CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bloemendal IIb_Toelichting

Gemeenteraad 25 september 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Bloemendal fase IIb, Barneveld27.089 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. 24

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB

Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1

Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied een lage en een middelhoge archeologische verwachting geldt. Bureau Archol uit Leiden heeft in opdracht van gemeente Barneveld een verkennend en karterend veldonderzoek uitgevoerd (bijlagen 3, 2, 4). In april 2016 is het archeologisch proces gestart met een bureauonderzoek voor Barneveld-Noord c.q. Bloemendal. Op basis van dit onderzoek zijn zes deelgebieden aangewezen, waar een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gold. Het plangebied "Bloemendal IIB" ligt niet in één van die zes deelgebieden. Het plangebied is naar het oordeel van de gemeentelijke archeoloog voldoende onderzocht. Er zijn geen archeologische waarden aangetroffen. Het is dan ook niet nodig om een dubbelbestemming voor archeologie op te nemen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondst bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) verplicht.

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen of in de omgeving van het plangebied. Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het bestemmingsplan.

5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als vochtige kampontginning danwel jonge vochtige landbouwontginning met een middelmatige waardering. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering. De historische lijnen in het landschap vormen de basis voor de hoofdstructuur en verdere verkaveling van het plangebied Bloemendal. De waardevolle cultuurhistorische landschappelijke elementen blijven door deze zorgvuldige inpassing zichtbaar in de gehele wijk Bloemendal en in het plangebied "Bloemendal IIB".

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

25

Bloemendal IIB

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. De kortste afstand tot de Veluwe bedraagt meer dan 6 kilometer. Dit gedeelte van de Veluwe bevindt zich in zuidoostelijke richting van het plangebied nabij Lunteren.

Afbeelding 7 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Veluwe Stikstof Voor de stikstofdepositie is een onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 34. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie. Op basis van de berekende stikstofemissies voor de beoogde situatie blijkt dat mogelijk sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Om die reden zijn de emissies van de beoogde situatie vergeleken met de bestaande emissies in de referentiesituatie. Hieruit volgt dat er tijdens de aanleg- en gebruiksfase geen Natura 2000-gebieden zijn met een berekende toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de aanleg- en gebruiksfase worden hiermee uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het plan. Naar aanleiding van een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan heeft het deskundige ingenieursbureau SPA WNP uit Ede op verzoek van gemeente Barneveld in juni 2024 de AERIUS-berekeningen 26

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB gecontroleerd. De controle heeft de eerdere bevindingen bevestigd.

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een natuurtoets uitgevoerd. In 2020 is een ecologische quickscan uitgevoerd voor de plangebieden "Bloemendal IIA" en "Bloemendal IIB" (bijlage 20) en aanvullend soortgericht onderzoek in 2022 (bijlage 21). De schuur ter hoogte van Bloemendaallaan 77 is toen buiten beschouwing gelaten. Conform de huidige ontwikkelingen binnen fase IIB zal deze schuur ook gesloopt worden. Daarnaast gaan ook werkzaamheden plaatsvinden ter hoogte van houtige opstanden, ter hoogte van Bloemendaallaan 77 en Basic-Fit Barneveld Wethouder Rebellaan 24/7, welke ook onvoldoende aandacht hebben gekregen tijdens het eerder uitgevoerde ecologisch onderzoek. Gelet op deze nieuwe ontwikkelingen is een aanvullende quickscan uitgevoerd (bijlage 36). Het projectgebied vormt een potentieel leefgebied van beschermde soorten.

Het gaat om soorten binnen de soortgroepen planten, broedvogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Voor een aantal soort(groep)en dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden om conflict met één of meerdere verbodsbepalingen te voorkomen. Hier zal rekening mee worden gehouden in de aanleg-/realisatiefase. Ook zullen in de nieuwbouw permanente voorzieningen worden gerealiseerd voor gebouwbewonende soorten. In het bijgevoegde kastenplan (bijlage 24) zijn de locaties aangegeven waar de nest- en verblijfsvoorzieningen zullen worden geplaatst. Daarnaast worden faunavoorzieningen aangebracht voor het functioneren van de Trammelantbeek als verbinding tussen leefgebieden van diersoorten ter hoogte van de autoweg en het fietspad. Het bepalen van de faunavoorzieningen zal in samenwerking met een deskundig ecoloog plaatsvinden. De onderzoeksgegevens gaven onvoldoende inzicht in het wel of niet voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend onderzoek was nog nodig om aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen, dan wel uit te sluiten. In 2024 heeft Arcadis Nederland B.V. onderzoek uitgevoerd (bijlage 19).

Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand "Bloemendal IIB" (vastgesteld)

27

Bloemendal IIB buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Binnen het plangebied zullen bomen gekapt moeten worden en een houtopstand verwijderd worden. Een herplantplicht is aan de orde. De kap zal ruimschoots gecompenseerd worden. In opdracht van gemeente Barneveld heeft Pius Floris Boomverzorging uit Veenendal een bomeneffectanalyse uitgevoerd (bijlage 10). De deskundige kwam tot de conclusie dat de meeste bomen binnen het plangebied een redelijke conditie en toekomstverwachting hebben (bijlage 18). Er is ook een boomveiligheidscontrole uitgevoerd, waarbij 10 bomen zijn afgekeurd (bijlage 13). Bij de bomeninventarisatie horen verder de volgende stukken: bijlagen 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18. Conclusie De conclusie luidt dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit de Omgevingsverordening Gelderland blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt, zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 8 Fragment Kaart 3 "Regels Natuur - kaart 1", Omgevingsverordening Gelderland

28

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. "Bloemendal IIB" (vastgesteld)

29

Bloemendal IIB

Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Het plangebied "Bloemendal IIB" ligt op een afstand groter dan 200 meter van risicobronnen. Een toename van het groepsrisico is daarmee uit te sluiten en een onderzoek naar het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van vervoer van gevaarlijke stoffen over de A30. Hierdoor dient de veiligheidsregio in gelegenheid te worden gesteld om advies te geven over bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van de optredende scenario's. Dit restrisico dient verantwoord te worden. Op basis van het Bevt dient in dit geval ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de rijksweg; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de rijksweg een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en dat van toxische vloeistoffen/gassen ligt, is een toxische wolk. Onderstaand is vanuit dit scenario ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval 30

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". In opdracht van gemeente Barneveld heeft ingenieursbureau SPA WNP uit Ede akoestisch onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai ten behoeve van de woonwijk Bloemendal fase IIB, rapport d.d. 29 november 2023 (bijlage 1). Binnen het plangebied "Bloemendal IIB" zullen nieuwe woningen, nieuwe wegen, een supermarkt, een basisschool en een medisch centrum worden gerealiseerd. Er komt onder meer een aansluiting op de Laan van Verzet en een aansluiting op de Wethouder Rebellaan, die ter plaatse van de aansluiting fysiek gewijzigd zal worden. Ten behoeve van het bestemmingsplan (fase IIB) zijn de volgende (deel)onderzoeken uitgevoerd: 1.

Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen, lagere school en medisch centrum) binnen het bestemmingsplan Bloemendal fase IIB, vanwege het verkeer op de bestaande weg (Wethouder Rebellaan) en de relevante nieuwe wegen door Bloemendal (Laan van Verzet en de nieuwe weg tussen de Laan van Verzet en de Wethouder Rebellaan). 2. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van de bestaande geluidgevoelige bestemmingen, vanwege het verkeer op de relevante nieuwe wegen door Bloemendal fase IIB (Laan van Verzet en de nieuwe weg tussen de Laan van Verzet en de Wethouder Rebellaan). 3. Akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het geluid buiten het plan fase IIB voor de bestaande geluidgevoelige bestemmingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ook de geluidtoename bij de overige bestaande geluidgevoelige gebouwen langs de Wethouder Rebellaan/Meester Troelstralaan onderzocht vanwege het extra verkeer, na realisatie van fase IIB (verkeersaantrekkende werking plangebied).

