Bijlage 1 Concept - Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Barneveld 30 januari 2025
Tekst van het document
Rapport (definitief)
Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Gemeente Barneveld
4 februari 2025
Inhoudsopgave Voorwoord
4
1.
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Aanpak en participatie
5
2.
Onderwijsaanbod in Barneveld
7
3.
Trends en ontwikkelingen
9
3.1
Demografische ontwikkelingen
9
3.2
Ontwikkelingen onderwijshuisvesting
10
4.
Kaders en uitgangspunten
12
4.1
Gemeentelijke zorgplicht
12
4.2
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (VVHO)
12
4.3
Wet Passend Onderwijs
12
4.4
Hiaten in het (bekostigings)stelsel
12
4.5
Wetswijziging onderwijs
13
4.6
Wetswijziging van school naar duurzaam werk
13
4.7
Kaders Barneveld
13
4.8
Wettelijke eisen aan schoolgebouw
15
4.9
Raakvlakken met ander beleid
16
5.
Visie IHP
17
5.1
Toekomstbestendigheid
17
5.2
Leer- en ontwikkelingsomgeving
17
5.3
Keuzevrijheid – thuis nabij
18
5.4
Gebouw
19
5.5
Organisatie samenwerking gemeente en schoolbesturen
20
6.
Bekostiging
22
6.1
Financiële uitgangspunten.
22
6.3
Aanvullende uitgangspunten
23
6.4
Aanvullende stelposten
24
6.5
Uitgangspunten bij uitbreidingsgebieden
24
7.
Scenario’s
25
7.1
Voorthuizen
25
7.2
Kootwijkerbroek
27
7.3
Zwartebroek en Terschuur
28
7.4
De Glind
28
7.5
Stroe
29
7.6
Garderen
30
7.7
Barneveld noord
31
7.8
Barneveld centrum en Norschoten
32
7.9
Barneveld zuid
33
8.
Procesafspraken
36
8.1
Organisatie
36
8.2
IHP en Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
36
8.3
Kaders en stappen bij planontwikkeling
36
8.4
Passend onderwijs en kindcentra
37
9.
Begrippen en Verwijzingen
38
Bijlage 1 Overzicht leerlingenontwikkeling per kern
39
Bijlage 2 Overzicht planning investeringen
44
Voorwoord Onderwijs is van fundamenteel belang voor onze samenleving. Als gemeente Barneveld hebben we de verantwoordelijkheid om onze kinderen een goede start te geven. Dat begint bij een veilige en inspirerende leeromgeving. Dit Integraal Huisvestingsplan (IHP) is onze routekaart om die ambitie waar te maken. In de afgelopen jaren hebben we gezien hoe de gemeente Barneveld hard is gegroeid. Met die groei komen veel uitdagingen op ons pad en ook veel kansen. Dit plan houdt rekening met de huidige en de verwachte toename van het aantal leerlingen en zet in op duurzame, flexibele onderwijshuisvesting die klaar is voor de toekomst. We hebben goed geluisterd naar de behoeften van scholen, ouders en leerlingen. De input van de schoolbesturen is onmisbaar geweest bij het vormgeven van dit plan. Het resultaat is een evenwichtig plan dat recht doet aan de diversiteit van onze gemeente. Op dit moment is de huisvestingspuzzel voor Zwartebroek / Terschuur en voor Barneveld Zuid nog niet af. Schoolbesturen en gemeente willen wel graag dat het IHP verder gaat. Er groeit vertrouwen in een werkbare oplossing voor de missing links die er op dit moment nog zijn. Ik ben trots op de samenwerking die ten grondslag ligt aan dit IHP.
Het laat zien dat we als gemeenschap in staat zijn om over de grenzen van individuele belangen heen te kijken en gezamenlijk te werken aan goed onderwijs voor onze kinderen. Als wethouder Onderwijs ben ik blij u dit IHP voor onze gemeente te presenteren. Dit plan is het resultaat van maanden intensieve samenwerking tussen de gemeente, schoolbesturen, en andere belanghebbenden. Dit plan is ambitieus, maar realistisch. Het vraagt om investeringen, maar deze zijn noodzakelijk voor de toekomst van de gemeente Barneveld. Ik kijk ernaar uit om samen met u dit plan tot uitvoering te brengen en zo te bouwen aan een sterke onderwijstoekomst voor onze gemeente.
Jolanda de Heer wethouder onderwijs gemeente Barneveld
4
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Vanaf 2007 werken de gemeente Barneveld en de schoolbesturen samen bij het opstellen van een visie ten aanzien van onderwijshuisvesting, het zogenaamde Masterplan Onderwijshuisvesting. De meest recente versie van het Masterplan Onderwijshuisvesting waarin een integrale visie voor het primair, voortgezet en speciaal onderwijs is vastgelegd, is in 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. Onderdeel hiervan vormen de 17 kaders (zie hoofdstuk 4) waarbinnen het Masterplan moet worden ontwikkeld. De laatste update van deze kaders is in 2022 vastgesteld. Herijking van het Masterplan was opgenomen op de Lange Termijn Agenda (LTA) voor 2024. Voorafgaand aan de herijking van het Masterplan was er behoefte aan een objectieve uitsprak over de doelmatigheid van het gevoerde beleid op het gebied van onderwijshuisvesting. Hiertoe is er een doelmatigheidsonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat het door de gemeente Barneveld gevoerde beleid op onderwijshuisvesting doelmatig en rechtmatig is. Er zijn in dit onderzoek geen onregelmatigheden aangetroffen bij de uitvoering van het beleid en de gestelde (financiële) kaders. De aanbevelingen kunnen worden gebruikt als ondersteuning bij om de toekomstige ontwikkeling van het beleid en daarmee bij de herijking van het Masterplan.
Dit IHP sluit aan bij het wetsvoorstel “planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting” waarbij elke gemeente verplicht is een Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor onderwijshuisvesting vast te stellen. Een IHP is een lange termijn visie voor onderwijshuisvesting, gebaseerd op een gezamenlijke visie van gemeente en schoolbesturen. Het geeft inzicht in de noodzakelijke investeringen voor de toekomstige scholenbouw. De beoogde inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2025 of iets later in januari 2026. De herijking van het Masterplan is aangegrepen om te anticiperen om dit wetsvoorstel. Samen met de resultaten uit het doelmatigheidsonderzoek draagt dit bij aan adequate en doelmatige onderwijshuisvesting nu en in de toekomst en dat is waar we aan blijven werken voor alle leerlingen die onderwijs genieten in de gemeente Barneveld.
1.2
Doel
Het IHP heeft als doel de gezamenlijke visie van schoolbesturen en de gemeente op het onderwijs (in overleg met kinderopvangorganisaties) te vertalen naar heldere richtlijnen voor de onderwijshuisvesting. In dit IHP worden duidelijke afspraken gemaakt over de opgaven in de gemeente Barneveld, waarbij gelijkwaardigheid en gezamenlijke ambities centraal staan.
