Bijlage Kracht-en-kwetsbaarheid-Centrum-voor-Samenlevingsvraagstukken.docx
Tekst van het document
Kracht en kwetsbaarheid Sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
Ir. M. Jager-Vreugdenhil Drs. C. van Til-Teekman K. Kruiswijk-van Hulst MSc J. Slendebroek-Meints MSc November 2010
Kracht en kwetsbaarheid Sociale samenhang en leefbaarheid in de gemeente Barneveld In opdracht van gemeente Barneveld en Provincie Gelderland Uitgevoerd door het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken Ir. M. Jager-Vreugdenhil Drs. C. van Til-Teekman K. Kruiswijk-van Hulst MSc J. Slendebroek-Meints MSc November 2010 Centrum voor Samenlevingsvraagstukken Postbus 10030 8000 GA ZWOLLE 038 - 425 55 42
Alle rechten voorbehouden Niets van deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.
Inhoudsopgave WOORD VOORAF...................................................................................................................7 SAMENVATTING.....................................................................................................................8 1.
ONDERZOEK NAAR SOCIALE SAMENHANG EN LEEFBAARHEID IN GEMEENTE BARNEVELD..................................................................................................................11 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
2.
RESPONS ENQUÊTES EN INTERVIEWS ....................................................................18 2.1 2.2 2.3
3.
RESPONS ENQUÊTE EN AANTAL INTERVIEWS ..............................................................18 ACHTERGRONDKENMERKEN RESPONDENTEN ENQUÊTE INWONERS .............................18 ACHTERGRONDKENMERKEN RESPONDENTEN ENQUÊTE ORGANISATIES.......................21
RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK .......................................................................23 3.1 3.2 3.3
HOE KAN DE SOCIALE SAMENHANG IN GEMEENTE BARNEVELD GETYPEERD WORDEN? 23 LEEFBAARHEID IN BARNEVELD ..................................................................................49 WELKE GROEPEN IN GEMEENTE BARNEVELD KUNNEN ONVOLDOENDE SOCIAAL EN MAATSCHAPPELIJK PARTICIPEREN? ...........................................................................63
3.4
WELK SOCIAAL EN MOREEL KAPITAAL IS AANWEZIG IN BARNEVELD?..........................81
4.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..........................................................................88 4.1 4.2 4.3
5.
NIEUWE VRAGEN DOOR WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING (WMO) ................11 KADER VAN DIT ONDERZOEK .....................................................................................13 SPECIFIEKE AANLEIDING VOOR GEMEENTE BARNEVELD VOOR HET ONDERZOEK..........14 THEORETISCH KADER: KRACHTBRONNEN IN DE CIVIL SOCIETY, SOCIAAL EN MOREEL KAPITAAL ..................................................................................................................15 ONDERZOEKSVRAAG .................................................................................................16 ONDERZOEKSOPZET: DESKRESEARCH, VRAGENLIJSTEN EN INTERVIEWS.....................16 LEESWIJZER..............................................................................................................17
CONCLUSIES .............................................................................................................88 KRACHT EN KWETSBAARHEID ....................................................................................93 AANBEVELINGEN .......................................................................................................94
LITERATUUR .................................................................................................................98
Woord vooraf Barneveld is qua oppervlakte een omvangrijke gemeente aan de rand van de Veluwe in de Gelderse Vallei. Met meer dan 50.000 inwoners, van wie ruim 30.000 in het dorp Barneveld zelf, is het een typisch dorpse gemeenschap. Veel Barnevelders kunnen hun problemen heel goed zelf oplossen en als zij ondersteuning nodig hebben kunnen zij gemakkelijk een beroep doen op familie, kennissen, mensen uit de buurt of – last but not least – geloofsgenoten. Want geloof en geloofsgemeenschappen spelen in Barneveld een onmiskenbare rol. Het feit dat een dorp gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van sterke gemeenschappen, heeft echter ook een keerzijde. Want hoe is immers de band met die mensen die niet tot de eigen gemeenschap behoren? Hoe het ook zij: er is – ook als er sprake is van een grote sociale samenhang in een gemeente – altijd nog wel iets om aan te werken. Geen enkele gemeente is perfect. En vaak is het betere de vijand van het goede: je moet ook niet naar perfectie willen streven. Maar wil Barneveld ergens in investeren ter verbetering van de sociale samenhang, dan zou de gemeente wellicht iets meer aandacht kunnen geven aan die groep van burgers die niet tot een bepaalde gemeenschap behoort en aan die Barnevelders die zich eenzaam zeggen te voelen. Want ook die groep is er, zo blijkt uit dit onderzoek.
Sociale samenhang is een onderwerp waarmee je de sterke kanten van een lokale samenleving in beeld kunt brengen. Ook in Barneveld is ons dat weer opgevallen. Tegelijk besef je iedere keer als je dit thema onderzoekt opnieuw, dat sociale samenhang niet alleen uiting is van kracht, maar in allerlei opzichten ook kwetsbaar. Barneveld vormt daarop geen uitzondering. Dit onderzoek is het derde van de zogenaamde ‘Gelderse onderzoeken’ van het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken. Mede in opdracht van de Provincie Gelderland wordt dit onderzoek in verscheidene Gelderse gemeenten uitgevoerd. Het eerste ‘Gelderlandonderzoek’ is in februari 2010 aangeboden aan de gemeente Westervoort, het tweede in mei 2010 aan gemeente Putten. Eerder heeft het Centrum ervaring met dit soort onderzoek opgedaan in de gemeenten Nunspeet en Zwartewaterland. Met dit rapport bieden wij de opdrachtgever de bevindingen van ons onderzoek in gemeente Barneveld aan. Het onderzoek is uitgevoerd door ir. Marja Jager-Vreugdenhil, drs. Christel van Til-Teekman en Klazien Kruiswijk MSc; de kwantitatieve analyses door Jeannette Slendebroek-Meints MSc. Wij kijken met plezier op ons onderzoek terug. We bedanken gemeente Barneveld, in het bijzonder wethouder Leen Verweij, wethouder Bram Troost en beleidsmedewerker Leonie Muijs, voor de prettige samenwerking.
Wij danken ook de Provincie Gelderland voor haar financiële ondersteuning voor dit onderzoek. Niet in de laatste plaats bedanken we alle inwoners van Barneveld, Voorthuizen, Garderen, Kootwijk, Kootwijkerbroek, Stroe, De Glind, Terschuur en Zwartebroek die aan ons onderzoek deelnamen, en alle vertegenwoordigers van organisaties uit die plaatsen. Wij wensen de gemeente Barneveld en haar inwoners toe dat zij met de onderzoeksgegevens ook daadwerkelijk aan de slag kunnen om de kwaliteit van de lokale samenleving in Barneveld en haar buitendorpen op peil te houden en waar mogelijk te versterken. Bedankt voor de samenwerking. Jan Hoogland, Lector Samenlevingsvraagstukken, Gereformeerde Hogeschool te Zwolle.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
7
Samenvatting Onderwerp en opzet van dit onderzoek Dit onderzoek is een verkennende analyse van de sociale kwaliteit van de lokale samenleving van Barneveld. Een dergelijke analyses is belangrijk in het licht van de taken die de Wet maatschappelijke ondersteuning aan gemeenten toekent. Om te kunnen bepalen op welke wijze de gemeente de lokale civil society kan versterken is inzicht nodig in de aard en mogelijkheden van die lokale samenleving. Verschillende methoden van onderzoek zijn ingezet. Door middel van deskresearch in beschikbare basisinformatie is informatie verzameld. Daarnaast zijn twee verschillende vragenlijsten uitgezet, één onder inwoners en één onder maatschappelijke organisaties die actief zijn in de gemeente Barneveld. Tenslotte hebben er 18 gesprekken plaatsgevonden tussen onderzoekers en specifieke sleutelorganisaties en –personen. In totaal zijn 822 ingevulde vragenlijsten van inwoners en 65 ingevulde vragenlijsten van organisaties ontvangen. Aan de interviews namen 30 personen deel, en 30 personen deden mee aan een themabijeenkomst.
