Beschermingsregime In bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen het GNN worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt (art. 2.7.1.1, eerste lid verordening). Nee, tenzij Wanneer een bestemmingsplan betrekking heeft op het GNN worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt, tenzij (art. 2.7.1.1, eerste lid verordening); a. er geen reële alternatieven zijn, b. er sprake is van groot openbaar belang, c. de negatieven effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk in toom gehouden wordt, en d. de overblijvende negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig gecompenseerd worden. Wanneer sprake is van natuurbegraven, windturbines of kleinschalige recreatie gelden andere voorwaarden. Raadpleeg deze voorwaarden uit de artikelen 2.7.1.4 tot en met 2.7.1.6 verordening. Compensatie In afwijking van het beschermingsregime kunnen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden wanneer de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd (art. 2.7.1.1, tweede lid verordening).

Compensatie moet gerealiseerd worden op gronden die nog geen bestemming natuur hebben in of grenzend aan de GO of grenzend aan het GNN of in het zoekgebied van het GNN. De compensatie wordt, zoveel mogelijk, gerealiseerd aan of nabij het aangetaste gebied. Deze wijzigingen worden vastgelegd in hetzelfde bestemmingsplan of in een ander, maar gelijktijdig vastgesteld, bestemmingsplan. Wanneer het niet mogelijk is de compensatie vast te leggen in hetzelfde bestemmingsplan of in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan, vind de compensatie plaats in een compensatiepoule (natuurontwikkelingsgebieden op strategische locaties in het GNN). Wanneer het niet mogelijk is dat de compensatie naast of nabij het aangetaste gebied kan plaatsvinden, dan vindt het op afstand van het aangetaste gebied plaats (art. 2.7.1.1, derde lid verordening). De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het aangetaste gebied waarbij een toeslag wordt berekend, zowel in oppervlak, als in budget, te onderscheiden in de categorieën (art. 2.7.1.1, vierde lid verordening): 1. Natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag. 2. Tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer. 3.

Tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer. 4. Bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer zijn maatwerk.

Wanneer fysieke compensatie niet of niet geheel mogelijk is, wordt er een financiële compensatie bepaald aan de hand van (art. 2.7.1.1, vijfde lid verordening): 1. De kosten van de aanschaf en de verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats. 2. De kosten van de basisinrichting; en 3. De kosten van het ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd.

De bovenstaande kosten worden gelabeld aan de betreffende ingreep en gestort in het provinciaal compensatiefonds.

35

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Voor de onderbouwing met betrekking tot mitigatie en compensatie wordt een compensatieplan vastgesteld. Deze dient binnen vijf jaar te worden afgerond. Hierin dient het volgende behandeld te worden en dient tevens ingegaan te worden op (art. 2.7.1.1 en art. 2.7.1.3, tweede lid verordening): 1. De wijze waarop wordt verzekerd dat de mitigatie en de compensatie daadwerkelijk worden uitgevoerd. 2. De wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging van de mitigatie en de compensatie.

Bij het compensatieplan wordt tevens een afbeelding van de locatie van de ingreep enerzijds en de locatie waar de mitigatie en de compensatie zal plaatsvinden anderzijds, gevoegd (art. 2.7.1.3, vierde lid verordening). De uitvoering van het bepaalde in een compensatieplan wordt verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in het betreffende bestemmingsplan en desgewenst gecombineerd met een privaatrechtelijke overeenkomst alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld (art. 2.7.1.3, vijfde lid verordening). Saldobenadering In de toelichting van de verordening staat beschreven dat saldobenadering mogelijk is wanneer er sprake is van uitbreinding van bestaande functies die geheel omsloten zijn door bestaande natuur van het GNN. Deze uitbreinding moet gecombineerd gaan met de ontwikkeling van een compensatielocatie, zodat de kernkwaliteit per saldo verbeteren. De saldobenadering is steeds gericht op het compenseren van de verloren gegane oppervlakte natuur met de compensatietoeslag en de versterking van de ecologische samenhang tussen de natuurgebieden (art. 2.7.1.2, eerste lid verordening). De effecten van het plan op de overige kernkwaliteiten worden in hun onderlinge samenhang beoordeeld.

Saldobenadering is alleen mogelijk wanneer: • De wijzigingen binnen één ruimtelijk plan wordt vastgelegd of in een gelijktijdig (onderling samenhangend) vastgesteld plan, en • Er juridisch bindende afspraken zijn gemaakt (art. 2.7.1.1, derde tot en met zesde lid verordening).

Herbegrenzing Wanneer een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden geheel omsloten door het GNN kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk worden gemaakt indien in de toelichting bij het plan wordt aangetoond dat: 1. Verplaatsing naar een locatie buiten het GNN niet mogelijk is, en 2. De kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan (art. 2.7.1.2, eerste lid verordening).