1.3
Aanpak en participatie
Het IHP is het resultaat van een traject waarbij schoolbesturen en gemeente samen hebben opgetrokken. Hierbij is ook gebruik gemaakt van wat in het verleden is opgehaald en vastgesteld. Naast het eerder vastgestelde Masterplan 2017-2032 en bijbehorende 17 kaders zijn de resultaten uit het doelmatigheidsonderzoek verwerkt. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de aanbevelingen uit het doelmatigheidsonderzoek. Bij het opstellen van het IHP zijn de volgende stappen doorlopen:
Stap 1: Kaders en uitgangspunten Bij deze stap zijn de uitgangspunten van het de doorlopen traject en de kaders afgestemd en bepaald. Hiertoe is in een sessie met de betrokken schoolbesturen ingegaan op de te nemen stappen, de benodigde inzet en het daaraan gekoppelde tijdsplan.
5
Stap 2: Inventarisatie Voorzien in adequate onderwijshuisvesting kan alleen als er inzicht is in de behoefte. Deze behoefte is als eerste in kaart gebracht. De basisgegevens van de schoolgebouwen, zoals grootte en bouwjaar, zijn door de schoolbesturen aangevuld met gegevens over de staat van het onderhoud en de aansluiting van het gebouw op de onderwijsvisie. Stap 3: Visie In een interactieve sessie is gesproken over de visie op onderwijshuisvesting en zijn uitgangspunten benoemd. Samen met de betrokken partijen is ingegaan op de definitie en prioritering van de bouwstenen: Welke bouwstenen zijn belangrijk binnen de gemeente Barneveld en verdienen daarmee een prominente plek in het IHP en welke bouwstenen zijn minder relevant of urgent. Deze visie komt in hoofdstuk 4 van het IHP aan de orde. Stap 4: Scenario ontwikkeling Bij deze stap is gekeken naar wat er nodig is om de gewenste situatie te realiseren. Met een groep vertegenwoordigers vanuit de verschillende schoolbesturen is per woonkern een meerjarenperspectief opgesteld, gebaseerd op de maatregelen die nodig zijn om de doelstelling, adequate onderwijshuisvesting, te verwezenlijken. Stap 5: Uitwerking en fasering De verschillende scenario’s per school en per woonkern en ook de onderlinge verbondenheid en volgordelijkheid zijn vervolgens besproken en vertaald in een planning.
Daarnaast zijn de consequenties voor de gemeente en schoolbesturen in kaart gebracht. Er is onderzocht of en op welke manier spreiding mogelijk is, zowel geografisch, financieel als in tijd. Ook zijn er procesafspraken vastgelegd Stap 6: Afronding De hiervoor doorlopen stappen zijn samengebracht in dit IHP. Het succes van een IHP wordt uiteindelijk bepaald door de wijze waarop alle betrokkenen zich gehoord voelen en de plannen omarmen.
6
2.
Onderwijsaanbod in Barneveld
Het aanbod aan scholen en daarvoor verantwoordelijke schoolbesturen in Barneveld is divers. Van de schoolbesturen, met variërend 1 tot 8 scholen onder hun hoede, zijn er 12 voor het primair onderwijs, 2 voor het speciaal onderwijs en 3 voor het voortgezet onderwijs. Hieronder is een overzicht opgenomen van de scholen en schoolbesturen. Primair onderwijs 1 Schoolbestuur
School
Kern
Stichting Eem-Vallei Educatief (STEV)
OBS De Lijster
Barneveld
OBS Plantijn
Barneveld
OBS De Vliegeniers
Barneveld
OBS De Regenboog
Voorthuizen
Kerkelijk Lichaam Gereformeerde Gemeenten te Ds. J. Fraanjeschool de Vesting Barneveld Ds. J. Fraanjeschool de Burcht
Barneveld
Vereniging tot het verstrekken van basisonderwijs op reformatorische grondslag Vereniging voor Gereformeerd Primair Onderwijs CorDeo Scholengroep Stichting Hervormde Scholen de Drieslag
Rehobothschool
Kootwijkerbroek
De Bron Barneveld
Barneveld
IKC Juliana
Barneveld
Prins Willem-Alexanderschool
Barneveld
Barneveld
IKC Amalia (de verwachting is dat er in 2025 Barneveld verzelfstandiging van nevenvestiging KC Ariane plaats gaat vinden. ) Willem van Oranjeschool Barneveld Stichting Hervormde Scholen te Voorthuizen Stichting PCO Gelderse Vallei
Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs te Garderen, Stroe Kootwijkerbroek
NHBS De Zaaier
Terschuur
De Wheemschool
Voorthuizen
Koningin Wilheminaschool
Voorthuizen
Kindcentrum De Branding Barneveld (de verwachting is dat de twee vestigingen, in Norschoten en Veller, in 2025 verzelfstandigen) Kindcentrum De Fontein, Lijsterhof Barneveld
en
Kindcentrum De Fontein, Burgthof
Barneveld
Kindcentrum De Spreng
Barneveld
Kindcentrum Van den Bergh
Voorthuizen
Kindcentrum Het Anker
Zwartebroek
Kindcentrum De Vlindertuin
Voorthuizen
PCBS De Bron
Stroe
Prins Bernhardschool
Garderen
Koningin Beatrixschool
Kootwijkerbroek
Stichting tot het verstrekken van Onderwijs op Eben-Haëzerschool Gereformeerde Grondslag Stichting Katholiek Onderwijs Veluwe-Vallei R.K. Antoniusschool (Kath. Jenaplan.)
Barneveld
Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Ruitenbeekschool (per 01-08-25) Scholen met de Bijbel te Overwoud bij Lunteren
Barneveld
Barneveld
1
Primair onderwijs is een overkoepelende term die verschillende onderwijsvormen omvat: • Basisonderwijs: regulier onderwijs op basisscholen voor kinderen van 4 tot 12 jaar. • Speciaal basisonderwijs: voor kinderen met extra (leer)behoeften. • Speciaal onderwijs: voor kinderen met specialistische ondersteuningsbehoeften, zoals auditieve, lichamelijke of verstandelijke beperkingen, en zware gedragsproblemen. • Voortgezet speciaal onderwijs: voor leerlingen die vanuit het speciaal onderwijs doorstromen
7
Speciaal onderwijs Schoolbestuur Stichting voor Chr. Speciaal basisonderwijs voor Barneveld e.o. Stichting J.H. Donnerschool
School
Kern
CSvSBO De Vogelhorst
Barneveld
J.H. Donnerschool
De Glind
Stichting voor Speciaal en Voortgezet Speciaal Onderwijs Rehoboth Onderwijs en zorg op Gereformeerde Grondslag in de regio Veluwe Voortgezet onderwijs Schoolbestuur
School
Barneveld
Kern
Stichting voor Protestants Christelijk Voortgezet De Meerwaarde Onderwijs De Meerwaarde Stichting Reformatorisch Bijbelgetrouw Onderwijs (RBO) VLC Van Lodenstein College
Barneveld
Stichting voor Protestants Christelijk Voortgezet Onderwijs voor de gemeente Barneveld en omgeving
Barneveld
JFC Johannes Fontanus College
Barneveld
8
3.
Trends en ontwikkelingen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de demografische ontwikkeling van de gemeente Barneveld en algemene landelijke trends en ontwikkelingen die invloed (kunnen) hebben op onderwijshuisvesting.