De centrale onderzoeksvraag was: “Welke krachtlijnen en knelpunten bestaan er in de sociale structuren van gemeente Barneveld en op welke manier kunnen burgers, lokale instellingen en gemeente bijdragen om deze in de komende jaren verder te versterken?” Conclusies In alle kernen worden de sociale samenhang en de leefbaarheid hoog gewaardeerd, hoger dan gemiddeld in Nederland. Wel wordt vaker dan gemiddeld in Nederland door inwoners aangegeven, dat mensen in hun buurt elkaar nauwelijks kennen (34% in gemeente Barneveld, 20% in heel Nederland). Dit is opvallend, omdat juist in dorpsgemeenschappen het ‘ons kent ons’ over het algemeen kenmerkend is. Wel zijn er verschillen per wijk. In wijken waar men elkaar minder goed kent is men vaak ook minder tevreden over de bevolkingssamenstelling. Het algemene beeld van de andere wijken is echter positief. Nadere analyse laat wel zien dat sommige groepen het aantoonbaar meer naar hun zin hebben in hun buurt dan andere groepen. Mensen met een kerkelijke achtergrond, mensen die bij organisaties en verenigingen actief zijn, ouderen, mensen die langer dan twintig jaar in hun huidige woonplaats wonen, bewoners van koopwoningen en lager opgeleiden zijn positiever over de sociale samenhang en de leefbaarheid dan anderen. In de dorpen in de gemeente Barneveld zijn veel sterke sociale structuren.
Mensen vormen sterke gemeenschappen op grond van hun geloof, etniciteit of verbondenheid met hun eigen dorp. Deze sterke structuren, in combinatie met de sterke drang naar zelfredzaamheid en de grote bereidheid elkaar te helpen, maakt dat de mentaliteit van de inwoners goed aansluit op de visie van de Wmo: mensen zijn eerst verantwoordelijk voor zichzelf en hun directe sociale omgeving, en alleen wanneer het niet anders kan doen ze een beroep op professionele voorzieningen. Deze kracht van de Barneveldse samenleving is echter ook haar kwetsbaarheid. In de eerste plaats is juist de norm van zelfredzaamheid een oorzaak dat mensen te laat om hulp vragen. In de tweede plaats heeft wie geen deel uitmaakt van een groep - niet aangesloten is bij een kerkgenootschap, geen oorspronkelijke dorpsbewoner is, niet deelneemt aan het verenigingsleven – ook minder mensen om zich heen die hulp kunnen bieden. Veel etnische (Turkse, Marokkaanse en Molukse) gemeenschappen hebben een gesloten karakter: ze verlenen vooral zorg aan hun eigen mensen.
8
Kracht en kwetsbaarheid
Toch zijn contacten binnen geloofs- of etnische gemeenschappen niet de belangrijkste relaties voor inwoners van gemeente Barneveld. De belangrijkste contacten zijn die met familie, vrienden en buren. Op hen wordt ook het vaakst een beroep gedaan voor hulp. Buren zijn de belangrijkste aanspreekpunten voor praktische hulp, zowel voor kerkelijke als voor niet-kerkelijke Barnevelders. Er is dus zeker sprake van samenbindend kapitaal (bonding) onder inwoners. Ook is er overbruggend kapitaal (bridging) te vinden: de burenrelaties, de diaconale activiteiten van kerken naar anderen toe, en de inzet van veel inwoners in vrijwilligerswerk. Ondanks het aanwezige sociale kapitaal ervaart een derde van de inwoners een bepaalde mate van eenzaamheid, vijf procent is (zeer) sterk eenzaam. Sterke sociale structuren zijn dus niet voldoende om dat te voorkomen. Eenzaamheid komt even vaak voor onder kerkelijke als onder niet-kerkelijke inwoners, en even vaak onder jongere als onder oudere inwoners. Eenzaamheid komt wel vaker voor onder alleenstaanden, mensen in huurwoningen en lager opgeleiden. Ook mensen die intensief mantelzorg verlenen zijn vaker eenzaam dan anderen; mensen die lichte mantelzorg verlenen, zijn juist minder vaak eenzaam. Eenzaamheid komt in een aantal wijken iets vaker voor dan in andere wijken.
Organisaties en kerken willen zich graag inzetten voor eenzame mensen, maar hebben hen niet goed in beeld. Niet alleen in de gehouden interviews, maar ook in de enquêtes ingevuld door bewoners, is regelmatig sprake van uitspraken die wijzen op intolerantie tussen bevolkingsgroepen. Het betreft intolerantie tussen kerkelijke en niet-kerkelijke inwoners, tussen autochtonen en allochtonen en tussen oorspronkelijke dorpsbewoners en nieuwkomers. Barneveld ontkomt daarmee niet aan een nationale en internationale trend van polarisering. Er zijn echter ook belangrijke ‘krachtbronnen’ gevonden: mensen, groepen mensen of organisaties met een belangrijke bijdrage aan de sociale samenhang en leefbaarheid. Dat zijn in de eerste plaats de verenigingen voor plaatselijk belang, de wijkplatforms en andere dorpsorganisaties, zoals de Oranjeverenigingen, Stichting Terbroek en de Floralia. Deze organisaties hebben die samenbindende functie ook sterk. Ook sportverenigingen zijn belangrijke krachtbronnen. Binnen de verenigingen komen met name jongeren mensen uit andere culturen tegen en leren ze op een goede manier met elkaar om te gaan. Tenslotte zijn de kerken belangrijke krachtbronnen, al zijn ze tegelijk ook onderwerp van veel discussie. Positieve zaken die door veel mensen geroemd worden zijn de diaconale inzet van kerken, voor eigen leden maar ook voor anderen.
Vanwege het buitensluitende karakter van een aantal kerken zijn ze echter ook een bron van veel ongenoegen. Een aantal groepen vindt het in Barneveld lastig om te participeren: - Mensen met lichamelijke beperkingen (vaak ouderen); - Niet-kerkelijke mensen omdat ze zich niet thuis voelen bij activiteiten met een christelijk karakter, maar ook kerkelijke mensen die op gewetensbezwaren stuiten (bijv. muziekkeuze, zondagsactiviteiten) bij andere activiteiten; - Allochtonen, omdat ze een relatief kleine groep vormen in een gemeente waar intolerant sentiment voorkomt, richting nieuwkomers in het algemeen en richting allochtonen in het bijzonder. Negatieve beeldvorming – zonder dat er sprake is van daadwerkelijke incidenten – staat acceptatie van allochtone inwoners in de weg; Zowel vertegenwoordigers van organisaties als inwoners van gemeente Barneveld zien de sociale samenhang primair als een verantwoordelijkheid van individuele burgers. De overheid kan wel bijdragen aan de juiste randvoorwaarden (fysieke mogelijkheden voor ontmoeting, voorzieningen voor minima en mensen met een beperking), maar mensen moeten het zelf doen.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
9
Aanbevelingen Op basis van deze conclusies geven de onderzoekers vier aanbevelingen om te werken aan behoud én versterking van de sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld. Aanbeveling 1: richt beleid op meer onderling begrip en acceptatie De grootste en lastigste uitdaging in de gemeente Barneveld is het omgaan met verschillen binnen de gemeente: verschillen tussen dorpen, tussen kerkelijke en niet-kerkelijke inwoners, tussen nieuwkomers en allochtone bewoners. Er is sprake van intolerant sentiment tussen de groepen onderling. Belangrijk is positief tegenwicht in de beeldvorming, bijvoorbeeld door een verkiezing van het meest samenbindende initiatief per dorp, en door mensen te stimuleren elkaar beter te leren kennen. De gemeente past echter wel een terughoudende rol: sociale samenhang is primair een zaak van individuele burgers onderling, en de overheid is er om de randvoorwaarden te scheppen. Gemeente Barneveld hoeft geen eigen activiteiten op te zetten om de sociale samenhang te stimuleren. Belangrijker is een houding van de gemeente die bewoners zelf uitnodigt activiteiten en initiatieven te ontplooien. Aanbeveling 2: veel te winnen door vergroten onderlinge bekendheid Veel Barnevelders vinden dat mensen in hun buurt elkaar onvoldoende kennen. Elkaar kennen is een belangrijk om polarisatie te voorkomen.
