Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting
Tekst van het document
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
26
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van één woning valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.
Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. Het plan maakt een gevoelige bestemming mogelijk.
Immers basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen / kinderopvang / verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis zijn/is een gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (zie artikel 3 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)). Er dient derhalve te worden beoordeeld of het mogelijk maken van deze functie(s) in overeenstemming is "Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012 met het Besluit gevoelige bestemming (luchtkwaliteitseisen). Het plangebied ligt ruim buiten de invloedssfeer van de Rijksweg A1.
Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
De bouw van één woning valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van één woning. De conclusie is dat het plan om één woning te bouwen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer).
Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
Conclusie 28
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Voor het aspect Milieueffectrapportage is geen nadere uitwerking voor de onderbouwing nodig voor de realisatie van dit plan.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: bedrijven en aspecten opsommen en toelichten Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Dit plan voldoet daarom aan de voorgeschreven afstand. Liander heeft op (datum) aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.
Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
In de huidige situatie is het perceel voor een deel verhard vanwege het gebruik als erf bij de bestaande woning aan Binnenveld 19. Op het perceel staan een aantal solitair staande bomen en voor de erfafscheiding zijn hagen aangeplant. Voor het overig bestaan de gronden uit graslanden. He plangebied maakt onderdeel van een kernrandgebied dat is gelegen tussen de Stationsweg, spoorlijn en het Esvelderbeekzone gebied. Het erf bij de nieuw te bouwen woning wordt landschappelijk ingepast met de toevoeging van beplanting voor hagen met haagbeuken en 12 knotwilgen op het achteref. Naast de landschappelijke inpassing wordt er ook aandacht besteed aan natuur inclusieve maatregelen in de vorm van het plaatsen van nestkasten en het behoud van bestaand bomen. Bestaande bomen hebben in een functie in de bestaande groenstructuur en als schuilplaats voor onder andere vogels.
afbeelding: plantlijst en natuur inclusieve maatregelen "Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Conclusie Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor de realisatie van de woning.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.
Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart
De locatie ligt volgens de gemeentelijke risicokaart grotendeels binnen verdacht gebied (lichtrood) van afwerpmunitie, 250-1000 ponders, zijnde vliegtuigbommen. Dit komt voornamelijk door het bombarderen van de naastgelegen spoorlijn. Er zijn meerdere inslagen/kraters (geel omcirkeld) op de kaartuitsnede zichtbaar. De gemeentelijke risicokaart is vooral een globale indicatie of ergens oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden en zo kan het dat soms wat grotere delen als verdacht zijn gemarkeerd. Zo is vooral de rechthoekige afbakening van het rode gebied, ten westen en zuiden van het plangebied opvallend. Daarom is voor deze specifieke locatie gekeken naar de dichtbijgelegen krater en daar een 100 meter risicocirkel omheen getrokken. In dat geval valt alleen de noordwestkant van het plangebied binnen verdacht gebied. Dit is overigens het deel dat al bebouwd is. De nieuwbouw vindt volgens de plannen aan de zuid en oostzijde plaats, buiten de verdachte cirkel. Op basis van bovenstaande nuancering wordt geconcludeerd dat het nieuwbouwgedeelte van de planlocatie niet verdacht is. Er is geen aanvullend onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog nodig.
Conclusie Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
30
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
5.14
Trillingen
In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hieriong is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De basis voor de ruimtelijke afweging van trillingen is er de Handreiking nieuwbouw en spoorlijnen. Bij het vaststellen van een ruimtelijke onderbouwing komen in de volgende gevallen de regels van deze handreiking aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe trillinggevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs spoorwegen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde spoorwegen. De richtlijn heeft betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen object komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de fundering het object bereiken (dus via vaste materie). Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren in werkelijkhied laagfrequent geluid is (dit wordt overgedragen via de lucht). Hiervoor gelden deze richtlijnen niet.