3.1
Demografische ontwikkelingen
Het IHP is gebaseerd op de actuele leerlingenprognose (2024), waarbij rekening is gehouden met de bevolkingsontwikkeling en de woningbouwontwikkeling van de gemeente Barneveld. De omvang en opbouw van de bevolking is van invloed op de vraag naar onderwijshuisvesting in de gemeente. Er wordt uitgegaan van de ambities en plannen verwoord in beleidsstukken en plannen voor gebiedsontwikkeling. Mogelijke vertragingen (door bijvoorbeeld ruimtelijke procedures of netcongestie) of programmabijstellingen (aantallen en type woningen) kunnen gevolgen hebben voor de leerlingenprognoses.
3.1.1 Omgevingsvisie Barneveld In de Omgevingsvisie 2040 is opgenomen dat de gemeente Barneveld 10.000 woningen wil realiseren tot 2040. Dit betekent een toename van het aantal inwoners naar ongeveer 80.000. De groei zal zich daarna voortzetten (naar ca. 85.000 inwoners), maar minder sterk. Het merendeel van de nieuwe woningen wordt in de kernen Barneveld en Voorthuizen gerealiseerd. 3.1.2 Woonvisie gemeente Barneveld 2021 – 2025 De woonvisie gaat ook uit van een toename van het aantal inwoners. Hierin wordt gesproken over een groei tot minimaal 75.000 in 2040. Barneveld en Voorthuizen zijn de twee grootste kernen met de meeste inwoners (35.000 en 11.000). De andere kernen variëren van 300 tot 6.000 inwoners. Het aantal huishoudens neemt volgens de prognose toe tot ruim 26.000 in 2040. Gemeente Barneveld wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van relatief veel jongeren. Gezinnen met kinderen vormen een belangrijke groep binnen de gemeente. Het aantal 65-plussers zal als gevolg van vergrijzing gaan toenemen. De gemeentelijke ambitie is om tot 2025 een tempo van 450 – 500 nieuwe woningen per jaar vast te houden.
3.1.3 Leerlingenprognoses 2024 Naast de bevolkingsontwikkeling geeft de leerlingenprognose belangrijke informatie als het gaat om de verwachte behoefte aan onderwijshuisvesting. De ontwikkeling van de leerlingenaantallen geeft aan hoe de ruimtebehoefte van het onderwijs zich in de aankomende jaren ontwikkelt en welke (extra) voorzieningen nodig zijn om het onderwijs te kunnen blijven faciliteren. In overeenstemming met de ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie en woonvisie zal het aantal leerlingen in het onderwijs toenemen. Ten opzichte van 2024 neemt het aantal leerlingen daarmee de behoefte aan onderwijshuisvesting tot 2040 toe met gemiddeld bijna 21 procent. Hierbij moet worden opgemerkt dat het voortgezet onderwijs de trend in het primair onderwijs volgt en dat na 2040 de groei van het aantal leerlingen in het vo verder zal toenemen. De prognoses voor de eerste jaren zijn gebaseerd op concreet uitgewerkte woningbouwplannen, waaraan ook een planning is gekoppeld. De jaren daarna zijn gebaseerd op de woonvisie en omgevingsvisie. Er is nog niet bekend hoe en wanneer deze ambities concreet worden vertaald in een uitvoeringsplanning. Dit betekent dat fase 1 (2026-2029) redelijk nauwkeurig is en de fases daarna minder nauwkeurig zijn omdat er nog teveel onzekerheden zijn.
Het onderstaande figuur 1 toont het totale aantal leerlingen in het basisonderwijs volgens de leerling prognose van 2024. Hieruit blijkt dat het aantal leerlingen in het basisonderwijs groeit van ongeveer 6.800 leerlingen in 2023 naar ongeveer 8.700 leerlingen in 2039. Daarna daalt het aantal leerlingen tot ongeveer 8.500 leerlingen in 2044. Dit is een verwachte totale groei van ongeveer 1.900 leerlingen tot 2039.
9
Figuur 1: Prognoses leerlingen
Eenzelfde ontwikkeling van de leerlingaantallen is te zien in het speciaal basisonderwijs.2 Daar groeit het aantal leerlingen van 300 in 2023 naar 347 in 2039. Vervolgens daalt het aantal leerlingen licht tot 342 leerlingen in 2044. De verwachte totale groei in het SBO voor de komende 15 tot 20 jaar ligt tussen de 42 en 47 leerlingen. Uit figuur 1 blijkt dat het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs groeit van ongeveer 4.900 leerlingen in 2023 naar ongeveer 6.000 leerlingen in 2039. Daarna groeit het aantal leerlingen verder door tot ongeveer 6.300 leerlingen in 2044. Dit is een verwachte totale groei van ongeveer 1.400 leerlingen tot 2044. Hierbij is de keuze van het schoolbestuur om het Van Lodenstein College door de verplaatsing van de vestiging uit Hoevelaken en verbreding van het onderwijsaanbod nog niet meegenomen. Deze plannen vragen nog om verdere uitwerking. Ook het speciaal (voortgezet) onderwijs laat een toename van het aantal leerlingen zien. Hierbij groeit het aantal leerlingen van 440 in 2023 naar 518 in 2039. De groei zet volgens de prognose door tot 526 leerlingen in 2044. De verwachte totale groei in het s(v)o voor de komende 15 tot 20 jaar ligt tussen de 78 en 86 leerlingen.
Voor gemeente Barneveld betekent de toename van het aantal leerlingen in alle onderwijssectoren dat er de komende jaren een groeiende behoefte aan onderwijshuisvesting verwacht kan worden. Een deel van deze groei kan mogelijk opgevangen worden in bestaande scholen door het gebouw zo optimaal mogelijk te gebruiken. Een deel van deze groei zal ook moeten worden ondervangen door uitbreiding van bestaande schoolgebouwen of nieuwbouw. In het basisonderwijs stijgt de ruimtebehoefte van ongeveer 40.000 m² in 2024 naar ongeveer 48.500 m² in 2039. Dit is een verwachte toename van ongeveer 8.600 m². In het voortgezet onderwijs stijgt de ruimtebehoefte van ongeveer 34.100 m² in 2024 naar ongeveer 40.300 m² in 2039. Dit is een verwachte toename van ongeveer 6.200 m². Ook in het speciaal basisonderwijs en het speciaal (voortgezet) onderwijs stijgt de ruimtebehoefte van ongeveer 8.900 m² in 2024 naar ongeveer 10.100 m² in 2039. Dit is een verwachte toename van ongeveer 1.200 m². Voor het gehele onderwijs in gemeente Barneveld wordt verwacht dat de ruimtebehoefte tot 2039 toeneemt met ongeveer 16.000 m² ten opzichte van 2024. Hierbij is de uitbreiding van het Van Lodenstein College door de verplaatsing van de vestiging uit Hoevelaken en verbreding van het onderwijsaanbod niet meegenomen.