Bovenstaande is niet van toepassing op de uitbreiding van de recreatiebedrijven opgesomd in de lijst “Groei locaties” van de verordening (onder toelichting van paragraaf 2.7 van de verordening), onder de voorwaarde dat (art. 2.7.1.2, tweede lid verordening): 1. De uitbreiding plaatsvindt op de uitbreidingslocaties zoals weergegeven in de bijlage Groeilocaties recreatiebedrijven Groei en krimp. 2. De uitbreiding de gereserveerde oppervlakte uit de betreffende lijst niet overschrijdt. 3. De uitbreiding uiterlijk 1 januari 2027 is opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan.

Wanneer er sprake is van een wijziging van de begrenzing van het GNN de ‘Spelregels EHS’ geraadpleegd worden. Externe werking De bepalingen betreffende het NNN bevatten geen externe werking. Dit betekent dat wanneer er buiten het GNN ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, deze niet getoetst worden aan de betreffende bepalingen van de verordening.

36

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Bijlage C Foto-impressie projectgebied Schuur Bloemendallaan 70

Figuur 17 Foto-impressie projectgebied. Foto rechts: Westgevel schuur. Foto links: Oostgevel schuur

Figuur 18 Foto-impressie projectgebied: Binnenzijde schuur

37

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Figuur 19 Foto-impressie projectgebied: Kamers binnen schuur functioneren als opslagplaats

Figuur 20 Foto-impressie omgeving projectgebied; Verharding, grasland, houtsingels en verruigd braakliggend terrein

38

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Houtige opstand Bloemendallaan 77

Figuur 21 Foto-impressie omgeving projectgebied; houtige opstand grasland en rommelhoekjes

Figuur 22 Foto-impressie omgeving projectgebied; houtige opstand, grasland en verharding

39

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Houtige opstand Wethouder Rebellaan 24/7

Figuur 23 Foto-impressie omgeving projectgebied; houtige opstand en akker ten noorden van Wethouder Rebellaan 24/7.

Figuur 24 Foto-impressie omgeving projectgebied; houtige opstand en grasland ten westen van Wethouder Rebellaan 24/7

40

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Bijlage D Aanbeveling faunavoorziening Trammelantbeek De oorspronkelijke situatie van het projectgebied fase 2b van Bloemendal bestaat hoofdzakelijk uit agrarisch gebied met (rommelige) erven, akkerlanden en houtige opstanden. De nieuwe situatie van fase 2b bestaat uit hoofdzakelijk uit bebouwing, infrastructuur en opgaande groenstructuren, zie Figuur 25. Conform Masterplan Ecologie Bloemendal (Arcadis, 2023. ref. D10043320:171) vormt de verbinding van landschapselementen en essentiële rol in het behoud en het ontsnipperen van het leefgebied van (beschermde) soorten. Voor fase 2b vormt de Trammelantbeek de enige verbinding tussen het half natuurlijke terreinen ten westen en oosten van het ontwikkelingsgebied. Hierop gelet is geconcludeerd dat het verbinding een essentiële functie heeft voor grondgebonden diersoorten zoals kleine marterachtigen, egel en vos. De Trammelantbeek wordt conform nieuwe situatie doorsneden door infrastructuur, waaronder wandelpad, autoweg en fietspad, zie Figuur 25. Autowegen en fietspaden (waar ook motorvoertuigen gebruik van maken) vormen een potentieel risico voor grondgebonden diersoorten; aanrijding leidt tot verwonding en/of doden van dieren. Dit is niet van toepassing op het wandelpad.

Voor het functioneren van Trammelantbeek als verbinding tussen leefgebieden van diersoorten is het daarom van belang om ter hoogte van de autoweg en het fietspad faunavoorzieningen aan te bieden. Hiermee wordt voldaan aan het Masterplan Ecologie Bloemendal. De aanbeveling voor het type faunavoorziening is in de navolgende tabel weergegeven. Het bepalen van de faunavoorzieningen dient in samenwerking met een deskundig ecoloog plaats te vinden.

Figuur 25 Ontwerptekening Bloemendal fase 2b met Trammelantbeek weergegeven met blauwe stippellijn

Uitgangspunten/randvoorwaarden faunapassage: • Functioneel als verbinding voor grondgebonden diersoorten zoals kleine marterachtigen, egel en vos. • Aan weerszijden van de toegang tot de faunavoorziening moeten rasters worden geplaatst om te voorkomen dat dieren daar de weg oversteken. De grootte en de locatie van het raster dient in samenwerking met een deskundig ecoloog nader bepaald te worden. • Onder en aan het kunstwerk en in de directe omgeving ervan mogen geen lampen branden, want kunstlicht maakt het kunstwerk minder geschikt voor dieren die gedurende nacht actief zijn. In navolgende tabel zijn achtereenvolgens weergegeven: • Drie opties voor de faunapassage (FP 1 t/m 3). • Geleidende structuren: faunaraster en groenstructuur. • Voorziening voor oeverbegroeiing. 41

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Faunavoorziening FP1: Doorlopende oever