Binnen een zone met een afstand van 100 meter van het spoor moet volgens de handreiking beoordeeld worden of er sprake kan zijn van trillinghinder en of er aanleiding is dit nader te onderzoeken.
Beoordeling De planlocatie ligt met de afstand van 35 meter vanaf de bron binnen de zone om te beoordelen of er sprake van trillinghinder kan zijn. Naast het plangebied komen in de huidige sitiuatie op een vergelijkbare afstand meerdere woningen voor. Van deze bewoners zijn geen (geregistreerde) klachten bekend. De huidige bewoner van Binneveld 19 ervaart in de woning nooit enige vorm van trillingen afkomstig van de spoorlijn. Uit locatiebezoek is gebleken dat zowel inpandig als buiten bij de woning geen trillingen worden ervaren. Een uitzondering hierop is het één keer per jaar passeren van een goederentrein. Er vindt voornamelijk personenvervoer over het spoor plaats met als eindbestemmingen Amersfoort en Ede. Het betreft een enkel spoor, er kunnen daarom gelijktijdig geen treinen elkaar passeren, dat niet als een hoofdspoorweg is aangemerkt. Binnen een afstand van 50 meter komen geen lassen en/of kunstwerken en/of wissels voor. In verband met het naderen van een station op ongeveer 250 meter afstand hebben de passerende treinen een lage snelheid. Aangezien deze beoordeling is het voldoende aannemelijk dat de locatie niet dermate last zal krijgen van trillingen door het spoor. Van een onaanvcaardbaar woon- en leefklimaat is geen sprake bij de realisatie van dit plan.
Conclusie Het aspect trillinghinder vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.15
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van "Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012 de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Geconcludeerd wordt dat er voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen zijn voor dit plan.
Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.
De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Geconcludeerd wordt dat het plangebied zich niet bevindt in de invloedssfeer van geitenhouderij(en).
Conclusie De aspecten veiligheid en gezondheid vormen geen belemmeringen voor de ontwikkeling van dit plan.
5.16
Verkeer
De woning wordt ontsloten op de bestaande weg, het Binnenveld. Op het peceel is voldoende ruimte aanwezig om de benodigde drie parkeerplaatsen te realiseren.
Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
32
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
5.17
Water
Planontwikkeling en toetsing Het plan is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. Hemelwater Het verhard oppervlak wordt bepaald door erfverharding en de bebouwing. De totale verhard oppervlakte bij de nieuwe woning is ongeveer 350 m². Voor de nieuwe woning wordt het hemelwater opgevangen. Het hemelwater van het verhard oppervlakte infiltreert in de bodem met capaciteit van 30 mm/m². De totale aan te leggen capaciteit wordt 350 m² x 30 mm/m² = 10,5m³.
afbeelding: wadi Huishoudelijk afvalwater Vuilwaterriolering van de nieuwe woning wordt aangesloten op de drukriolering voor het huishoudelijk vuilwater aan de Binnenveld. Deze wordt voorkeur via de bestaande aansluiting van het perceel Binnenveld 19 aangesloten. Oppervlaktewater Aan de noordzijde van het perceel ligt de A-watergang Esvelderbeek. Wanneer hieraan werkzaamheden plaatsvinden dan is hiervoor een vergunning nodig van het waterschap Vallei en Eem. Grondwater Om grondwateroverlast (in kruipruimte, kelder, etc.) te voorkomen, wordt rekening gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). geadviseerd is om een goed beeld te krijgen van de plaatselijke grondwaterstanden. Er wordt rekening gehouden met een minimale ontwatering van 30 cm bij woningen zonder kruipruimte en 70cm bij woningen met kruipruimte. Het terrein ligt ongeveer 50 cm hoger dan de omliggende gronden, ophogen van het perceel lijkt niet nodig. Het structureel onttrekken van grondwater wordt niet gezien als duurzaam en is niet toegestaan indien goede argumenten waarom het nodig is. Bouwmaterialen Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast in de bouwplannen. Indien deze toch worden toegepast, worden ze gecoat om diffuse verontreiniging te voorkomen.