Geluidbelastingen wegen op bestaande en nieuwe geluidgevoelige bestemmingen Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de: bestaande geluidgevoelige bestemmingen, vanwege het verkeer op de nieuwe wegen binnen fase IIB, niet hoger zullen zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB; nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, alleen vanwege het verkeer op de gezoneerde weg Laan van Verzet (50 km/uur), hoger is dan de voorkeurswaarde, maar lager dan de maximaal toelaatbare waarde. De voorkeurswaarde wordt bij vier grondgebonden woningen en bij de twee noordelijke appartementengebouwen overschreden; nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, vanwege het verkeer op beide niet-gezoneerde wegen (Laan van Verzet en nieuwe weg; beide 30 km/uur), hoger is dan de voorkeurswaarde, maar lager dan de maximaal toelaatbare waarde zoals deze gelden voor gezoneerde wegen. Bij toetsing aan het gemeentelijke geluidbeleid blijkt dat: als rekening gehouden wordt met alle wegen (inclusief 30 km/uur-wegen), één nieuwe woning geen geluidluwe gevel heeft en ook niet over een buitenruimte beschikt, die gelegen is aan de geluidluwe gevel, hetgeen wel de voorkeur heeft van de gemeente.

Het gaat hier om de woning ter plaatse van rekenpunt 005; afhankelijk van de indeling van de appartementengebouwen, er bij de gebouwen bij de rekenpunten 082, 083 en 084, zonder aanvullende geluidreducerende maatregelen, appartementen zijn zonder geluidluwe gevel en buitenruimte; alleen bij appartementengebouw 082, aan de zuidgevel op de begane grond en de eerste verdieping, de geluidbelasting hoger zal zijn dan 53 dB en bedraagt maximaal 54 dB (rekenpunt 082.1). Voor deze appartementen geldt de gemeentelijke indelingseis. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij alle nieuwe geluidgevoelige bestemmingen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Wel kan de gemeente overwegen om op de nieuwe wegen geluidreducerende wegdekken toe te passen, waarmee de geluidbelasting gereduceerd wordt.

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

31

Bloemendal IIB

Het toepassen van stillere wegdekken op de Laan van Verzet zal er niet toe leiden dat bij veel woningen, appartementengebouwen en het gezondheidszorggebouw voldaan wordt aan de voorkeurswaarde (slechts één woning minder). Als het 30 km/uur-deel van de Laan van Verzet uitgevoerd wordt met stille klinkers of DAB, zijn er geen appartementengebouwen meer met een geluidbelasting hoger dan 53 dB. Daarmee hoeft bij de bouw van de appartementen geen rekening meer gehouden te worden met de gemeentelijke indelingseis. Als de nieuwe weg (30 km/uur) uitgevoerd wordt met een wegdek dat minimaal 1 dB stiller is dan klinkers in keperverband (bijvoorbeeld met stille klinkers of DAB), beschikken alle grondgebonden woningen over minimaal één geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Om de geluidgevoelige bestemmingen binnen fase IIB te kunnen realiseren, moet de gemeente Barneveld hogere waarden, ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de Laan van Verzet (50 km/uur) vaststellen en vastleggen in het kadaster. Afhankelijk van de wegdekkeuze op de nieuwe wegen binnen fase 2b, kunnen nog aanvullende maatregelen nodig zijn om: geluidluwe gevels en buitenruimten bij de woning, ter plaatse van rekenpunt 005, te realiseren.