3.2
Ontwikkelingen onderwijshuisvesting
Vanuit het ministerie van OCW, de PO- en VO-raad en de VNG is in het bestuurlijk overleg in juni 2023 de ambitie vastgelegd om “kwalitatief betere, gezondere, en duurzame schoolgebouwen ten behoeve van een hoger leerrendement en lager ziekteverzuim te realiseren en daarmee bij te dragen aan kansengelijkheid in het onderwijs en het behalen van de landelijke klimaatdoelen.” 2
Leerlingenprognose en ruimtebehoefte Speciaal Basisonderwijs 2024 Gemeente Barneveld
10
Dit lijkt ambitieus, vooral door de scheefgroei die is ontstaan tussen de werkelijke kosten voor onderwijshuisvesting en de bekostiging hiervan. Hoewel er in de modelverordening zoals de VNG die publiceert, sprake is van een jaarlijkse bijstelling, is duidelijk dat er aanvullende budgetten nodig zijn om duurzame en toekomstbestendige schoolgebouwen te kunnen realiseren. Gemeenten en schoolbesturen ontvangen weliswaar middelen vanuit het rijk om deze uitgaven te bekostigen, maar deze middelen zijn niet voldoende meegegroeid met de prijs- en kwaliteitsontwikkelingen. Om de rijksambitie van volledig energie neutrale en circulaire gebouwen in 2050 te kunnen realiseren wordt per gemeente de koers uitgestippeld en maatregelen geformuleerd. Een uitdaging waar niet alleen onderwijshuisvesting mee geconfronteerd wordt, is de krapte op de arbeidsmarkt en daardoor een krapte aan deskundigheid en capaciteit. Mede hierdoor is het tempo van de realisatie van bouwprojecten lager dan gewenst. Daarnaast speelt dat er een druk is op de grondstoffen en dat ruimte een steeds schaarser goed is. Combineren van bouwopgave is nodig om de ruimte beter te benutten, maar dat maakt de opgave niet eenvoudiger. Het bekijken van de opgave vanuit de totale gebiedsontwikkeling is noodzakelijk en legt daarmee meer verantwoordelijkheid bij de gemeente.
Binnen de gemeente Barneveld wordt daarom nauw samengewerkt tussen onderwijshuisvesting en gebiedsontwikkeling.
11
4.
Kaders en uitgangspunten
Het IHP Onderwijshuisvesting moet voldoen aan relevante wet- en regelgeving waaronder de Wet op Primair Onderwijs.. Naast die wet- en regelgeving zijn er ook gemeentelijke (beleids)kaders waaronder de Verordening voorzieningen Huisvesting Onderwijs. In dit hoofdstuk worden de kaders en uitgangspunten kort benoemd en toegelicht.
4.1
Gemeentelijke zorgplicht
Sinds 1997 heeft de gemeente de wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende huisvesting voor onderwijs en bewegingsonderwijs. De zorgplicht is verankerd in de Wet op het primair onderwijs (Wpo), de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) en de Wet op de Expertise Centra (Wec). De gemeente heeft een zorg voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting en leerpakketten, herstel van constructiefouten en herstel en vervanging bij schade door bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld vandalisme of schade door weersomstandigheden).
4.2
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (VVHO)
In deze lokale verordening is vastgelegd hoe de gemeente Barneveld juridisch en procedureel invulling geeft aan haar (wettelijke) verantwoordelijkheden. De schoolbesturen gaan over de inhoud van het onderwijs. Bij de schoolgebouwen zijn ze verantwoordelijk voor onderhoud, aanpassingen, exploitatie en beheer. De gemeente Barneveld volgt over het algemeen de modelverordening van de VNG. De huidige VVHO dateert van januari 2015. Sinds 2015 heeft de VNG nog enkele aanpassingen doorgevoerd. Deze wijzingen hebben vooral betrekking op de berekening van de ruimtebehoefte voor het voortgezet onderwijs en de buitenruimte. Daarnaast zijn er vanuit het doelmatigheidsonderzoek nog aanbevelingen gedaan om deze verordening aan te passen. Het gaat hierbij om de actualisatie van de berekening van de ruimtebehoefte voor de verschillende onderwijssoorten en de toekenning van het voorbereidingskrediet. Aanpassing van deze verordening maakt geen onderdeel uit van het IHP-proces. Vanwege de onderlinge verbondenheid tussen beide documenten wordt deze verordening na vaststelling van het IHP aangepast en ter besluitvorming voorgelegd.
4.3
Wet Passend Onderwijs
Het huidige systeem is nog onvoldoende ingericht op speciaal onderwijs. In augustus 2014 is de Wet Passend Onderwijs in werking getreden en hebben onderwijsinstellingen een zorgplicht. Dit betekent dat scholen de taak hebben om leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo goed mogelijke, een passende, plek in het onderwijs te bieden. In de praktijk is gebleken dat de uitvoering van deze wet soms lastig is. Dit blijkt ook uit Kamerbrief Evaluatie en Verbeteraanpak Passend Onderwijs van 4 november 2020.
4.4
Hiaten in het (bekostigings)stelsel
Sinds 2015 is het budget voor het groot onderhoud en aanpassingen door het Rijk door gedecentraliseerd van de gemeente naar de schoolbesturen. Dit was bij het vo het geval en geldt nu ook in het po en s(v)o. De schaal in het primair onderwijs is veel kleiner dan in het vo en dat heeft gevolgen voor de reserves en risico’s voor de schoolbesturen. Deze doordecentralisatie heeft ook gevolgen voor het renovatievraagstuk; de onderdelen groot onderhoud en aanpassing vielen, net als vervangende nieuwbouw, tot 2015 onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Voor 2015 kon de keuze tussen renovatie of nieuwbouw op technische en functionele grondslag gemaakt worden na zorgvuldig onderzoek van het schoolgebouw. De discussie wie dat zou betalen, het schoolbestuur of de gemeente, speelde tot 2015 geen rol. Die discussie doet zich nu landelijk wel voor. In het huidige systeem is de gemeente verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding van schoolgebouwen en het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. Dit zorgt voor een spanningsveld omdat beide partijen ervoor kunnen kiezen om hun taak zo minimaal mogelijk uit te voeren. Een gemeente kan ervoor kiezen om een nieuw schoolgebouw zo goedkoop en efficiënt mogelijk te realiseren waardoor een schoolbestuur hogere onderhoudskosten zal krijgen.
Andersom kan een schoolbestuur ervoor kiezen om onderhoud niet uit te voeren en al eerder nieuwbouw aan te vragen op basis van de conditie van het gebouw.
12
4.5
Wetswijziging onderwijs
Om deze hiaten in het stelstel te herstellen, is er nieuwe wetgeving in de maak. Hierbij wordt renovatie (levensduurverlenging van meer dan 25 jaar) opgenomen als voorziening en wordt daarmee de verantwoordelijkheid van de gemeente. Daarnaast wordt (een deel van) het investeringsverbod opgeheven voor het primair en speciaal onderwijs. Ook wordt het opstellen van een IHP waarin de beleidsdoelen zijn opgenomen verplicht, zodat schoolbesturen en gemeenten duidelijke afspraken met elkaar maken over de onderwijshuisvesting. In deze wet wordt uitgegaan van een 4-jaarlijkse cyclus waarin de gemeente en schoolbesturen alle plannen voor uitbreiding, krimp, renovatie vervanging of nieuwbouw tijdens deze periode vastleggen en de afwegingen toelichten en onderbouwen. Door de schoolbesturen op te stellen meerjarenonderhoudsplannen (MJOP) moeten deel uitmaken van het afwegingskader. Ook deze MJOP’s moeten op basis van inspectie iedere 4 jaar worden op- of bijgesteld. Naast de plannen voor de komende 4 jaar moet het IHP een minimale doorkijk geven naar de plannen voor de 12 jaar daaropvolgend (in totaal dus 16 jaar). Deze wetswijziging wordt verwacht in augustus 2025 of januari 2026. Zoals in de inleiding is aangehaald, wordt met dit IHP geanticipeerd op de wetswijziging.