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.
34
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels worden opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. In dit plan zijn geen nieuwe regels toegevoegd.
Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd in die zin dat het bestemmingsvlak 'Wonen' is vergroot, een bouwvlak ten behoeve van een woning is toegevoegd en een gebiedsaanduiding met betrekking tot een voorwaardelijke verplichting is toegevoegd. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven "Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012 Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Schakelbepaling
In Artikel 4 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er op de verbeelding verandert. 6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de landschappelijke inpassing.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. 36
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
38
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 12 oktober 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1, het informeren, van de participatieladder. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Dat is in dit geval niet van toepassing. In dit geval is trede 1 gebruikt en de initiatiefnemer heeft aangegeven dat er overleg is geweest met direct omwonenden. Er is geen participatieverslag toegevoegd.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. "Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken is een reactie ingediend. Deze reactie hebben geleid tot aanpassingen in de toelichting van dit plan. In de bijlage bij deze partiële herziening is de Nota Zienswijzen bijgevoegd.
40
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlagen bij de toelichting
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 1 Lijst intrekkingsbesluit, wijzigingen en herzieningen Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.1056-0004), welk bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2013 (en onherroepelijk geworden op 16 september 2015), is inmiddels gewijzigd door het college, herzien door de raad en gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. In eerste instantie is een tweetal uitspraken verwerkt: de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 29 april 2015, zaaknummer 201307247/1/R2, 201305071/1/R2, 201305215/1/R2 en 201402967/1/R2; de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 16 september 2015, zaaknummer 201307247/5/R2. Daarnaast is het intrekkingsbesluit "Wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" door het intrekken van enkele onderdelen" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.IB1056-0001), vastgesteld op 11 november 2014, verwerkt, waardoor enkele onderdelen (diverse locaties) van het moederplan "Buitengebied 2012" zijn ingetrokken. Daarnaast is het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" inmiddels vervangen door een aantal bestemmingsplannen (met op zichzelf staande bestemmingsplanregelingen, de zogenaamde postzegelplannen) en tevens een provinciaal inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" (met IMRO-idn. NL.IMRO.9925.IPN303Voorthuizen-VST1).
Deze plannen zijn niet relevant, in die zin dat ze geen planologische gevolgen hebben, voor voorliggend plan. Verder is een aantal uiteenlopende wijzigingsplannen door het college - met toepassing van de binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen wijzigingsbevoegdheden - en partiële herzieningen door de raad vastgesteld en verwerkt. De wijzigingsplannen en een deel van de partiële herzieningen zijn op perceelsniveau doorgevoerd en hebben geen directe invloed op (op het gehele grondgebied van) voorliggend plan. De volgende partiële herzieningen zijn doorgevoerd, waarbij ook de regels van het moederplan c.q. het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn gewijzigd en daarmee wel van invloed zijn op voorliggend plan: Naam partiële herziening
IMRO-identificatienummer
Datum vastgesteld
4e partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1268-0002
13-4-2016
Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1637-0002
20-4-2022
Apeldoornsestraat-Kieftveen, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1368-0002
14-12-2016
Bosbergerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1580-0002
3-2-2021
Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1611-0002
26-5-2021
Elzenkamperweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1467-0002
4-7-2018
Essenerweg XVII, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1459-0002
8-2-2023
Esvelderweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1397-0002
30-1-2019
Esvelderweg-Vinkekampweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1484-0002
22-5-2019
Garderbroekerweg XXVII, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1726-0002
26-4-2023
Garderbroekerweg-Harskamperweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1371-0002
24-5-2017
Garderbroekerweg-Kapweg, partiële herziening Buitengebied NL.IMRO.0203.1692-0002 2012
8-2-2023
Grote Muntweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1414-0002