Ook is het een voorwaarde om onderlinge hulp mogelijk te maken. Mensen kunnen elkaar beter leren kennen in gezamenlijke activiteiten, bijvoorbeeld op dorps-, wijk- of buurtniveau. Een specifiek instrument om mensen op straatniveau met elkaar in contact te brengen, is het huiskamergesprek. Dit kan zowel door beroepsorganisaties als door vrijwilligers worden vormgegeven. Aanbeveling 3: geef wijkplatforms ruimte en facilitering om ook sociale thema’s op te pakken Diverse wijkplatforms zouden graag naast fysieke thema’s ook sociale onderwerpen op zich nemen. Om dat te kunnen doen, moeten ze goed weten wat er speelt in de wijk, en is het dus van belang dat ze een goede werkwijze hebben voor het betrekken van alle wijk- of dorpsbewoners. Momenteel is dat voor veel wijkplatforms juist nog een punt waar men mee worstelt, met name de nieuwe wijkplatforms in Barneveld en Voorthuizen. De gemeente kan hierin faciliteren door het opzetten van een wijkkrant en intensiever gebruik van de wijkwebsite te stimuleren, of door de ruimte voor een spreekuur te bieden. In wijken waar nog geen dorps- of wijkcentrum is, zou hier een voorlopige locatie in een school of huiskamer kunnen worden geboden. Het is van belang dat de gemeente alle wijkplatforms heel serieus neemt, omdat hun functie als vertegenwoordiging van bewoners richting gemeente niet geloofwaardig is.
Soepelheid van de gemeente in het omgaan met wensen van wijkplatforms, ook als die niet gemakkelijk in te passen zijn in het beleidsproces, zal het enthousiasme van de wijkplatforms en het draagvlak bij bewoners ten goede komen. Aanbeveling 4: mobiliseer sociaal kapitaal voor terugdringen eenzaamheid Er is veel meer daadwerkelijke eenzaamheid is in gemeente Barneveld dan organisaties zelf inschatten. Goede eerste activiteiten van de Seniorenraad om eenzaamheid tegen te gaan, verdienen daarom vervolg. Daarbij zouden nog meer organisaties betrokken kunnen worden, om niet alleen eenzame ouderen, maar ook eenzame mensen uit andere leeftijdsgroepen te bereiken. Veel organisaties zijn nu specifiek gericht op het signaleren en tegengaan van eenzaamheid onder ouderen. Toch komt eenzaamheid onder alle leeftijden voor. Huisbezoeken zoals nu door de Seniorenraad zijn geïnitieerd voor 75+-ers, zouden in een aangepaste vorm ook kunnen worden gehouden onder andere doelgroepen. Dit kan bijvoorbeeld vormkrijgen als welkomstbezoek door getrainde vrijwilligers aan alle nieuwe dorps- of wijkbewoners, mogelijk met een centrale rol voor de wijkplatforms.
10
Kracht en kwetsbaarheid
1.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
1.1
Nieuwe vragen door Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hebben alle gemeenten in Nederland de taak gekregen maatschappelijke ondersteuning op lokaal niveau vorm te geven. Dat betekent onder andere het bieden van voorzieningen aan mensen met een beperking en maatschappelijke opvang voor kwetsbare mensen. De Wmo is niet bedoeld als zorgwet, maar vooral als welzijnswet, die beoogt dat iedereen meedoet in een zelfredzame samenleving. Het bevorderen van sociale samenhang kan wel de primaire opdracht van de Wmo worden genoemd. Immers, de kerngedachte van de Wmo is dat sociale samenhang ook sociale opbrengsten genereert: toegenomen participatie, informele zorg, effectieve inzet van vrijwilligers, nieuwe burgerschapsstijlen en vormen van eigen verantwoordelijkheid voor wijk en buurt. Voor veel gemeenten is het echter lastig grip te krijgen op deze ambitie van de Wmo. Dit onderzoek biedt concrete handvatten voor Gemeente Barneveld. 1.1.1 EEN ZELFREDZAME SAMENLEVING De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geeft aan gemeenten de opdracht ‘sociale samenhang en leefbaarheid’ te bevorderen in wijk, buurt of dorp (prestatieveld 1). In deze formulering komt een bepaalde visie op het functioneren van de samenleving mee. Een van de belangrijkste doelstellingen van de Wmo is de versterking van de lokale ‘civil society’.
Hoewel de Wmo deze ‘civil society’ niet definieert, blijkt uit de toelichting op de wet dat hiermee de samenleving wordt bedoeld als het domein van de burger zelf. Het gaat in de Wmo om de versterking van actief burgerschap en het bevorderen van ieders sociale en maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de samenleving. De ‘civil society’ is het nietstatelijke- en niet-economische deel van de samenleving – de samenleving van de burgers en hun gemeenschappen (zie figuur 1). De komst van de Wmo markeert een kanteling in het denken over de relatie tussen samenleving en overheid en geeft burgers opnieuw een rol bij het vormgeven van hun eigen leefomgeving. Gemeenten hebben de taak om deze nieuwe relatie structuur en inhoud te geven via lokaal Wmo-beleid. De Wmo-beleidsmakers verwachten dat burgers en hun verbanden, organisaties en instellingen meer directe verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving. De Wmo speelt zo een belangrijke rol bij de omvorming van de verzorgingsarrangementen in ons land. De wet beoogt dat mensen minder snel een beroep doen op voorzieningen van de overheid en eerder een beroep doen op de eigen omgeving en op de samenleving. De Memorie van Toelichting bij de wet spreekt over ‘eigen oplossingen’ van zorgvragers, en over ‘samen doen wat samen kan’.
Dat veronderstelt een versterking van de sociale kwaliteit van de lokale samenleving en wel zo dat deze meer zelfzorgend wordt. Niet alleen individuele mensen moeten meer zelfzorgend worden, maar ook de samenleving als geheel. Een geheel zelfzorgende samenleving is echter een onmogelijkheid. Sommige mensen zijn aangewezen op professionele hulp en kunnen niet zomaar door buurtgenoten geholpen worden. De aard van de hulpvraag en de behoefte aan hulp en zorg kan zeer uiteenlopen. De betrokkenheid van burgers op elkaar kan niet de professionele hulp vervangen waar die nodig is.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
11
Overheidsdomein overheden
publieke voorzieningen
volksvertegenwoordigers politieke partijen
zorginstellingen
burgerorganisaties
‘Civil Society’
kerken e.a. organisaties
Marktsfeer
religieuze
informele netwerken individuen, primaire verbanden
bedrijven ondernemers
Figuur 1. Schematische weergave van de ‘civil society’: het niet-statelijke en niet-economische deel van de samenleving. Een aantal kenmerkende verbanden, instituties en organisaties zijn weergegeven
Gaat het echter om lichte vormen van ‘maatschappelijke ondersteuning’, dan kan een goed ontwikkelde civil society wel iets betekenen. De Memorie van Toelichting spreekt over de eigen leefomgeving van zorgvragers in termen van “een krachtige sociale structuur die voorliggende is aan professionele voorzieningen”. Concreet worden daarbij genoemd familie en vrienden, maar ook maatschappelijke verbanden. Versterkte betrokkenheid op elkaar, versterkte sociale samenhang, vormt dus een begin, een noodzakelijke voorwaarde, om een meer betrokken en zelfzorgende samenleving te stimuleren. De Wmo wil dus niet louter een voorzieningenwet zijn voor individuele burgers met een bepaalde vraag naar zorg of ondersteuning, maar doet een beroep op de hele samenleving om de participatie van kwetsbare burgers te helpen bevorderen. In een zelfzorgende samenleving kan het uiteraard niet alleen gaan over de participatie van kwetsbare burgers, juist omdat de participatie van kwetsbare burgers afhankelijk is van de participatie van meer weerbare burgers. Het ‘samen meedoen’ is een essentieel element van de visie achter de Wmo. Wel is het zo dat kwetsbare burgers bijzondere aandacht dienen te krijgen, mede in het licht van verdergaande vermaatschappelijking van de zorg.