Als er geen stillere wegdektype dan klinkers in keperverband toegepast wordt op de nieuwe weg, kan bij deze woning een geluidluwe gevel en buitenruimte gerealiseerd worden door een tuinscherm met een hoogte van minimaal 1,1 meter; aan de gemeentelijke indelingseis bij appartementengebouw 082 te kunnen voldoen. Als de gemeente ervoor kiest om een stiller wegdektype dan klinkers in keperverband toe te passen, vervalt de indelingseis. Als klinkers toch gewenst zijn, moet bij de realisatie rekening gehouden worden met de indelingseis. Hierbij kan gedacht worden aan akoestisch gunstige loggia's of balkons, of (plaatselijke) schermen aan de gevels; geluidluwe gevels en buitenruimte bij appartementengebouwen 082, 083 en 084 te realiseren. Hierbij kan gedacht worden aan akoestisch gunstige loggia's of balkons, of (plaatselijke) schermen aan de gevels. Onderzoek buiten het onderzoeksgebied fase IIB Ten gevolge van de veranderende verkeersintensiteiten op de bestaande wegen buiten het onderzoeksgebied (Wethouder Rebellaan en Meester Troelstralaan) zal de geluidbelasting op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen niet relevant wijzigen. Het is de verwachting dat het extra verkeer ten gevolge van "Bloemendal" niet zal leiden tot extra geluidhinder bij de bewoners en gebruikers van de bestaande geluidgevoelige bestemmingen langs de Wethouder Rebellaan en Meester Troelstralaan.

Overwegingen ten aanzien van het geluidbeleid Het geluidbeleid van de gemeente Barneveld ziet er tevens op toe dat de geluidbelasting van 30 km/uur wegen op dezelfde wijze getoetst wordt als wegen onder de Wet geluidhinder. Voor deze wegen kan echter geen hogere waarde worden vastgesteld. Uit de toetsing van deze 30 km/uur wegen aan het geluidbeleid blijkt het volgende: Voor één woning is er geen geluidluwe gevel of geluidluwe buitenruimte aanwezig. Voor 3 appartementsgebouwen wordt voorzien dat maatregelen nodig zijn om aan het geluidbeleid te kunnen voldoen. Bij definitieve uitwerking van het plan dient dan ook opnieuw aan het geluidbeleid te worden getoetst. Maatregelen als loggia's, geluidreducerende balkon schermen of plaatselijke geluidschermen voor ramen dienen daarbij in ogenschouw te worden genomen. Regels in het bestemmingsplan zien er op toe dat deze toets bij uitwerking wordt uitgevoerd: artikel 10.2.1 onder sub e. In het plan is de nieuwe ontsluitingsweg en het 30 km/uur gedeelte van de Laan van verzet uitgevoerd als klinkerverharding in keperverband. Een significante geluidreductie kan worden behaald door hier een stille elementenverharding toe te passen. Alle woningen hebben dan een geluidluwe gevel en veel woningen en appartementsgebouwen een lagere geluidbelasting.

Conclusie Voor de te realiseren nieuwe geluidgevoelige bestemmingen moeten hogere grenswaarden worden vastgesteld, ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de Laan van Verzet (50 km/uur). De procedure voor vaststelling van hogere grenswaarden liep gelijktijdig met de procedure tot bestemmingsplanherziening. 32

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB Nadat de hogere grenswaarden in het kader van de Wet geluidhinder zijn verleend, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Het besluit hogere waarden Wet geluidhinder is bijgevoegd (bijlage 6).

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Beoordeling In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de geurnormenkaart die hoort bij de gemeentelijke geurverordening op grond van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied Bloemendal IIB is gelegen in de blauw gemarkeerde zone. In deze zone geldt een geurnorm van 6 ouE/m3, wat kan worden aangemerkt als een redelijk goed woon- en leefklimaat.

Afbeelding 9 Kaart geurnormen Rondom het plangebied ligt één agrarisch bouwvlak, aan de Bloemendaallaan 87 (85-89). De geurbelasting vanuit dit bedrijf was bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Deze locatie is in eigendom "Bloemendal IIB" (vastgesteld)

33

Bloemendal IIB verworven door gemeente Barneveld en daardoor geen relevante factor meer. Andere agrarische bedrijven in de omgeving liggen op meer dan 100 meter afstand van de grenzen van het plangebied. De conclusie luidt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen wat betreft de functie wonen: 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 246 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Bloemendal' kent thans in hoofdzaak een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering.

Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 246 woningen (fase IIB), tot ruim 1.550 woning voor geheel Bloemendal mogelijk. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden 34

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB doorlopen. 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Regionale bouwafspraken zijn vastgelegd in de regionale notitie 'advies toedeling woningbehoefte regio FoodValley' (okt. 2017, tabel 2). Deze is als zodanig overgenomen in het uitvoeringsplan Regionale Woonagenda 2.0, regio FoodValley (jan 2018). Het provinciale Aktieplan Wonen streeft om in Gelderland versnelt tot woningbouw over te gaan en in komende 5 jaar de bouw van 45.000 woningen in de hele provincie te realiseren. Tot 2030 wil de provincie zo'n 80.000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd zien.

Daarnaast lopen er de regionale (verstedelijkings-)studies in regio Amersfoort (Ontwikkelbeeld) en regio Foodvalley/Arnhem/Nijmegen (ANF) met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van deze regio's. Voor Foodvalley staat tot 2040 een gewenste uitbreiding van 40.000 woningen genoemd, voor regio Amersfoort circa 36.000 woningen. De behoefte is mede onderbouwd op basis van een onderzoek van STEC (Woningbehoefte regio Foodvalley, september 2020). In de gemeentelijke Hoofdlijnennotitie die in juli 2021 door de raad zal worden vastgesteld, wordt aan de hand van verschillende groeiscenario's nader ingegaan op de mogelijke koers van gemeente Barneveld, mede in relatie tot deze regionale ruimtelijke verkenningen. Het advies hierin is om te koersen op een woningbouwprogramma van 8.000 tot 10.000 woningen in de periode tot 2040. In verband met de landelijke ontwikkelingen op de woningmarkt, de gewenste versnelling woningbouw vanuit het Rijk, wil de gemeente de eerstkomende jaren inzetten op een groei met gemiddeld 600 woningen per jaar. Met als speciaal accent dat meer aandacht voor de bouw in de kleinere kernen is gevraagd, 'de kracht van de kernen', mede in verband met het willen versterken van de leefbaarheid in deze kernen. In de in maart 2021 vastgestelde Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud', was nog de koers van de bouw van gemiddeld 500 woningen per jaar vastgesteld.

Daarbij is ook een streefprogramma opgenomen, dat voorziet in een gewenste differentiatie naar huur- en koopprijsklassen. Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld.

Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de gemeentelijke woonvisie geresulteerd in het volgende streefprogramma voor de periode 2021-2025. Tabel: Streefprogramma woningbouw gemeente Barneveld 2021-2025

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

35

Bloemendal IIB

*) exclusief onzelfstandige woonruimten (zoals studentenkamers, woonruimten arbeidsmigranten, flex woonruimten voor spoedzoekers, intramurale verpleegplaatsen). Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het programma zoals is opgenomen in onderstaande tabel. Per fase kan er worden afgeweken van het streefprogramma in de woonvisie, maar overall wordt dit programma bewaakt. Zo zaten er in fase I relatief veel goedkope woningen en in fase IIA relatief wat minder. *) Sociale Koop Laag (< 260.000,- januari 2024), Sociale Koop Hoog (< 320.000,-, januari 2024), Middelduur laag betaalbaar (< 390.000,- , januari 2024), Middelduur tot NHG (< 345.000,- januari 2024), Duur > NHG (> 345.000,- januari 2024).

Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gaat echter in belangrijke mate om agrarische bedrijfsvoering. Gelet daarop is het onderhavige plangebied voornamelijk gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld. 5.

Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van genoemd aantal woningen (circa 246 woningen in de fase IIB, totaal Bloemendal ruim 1.550 woningen) door middel van inbreiding binnen de kern Barneveld ligt niet voor de hand. De kern Barneveld is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig gerealiseerd. Derhalve kent Barneveld weinig herstructurering en weinig (beschikbare) 36