31-1-2018
Harremaatweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1366-0002
1-2-2017
Kapweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1623-0002
6-10-2021
42
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Kerkendelweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1440-0002
25-4-2018
Kerkweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1510-0002
9-10-2019
Lange Zuiderweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1475-0002
14-11-2018
Meentweg-Valkseweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1439-0002
7-3-2018
Overhorsterweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1485-0002
10-7-2019
Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie
NL.IMRO.0203.1515-0002
22-3-2023
Parapluherziening De Puurveense Molen
NL.IMRO.0203.1248-0002
30-9-2014
Parapluherziening Molenbiotopen
NL.IMRO.0203.1598-0002
21-4-2021
Parapluherziening functieveranderingsbeleid 2016 en woninginhoud
NL.IMRO.0203.1391-0002
5-7-2017
partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1241-0001
25-2-2014
Plaggenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1370-0002
1-2-2017
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1667-0002
31-5-2023
Sleedoornweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1626-0002
6-10-2021
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1596-0002
18-3-2021
Tweede partiele herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1253-0003
8-7-2014
Vergroten inhoud woningen, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1376-0002
1-2-2017
Verzamelherziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1349-0002
8-11-2017
Vinkelaar II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1421-0002
7-3-2018
Vrouwenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1501-0002
10-7-2019
Welgelegenweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1503-0002
10-7-2019
Zeumerseweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1529-0002
11-12-2019
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
43
Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 2 Stikstofbeoordeling
44
"Binnenveld III, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
230905x1 Rapportage Beoordeling Stikstofeffecten Binnenveld 19 Barneveld
Rapportage Beoordeling Stikstofeffecten ten behoeve van de realisatie van een woning incl. bijgebouw aan de Binnenveld 19 te Barneveld
Initiatiefnemer:
Wens en Co B.V. Broekweg 6 3776MR Stroe
Initiatieflocatie:
D.W. ter Maaten Adm. Dienstverlening Binnenveld 19 3771PL Barneveld
Datum:
9 oktober 2023
Rapportage:
Definitief, versie 2
Kenmerk:
CdR – stikstofberekening aanlegfase woning
INHOUDSOPGAVE Rapportage beoordeling stikstofeffecten voor de realisatie van een woning aan de Binnenveld 19 te Barneveld. 1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER ...................................................................... 2
2.
INLEIDING .......................................................................................................................... 3
3.
LIGGING BOUWLOCATIE T.O.V. NATURA 2000-GEBIEDEN........................................... 4
4.
TOEGEPASTE METHODE.................................................................................................... 5
5.
REALISATIEFASE................................................................................................................. 6 5.1.
VERVOERSBEWEGINGEN .............................................................................................................................. 6
5.2.
EXTERNE VERVOERSBEWEGINGEN, MANOEUVREREN EN STATIONAIR DRAAIEN WEGVOERTUIGEN OP
TERREIN....................................................................................................................................................................... 6
6.
5.3.
INTERNE VERVOERSBEWEGINGEN ............................................................................................................... 7
5.4.
AERIUS REALISATIEFASE ............................................................................................................................ 7
GEBRUIKSFASE ................................................................................................................... 9 6.1.
VERVOERSBEWEGINGEN .............................................................................................................................. 9
6.2.
EXTERNE VERVOERSBEWEGINGEN, MANOEUVREREN EN STATIONAIR DRAAIEN WEGVOERTUIGEN OP
TERREIN....................................................................................................................................................................... 9
7.
6.3.
OVERIGE BRONNEN.................................................................................................................................... 10
6.4.
AERIUS GEBRUIKSFASE ............................................................................................................................ 10
GEBRUIKSFASE INCLUSIEF REALISATIEFASE ................................................................ 11 7.1.
8.