Beschrijving Een doorlopende oever biedt een natuurlijke verbinding voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Bij de meest ideale situatie loopt de oorspronkelijke oever van de watergang door tot onder het kunstwerk. Bij voorkeur heeft de oever een flauwe helling zodat dieren makkelijk in en uit het water kunnen komen en bij stijgende waterspiegel altijd een deel van de oever droog blijft. De maximale hellingshoek voor soorten tot het formaat van bunzing en vos, is 25 graden. Het plaatsen van natuurlijke elementen die beschutting bieden, zoals houten stronken, maakt de passage aantrekkelijker als verbinding. Gelet op de water afvoerende functie van de duiker neemt deze passage naar verwachting de meeste ruimte in beslag. Bij hoogwater kan de faunapassage onder water komen te staan waardoor deze niet functioneel is.

Voorbeelden

In vergelijking tot andere faunavoorzieningen is dit de meest natuurlijke optie, wat de kans op ingebruikname vergroot. Deze faunapassage heeft de voorkeur. FP2: Betonnen loopplank

Een betonnen loopplank biedt een duurzame verbinding voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Afhankelijk van de hoogte van de duiker dient de hoogte van de passages bepaald te worden. Hierdoor is het vaak mogelijk om de loopplank boven de hoogste waterstand te plaatsen waardoor deze jaarrond functioneel is als verbinding. Indien de realisatie van een doorlopende oever niet mogelijk is heeft deze faunavoorziening, gelet op het duurzame karakter, de voorkeur.

42

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Faunavoorziening FP3: Houten loopplank

Beschrijving Een houten loopplank biedt een verbinding voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Deze verbinding is minder duurzaam dan de betonnen loopplank en is daarom minder wenselijk. Afhankelijk van de hoogte van de duiker dient de hoogte van de passages bepaald te worden. Hierdoor is het vaak mogelijk om de loopplank boven de hoogste waterstand te plaatsen waardoor deze jaarrond functioneel is als verbinding. Gelet op het nietduurzame karakter van de loopplank heeft deze voorziening niet de voorkeur.

Faunaraster

Een faunaraster ter hoogte van de verbinding is essentieel om grondgebonden zoogdieren en amfibieën richting de passage te leiden. Door het ontbreken van een faunaraster kunnen diersoorten alsnog de weg oversteken en is de faunapassage minder/niet functioneel. De grootte en de locatie van het raster is afhankelijk van de verkeerssituatie en zal, in samenwerking met een deskundig ecoloog, nader bepaald moeten worden.

43

Voorbeelden

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Faunavoorziening Begeleidende groenstructuur

Beschrijving Grondgebonden zoogdieren en amfibieën maken doorgaans gebruik van groenstructuren waarlangs bewogen wordt. Hierbij kan gedacht worden aan oeverbegroeiing, of stroken langs de oever met ruigte/struweel.

Voorbeelden

Voor de functionaliteit van de faunapassage zijn aan weerszijde van de verbinding opgaande groenstructuren noodzakelijk die in verbinding staan met groenstructuren in de omgeving.

Florarol

44

Op zogenaamde florarollen kunnen oeverplanten groeien. Door deze tegen de beschoeiing te plaatsen kan een natuurlijke oever ontstaan waar zowel aquatische- als terrestrische diersoorten van profiteren. Dit is geen vereiste voor het laten functioneren van de faunapassage.

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Colofon AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK BLOEMENDAL FASE 2B KLANT Gemeente Barneveld AUTEUR Jasper Osterthun PROJECTNUMMER 30081497 ONZE REFERENTIE 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 DATUM 7 december 2023 STATUS Definitief GECONTROLEERD DOOR

VRIJGEGEVEN DOOR

Sander Jonker Adviseur Ecologie en Natuurwetgeving

Nick Huisman Senior projectleider Natuur & Biodiversiteit

45

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

AANVULLENDE QUICKSCAN NATUURWETGEVING EN AANBEVELING FAUNAPASSAGE TRAMMELANTBEEK

Over Arcadis Arcadis is de leidende wereldwijd opererende ontwerp- en consultancyorganisatie op het gebied van de natuurlijke en gebouwde omgeving. Wij helpen onze klanten en de maatschappij met doeltreffende, duurzame en digitale oplossingen. Wij zijn met 36.000 mensen actief die in ruim zeventig landen meer dan €4,2 miljard aan omzet genereren. Wij helpen UN-Habitat met onze mensen, die kennis en expertise leveren om de moeilijke leefomstandigheden te verbeteren in gebieden die lijden onder de gevolgen van klimaatverandering. www.arcadis.com

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland T +31 (0)88 4261 261

Arcadis. Improving quality of life

Volg ons op 46

Arcadis

arcadis_nl

Onze referentie: 3EC76TCW5TFR-841539897-6078:2.0 - Datum: 7 december 2023 - Confidential

ArcadisNetherlands

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=08f05650-11fa-4e67-b124-59eab54221fb