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB functieveranderingslocaties binnen de kern. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed. Bloemendal speelt een belangrijke rol in het invullen van de kwantitatieve opgave die er ligt, naast de kwalitatieve overwegingen (behoefte). Er is zeer beperkt sprake van inbreidingslocaties. Deze aantallen verhouden zich niet tot genoemde ruimteclaim voor ruim 1.550 woningen. Na de afronding van Veller II en Eilanden-Oost is deze locatie gewenst om de vraag naar woonruimte te accommoderen. Ook gezien de beperkte inbreidingscapaciteit die de kern Barneveld (meer) heeft (relatief weinig leegstand en weinig functieveranderingslocaties) is woningbouw op een uitleglocatie noodzakelijk. De kern Barneveld kan derhalve enkel worden uitgebreid buiten bestaand stedelijk gebied. Onderhavige locatie wordt daarbij als geschikt aangemerkt, aangezien het aansluit op een bestaande buurt in Barneveld Noord (De Vaarst) en de nabijheid van bestaande voorzieningen als sportvelden, basis- en voortgezet onderwijs en nabij de A30/A1. De locatie ligt op fietsafstand van het centrum en van het NS-station. Het plangebied voor Bloemendal was als zoekzone voor wonen al opgenomen in de vastgestelde Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 (in 2011 vastgesteld). Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

De onderbouwing van de functie supermarkt is opgenomen in bijlage 23.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven (bijlage 22). Om die reden zijn de dubbelbestemmingen 'Leiding - Gas' en 'Leiding - Riool' opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. De gedeeltelijke verlegging van een gasleiding van Liander is noodzakelijk. Er zijn geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden.

Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Binnen het plangebied worden enkel woningen mogelijk gemaakt. Het aantal te realiseren woningen binnen dit plan overschrijdt de grens voor het maximaal aantal woningen dat mogelijk is onder het Besluit Niet In Betekende Mate bijdrage aan de luchtkwaliteit niet. Hiermee is een onderzoek naar de emissie vanuit dit plan vanwege de luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Beoordeling In opdracht van gemeente Barneveld heeft ingenieursbureau SPA WNP uit Ede een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd ten behoeve van de woonwijk Bloemendal fase IIB, rapport d.d. 30 november 2023, "Bloemendal IIB" (vastgesteld)

37

Bloemendal IIB (bijlage 25). Het plan voldoet ruim aan de criteria zoals deze gelden voor NIBM. Met andere woorden, de realisatie van de nieuwe bestemmingen draagt niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Daarom is een onderzoek naar de luchtkwaliteit en/of toetsing aan de grenswaarden voor de realisatie van de nieuwe bestemmingen niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe en bestaande bestemmingen (woningen en scholen) verder onderzocht en berekend. Hieruit blijkt dat zowel in de toekomstige situatie zonder planrealisatie (autonome situatie) als in de situatie na planrealisatie de berekende concentraties, ten gevolge van het (extra) verkeer op de wegen, ruim lager zijn dan de grenswaarden. Ook wordt aan de advieswaarden uit het Schone Lucht Akkoord voldaan. De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

5.10

Milieueffectrapportage

De verplichting om een milieueffectrapport op te stellen geldt als er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De activiteiten waarvoor dit geldt zijn opgenomen in Onderdeel C en activiteiten waarvoor dat mogelijk geldt zijn opgenomen in Onderdeel C respectievelijk Onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Woningbouwprojecten zijn alleen opgenomen in Onderdeel D onder 11.2: stedelijke ontwikkelingsprojecten. Voor activiteiten genoemd in Onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag beoordelen of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dat gebeurt door de gevolgen van de voorgenomen activiteit te toetsen aan de criteria van Bijlage III van de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Als er een passende beoordeling moet worden gemaakt en het plangebied betreft een relatief klein gebied in de gemeente, dan geldt een plan-m.e.r.-beoordelingsplicht. Als uit die plan-m.e.r.-beoordeling blijkt dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, dan is een plan-m.e.r. noodzakelijk. Een derde mogelijkheid waardoor een m.e.r.-plicht zou kunnen gelden is als de activiteit als zodanig is aangewezen in de provinciale milieuverordening. De provincie Gelderland heeft hier geen gebruik van gemaakt.

Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 153 woningen maar maakt onderdeel uit van een ontwikkeling van ongeveer 1.500 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee onder de drempelwaarden. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op 19 december 2023 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat ten behoeve van de vaststelling van dit bestemmingsplan geen milieueffectrapportage nodig is, omdat er ten gevolge van dit plan geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu kunnen optreden. Het besluit is als bijlage 7 opgenomen. Het woningbouwproject vindt plaats op een locatie ten oosten van de A30 en ten zuiden van de A1. Het gebied heeft geen bijzonder kenmerken.