4.6
Wetswijziging van school naar duurzaam werk
Naast de aanpassing van de wetten ten aanzien van onderwijshuisvesting ligt er een wetsvoorstel met als doel de kansengelijkheid onder jongeren te vergroten door betere begeleiding en ondersteuning richting economische zelfstandigheid. Hierbij is de leeftijd waarop de betrokkenheid en samenwerking tussen ondersteunende instanties nodig is verhoogd. Dit wetsvoorstel heeft geen directe consequenties ten aanzien van de onderwijshuisvesting, maar benadrukt wel het belang van een integrale benadering van de ontwikkeling van kinderen en jongeren en wordt daarom vanuit het samenwerkingsverband Passend Onderwijs Barneveld-Veenendaal relevant geacht voor het IHP. Het voorstel moet nog behandeld worden door de Tweede Kamer. De beoogde inwerkingstelling is 1 januari 2026.
4.7
Kaders Barneveld
4.7.1 Afspraken tussen gemeente en schoolbesturen Naast landelijke wet- en regelgeving zijn er ook op gemeentelijk niveau een aantal afspraken gemaakt tussen gemeente Barneveld en de schoolbesturen. Deze kaders zijn vastgesteld in 2022 (Masterplan). Dit IHP is een herijking van het Masterplan. De afspraken tussen de gemeente en schoolbesturen worden daarom integraal in dit IHP overgenomen. Waar nodig zijn deze afspraken aangescherpt of bijgesteld. In het Masterplan lopen wettelijke en gemeentelijke afspraken door elkaar heen. Hieronder zijn de afspraken uit het Masterplan opgenomen en hebben we aangegeven welke afspraken volgen uit de wettelijke kaders en welke gemeentelijke kaders hieraan worden toegevoegd. Vervolgens lichten we de gemeentelijke kaders nader toe. Wettelijke kaders 1.
Voldoen aan de wettelijke zorgplicht voor de onderwijshuisvesting van scholen voor primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs binnen de gemeentegrenzen;
2.
De (laatste vastgestelde) Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (VVHO) gemeente Barneveld 2015 is hierbij het uitgangspunt;
3.
Vernieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overwogen op het moment dat een gebouw ouder is dan 40 jaar, waarbij sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbestuur en gemeente;
4.
Het onderhoudsniveau is sober maar adequaat, waarbij de Meerjarenonderhoudsprogramma’s (MJOP’s) van de schoolbesturen en het IHP afgestemd worden op elkaar;
5.
Een evenwichtige spreiding van het openbaar onderwijs;
Gemeentelijke kaders 6.
Voorfinanciering scholen is geen vanzelfsprekendheid, er dient vooraf overeenstemming te zijn;
7.
Er wordt op een zorgvuldige manier omgegaan met leegstand en het afstoten van gebouwen, waarbij mogelijkheden voor brede scholen worden meegenomen;
13
8.
Tijdelijke uitbreiding is alleen aan de orde indien de behoefte aan deze uitbreiding slechts van tijdelijke duur is (minimaal 4 jaar of maximaal 10 jaar). Er wordt daarbij gezocht naar praktische oplossingen;
9.
Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren en (laten) uitvoeren van samenwerkingsverbanden, zoals met voor- en naschoolse opvang, mbo-instellingen of het bedrijfsleven maar kunnen in het belang van themagerichte of doorgaande leerlijnen van 0 tot 20 jaar een beroep doen op de gemeente om ruimte te faciliteren;
10. Budget voor parkeren vanuit de eisen voor een vergunning wordt toegevoegd aan de normbudgetten; 11. De financiële normering van schoolgebouwen dient voldoende ruimte te bieden om het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving samen met de eisen vanuit BENG, vanuit waterberging en natuur-inclusief bouwen toe te passen; 12. Bij het bouwen van gymzalen die gebruikt worden voor het bewegingsonderwijs de minimale zaalgrootte volgens de KVLOnorm van 14 x 22 m toepassen, waarbij we de loopafstand tussen school en gymvoorziening zo klein mogelijk houden en busvervoer tegengaan; 13. Bij locatieonderzoeken en uitwerkingen voor (vervangende) nieuwbouw van scholen wordt een zo veilig mogelijke verkeerssituatie altijd meegenomen; 14. Bij nieuwe wijken zorgen we voor een passende schoolgrootte in permanente vorm waarbij we daarnaast centraal in de wijk semipermanente overlooplocaties voor meerdere scholen in één gebouw realiseren om de piek in een nieuwe wijk op te vangen, waarbij ook gekeken wordt naar passende en logische oplossingen in de nabijheid van de school; 15. (Ver)nieuwde scholen krijgen een zo groen mogelijk schoolplein in samenspraak met het schoolbestuur, waarbij het bomenonderhoud door de gemeente waar mogelijk meegenomen wordt. Bij de uitvoering wordt rekening gehouden met overlast en vandalismebestrijding; 16.
Scholen die bereid zijn hun plein beschikbaar te stellen voor kinderen uit de wijk na schooltijd krijgen een tegemoetkoming in het onderhoud; 17. We maken een beargumenteerde keuze of en in welke mate bij nieuwbouw en vernieuwbouw ook recht kan worden gedaan aan de extra ruimtebehoefte voor passend onderwijs.
4.7.2 Toelichting op de vastgestelde gemeentelijke kaders Voorfinanciering (kader 6) Voorfinancieren wil zeggen dat een schoolbestuur bij nieuwbouw zelf een grotere capaciteit realiseert dan in eerste instantie nodig is, met het idee dit in een later stadium bij groei alsnog vergoed te krijgen van de gemeente. In de tussenliggende periode financiert de school het benodigde budget voor. In het doelmatigheidsonderzoek is hierover opgenomen dat de wijze waarop het besluit is vormgegeven risico’s kent. Er wordt vooruitgelopen op mogelijke vaststelling van toekomstige Programma’s huisvesting onderwijs. Dat is in het huidige stelsel niet mogelijk; het is immers de raad die jaarlijks het Programma vaststelt, op voorstel van het college. Ten tweede wordt een niveau van voorfinanciering gevraagd dat schuurt (dan wel botst) met de bepalingen uit de Wet op het primair onderwijs, waarin gesteld wordt dat een school haar rijksmiddelen niet mag aanwenden voor voorzieningen in de huisvesting (investeringsverbod). Vooruitlopend op het wetsvoorstel, waarin het investeringsverbod voor schoolbesturen komt te vervallen, kan dit kader opgenomen worden in dit IHP. Het is wel belangrijk om in geval van voorfinanciering vooraf tot overeenstemming te komen over de te hanteren leerling prognoses voor de betreffende locatie.