Het overheersende idee achter de zelfzorgende, participerende samenleving is dat iedereen, kwetsbaar én weerbaar, mee moet kunnen doen en daarvoor ook zijn of haar eigen steentje bijdraagt. Of en hoe dat ook zo gaat werken, is de belangrijkste vraag van het sociale beleid in de komende jaren. 1.1.2 DE WMO ALS PARTICIPATIEWET Vanwege de nadruk op meedoen wordt de Wmo ook wel een ‘participatiewet’ genoemd. Meedoen aan de samenleving is voor iedere burger belangrijk. Gemeenten hebben een bijzondere verantwoordelijkheid te waken voor de kansen op deelname van iedere burger aan het maatschappelijk verkeer, in het bijzonder burgers met een beperking of in kwetsbare 12
Kracht en kwetsbaarheid
sociale situaties. De Wmo is tevens een welzijnswet en regelt en bevordert lichte vormen van ondersteuning, hulp en aandacht. Een nieuw element in deze opzet is dat burgers zelf bijdragen aan het welzijn en de participatie van medeburgers. De Wmo markeert het afscheid van een centrale rol van de overheid als verschaffer van welzijn en sociale voorzieningen. De verzorgingsstaat moet nu dus volgens de wetgever worden aangevuld en in sommige opzichten zelfs afgelost door een zelfverantwoordelijke en zelfzorgende samenleving. De Wmo vraagt van gemeenten dat ze de maatschappelijke en sociale verantwoordelijkheden van burgers activeren. Van hen wordt verwacht dat ze bijdragen aan de versterking van de ‘sociale samenhang en leefbaarheid’. Door versterking van de sociale infrastructuur wordt tevens verwacht dat de zelfredzaamheid van burgers wordt versterkt en dat burgers eigen oplossingen zoeken voor ondersteunings- en zorgvragen. Hóe gemeenten dat doen, laat de wetgever geheel aan hen zelf over. Zelfs de gestelde doelen van ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatie’ wilde de staatssecretaris niet definiëren, ook dat legde ze geheel bij gemeenten neer. Dat vraagt van gemeenten de ontwikkeling van eigen, stevige visie op de manier waarop mensen met elkaar zouden moeten omgaan en hoe ze zelf als gemeente daaraan kunnen bijdragen.
In de praktijk komen gemeenten hier echter zelden aan toe of zijn ze geheel verlegen met de vraag hoe ze op de beste manier de civil society effectief kunnen vitaliseren. Ons onderzoek reikt daar handvatten voor aan, door te onderzoeken hoe het feitelijk met die civil society gesteld is, los van de beleidsvooronderstellingen. 1.1.3 NIEUWE VRAGEN VOOR GEMEENTEN De Wmo leidt dus tot nieuwe lokale probleemstellingen. Want wat is dat eigenlijk, sociale samenhang en leefbaarheid? Op welke manier kan via sociale samenhang en leefbaarheid participatie en onderlinge ondersteuning worden gestimuleerd? Welke participatie wordt er eigenlijk bedoeld, en van wie? Hoe staat het er eigenlijk voor met die participatie en sociale samenhang? En hoe staat het met de bereidheid van de burger er te zijn voor een medeburger? Deze vragen vergen lokale antwoorden. De staatssecretaris van VWS geeft aan het begrip participatie niet nader in te willen vullen, omdat gemeenten dit voor de eigen situatie zelf het beste kunnen doen: ‘De Wmo beoogt dat mensen die ondersteuning nodig hebben om te kunnen participeren in de samenleving deze ondersteuning ook kunnen krijgen. Dat zij aan de samenleving kunnen deelnemen dus.
Omdat gemeenten de Wmo decentraal uitvoeren, zullen juist op het lokale niveau termen als «zelfredzaamheid» en «maatschappelijke participatie» verder geoperationaliseerd moeten worden’ (Kamerstuk mei 2005). Gemeenten moeten zelf een route kiezen die past bij de eigen lokale situatie. Dat roept een volgende vraag op voor elke gemeente: wat is bij ons eigenlijk die lokale situatie, hoe zit het in mijn gemeente met sociale samenhang, leefbaarheid en participatie?
Dit rapport wil een eerste antwoord geven op deze vragen, specifiek voor gemeente Barneveld. Het doel is dat Gemeente Barneveld een goed beeld krijgt van de eigen startsituatie kort na invoering van de Wmo, om zo te kunnen kiezen voor het best passende beleid voor prestatieveld 1, ‘het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten’. 1.2
Kader van dit onderzoek
Dit onderzoek helpt Gemeente Barneveld een beeld te krijgen van de sociale kwaliteit van de lokale samenleving. Niet alleen worden de ideeën van burgers zelf in kaart gebracht, maar ook worden activerende impulsen gegeven voor nieuwe lokale initiatieven. Gedurende het onderzoek wordt dus gewerkt aan patronen van interactie. Het onderzoek bestaat uit een combinatie van kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Het kwalitatieve deel bestaat uit een
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
13
intensieve interviewfase, waarbij met burgers en instellingen wordt gesproken, verbindingen worden gelegd en nieuwe ideeën worden gedeeld. Het kwantitatieve deel wordt gevormd door een enquête onder burgers en organisaties. Het onderzoek levert zo vanuit verschillende invalshoeken en onderzoeksmethoden een beeld van sociale wensen en mogelijkheden die binnen een gemeente aanwezig zijn, van sociale krachtlijnen enerzijds en kwetsbare situaties anderzijds. Vanuit dat beeld kan door gemeentebestuur, Wmo-raden, lokale instellingen en burgers verder worden gewerkt aan sociaal beleid dat passend is en resulteert in gewenste effecten. De methodiek voor dit onderzoek is door het CvSv ontwikkeld en in 2007 en 2008 met succes toegepast in de gemeenten Zwartewaterland en Nunspeet. De gemeentebesturen waren zeer tevreden over het resultaat en gebruiken de rapportage als ‘onderlegger’ voor de ontwikkeling van Wmo-beleid. Het onderzoek bracht daadwerkelijk lokale partijen bij elkaar en verschaft een basis en richtinformatie om de Wmo verder te implementeren. Provincie Gelderland heeft genoemd onderzoek in de gemeente Nunspeet gefinancierd. Bij de evaluatie ervan heeft de provincie aangegeven dat zij het van belang acht dat een soortgelijk onderzoek in een aantal Gelderse gemeenten wordt voortgezet.
De provincie vindt het van belang dat deze onderzoeksmethodiek verder wordt getest en uitgebouwd tot een goed bruikbaar instrument. Vanuit haar ondersteunende rol voor gemeenten subsidieert de provincie een onderzoek door het CvSv naar sociale kwaliteit in vier gemeenten. Dit onderzoek zal niet alleen voor de betreffende gemeenten bruikbare resultaten opleveren, maar zal daarnaast de provincie een bruikbaar instrument in handen geven waarmee zij gemeenten kan ondersteunen in de vorm van een ‘nulmeting’ van de sociale kwaliteit. Barneveld is één van de gemeenten in Gelderland die opdracht heeft gegeven het onderzoek uit te voeren. 1.3
Specifieke aanleiding voor gemeente Barneveld voor het onderzoek
De gemeente Barneveld heeft in de afgelopen jaren Wmo-beleid ontwikkeld. Eén van de thema’s binnen de Wmo is leefbaarheid en sociale samenhang (sociale kwaliteit); een thema waar de gemeente de komende jaren voldoende aandacht aan wil schenken. Er wordt aangenomen dat er een sterke verbondenheid is onder burgers in Barneveld. Uit de onderzoeksresultaten moet blijken of dit juist is. Waar dat mogelijk is, wil de gemeente deze verbondenheid graag behouden en versterken. Om beleid verder te kunnen ontwikkelen, wil de gemeente weten hoe het nu gesteld is met sociale samenhang en leefbaarheid in Barneveld. Wat zijn krachtlijnen in de samenleving? Welke mensen zijn juist kwetsbaar? Hoe ervaren bewoners de sociale samenhang in zowel het dorp Barneveld als in de buitendorpen en het buitengebied? Welke bijdragen leveren inwoners hier zelf aan? Barneveld heeft hierbij de specifieke vraag aan het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken gesteld om inzicht te geven in het vóórkomen van eenzaamheid. De gemeente hoopt met dit inventariserend onderzoek diverse doelen te bereiken. Ten eerste wil de gemeente zicht krijgen op de sociale kwaliteit en leefbaarheid in gemeente Barneveld. Ze is geïnteresseerd in de sociale netwerken in de lokale gemeenschap en de mate van sociale samenhang tussen burgers en organisaties.
