CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_Warmtevisie Barneveld_1.0 (1).pdf

Gemeenteraad 15 december 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Warmtevisie19.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Vervolgens wordt door middel van de energielabels de warmtevraag van de woningen bepaald. Bij elk energielabel hoort een inschatting voor de warmtevraag per m 2. De gebruikte waardes zijn gegeven in Tabel 2. De waardes zijn gebaseerd op literatuur en een analyse van de warmtevraag in Nederland. Door de warmtevraag per m2 te vermenigvuldigen met de oppervlakte van de woningen (gegeven in de BAG) is uiteindelijk de huidige warmtevraag per woning ingeschat. De inschatting van de huidige warmtevraag wordt altijd gecheckt met het gemeten aardgasverbruik in de gemeente.

Voorspelling toekomstige energielabel Aan de hand van de huidige energielabels is een toekomstig energielabel te voorspellen. Voor elk huidig energielabel kan worden uitgegaan van een labelstap die als economisch rendabel wordt beschouwd. Deze labelstappen zijn gebaseerd op basis van expertise van De WarmteTransitieMakers en literatuur. Een voorbeeld: slecht geïsoleerde woningen, met energielabel G of F of bouwjaar voor 1940, hebben een beperkt aantal betaalbare isolatiemogelijkheden. Dit komt doordat er vaak geen spouwmuur aanwezig is en een deel van de woningen een beschermd aangezicht of monumentenstatus heeft. Als alleen economisch rendabele isolatiemaatregelen worden uitgevoerd, blijft de verbetering van het energielabel steken op label D of C. De voorspelde energielabels bij de huidige energielabels zijn weergegeven in Tabel 2. De labelsprongen in Tabel 2 zijn enigszins conservatief ten opzichte van de labelsprongen die RVO geeft in het rapport over voorbeeldwoningen. 29 Dit is met name voor labels F en G het geval, omdat we hier de soms beperkte mogelijkheden in de praktijk willen meenemen in de methodiek

Figuur 24. Herkomst labels woningen.

Figuur 25. Herkomst labels utiliteitspanden.

Tot slot wordt de besparing in warmtevraag bepaald door de huidige en toekomstige warmtevraag met elkaar te vergelijken.

29

https://www.rvo.nl/sites/default/files/bijlagen/4.%20Brochure%20Voorbeeldwoningen%20201 1%20bestaande%20bouw.pdf

DWTM21011 Warmtevisie Barneveld versie 1.0

51

Toekenning temperatuurniveau Het laatste onderdeel van de analyse is het bepalen van het temperatuurniveau, dat nodig is voor de warmteafgifte. In Tabel 2 is deze koppeling terug te zien. Tabel 2. Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is. De mogelijke besparing is berekend door de warmtevraag van het huidige en het toekomstige energielabel te vergelijken.

het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20°C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet meer op individueel niveau gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken afhankelijk van de precieze functie ook warmte in processen. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig. Tabel 3. Voorspelde warmteprofielen bedrijven (exclusief industrie). Omdat voor kantoorpanden strengere regelgeving geldt, is de verwachting dat veel oudere kantoren grondig gerenoveerd (of nieuw gebouwd) gaan worden. Daardoor is een groot deel van de kantoorpanden in de toekomst geschikt voor lage-temperatuurverwarming.

Bedrijfspanden Door de diversiteit in functies en soorten gebouwen is er bij bedrijfspanden een grotere onzekerheid over de warmtevraag. Daarnaast gelden er andere energie-eisen voor utiliteitsbouw dan voor woningbouw. In de warmteanalyse wordt voor alle bedrijfspanden een besparing van 30% geschat. Voor kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet.30 De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte (zie Tabel 3). Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de functie van een gebouw. Zo is https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-enregels/bestaande-bouw/energielabel-c-kantoren 30

DWTM21011 Warmtevisie Barneveld versie 1.0

52

Ondanks dat er meer onzekerheid is bij het inschatten van de warmtevraag in bedrijfspanden, zijn er wel kentallen beschikbaar die een indicatie geven voor de warmtevraag op basis van landelijke gemiddeldes.31 Dat betekent dat er op lokaal niveau wel grote foutmarges kunnen optreden. Zo vallen loodsen onder ‘industriefunctie’, maar een kas of een bakker ook. Daarnaast hebben veel bedrijfspanden meerdere functies, waardoor er ook onzekerheden zitten in het toekennen van de juiste kentallen. In Tabel 4 staan de kentallen weergegeven. Tabel 4. Kentallen warmtevraag voor verschillen type gebruiksfuncties utiliteit. Gebruiksfunctie Warmtevraag [GJ/m2/jaar] Bijeenkomstfunctie 0,53 Celfunctie 0,65 Gezondheidszorgfunctie 0,55 Industriefunctie 0,30 Kantoorfunctie 0,40 Logiesfunctie 0,56 Onderwijsfunctie 0,39 Overige gebruiksfunctie 0,17 Sportfunctie 0,47 Winkelfunctie 0,35