Leegstand (kader 7) Onder leegstand wordt de normatieve leegstand of overmaat bedoeld ten opzichte van de ruimtebehoefte waarin door middel van de vergoeding aan het schoolbestuur vanuit het rijk wordt voorzien. Er wordt op een zorgvuldige manier omgegaan met leegstand en het afstoten van gebouwen, waarbij mogelijkheden voor brede scholen worden meegenomen. De inwonende organisatie betaalt daarbij minimaal een kostprijsdekkende huurprijs (kpdh). De kostprijsdekkende huur zorgt voor duidelijkheid en scheidt de geldstromen. Volgens de Wet Markt en Overheid moeten gemeenten bij economische activiteiten, zoals de verhuur van gemeentelijk vastgoed, minstens de volledige kosten doorberekenen. Dit betekent dat de minimale huurprijs die gevraagd wordt bij het begin van de gebruiksperiode van een gebouw, voldoende moet zijn om de investering kostendekkend te maken.
14
De gemeente wil initiatieven uit de samenleving blijven ondersteunen, waarbij in sommige gevallen gebruik gemaakt kan worden van leegstand. Daar waar schoolbesturen in leegstand al bijvoorbeeld kinderopvang gerealiseerd hebben, wil de gemeente deze constructie, in samenspraak met het betreffende schoolbestuur, dezelfde status geven als in nieuwe kindcentra. Dat wil zeggen dat de meters opvang niet meetellen in, c.q. worden onttrokken aan, de onderwijscapaciteit. Normatieve leegstand biedt ook mogelijkheden in het kader van passend onderwijs. Samenwerkingsverbanden (kader 9) Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren en (laten) uitvoeren van samenwerkingsverbanden, zoals met voor- en naschoolse opvang, zorginstellingen, mbo-instellingen of het bedrijfsleven maar kunnen in het belang van themagericht of doorgaande leerlijnen van 0 tot 20 jaar een beroep doen op de gemeente om ruimte te faciliteren. Ook hier geldt dat de inwonende organisatie daarbij minimaal een kostprijs dekkende huurprijs betaalt om de extra meters nieuwbouw mogelijk te maken. Verkeer en parkeren (kader 10) Bij locatieonderzoeken en uitwerkingen voor (vervangende) nieuwbouw van scholen wordt een zo veilig mogelijke verkeerssituatie altijd meegenomen. Scholen veroorzaken twee keer per dag een verkeerspiek.
Bij elk locatieonderzoek wordt daarom de verkeerssituatie als een belangrijk aandachtspunt meegenomen. Door de parkeertoeslag voor terrein en aanleg wordt geprobeerd het parkeren veiliger te maken. Wanneer er bij een nieuwe locatie extra kredieten nodig zijn voor het verbeteren van de ontsluiting, zal dat aanvullend aan de raad voorgelegd worden. Ook in bestaande situaties wordt geprobeerd bij vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie de verkeersstromen en het parkeren te verbeteren. Er zal steeds naar de verkeerssituatie gekeken worden, maar een vorm van overlast tijdens de piekmomenten kan niet altijd voorkomen worden. Budget voor parkeren vanuit de eisen voor een vergunning wordt toegevoegd aan de normbudgetten. In de VNG-norm voor nieuwbouw van scholen is geen budget voor parkeervoorzieningen opgenomen. Deze zijn wel nodig voor een veilige (leer)omgeving. Daarom is vastgesteld dat zowel extra benodigde grond als de extra aanleg van parkeerplaatsen vergoed wordt door de gemeente. KVLO-norm voor gymzalen (kader 12) Bij het bouwen van gymzalen die gebruikt worden voor het bewegingsonderwijs wordt de minimale zaalgrootte volgens de KVLO-norm van 308 m2 (14 x 22 meter) toegepast. In de VNG-modelverordening wordt uitgegaan van een minimale zaalgrootte van 252 m2 (21 x 12 meter). Een grotere zaal biedt meer mogelijkheden voor het bewegingsonderwijs.
Nieuwe woonwijken (kader 14) In nieuwe wijken wordt een passende schoolgrootte in permanente gebouwde vorm gezorgd. In de levenscyclus van een nieuwe wijk is er in het begin het hoogste aantal leerlingen. Om deze piek op te vangen kunnen op een centraal punt semipermanente lokalen van een goede kwaliteit als overlooplocatie voor meerdere scholen worden neergezet. In het Masterplan was het uitgangspunt dat na 20 jaar er bekeken kan worden of de lokalen nog nodig zijn. In het IHP is het voor de hand liggend om de noodzaak van semipermanente huisvesting vierjaarlijks te bezien, parallel aan de herijking van het IHP en de uitvoeringsplanning. Schoolpleinen (kader 15 + 16) Vernieuwde scholen krijgen in overleg tussen schoolbestuur en gemeente een zo groen mogelijk schoolplein. Voor het behoud van bestaand groen neemt de gemeente waar mogelijk het bomenonderhoud op zich. Scholen die bereid zijn hun plein beschikbaar te stellen voor kinderen uit de wijk na schooltijd krijgen een tegemoetkoming in het onderhoud. Bij de uitvoering wordt rekening gehouden met overlast en vandalismebestrijding.
4.8
Wettelijke eisen aan schoolgebouw
Schoolgebouwen moeten voldoen aan de huisvestingseisen zoals zijn opgenomen in het Arbeidsomstandigheden besluit (Arbowet) en het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL, voorheen het Bouwbesluit). In eerstgenoemde wet worden vooral
15
eisen gesteld aan de verantwoorde inrichting van het schoolgebouw. Algemene regels voor de bouw en het verbouwen van een schoolgebouw zijn verwoord in het BBL.
4.9
Raakvlakken met ander beleid
Onderwijshuisvesting heeft veel verschillende raakvlakken met andere beleidsterreinen. Zo moet er voor de ontwikkeling van een integraal kindcentrum (IKC) ook gekeken worden naar de benodigde partners voor kinderopvang en zorg. Daarnaast kan het ook wenselijk zijn om een schoolgebouw te combineren met andere maatschappelijke voorzieningen. Een gemeente streeft over het algemeen naar een zo goed mogelijke spreiding van voorzieningen voor haar inwoners. Dit betekent dat de benodigde aanvullende voorzieningen per schoollocatie anders kunnen zijn. Deze aanvullende voorzieningen hebben weer gevolgen voor de ruimtebehoefte en de ruimtelijke inpassing van een schoolgebouw. In alle gevallen is kostprijs dekkende huur het uitgangspunt. Ten slotte is ook de onderwijsinhoud van invloed op een schoolgebouw. De manier van onderwijs geven verandert door de jaren en dit stelt vaak nieuwe eisen aan een gebouw. Hierdoor is de renovatie of nieuwbouw van een school geen eenduidige en eenvoudige opgave. Het vereist een goede afstemming met alle betrokken beleidsterreinen binnen de gemeente en de benodigde externe partners.
16
5.