AERIUS GEBRUIKSFASE INCL. REALISATIEFASE....................................................................................... 11
CONCLUSIE ....................................................................................................................... 12
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 1
1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER
Initiatiefnemer:
Wens en Co B.V. Broekweg 6 3776MR Stroe
Initiatieflocatie:
D.W. ter Maaten Adm. Dienstverlening Binnenveld 19 3771PL Barneveld
Kadastraal: Activiteit: KvK:
Gemeente Barneveld, sectie B, nummer 4079 Realisatie en ingebruikname van een woning incl. bijgebouw 08198240 // 000010488235
Adviseur:
VanWestreenen B.V. Scherpenzeelseweg 11 6741 LX LUNTEREN T: 0342-474255 Mail: wabo@vanwestreenen.nl
Contact:
Dhr. T. van den Brink Tel.: 06-21586307 E: brink@vanwestreenen.nl
Auteur:
Dhr. C.E.J. de Ruiter Tel.: 06-82099016 E: ruiter@vanwestreenen.nl
Rapportage:
Definitief, versie 2 9 oktober 2023
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 2
2.
INLEIDING
Middels onderhavige rapportage wordt inzicht gegeven dat het bouwproject op het perceel ‘Binnenveld 19’ geen gevolgen heeft waarbij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden. Het doel van onderhavig voornemen is de realisatie van een woning inclusief bijgebouw. In onderhavige rapportage is naast de realisatiefase (bouw) tevens de gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Daar beide situaties niet gelijktijdig plaats vinden zijn voor beide fases afzonderlijke berekeningen gemaakt. Op 1 juli 2021 is een wijziging van de Wet natuurbescherming in werking getreden. Hierbij is onder artikel 2.9a van deze wet de zogeheten “bouwvrijstelling” opgenomen. Hieruit volgde dat bouwprojecten met een tijdelijke beperkte toename van stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol per hectare per jaar vrijgesteld waren van vergunningsplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Echter heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de “Porthos-uitspraak” d.d. 2 november 2022 aangegeven dat deze bouwvrijstelling in strijd was met de Europese Habitatrichtlijn. Gevolg hiervan is dat bij bouwprojecten dan ook geen sprake meer mag zijn van enige significante toename van stikstofdepositie gedurende de realisatiefase van een bouwproject.
Gelet op voornoemde zijn de stikstofemissies van onderhavig bouwproject dan ook in onderhavige rapportage nader inzichtelijk gemaakt, waarbij geen gebruik gemaakt is van voornoemde bouwvrijstelling. Daar de bouw/realisatiefase en gebruiksfase niet gelijktijdig plaatsvinden zijn voor beide fases afzonderlijke berekeningen gemaakt. Daarnaast is als worst-case scenario ook een berekening gemaakt waarbij de realisatiefase en gebruiksfase tegelijkertijd plaatsvinden.
Afbeelding, bouwlocatie Binnenveld 19 (Bron: Street Smart) ([03 juni 2023])
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 3
3.
LIGGING BOUWLOCATIE T.O.V. NATURA 2000-GEBIEDEN
Afbeelding, ligging beoogde locatie t.o.v. N2000 gebieden (Bron: AERIUS Calculator).
De betreffende locatie is gelegen aan de Binnenveld 19 te Barneveld, op een afstand van circa 5.698 meter van het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied, betreffende ‘Veluwe’. Gelet op de forse afstand tot het eerste beschermde Natura 2000-gebied (circa 5.698 meter) is reëel te veronderstellen dat uitsluitend het aspect stikstof relevant is. Er zal geen sprake zijn van overige effecten. Activiteiten met betrekking tot geluid, trillingen, licht, enzovoorts, hebben een verwaarloosbare invloed op het Natura 2000-gebied.
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 4
4.
TOEGEPASTE METHODE
De stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden is berekend met het programma AERIUS® Calculator. Hierbij is de meest recente versie gebruikt, daterend van 5 oktober 2023. AERIUS Calculator dient gebruikt te worden om de stikstofdepositie van een bouwplan of project te bepalen op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het toepassingsbereik van het programma erkend het gebruik van het programma voor onderhavige situatie. De AERIUSberekeningen kunnen als worst case-situaties beschouwd worden. De ingevoerde emissies zijn namelijk ruim aangehouden en zullen in de praktijk derhalve naar verwachting lager uitvallen.