Bij leefbaarheid gaat het met name om de sociale aspecten van kwaliteit van wonen en leven in gemeente Barneveld. Hierbij wordt ook de sociale veiligheid bekeken. Ten tweede wil de gemeente met dit onderzoek concrete handvatten krijgen voor invulling van eventuele nieuwe activiteiten, gericht op versterking van betrokkenheid en samenhang in alle kernen. Ten derde wil de gemeente de resultaten van dit onderzoek gebruiken voor het inzetten van beleid om eenzaamheid te voorkomen.
14
Kracht en kwetsbaarheid
1.4 Theoretisch kader: krachtbronnen in de civil society, sociaal en moreel kapitaal De Wmo beoogt de versterking van de lokale civil society en heeft de verwachting dat daarmee het welzijn van burgers is gediend. De kernvraag is of de huidige in de samenleving van Barneveld aanwezige kwaliteiten daarvoor volstaan of dat interventies nuttig en nodig zijn om een solide basis te leggen voor de zelfzorgende civil society. Deze vragen vormen de kern van het onderhavige onderzoek. De Wmo zet gemeenten aan tot het zorgdragen voor voldoende leefbaarheid en sociale samenhang. Waar het bij leefbaarheid in de eerste plaats gaat om de fysieke leefomgeving, gaat het bij sociale samenhang meer om de sociale leefomgeving waarmee mensen zich identificeren en waarbinnen zij participeren in verschillende netwerken (sociale verbanden, maatschappelijke organisaties), met verschillende kenmerken van sociale verbanden (bonding, bridging) en een diversiteit aan krachtbronnen (sociaal en moreel kapitaal). Deze netwerken zijn actoren binnen de zogenoemde civil society. En dat podium vormt de basis van de zelfzorgende civil society, die door de Wmo beoogd wordt.
Met het analyseren van sociale samenhang en leefbaarheid kan in beeld worden gebracht hoe het is gesteld met de draagkracht van de civil society en indien er tekorten worden geconstateerd, op welke velden gemeenten beleid kunnen voeren of maatregelen dienen te treffen. De begrippen ‘sociaal kapitaal’ en ‘moreel kapitaal’ spelen een belangrijke rol in dit onderzoek, en worden daarom hier iets meer toegelicht. Sociaal kapitaal gaat over het vermogen van mensen om verbindingen met elkaar aan te gaan en vormt de weg naar de verdere ontsluiting van moreel kapitaal. Moreel kapitaal is het vermogen (individueel en collectief) op een zorgende manier bij de ander en bij de wereld te zijn (Kuiper, 2009). In dit rapport wordt sociaal kapitaal in kaart gebracht aan de hand van de begrippen bonding en bridging. Gesloten netwerken worden gekenmerkt door ‘bonding’ of interne verbondenheid. Deze netwerken kenmerken zich doordat zij de mensen van het eigen verband of de eigen gemeenschap binden, zich richten op de noden en behoeften van de eigen groep en zich niet richten op anderen buiten de eigen kring. Open zijn netwerken wanneer er ook bereidheid bestaat om ook anderen hulp en zorg te verlenen. Open netwerken richten zich niet op alleen op leden van het eigen netwerk, maar overbruggen de afstand tot relatieve vreemden.
Deze netwerken worden gekenmerkt door wat ‘bridging’ of overbrugging genoemd wordt. Waar het gaat over het tot stand komen van sociale samenhang zijn beide vormen van kapitaal; bonding en bridging, van belang. Bonding zorgt er voor dat mensen binnen netwerken naar elkaar omzien en zorg voor elkaar hebben. Bridging is nodig om wisselwerking en samenwerking tussen groepen tot stand te brengen en dit is nodig om een samenleving te creëren waar mensen zich opgenomen voelen en waarin burgers elkaar helpen hun leefomgeving en sociale vooruitzichten te verbeteren (Putnam, 2000). Bonding en bridging verhouden zich tot elkaar als de schering en inslag van een weefsel: beiden vormen mooie draden op zich, maar juist samen vormen ze een stevige stof. Een ander beeld dat het verschil tussen bonding en bridging weergeeft, is het beeld van eilanden en bruggen. De bevolking van eilanden vormen hechte gemeenschappen (bonding). Ze kunnen daarbij een open, uitnodigend karakter hebben en gemakkelijk bezoekers en nieuwe bewoners opnemen; maar ze kunnen ook het karakter hebben van een onneembare burcht, waar mensen moeilijk toegang toe hebben en ook moeilijk van weg komen. Eilanden vormen pas samen ook een eilandenrijk als er bruggen tussen de verschillende eilanden liggen (bridging). Zeer gesloten eilandgemeenschappen zullen minder gemakkelijk dergelijke bruggen leggen dan open gemeenschappen.
Beide beelden laten zien dat zowel bonding als bridging van belang is voor een goede samenleving. Bonding is waardevol, omdat hierdoor gemeenschappen ontstaan waarbinnen mensen voor elkaar zorgen. Wel is er het gevaar dat gemeenschappen zo gesloten zijn, dat ook mensen buitengesloten worden. Bridging is van belang voor de samenhang tussen verschillende delen van de samenleving, en om te voorkomen dat er mensen zijn die nergens aansluiting hebben.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
15
Moreel kapitaal is de bereidheid voor een ander te zorgen of een ander te ondersteunen. Het morele duidt op het besef van verplichting tot zorg. Die ‘verplichting’ kan gebaseerd zijn op een begrip van solidariteit, waarbij nog altijd een belangrijk aandeel is voor de verzekering van een particulier belang, maar ook op meer ideële of ook ideologische opvattingen over ‘weldoen’ aan en het ontfermen over anderen en ook over de wereld. De ontplooiing van moreel kapitaal – de bereidheid er voor de ander te zijn – spreekt in een hoog-mobiele en geïndividualiseerde samenleving niet vanzelf (Kuiper, 2009). Een meer uitgebreide omschrijving van het gebruikte theoretische kader is opgenomen in bijlage I. 1.5
Onderzoeksvraag
Gemeente Barneveld en Provincie Gelderland hebben het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken gevraagd onderzoek te doen naar de sociale kwaliteit op het niveau van de lokale samenleving in gemeente Barneveld, specifiek met het oog op prestatieveld 1 van de Wmo. Om die ‘sociale kwaliteit’ in kaart te brengen, is in Barneveld onderzoek gedaan naar de krachtlijnen van de samenleving: welke structuren, welke organisaties, welke personen zijn belangrijk voor de sociale samenhang? Wat waarderen bewoners en organisaties in de sociale structuur? Wat bindt Barnevelders, Voorthuizenaren, Kootwijkerbroekers? Tegelijk is ook gezocht naar de knelpunten: kan iedereen wel volop meedoen? Wie zijn kwetsbaar? In dit rapport worden de krachtlijnen en knelpunten geschetst. De centrale onderzoeksvraag is: “Welke krachtlijnen en knelpunten bestaan er in de sociale structuren van gemeente Barneveld en op welke manier kunnen burgers, lokale instellingen en gemeente bijdragen om deze in de komende jaren verder te versterken?” Concrete onderzoeksvragen bij de centrale vraag zijn: 1. Hoe kunnen de sociale structuren van Barneveld getypeerd worden? 2. Hoe waarderen inwoners in alle wijkplatformgebieden van Barneveld de sociale samenhang en leefbaarheid (woon- en leefklimaat)? 3. Welk sociaal en moreel kapitaal is aanwezig in alle wijkplatformgebieden Barneveld? 4.