Visie IHP
5.1
Toekomstbestendigheid
Door de bevolkingsgroei is er in de gemeente Barneveld een behoefte aan toekomstbestendige schoolgebouwen. Hiervoor zijn drie uitgangspunten belangrijk: 1. Schoolgebouwen die indien nodig kunnen worden aangepast en/of uitgebreid (flexibele bouw). Bij nieuwbouw of vernieuwbouw is het wenselijk om in de ontwerpfase al rekening te houden met mogelijke toekomstige uitbreidingen. Het uitgangspunt dat het ontwerp logisch blijft en uitbreidingen technisch mogelijk zijn, waarbij de grootte afhankelijk is van de verwachte groei; 2. Schoolgebouwen die ruimte bieden aan passend onderwijs. Dit vergt een slimme indeling van een schoolgebouw waarbij ruimten multifunctioneel gebruikt kunnen worden; 3. De mogelijkheid tot samenwerking met andere partijen zoals zorgaanbieders. De gemeente Barneveld zet in op verdere samenwerking tussen jeugdhulp en het onderwijs in de Lokale Educatieve Agenda Barneveld. Het streven is om deze zorgvoorzieningen per wijk of kern te organiseren. Bij nieuwbouw of vernieuwbouw wordt per situatie gekeken welke aanvullende ruimten voor zorg nodig zijn in een schoolgebouw. Bewegingsonderwijs is onderdeel van het onderwijs. In dit IHP wordt bij nieuwbouw, vernieuwbouw of uitbreiding de behoefte aan speellokalen en gymzalen voor de betreffende school inzichtelijk gemaakt en bepaald wat de consequenties zijn voor de opgave.
Om de flexibiliteit te bevorderen worden de speellokalen en gymzalen, waar mogelijk, multifunctioneel gebruikt. Bijvoorbeeld door zorgverleners, kinderopvangorganisaties (speellokalen) of sportverenigingen (gymzalen).
5.2
Leer- en ontwikkelingsomgeving
De schoolbesturen hebben aangegeven dat zij veel belang hechten aan een goede omgeving voor de ontwikkeling van hun leerlingen en medewerkers. Het onderwijsklimaat wordt mede bepaald door het gebouw. Het gebouw mag geen beperking vormen voor het gewenste onderwijsklimaat en moet passen bij de visie op onderwijs van het betreffende schoolbestuur. Daarnaast is het aantal leerlingen in een school van invloed op het onderwijsklimaat. De vraag is bij welk leerlingaantal de gewenste visie op onderwijs nog goed kan worden uitgevoerd door het schoolbestuur? In een goede (leer)omgeving is er ruimte voor inclusiviteit, zoals op 6 april 2023 is vastgesteld in het beleidskader inclusie “Meedoen is vanzelfsprekend” van de gemeente Barneveld. Dit betreft leerlingen, maar ook de inwoners van de omliggende wijk. Een school kan een verbindende factor zijn in de wijk die verschillende generaties met elkaar in contact brengt. Scholen willen gelijke kansen kunnen bieden aan hun leerlingen. Daarvoor moet de leeromgeving en dus ook het gebouw geschikt zijn. Schoolbesturen zetten in op het versterken van de samenwerking tussen vroeg- en voorschoolse educatie, het primair en het voortgezet onderwijs en mbo-instellingen. Deze versterking kan gerealiseerd worden door een doorgaande leerlijn van 0 tot 20 jaar.
Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren en (laten) uitvoeren van samenwerkingsverbanden, zoals met voor- en naschoolse opvang, mbo-instellingen of het bedrijfsleven. Ze kunnen in het belang van themagerichte of doorgaande leerlijnen van 0 tot 20 jaar een beroep doen op de gemeente om ruimte te faciliteren. Ook instellingen in de zorg spelen hierin een belangrijk rol. In aanvulling op het kopje ‘leegstand’ van paragraaf 4.7.2 (toelichting op vastgestelde gemeentelijke kaders) wordt ook bij nieuw te realiseren scholen het ruimtelijk programma van aanvullende voorzieningen voor (zorg)partners buiten de normatieve ruimtebehoefte van de school gehouden. In het po is het streven om specifieke begeleiding gedeeltelijk in het schoolgebouw zelf plaats te laten vinden. In het vo is nabijheid van specifieke begeleiding en de invulling van passend onderwijs de uitdaging. Per situatie wordt beoordeeld of het noodzakelijk is om specifieke begeleiding binnen de school te faciliteren. Een goede samenwerking tussen onderwijs en specifieke begeleiding is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen in het algemeen en de onderwijsparticipatie van leerlingen in het bijzonder (terugdringen van het aantal thuiszitters).
17
Passend onderwijs is een belangrijk thema binnen de visie voor het IHP. Inhoudelijk moet passend onderwijs structureel worden geagendeerd en verder uitgewerkt in de periodieke overlegstructuur tussen gemeente en schoolbesturen. Hierbij is het uitgangspunt dat niet slechts naar het aspect onderwijs wordt gekeken, maar de algehele ontwikkeling van het kind centraal staat. In het IHP kan hier vervolgens een vertaling naar onderwijsgebouwen voor worden gemaakt. Per onderwijssoort kan de vorm van passende ondersteuning anders zijn. In het reguliere basisonderwijs gaat het meestal over de ontwikkeling van en onderwijs aan leerlingen met leerachterstanden of leermoeilijkheden. In het s(v)o gaat het om het tegemoetkomen aan de specifieke ontwikkelings- en leerbehoefte van elke leerling. Dit vergt voor elke onderwijssoort een andere aanpak en heeft dus ook andere consequenties voor een schoolgebouw. Bij nieuwbouw of vernieuwbouw van een school wordt een beargumenteerde keuze gemaakt of en in welke mate er recht kan worden gedaan aan de extra ruimtebehoefte voor passend onderwijs. Bij de ontwikkeling van een nieuwe school en nieuwe woonwijken is het belangrijk dat er niet alleen wordt gekeken naar benodigde voorzieningen voor onderwijs.
Voor de ontwikkeling van de kinderen is het belangrijk om te onderzoeken hoe de school voor de wijk en alle inwoners kan worden ingezet en welke aanvullende voorzieningen hiervoor nodig zijn. Voor deze aanvullende voorzieningen wordt aangesloten op bestaande gebiedsontwikkelingen.
5.3
Keuzevrijheid – thuis nabij
Een goede geografische en evenwichtige spreiding van gevarieerd en kwalitatief goed onderwijs is het uitgangspunt. Kinderen dienen zo veel mogelijk ‘thuis nabij” onderwijs aangeboden kunnen krijgen en dienen in een wat grotere straal voldoende keuzevrijheid hebben. Wettelijk ligt de afstand tot openbaar basisonderwijs op maximaal 10 kilometer. Op basis van keuzevrijheid en/of denominatie kan voor specifieke onderwijsvormen een groter voedingsgebied voor de hand liggen en een langere afstand acceptabel zijn. Voor de grootte van de scholen in het primair onderwijs wordt aangesloten op de stichtings- en instandhoudingsnorm voor de gemeente Barneveld (in 2023 respectievelijk 200 en 92 leerlingen). Er moet, voor zowel po als vo ook rekening worden gehouden met maximale grootte: kinderen moeten zich veilig en geborgen voelen. Een nieuw gebouw biedt kansen voor de versterking van het onderwijs, de samenwerking met partners en de ontwikkeling van de wijk of de kern. De school (en daarmee de schoolgrootte) moet de verbinding met de wijk (en wijkvoorzieningen) houden. Het streven is scholen integraal onderdeel uit te laten maken van de voorzieningenstructuur voor inwoners van Barneveld van 0 tot 99 jaar. In het IHP worden gezamenlijk strategische afspraken gemaakt om uitbreiding of nieuwbouw integraal en periodiek te benaderen.