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 5
5.
REALISATIEFASE
In de realisatiefase zal de realisatie van de woning en een bijgebouw plaatsvinden. Daarnaast zijn de grondwerkzaamheden opgenomen. De beoogde locatie is momenteel bestraat er is in onderhavige situatie dus een sloopfase van toepassing. Daarnaast wordt het bestaande bijgebouw afgebroken en naar links verplaatst. Er zal vervoer van personen plaatsvinden (o.a. timmermannen, metselaars, elektriciens) alsmede aanvoer van bouwmateriaal (o.a. spanten, stenen) en werktuigen (o.a. hijskranen, graafmachines). De rijroute van het verkeer is opgenomen vanaf de projectlocatie tot waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. 5.1.
Vervoersbewegingen
Conform de Instructie gegevensinvoer voor de AERIUS Calculator 2021 dienen de emissies met betrekking tot wegvoertuigen uitgesplitst te worden in vier categorieën. Deze worden navolgend beschreven en geïllustreerd aan de hand van een vrachtauto: I: II: III: IV:
Externe vervoersbewegingen / heen- en terugrit (Vrachtauto rijdt naar het terrein) Manoeuvreren op terrein (Vrachtauto rijdt naar de plaats waar lading gelost dient te worden) Stationair draaien wegvoertuig (Vrachtauto staat stil, motor draait en chauffeur is bezig met de administratie) Interne (Vrachtauto is aan het lossen m.b.t. motor en dient op dat moment gemodelleerd te worden middels de categorie mobiele werktuigen.)
Alle overige mobiele werktuigen (o.a. minikraan, trilplaat/stamper etc.) welke op het terrein gebruikt worden voor werkzaamheden, vallen ook onder categorie IV: interne vervoersbewegingen. 5.2.
Externe vervoersbewegingen, manoeuvreren en stationair draaien wegvoertuigen op terrein
Ten aanzien van de externe vervoersbewegingen geldt dat één voertuig gelijk staat aan twee bewegingen, er is namelijk telkens een heenrit en een terugrit. In navolgende tabel zijn de externe vervoersbewegingen verband houdende met de realisatiefase weergegeven. Deze zijn uitgesplist naar type transport. De externe vervoersbewegingen betreffen de volgende bewegingen: - Aanvoer beton: 10 vrachtwagens - Aanvoer spanten/gordingen: 5 vrachtwagens - Aanvoer stenen: 5 vrachtwagens - Aanvoer inrichting: 5 vrachtwagens - Aanvoer overige bouwmaterialen: 10 vrachtwagens en 20 auto’s - Afvoer grond: 35 vrachtwagens / tractoren met kiepers - Afvoer puin/bestrating: 5 vrachtwagens - Onvoorziene aan-/af- voer: 5 vrachtwagens
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 6
- Vervoer van personen: 200 keer Externe vervoersbewegingen · realisatiefase Type
Draaitijd stationair (u/j)
Bewegingen per jaar
Emissiefactoren stationair
Emissie stationair draaien
NOx (g/u)
NH3 (g/u)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Licht wegverkeer (pers onena uto's , bes tel bus jes , etc.)
440
11
4,02
0,20
0,04
0,00
Middelzwaar wegverkeer (ba kwa gens , etc.)
0
0
69,72
0,71
0,00
0,00
Zwaar wegverkeer (tra ctoren, vra chta uto's , etc.)
160
4
79,04
0,91
0,32
0,00
Totaal:
0,36
0,01
Een voertuig veroorzaakt twee vervoersbewegingen, er is steeds sprake van een heenrit en terugrit. Echter, niet elke dag is er een beweging van ieder type voertuig. Het verkeer rijdt vanuit twee richtingen naar de inrichting.
De locatie is gesitueerd aan een erftoegangsweg. Naar verwachting zal 50% van het verkeer linksaf slaan, en 50% rechtsaf. Het verkeer is dan ook middels deze verdeelsleutel gemodelleerd. 5.3.