31

Bron: Greenvis, Innax en CBS

DWTM21011 Warmtevisie Barneveld versie 1.0

53

Bijlage D Niet of beperkt aanwezige warmtebronnen Waterstof Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Om waterstof te maken wordt tot nog toe meestal elektriciteit gebruikt uit fossiele gasen kolencentrales (grijze waterstof). Het is ook mogelijk om groene energie te gebruiken (groene waterstof). Groene waterstof is vooralsnog duur en schaars, en zal dat voorlopig waarschijnlijk blijven. Waterstof is bij uitstek geschikt om hoge temperaturen te maken. Het is dan ook het meest logisch om waterstof in te zetten waar hoge temperaturen noodzakelijk zijn. In de meeste toekomstvisies worden vooral de industrie, zwaar transport en de vliegtuigsector genoemd als de sectoren waar waterstof het meeste bijdraagt aan verduurzaming. Ook wordt een rol van waterstof voorzien in het balanceren van het elektriciteitsnet. Waterstof wordt opgeslagen om stroom te produceren als er tijdelijk minder zonneen windenergie wordt opgewekt. Er moet dus kritisch gekeken worden waar waterstof het meest logisch is om in te zetten. Inzet van waterstof voor de gebouwde omgeving staat waarschijnlijk onderaan de prioriteitenlijst omdat er goede alternatieven zijn (warmtenetten, warmtepompen en groen gas). Een voordeel van de inzet van waterstof is evenwel dat – met beperkte aanpassingen – het bestaande gasnet gebruikt kan blijven worden.

Een overstap naar waterstof heeft daarom het voordeel dat het minder grote ingrepen in de openbare ruimte vraagt. Ook zijn de vereiste ingrepen in de woning beperkt, omdat waterstof warmte kan leveren op hoge temperatuur. Omdat waterstof duur (veel duurder dan aardgas) is, zal voldoende isolatie van de woning evenwel wenselijk blijven. De cv-ketel dient aangepast te worden, ook moet per woning worden nagegaan of de leidingen in de woning veilig zijn voor toepassen van waterstof. In Nederland wordt tot aan 2030 zeer beperkt ingezet op kleinschalige pilots. Ook omdat er (goedkopere) alternatieven voorhanden zijn. Maar voor lastig te verwarmen gebouwen zoals monumenten is een hybride oplossing met waterstof in de toekomst wellicht een optie.

DWTM21011 Warmtevisie Barneveld versie 1.0

54

Bijlage E Diverse varianten van de warmtepomp

Figuur 26 Diverse varianten van de warmtepomp

DWTM21011 Warmtevisie Barneveld versie 1.0

55

Bijlage F financiering Het beschikbaar maken van subsidies en interessante financieringsvormen speelt een essentiële rol in de warmtetransitie. Wij zetten als gemeente daarom in op goede informatievoorziening op dit punt. Dat doen we niet alleen in verkenningsgebieden maar voor alle bedrijven en bewoners die hun woning aardgasvrij (ready) willen maken.

(zoals spaargeld). Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent meestal een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: - Het Nationaal Warmtefonds voor particulieren en VvE’s (nationaal) - Energiefondsen voor initiatieven/organisaties (regionaal) - Lokale duurzaamheidslening (SVn)

Subsidies Als de besparing op de energielasten niet voldoende is om een investering binnen een redelijke termijn terug te verdienen, spreken we van een ‘onrendabele top’. Subsidies zijn er met name om de onrendabele top af te dekken, en soms ter stimulering van een nieuwe techniek. Het Rijk biedt hier verschillende subsidies voor: - voor particulieren: voor isolatiemaatregelen of aanschaf van installaties (ISDE, SEEH) - voor woningcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders: de SAH voor het aardgasvrij maken van woningen met warmtenetten en de Renovatieversneller om corporatiebezit innovatief te verduurzamen. - voor energieproducenten: voor het produceren van duurzame energie (SDE+) - voor gemeenten: o.a. de RRE regeling (2019) en de bijdrage vanuit het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). Met deze rijksbijdrage kunnen de kosten voor een hele buurtaanpak gecompenseerd worden, waardoor dit voor alle betrokken partijen voordeliger wordt. Aanvullend zijn er periodiek specifieke provinciale regelingen waar bijvoorbeeld de gemeente of bedrijven gebruik van kunnen maken. Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand daarvoor veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren met eigen middelen

DWTM21011 Warmtevisie Barneveld versie 1.0

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=ed983a7b-1798-45bd-9b57-a34861c82c0b