Welke groepen in alle wijkplatformgebieden van Barneveld kunnen onvoldoende sociaal en maatschappelijk participeren? 5. Onder welke groepen of in welke gebieden komt eenzaamheid vaak voor? 6. Welke ideeën hebben bewoners en organisaties in Barneveld zelf over het verbeteren van de sociale samenhang? 1.6
Onderzoeksopzet: deskresearch, vragenlijsten en interviews
Om deze vragen te beantwoorden, is gekozen voor een combinatie van onderzoeksmethodes. Het onderzoek is gestart met een inventarisatie van al beschikbare gegevens uit andere onderzoeken en uit beleidsdocumenten. Daarna hebben de onderzoekers zelf gegevens verzameld. De startbijeenkomst van het onderzoek leverde al een eerste indruk op van de sociale structuren in Barneveld. Een grote hoeveelheid gegevens is vervolgens verzameld via het uitzetten van een vragenlijst aan bewoners en organisaties in Barneveld. Hierbij is een extra steekproef getrokken om zoveel respons te bereiken dat ook voor elk wijkplatformgebied valide uitspraken kunnen worden gedaan. Tenslotte zijn gegevens verzameld via interviews en themabijeenkomsten. Deze verschillende methodes waren overigens niet alleen onderzoeksinstrumenten, maar ook manieren om bewoners en organisaties te activeren: rond diverse thema’s werden ideeën
16
Kracht en kwetsbaarheid
uitgewisseld, en al tijdens het onderzoek zijn de eerste afspraken gemaakt tussen mensen die deelnamen aan de themabijeenkomsten. 1.7
Leeswijzer
In de volgende hoofdstukken worden de resultaten van het onderzoek samengevat en geanalyseerd. In hoofdstuk 2 wordt beschreven welke data zijn gebruikt. In hoofdstuk 3 wordt de opbrengst van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 4 worden de conclusies en aanbevelingen aan de gemeente geformuleerd. Voor een meer gedetailleerde verantwoording van het onderzoek zijn aan dit rapport diverse bijlagen toegevoegd: - in bijlage I wordt de gehanteerde theorie geschetst en een aantal begrippen gedefinieerd (bijv. sociale samenhang, krachtlijnen, sociaal en moreel kapitaal); - in bijlage II wordt verantwoord hoe op basis van deze theorie een keuze is gemaakt voor de onderzoeksmethode; - in bijlage III worden de respons, betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek verantwoord; - bijlage IV en V bevatten de gehanteerde vragenlijsten voor bewoners en organisaties.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
17
2.
Respons enquêtes en interviews
In dit hoofdstuk wordt beschreven wie voor dit onderzoek zijn benaderd en van welke gegevens gebruik is gemaakt. In paragraaf 2.1 wordt de respons op de gebruikte vragenlijsten en het aantal deelnemers aan de interviews beschreven. In paragraaf 2.2 en 2.3 wordt ingegaan op de achtergrondkenmerken van de respondenten. 2.1
Respons enquête en aantal interviews
Deze resultaten zijn afkomstig uit de ingevulde vragenlijsten van bewoners en organisaties, en uit de gehouden interviews. De vragenlijsten zijn ingevuld door 822 inwoners en door 65 organisaties. De uitkomsten van de vragenlijsten geven een globaal beeld van de sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld. Daarnaast hebben er diepte-interviews plaatsgevonden met verschillende vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en inwoners van gemeente Barneveld. In totaal hebben er 18 gesprekken plaats gevonden waarbij er soms één persoon en soms meerdere personen aanwezig waren; in totaal namen 30 personen deel aan deze interviews. Ook zijn er twee themabijeenkomsten georganiseerd, één over het onderwerp eenzaamheid, en één met vertegenwoordigers van de wijkplatforms over de rol van wijkplatforms in sociale vraagstukken. In totaal hebben 30 personen deelgenomen aan de themabijeenkomsten. Naast de uitkomsten van de vragenlijsten en de gesprekken hebben de deskresearch en de startbijeenkomst nuttige aanvullende onderzoeksinformatie opgeleverd. Ook is met toestemming van de auteurs gebruik gemaakt van het recente onderzoek ‘Ik en jij is wij’ (Russchen en Buijs, 2010) voor aanvullende gegevens over Turkse en Marokkaanse organisaties.
Tenslotte hebben de onderzoekers deelgenomen aan een vergadering van één van de wijkplatforms om kennis te maken met het werk van de wijkplatforms en een indruk te krijgen van wat daarin ter tafel komt. 2.2
Achtergrondkenmerken respondenten enquête inwoners
822 Inwoners zonden een vragenlijst in; hiervan bleken er 31 niet bruikbaar. Het aantal bruikbare ingevulde enquêtes is daarmee 791. Bij het benaderen van respondenten is een getrapte aselecte steekproef genomen, om een zodanige respons te bereiken dat verschillen tussen kernen aangetoond kunnen worden. Er is een extra steekproef getrokken in die wijkplatformgebieden waar de respons bij een eerste oproep inclusief herinnering achterbleef. Aan de respondenten is eerst de vraag gesteld in welke kern ze woonden; dit levert het beeld op zoals in tabel 2.1. Vervolgens is de vraag gesteld onder welk wijkplatform ze vallen, de antwoorden zijn samengevat in tabel 2.2. Opvallend is dat 113 respondenten aangeven niet te weten onder welk platformgebied ze vallen. Wanneer ze dit niet wisten, werd gevraagd naar de straat waar ze wonen. Op basis hiervan kon alsnog worden nagegaan onder welk wijkplatform de respondent viel. Dit bleek in veel gevallen een wijkplatform te zijn in één van de Barneveldse of Voorthuizense wijken. De wijkindeling is mogelijk niet bij iedereen bekend. Maar ook een aantal respondenten in bijvoorbeeld Kootwijkerbroek en Garderen geven aan niet te weten onder welk wijkplatform ze vallen, ondanks de heldere benamingen van de wijkplatformgebieden ‘Kootwijkerbroek’ en ‘Garderen’.
Mogelijk zijn ze niet op de hoogte van het bestaan van ‘hun’ wijkplatform, of hebben ze bezwaar tegen de formulering ‘onder een wijkplatform vallen’.
18
Kracht en kwetsbaarheid
Tabel 2.1 Aantallen respondenten per kern (n = 791) Kern
Aantal
Barneveld
415
Garderen
42
De Glind Kootwijk
27 36
Kootwijkerbroek
48
Stroe
23
Terschuur
19
Voorthuizen
166
Zwartebroek Totaal
16 791
Tabel 2.2 Aantallen respondenten per wijkplatformgebied (n = 791) Aantal Gecorrigeerd Wijkplatformgebied Aantal ‘weet ik aantal niet’ Barneveld, Norschoten 67 2 69 Barneveld, Centrum 54 12 66 Barneveld, Zuid III
32
18
50
Barneveld, Zuid II
29
16
45
Barneveld, De Burgt
43
7
50
Barneveld, De Lors
27
8
35
Barneveld, Oldenbarneveld
34
2
36
Barneveld, Vliegersveld/De Vaarst
61
0
61
Garderen
39
3
42
De Glind
27
1
28
Kootwijk
36
0
36
Kootwijkerbroek Stroe
43 22
5 1
48 23
Voorthuizen, Wheem de Maat
52
2
54
Voorthuizen, Hamburgerstraat e.o.