Ook gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-(beoordelings)plicht op grond 38

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Conclusie De conclusie is dat er geen milieueffectrapportage nodig is, omdat zich geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen voordoen.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspecten van belang: sportvelden ten zuiden van het plangebied, aan de Wethouder Rebellaan 136 sporthal "Oosterboshal", aan de Wethouder Rebellaan 138 sportschool aan de Wethouder Rebellaan 134 nieuwe school binnen het plangebied nieuwe supermarkt en winkelruimten binnen het plangebied nieuw gezondheidscentrum binnen het plangebied Op basis van de VNG-publicatie valt het sportcomplex en de sportvelden onder milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter. Gemotiveerd kan hiervan afgeweken worden, aangezien de afstand tussen de sportvelden en de nieuwe milieugevoelige functies (minimaal) 30 meter bedraagt. Eerste vereiste is om dan te voldoen aan de richtwaarden voor een rustige woonwijk (45 dB(A) etmaalwaarde). De sportvelden zijn voorzien van een 3 meter hoge geluidwerende voorziening en de doelplanken zijn akoestisch geluidarm uitgevoerd.

Op 30 meter afstand is hierdoor in dit geval een goed woon- en leefklimaat geborgd. Door de geluidswal en de voorzieningen aan de plank in de goal worden de geluidemissies verder gereduceerd. Een indicatieve berekening duidt er op dat de waarde van 45 dB(A) voor een rustige woonwijk ook wordt gehaald. De sportschool aan de Wethouder Rebellaan 134 valt op basis van de VNG-publicatie onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. De afstand van de sportschool tot de dichtstbij geplande nieuwe woning bedraagt 30 meter. Aan de richtafstand wordt derhalve voldaan. Ook de nieuwe basisschool binnen het plangebied valt op basis van de VNG-publicatie onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan in dit plan. De nieuwe supermarkt en overige detailhandel binnen het plangebied valt op basis van de VNG-publicatie onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Hetzelfde geldt voor het gezondheidscentrum. Aan deze richtafstand wordt voldaan in dit plan, met uitzondering van de studio's die zich boven de winkelruimten bevinden. Het gaat om een gebouw met gemengde functies (detailhandel op de begane grond en wonen op de verdieping), waarbij de functies bouwkundig van elkaar gescheiden moeten worden. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en de detailhandelsbedrijven zijn daarbij toereikend.

Daarbij zal uit onderzoek moeten blijken dat in de representatieve bedrijfssituatie bij de woonstudio's voldaan wordt aan de geluideisen uit het Activiteitenbesluit voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus die gelden voor de inrichting. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat bij de nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen een goed woon- en leefklimaat zal zijn gewaarborgd.

5.12

Natuur en landschap

Hoofdstuk C3 uit het Masterplan Barneveld-Noord (bijlage 26) is gewijd aan het landschap. Verder is hoofdstuk D2 van het genoemde masterplan over het landschappelijk raamwerk van belang. Belangrijke lijnen in het landschap zijn ingepast in de stedenbouwkundige opzet, waardoor het huidige "Bloemendal IIB" (vastgesteld)