Interne vervoersbewegingen
Naast de transportbewegingen naar de bouwplaats toe, zullen er ook mobiele werktuigen op de locatie zelf in gebruik zijn. Verder zullen er vrachtwagens laden en lossen op de bouwplaats (b.v. bouwmaterialen en bouwafval). De inzet van de mobiele werktuigen alsmede de verkeersbewegingen van het bouwverkeer zijn berekend conform navolgende waarden. Navolgend zijn de emissies van de betreffende voer- en werktuigen weergegeven: Interne vervoersbewegingen, realisatiefase Werktuig
Totale emissie per jaar (in kg): Brandstof
STAGEklasse
AUBtype
Draaitijd totaal (u/j)
Brandstofverbruik (l/j)
AdBlue verbruik (l/jaar)
9,50
0,27
NOx-emissie (kg/j)
NH3-emissie (kg/j)
graafmachine 100 kW, bouwjaar 2015
Diesel
Stage-IV
D
24
241
14,00
1,63
0,06
hoogwerker 80 kW, bouwjaar 2015
Diesel
Stage-IV
D
40
326
20,00
1,76
0,08
betonstorter 200 kW, bouwjaar 2011
Diesel
Stage-IIIB
B
10
195
n.v.t.
2,98
0,00
hijskranen 100 kW, bouwjaar 2015
Diesel
Stage-IV
D
40
402
24,00
2,43
0,10
laadschoppen op banden 70 kW, bouwjaar 2015
Diesel
Stage-IV
D
20
144
9,00
0,71
0,03
5.4.
AERIUS Realisatiefase
Navolgend zijn de belangrijkste resultaten uit de uitvoer van de AERIUS-calculatie van de realisatiefase weergegeven:
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 7
De volledige AERIUS-berekening is weergegeven in bijlage 1. Uit de berekening van de realisatiefase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De verkeersbewegingen en mobiele werktuigen verband houdende met de realisatiefase zullen dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatiefase zijn dan ook uitgesloten.
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 8
6.
GEBRUIKSFASE
De beoogde situatie ziet toe op de ingebruikname van de woning. In de gebruiksfase is er sprake van extra verkeersbewegingen ten opzichte van de vigerende situatie. Verder zal de woning zal niet worden voorzien van een gasaansluiting. Daarnaast wordt ook de uitstoot van sfeerverwarming en mens en dier meegenomen in de berekening. 6.1.
Vervoersbewegingen
Conform de Instructie gegevensinvoer voor de AERIUS Calculator 2021 dienen de emissies met betrekking tot wegvoertuigen uitgesplitst te worden in vier categorieën. Deze worden navolgend beschreven en geïllustreerd aan de hand van een vrachtauto: I: II: III: IV:
Externe vervoersbewegingen / heen- en terugrit (Vrachtauto rijdt naar het terrein) Manoeuvreren op terrein (Vrachtauto rijdt naar de plek waar vracht gelost dient te worden) Stationair draaien wegvoertuig (Vrachtauto staat stil, motor draait en chauffeur is bezig met de administratie) Interne vervoersbewegingen (Vrachtauto is aan het lossen m.b.t. motor en dient op dat moment gemodelleerd te worden middels de categorie mobiele werktuigen.)
Alle overige mobiele werktuigen (o.a. heftrucks, gazonmaaier, etc.) welke op het terrein gebruikt worden voor werkzaamheden, vallen ook onder categorie IV: interne vervoersbewegingen. 6.2.
Externe vervoersbewegingen, manoeuvreren en stationair draaien wegvoertuigen op terrein
Ook voor de gebruiksfase geldt dat de rijroute van het verkeer is opgenomen vanaf onderhavige locatie tot waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Wederom geldt dat één voertuig gelijk staat aan twee bewegingen, er is namelijk telkens sprake van een heenrit en een terugrit. Externe vervoersbewegingen · beoogde situatie Draaitijd stationair (u/j)
Emissiefactoren stationair
Emissie stationair draaien
Bewegingen per etmaal
NOx (g/u)
NH3 (g/u)
NOx (kg/j)
NH3 (kg/j)
Licht wegverkeer (personenauto's, bestelbusjes, etc.)