29
9
38
Voorthuizen, Centrum
26
13
39
Voorthuizen, Zuid
23
14
37
Zwartebroek-Terschuur
34
0
34
“Ik weet niet onder welk wijkplatform ik val” Totaal
113 791
n.v.t. 113
0 791
In tabel 2.3 staan de achtergrondkenmerken van de respondenten samengevat. De onderzochte groep respondenten kan op grond van hun achtergrondkenmerken representatief genoemd worden1, op drie punten na waarmee in de verdere analyse rekening zal worden gehouden. In de eerste plaats bevat de steekproef relatief veel gezinnen zonder kinderen (41% tegenover 30%) en weinig eenpersoonshuishoudens (12% tegenover 25%)
1
Om dit na te gaan is een analyse (Chi-Kwadraat en Cramers V toetsen) gedaan om te controleren of de steekproef een representatieve afspiegeling is van de bevolking van de gemeente Barneveld. De percentages van geslacht, leeftijd en type woning van de steekproef verschillen niet significant met die van de bewoners van Barneveld
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
19
dan volgens het CBS aanwezig zijn in gemeente Barneveld. In de tweede plaats zijn er iets minder jonge inwoners die de enquête hebben ingevuld dan kon worden verwacht op basis van de CBS-gegevens; de leeftijdscategorie 16 tot 44 jaar is iets ondervertegenwoordigd. In de derde plaats is het percentage mensen geboren in een plaats buiten Nederland in de steekproef van dit onderzoek slechts 2 procent. Dit is lager dan het percentage allochtonen in gemeente Barneveld volgens CBS-gegevens (7,5%). Een eerste oorzaak hiervoor is dat het CBS niet op grond van de geboorteplaats bepaalt of iemand allochtoon is, maar op grond van de officiële nationaliteit én de nationaliteit van beide ouders. In ons onderzoek wordt een respondent hierdoor minder snel aangemerkt als ‘allochtoon’ dan door het CBS. Een andere oorzaak kan zijn dat allochtonen daadwerkelijk ondervertegenwoordigd zijn in de onderzochte groep respondenten. Dit kan mede komen door het gekozen onderzoeksinstrument van een schriftelijke enquête. Mensen die het Nederlands onvoldoende beheersen kunnen hier niet aan mee doen. Tabel 2.3 Achtergrondkenmerken respondenten (n = 791) in percentages of gemiddelden Variabele
gemiddelde
Leeftijd (jaren)
50,4
Woonduur in huidige woonplaats (jaren)
27,0
Geboorteplaats Barneveld andere kernen gemeente Barneveld andere plaats, in Nederland andere plaats, buiten Nederland Geslacht man vrouw Soort woning huurwoning koopwoning
%
16 14 68 2 100 47 53 100 26 74 100
Samenstelling huishouden 1 persoon (echt)paar zonder (thuiswonende) kind(eren) 1 ouder met 1 of meer thuiswonende kinderen (echt)paar met 1 of meer thuiswonende kinderen andere samenstelling Opleiding geen, lagere school, basisschool LBO, MAVO, MULO, VMBO HAVO, MBO, VWO, Atheneum, Gymnasium, HBS HBO, WO anders Kerkelijke gezindte geen Rooms Katholieke Kerk Hersteld Hervormde Kerk Protestantse Kerk in Nederland Gereformeerde Gemeente andere christelijke kerk Islam anders
20
11 40 3 43 3 100 7 34 29 26 4 100 26 5 6 39 10 12 0,4 3 100
Kracht en kwetsbaarheid
Nadere analyse van deze achtergrondkenmerken laat een paar opvallende dingen zien: het opleidingsniveau van de mannen is hoger dan dat van de vrouwen2. Ook de gemiddelde leeftijd van de mannen die de enquête invulde is hoger dan die van de vrouwelijke respondenten3. Tenslotte is het opleidingsniveau van de jongere respondenten hoger is dan het opleidingsniveau van oudere respondenten4. 2.3
Achtergrondkenmerken respondenten enquête organisaties
In tabel 2.4 staan de gegevens van organisaties in gemeente Barneveld die de vragenlijst hebben ingevuld. De enquête is zowel ingevuld door organisaties die alleen lokaal in gemeente Barneveld werkzaam zijn (72%), als door organisaties die ook elders werkzaam zijn, bijvoorbeeld regionaal of landelijk (28%). Een derde van de organisaties is alleen in een deel van gemeente Barneveld werkzaam, bijvoorbeeld in één van de kernen. Ongeveer de helft van de organisaties die de enquête invulde heeft jonge kinderen als doelgroep. Onder de respondenten zijn verder ook organisaties met ouderen en diverse andere doelgroepen. Dat betekent dat de 65 organisaties die deelnamen aan dit onderzoek divers van karakter zijn; dat is belangrijk, omdat een eenzijdige respondentengroep een vertekend beeld had kunnen geven. Tabel 2.4 Gegevens organisaties in percentages (n=65) Variabele
%
Werkgebied organisatie: gemeente Barneveld ruimere regio deel van Barneveld Totaal aantal antwoorden
37 28 35 100
Doelgroep organisatie kinderen tot 12 jaar bewoners van Barneveld in het algemeen ouderen van 60 tot 75 jaar wijkbewoners jongeren van 12 tot en met 18 jaar mensen met een lichamelijke beperking mensen met een laag huishoudinkomen ouderen vanaf 75 jaar vrijwilligers allochtone inwoners mensen met een verstandelijke beperking mensen met psychiatrische problematiek mensen met een zeer slechte gezondheid eenoudergezinnen arbeidsongeschikten werklozen mensen met verslavingsproblematiek dak- en thuislozen anderen Totaal aantal antwoorden)*
51 37 28 26 23 23 22 20 15 19 19 19 14 12 12 11 9 3 29 400
2
Gebruikte statistische toets: Mann-Whitney Gebruikte statistische toets: Mann-Whitney 4 De significante verschillen gelden voor de leeftijdsklassen 16-40 jaar en 41-60 jaar ten opzichte van 61 jaar en ouder. Tussen de leeftijdsklassen 16-40 jaar en 41-60 jaar zijn geen significante verschillen gevonden. Wel is sprake van een negatieve trend: hoe hoger de leeftijdsklasse, hoe lager het (gemiddelde) opleidingsniveau (Jonkheere-Terpstra, r = -.14 (zwakke correlatie)). 3
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
21
*) Totaal aantal antwoorden wijkt af van aantal respondenten, want respondenten konden meerdere antwoordopties aankruisen
22
Kracht en kwetsbaarheid
3.
Resultaten van het onderzoek
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. De resultaten worden gepresenteerd in de volgorde van de gestelde deelvragen. In paragraaf 3.1 wordt de sociale samenhang in gemeente Barneveld getypeerd en wordt beschreven hoe de betrokkenheid van mensen vormkrijgt in de Barneveldse samenleving, op verschillende niveaus. Paragraaf 3.2 besteedt aandacht aan de leefbaarheid in de gemeente Barneveld. Op de vraag welke groepen in Barneveld en haar buitendorpen onvoldoende kunnen participeren, gaat paragraaf 3.3 in. Dit hoofdstuk sluit af met een paragraaf over hoe het staat met het sociaal en moreel kapitaal in de Barneveldse samenleving (3.4). 3.1
Hoe kan de sociale samenhang in gemeente Barneveld getypeerd worden?
Om een antwoord te kunnen geven op de eerste deelvraag hoe de sociale samenhang in gemeente Barneveld getypeerd kan worden, is deze vraag in interviews aan sleutelfiguren uit organisaties en burgers van Barneveld voorgelegd. Er is gevraagd naar kenmerken van gemeente Barneveld en een typering van haar burgers. Ook is gevraagd waar men in Barneveld trots op is. Deze aspecten van de sociale samenleving zijn in paragraaf 3.1.1 verwerkt. Daarnaast wordt stilgestaan bij de vraag welke netwerken er bestaan in de Barneveldse samenleving en hoe deze functioneren. In paragraaf 3.1.2 is er aandacht voor sociale netwerken (informele netwerken zoals families, buren- en vriendennetwerken). In paragraaf 3.1.3 wordt gekeken naar netwerken op het niveau van de maatschappelijke organisaties (formele professionele organisaties met een maatschappelijk doel, nietprofessionele burgerorganisaties zoals sportclubs en buurverenigingen en religieuze instellingen als kerken en moskeeën). In de kaders is per subparagraaf een samenvatting te vinden. In deze en volgende paragrafen worden delen van de interviewverslagen weergegeven ter onderbouwing en illustratie. Deze zijn herkenbaar aan de afwijkende layout (kleiner lettertype, ingesprongen). Sommige tekstfragmenten zijn een letterlijke weergaven van wat de respondent zei; dan is het citaat weergegeven tussen aanhalingstekens (“..”).
In andere gevallen betreft het samenvattende teksten uit de interviewverslagen; dan worden geen aanhalingstekens gebruikt. Alle teksten zijn ter controle voorgelegd aan de geïnterviewden.