39

Bloemendal IIB landschap gerespecteerd wordt. De belangrijkst weg in plangebied "Bloemendal IIB" is de doortrekking van de Laan van Verzet. Komende vanaf De Nijkerkerweg, in deelgebied "Bloemendal I" (in het westen) en ongeveer midden in het plangebied omhoog buigend naar de toekomstige fase Bloemendal IV, waar deze uiteindelijk terug zal buigen naar het deelgebied "Bloemendal IIA".Het profiel van de Laan van Verzet wordt doorgetrokken in deze fase met uitzondering van het stuk waar deze van een 50 km/u naar een 30 km/u weg wordt afgewaardeerd. Dit is ter hoogte van het voorzieningenplein. Hier ontdubbelt de laanbeplanting zich ook om zo het profiel van de weg te versmallen. In de bestaande situatie kent het landschap in het plangebied "Bloemendal IIB" een drietal houtopstanden / solitaire bomen, die zich van oost naar west oriënteren. De stedenbouwkundige opzet van de wijk heeft hier zoveel als mogelijk rekening mee gehouden om deze in de toekomstige woonwijk in te passen. Waar mogelijk worden de houtopstanden aangevuld met een voornamelijk inheems assortiment. Hierbij zijn dan ook de aanwezige watergangen / perceelgrenzen ingezet als nieuwe groene-blauwe velden, waarin (regen-)water kan worden begeleid naar de aanwezige laagte in het westen in het plangebied. In de groene-blauwe velden kan worden gespeeld, gerecreëerd en de hond kan worden uitgelaten.

De nieuwe structuren worden aangebracht om zo een aantrekkelijk beeld, maar vooral verscheidenheid aan te brengen die zowel de flora als fauna ten goede komt. Hierbij rekening houdend dat het een gasloze wijk wordt, waarbij de woningen kunnen worden voorzien van zonnepanelen. Ze sluiten daarbij aan op de eerder gerealiseerde laagte. De randen van deze zone kunnen worden gebruikt door recreanten en bewoners. Doordat het parkeren veelal in parkeerhofjes, aangekleed met bomen en/of begroeide pergola's, is gepositioneerd, ontstaan ruimtes tussen de woningen/appartementen om grotere aaneengesloten groenzones te ontwikkelen. Wat betreft de inrichting van het openbaar gebied en spelen: het plangebied "Bloemendal IIB" wordt ingericht volgens de normen uit het Speelruimteplan 2016-2025 dat de raad van gemeente Barneveld heeft vastgesteld op 25 mei 2016. Er komt in de nieuwe woonwijk een grote centrale speelplek die het ontmoetingspunt is voor jong en oud. Er is expliciet ruimte gemaakt voor jongvolwassen, waarbij gedacht wordt aan ruimte voor balspel en/of (buiten) fitnes/sport. Binnen het plangebied komt een hondenuitlaatplaats (hup), waar honden los mogen lopen. Voor de hele wijk geldt een opruimplicht, zoals die in alle kernen van de gemeente geldt.

In opdracht van gemeente Barneveld heeft Pius Floris Boomverzorging uit Veenendaal een bomeneffectanalyse (hierna kortweg: BEA) uitgevoerd (bijlage 10). In het rapport zijn de mogelijkheden voor herinrichting benoemd. Verder is aangegeven welke bomen duurzaam zijn te behouden en welke niet. Bij de inrichting van natuur en landschap in het plangebied volgt gemeente Barneveld de BEA.

5.13

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Gemeente Barneveld heeft de "Beleidsnota Ontplofbare Oorlogsresten" vastgesteld. Uit het beleid volgt dat een initiatiefnemer, ingeval voor de realisering van een plan grondverzet noodzakelijk is (hier: de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk), Omgevingsdienst De Vallei moet laten beoordelen of er risico's zijn te verwachten betreffende OO. In een bijlage van de Nota is een stroomschema opgenomen waar de noodzakelijke stappen in zijn beschreven. Bij de beoordeling maakt de omgevingsdienst gebruik van de gemeentelijke OO-Belastingkaart en het hiervoor genoemde historisch vooronderzoek. Volgens het vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van ontplofbare oorlogsresten. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.

40

"Bloemendal IIB" (vastgesteld)

Bloemendal IIB

Afbeelding 10 OO-belastingkaart

Voor de bestemmingsplanprocedure is daarmee in voldoende mate aangetoond dat er geen risico's zijn voor de ontwikkeling van de locatie met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Er is geen aanvullend onderzoek nodig naar ontplofbare oorlogsresten.

5.14

Veiligheid en gezondheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.

Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. "Bloemendal IIB" (vastgesteld)

41

Bloemendal IIB

Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=add72fd1-68b9-4e1d-ab40-011c0971a9cf