8,6
77
4,02
0,20
0,31
0,02
Middelzwaar wegverkeer (bakwagens, etc.)
0
0
69,72
0,71
0,00
0,00
Zwaar wegverkeer (tractoren, vrachtauto's, etc.)
0,02
0
79,04
0,91
0,00
0,00
Een voertuig veroorzaakt twee vervoersbewegingen, er is steeds sprake van een heenrit en terugrit. Echter, niet elke dag is er een beweging van ieder type voertuig. Het verkeer rijdt vanuit twee richtingen naar de inrichting.
Totaal:
0,31
0,02
Type
De locatie is gesitueerd aan een erftoegangsweg. Naar verwachting zal 50% van het verkeer linksaf slaan, en 50% rechtsaf. Het verkeer is dan ook middels deze verdeelsleutel gemodelleerd.
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 9
6.3.
Overige bronnen
Daar onderhavig voornemen een nieuwbouwwoning betreft zal er geen gasaansluiting gemaakt worden en zal er dus geen emissie optreden bij de verwarming van de woning. Wel is als worst-case scenario het gebruik van buitenhaarden/woningen meegenomen. Tauw heeft in 2018 in opdracht van BIJ12 emissiekentallen NOx voor huishoudens bepaald. Voor een grondgebonden woning wordt uitgegaan van een emissiefactor van 0,44 kg NOx/jr voor sfeerverwarming en een uitstoot van 0,5 kg NH3/jr voor de uitstoot van mens en dier. 6.4.
AERIUS Gebruiksfase
Navolgend zijn de belangrijkste resultaten uit de uitvoer van de AERIUS-calculatie van de gebruiksfase weergegeven:
De volledige AERIUS-berekening is weergegeven in bijlage 2. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De verkeersbewegingen verband houdende met de gebruiksfase zal dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase van de woning zijn dan ook uitgesloten. Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 10
7.
GEBRUIKSFASE INCLUSIEF REALISATIEFASE
7.1.
AERIUS Gebruiksfase incl. realisatiefase
Als worst-case benadering zijn de realisatiefase en de gebruiksfase samengevoegd. Navolgend zijn de belangrijkste resultaten uit de uitvoer van de AERIUS-calculatie van de gebruiksfase incl. de realisatiefase weergegeven:
De volledige AERIUS-berekening is weergegeven in bijlage 3. Uit de berekening van de gebruiksfase inclusief de realisatiefase blijkt dat er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j verkregen worden op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De verkeersbewegingen verband houdende met de gebruiksfase zal dan ook geen significante toename van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. Negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase van de woning zijn dan ook uitgesloten.
Rapportage beoordeling stikstofeffecten – Binnenveld 19 te Barneveld 11
8.
CONCLUSIE
In opdracht van Wens en CO B.V. is door VanWestreenen Adviseurs te Lunteren een onderzoek naar mogelijke significante stikstofeffecten uitgevoerd. Dit in verband met het voornemen van initiatiefnemer aan de Binnenveld 19 te Barneveld. Onderhavig voornemen betreft de realisatie van een woning. Gelet op de forse afstand van circa 5698 meter zijn er geen factoren die leiden tot een negatief effect op het dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000-gebied. Uit de calculaties uit hoofdstuk 5, 6 en 7 en de bijbehorende AERIUS-berekeningen blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Dit geldt voor zowel de realisatie- als gebruiksfase. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig bouwproject sprake zal zijn van significant negatieve effecten.
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3:
AERIUS-berekening Realisatiefase AERIUS-berekening Gebruiksfase AERIUS-berekening Gebruiksfase incl. realisatiefase