3.1.1 TYPERING VAN GEMEENTE BARNEVELD DOOR RESPONDENTEN Kenmerken volgens respondenten Barneveld is een Veluwse gemeente die bestaat uit het dorp Barneveld en acht omliggende kernen; De Glind, Garderen, Kootwijk, Kootwijkerbroek, Stroe, Terschuur, Voorthuizen en Zwartebroek. Het dorp Barneveld is een groeiend dorp. Aan de buitenranden wordt gebouwd aan de nieuwe woonwijken Veller en De Burgt. Het dorp Barneveld heeft volgens diverse respondenten het dorpse karakter in de afgelopen jaren steeds meer achter zich gelaten. Mensen gaan in Barneveld gemoedelijk met elkaar om. Er wordt vriendelijk gedag gezegd en als iemand even hulp nodig heeft, bijvoorbeeld in de winkel, dan wordt iemand altijd geholpen. Dit is echt de charme van het dorp, zeker voor mensen die van buitenaf hier komen wonen. Mensen gaan wel meer langs elkaar heen leven. Barneveld wordt steeds groter en dat merk je wel. In Voorthuizen wonen bijvoorbeeld meer mensen van buitenaf en daar ken je dan je buren niet altijd meer. Dat dorpse is een beetje aan het verdwijnen maar waar dat in zit is moeilijk onder worden te brengen. Barneveld kan getypeerd worden als een kruising tussen een dorp en een stad. In het dorp Barneveld zie je steeds meer stadse invloeden als drugs en hanggroepen. Het is natuurlijk nog niet zo sterk als in de grote steden maar je merkt wel dat mensen losser van elkaar staan.
Onderzoek naar sociale samenhang en leefbaarheid in gemeente Barneveld
23
De verandering is gewoon het gevolg van ontwikkelingen in deze tijd. Met de komst van media en import vanuit heel Nederland is Barneveld erg veranderd. “Kinderrijke (nieuwbouw)buurten waar zowel de mannen als de vrouwen een baan buitenshuis hebben. De import van Barneveld heeft zeker een invloed op de Barnevelder gemeenschap door soms andere opvattingen.” Tegelijk wordt gezegd dat Barneveld Barneveld niet meer is. Het is een groeigemeente en door de mensen van buiten verandert er wel het een en ander.
De andere kernen behouden hun dorpse karakter meer nadrukkelijk en zijn ook veel kleiner. Ook in de kern Barneveld is het dorpskarakter niet helemaal verdwenen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het belang van activiteiten en feesten waar men elkaar kan ontmoeten. De vele activiteiten zoals de oud-Veluwse markt tijdens de vakantiemaanden en de Koninginnedag zorgen voor sociale samenhang en gezelligheid. Feesten zijn belangrijk, dat zag je bijvoorbeeld in Garderen. Het midzomerfeest dat zij ieder jaar organiseerden met een week lang allerlei activiteiten zoals zeskamp en feesttent zakte een beetje in. Dus kwamen er een aantal mensen in actie, zetten daar hun schouders weer onder om het feest in ere te herstellen omdat ze het belangrijk vinden voor de saamhorigheid in het dorp. Het hoort gewoon bij Garderen. Iedereen die dat wil kan het organiseren. De ongeschreven regel is dat als je een bepaald feest vorig jaar ook georganiseerd hebt, je het het volgende jaar ook mag doen, tenzij je aangeeft dat je het niet meer wilt. De samenhorigheid loopt in Voorthuizen terug. Vroeger werden de feestdagen vanuit de lagere scholen georganiseerd en deden alle kinderen mee in bijv. de optocht en waren hele straten actief in het versieren van wagens voor het bloemencorso. Nu liggen deze initiatieven bij (oranje)verenigingen en bij burgers en is niet iedereen van het dorp er meer bij betrokken.
Uit de citaten blijkt dat de (dorps-)feesten een samenbindende werking hebben. In de buitendorpen zou er wel meer bereidheid zijn van mensen om mee te doen dan in het dorp Barneveld. Een ander kenmerk van de dorpen in gemeente Barneveld is volgens de respondenten in de interviews dat mensen elkaar kennen. Dat werkt onderlinge sociale betrokkenheid en saamhorigheid in de hand. Een ander kenmerk van gemeente Barneveld is dat iedereen elkaar kent. Hierdoor heb je vaak korte (communicatie)lijnen en gemakkelijk toegang maar een nadeel is dat het mensen ook uitsluit. Barnevelders kennen elkaar en zijn vaak vertegenwoordigd in een actief verenigingsleven: toneel, muziek, sport, ...
Kenmerkend voor Barneveld en de buitendorpen is tenslotte ook zeker het respecteren van de zondagsrust: “Wat mij ook altijd bijblijft als ik aan Barneveld denk is wat ik al ervoer toen ik als kind hier kwam. We woonden toen in Amersfoort en kerkten in Barneveld. De ervaring van de zondagse rust, dat is wat opvalt.” Respondent is zelf niet kerkelijk verbonden maar ‘het omzien naar elkaar’ is iets wat de hele samenleving van Barneveld kenmerkt. Uit respect voor haar christelijke buren zou zij bijv. zondag geen gras maaien en houden zij de zondagsrust in ere. “Wij willen op een goede
24
Kracht en kwetsbaarheid
manier met buren samenleven”, ook al is het volgens haar veel ‘buitenkant’ van met name de zwaardere kerkelijke groeperingen. “Barneveld is een beetje een behoudende gemeente. Wij zijn een zaterdagvereniging, dus we hebben ook niet zoveel op zondag, maar dat zou hier ook … met zondagsactiviteiten is men zeer voorzichtig.”
Eigen karakter buitendorpen In interviews is de verscheidenheid van de kernen een terugkerend thema. Het karakter van elk van die kernen, die ook buitendorpen worden genoemd, wordt bepaald door de eigen geschiedenis, specifieke gewoontes en gebruiken die daar heersen. De buitengebieden zijn nog wel dorps. Dat uit zich erin dat ze erg op zichzelf staan. Kenmerkend is het ons kent ons en de sterke gewoontes en gebruiken die daar heersen. De mensen in de buitengebieden zijn erg op elkaar ingespeeld en weten wat er binnen hun gemeenschap speelt. Er zijn grote verschillen tussen de kernen van Barneveld. Meneer vergelijkt het met de ‘klompenjongens’ vanuit het buitengebied en de ‘leren schoenenjongens’ vanuit het binnengebied (Barneveld). Iedere kern in Barneveld heeft volgens mevrouw haar eigen karakter. Dat maakt Barneveld een heel aantrekkelijke gemeente. Barneveld is bijvoorbeeld meer behoudend in vergelijking met Voorthuizen. Voorthuizen is een eigenzinnig dorp, Garderen is een kern op zich en in Zwartebroek en Terschuur is veel samenhang. In de Glind wonen veel pleegkinderen (kinderdorp) en Kootwijk is erg klein met een laag voorzieningenniveau.
Voorthuizen en in iets mindere mate ook Garderen worden door velen opmerkelijk anders genoemd. Deze dorpen zouden een minder behoudend karakter hebben dan andere dorpen in de gemeente. Ze kenmerken zich door recreatie en toerisme. In Voorthuizen wonen 9000 mensen, maar in de zomermaanden loopt dit cijfer op naar 35.000 mensen. Voorthuizen en Garderen zijn in de zomermaanden erg toeristisch waardoor er een ‘lossere’ sfeer ontstaat waarin onderwerpen makkelijker bespreekbaar zijn. Mevrouw heeft altijd in Voorthuizen gewoond en moest erg wennen toen zij naar Barneveld verhuisde. Barnevelders zijn volgens haar behoudender en stuggere mensen terwijl Voorthuizen een vakantiedorp is wat zorgt voor een ‘open’ sfeer en meer levendigheid. Er is in Voorthuizen ook meer ‘import’ van buitenaf. Dat zorgt voor een andere leef- en denkwijze. De recreatie geeft ook een positieve mentaliteit. De mentaliteit in dorpen met toerisme is opener, de andere dorpen zijn meer intern gericht. De toeristen brengen een beetje leven met zich mee.