Individuele en acute programma-aanvragen zijn dan alleen nog mogelijk en nodig in geval van onvoorziene omstandigheden en calamiteiten. De benodigde ingrepen worden op basis van de volgende beleidsuitgangspunten geprioriteerd: 1. Kwalitatief goede onderwijshuisvesting met voldoende buitenruimte en bewegingsonderwijs nabij (volgens verordening:
voldoende capaciteit en aansluiting bij ruimte- en gebruiksbehoefte); 2. Thuis nabij onderwijs biedt de beste mogelijkheden voor de kinderen, hierbij wordt gestreefd naar een zo goed mogelijke
spreiding van de verschillende denominaties over de gemeente; 3. Het te realiseren onderwijsaanbod sluit aan op de (te verwachten) inhoudelijke onderwijsbehoefte van de wijk/kern waarin
de school gevestigd is/wordt; 4. Initiatieven vanuit de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen worden getoetst door de inspectie van onderwijs en bij
toewijzing door de Minister ook gefaciliteerd. Het gaat hier over het oprichten van nieuwe scholen waarbij het richtingenbegrip is losgelaten. Het wordt mogelijk om scholen te stichten op basis van pedagogische of onderwijskundige concepten, mits er voldoende belangstelling van ouders en leerlingen is. Hierbij wordt rekening gehouden met het voedingsgebied, maar de locatiekeuze is afhankelijk van de kaders en mogelijkheden van de gemeente. Nieuwkomersonderwijs Nieuwkomersonderwijs ondersteunt kinderen die nieuw in Nederland komen wonen en de Nederlandse taal nog niet goed genoeg beheersen. Dit onderwijs helpt hen om de taal te leren en kennis te maken met het Nederlandse onderwijssysteem. Het is belangrijk dat er voor nieuwkomersonderwijs voldoende ruimte moet zijn. De nieuwkomersschool de Springplank (po)
18
en de internationale schakelklassen (ISK-vo) zijn nu ondergebracht in bestaande of tijdelijke leegstaande schoolgebouwen en zijn onderdeel van respectievelijk STEV en het JFC. In de komende jaren is het aantal leerlingen afhankelijk van de situatie in de wereld en Europa en de politieke besluiten over de komst van het asielzoekerscentrum, huisvesting van statushouders en Oekraïners in Barneveld. In 2027 zou er een behoefte kunnen zijn aan een andere schoollocatie (al dan niet een gezamenlijke schoollocatie voor po en vo) om de toekomstige groei van het aantal leerplichtige leerlingen in zijn algemeenheid te kunnen faciliteren.
5.4
Gebouw
Een kwalitatief goed en duurzaam schoolgebouw en een goede (leer)omgeving hebben een positief effect op het onderwijs en op het leefklimaat. Het realiseren hiervan zien de gemeente en schoolbesturen daarom als een gezamenlijke, maatschappelijke verantwoordelijkheid. Duurzaamheid Uitgangspunt bij het Masterplan onderwijshuisvesting was het bouwen op basis van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). In dit masterplan zijn afspraken gemaakt over een eigen bijdrage van de schoolbesturen voor deze verduurzaming. Deze afspraken worden overgenomen in dit IHP. Met het vizier op 2040 wordt inzichtelijk gemaakt wat ENG (Energie Neutraal Gebouw) betekent. In kaart wordt gebracht wat het verschil is tussen BENG en ENG, maar moet ook worden bekeken welke consequenties de netcongestie heeft. Vanuit het Klimaatadaptieplan van de gemeente Barneveld is het streven om waterberging en natuur-inclusief bouwen structureel mee te nemen in de planvoorbereiding. Hiermee moet niet alleen hittestress en wateroverlast rondom de school worden voorkomen, maar moet het gebouw ook een integraal onderdeel van de (groene en verkeersveilige) omgeving worden. Voor de natuurinclusieve ambities wordt aangesloten op het puntensysteem natuur-inclusief bouwen van de gemeente Barneveld.
Voor het verschil in investering tussen duurzaamheidsambities en wettelijke eisen gaan de gemeente en de schoolbesturen vanuit de TCO-benadering (Total Cost of Ownership) onderzoeken welke mogelijkheden er zijn. De Total Cost of Ownership (levensduurcyclus) omvat alle kosten voor de aanschaf en het bezit van een schoolgebouw gedurende de hele gebruiksperiode, inclusief aanschafprijs en bijkomende kosten vanaf aankoop tot afstoting. Binnenklimaat Duurzaamheid heeft niet alleen betrekking op het gebruik van fossiele grondstoffen, uitstoot van stikstof en gebruik van energie. In een duurzaam gebouw moeten leerlingen en medewerkers prettig kunnen werken: een goed en duurzaam binnenklimaat heeft een positief effect op het welbevinden en leerprestaties. Eisen en aanbevelingen ten aanzien van het binnenklimaat zijn opgenomen in het programma Frisse Scholen zoals opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemen Nederland. In aanvulling op het Masterplan onderwijshuisvesting en in lijn met de ambities ten aanzien van duurzaamheid streven de gemeente en schoolbesturen naar een gemiddelde kwaliteitsambitie van Frisse Scholen klasse B. Flexibiliteit en toekomstbestendigheid Onderwijsgebouwen worden gerealiseerd met een perspectief van minimaal 40 jaar.
Vanwege het statische karakter van deze gebouwen is het zowel vanuit het oogpunt van duurzaamheid als vanuit functionaliteit essentieel om bij deze levensduur stil te staan en een toekomstbestendig gebouw te realiseren. Onder toekomstbestendig wordt niet alleen de mogelijkheid verstaan om de indeling van het schoolgebouw en de bijbehorende installaties flexibel te realiseren. Het moet ook mogelijk zijn om het gebouw aan te kunnen passen aan maatschappelijke ontwikkelingen en eventueel bijbehorend gewijzigd gebruik. Dit geldt ook voor gymzalen. Er moet worden geanticipeerd op groei en krimp (leegstand). Bij groei is in de gemeentelijke verordening voor elk onderwijstype vastgelegd wanneer er recht is op een permanente uitbreiding en hoe groot het ruimtetekort moet zijn (VVOH Bijlage III – C.1.2). Voor het sbo en s(v)o moet er een structureel tekort van minimaal 50 m² bruto vloeroppervlak (BVO) zijn. Voor het
19
basisonderwijs is deze drempelwaarde 55 m² BVO. Voor het vo geldt dat het tekort minimaal 10% van de bestaande capaciteit moet zijn met een minimum van 100 m² BVO. Bij nieuwbouw of vernieuwbouw is het wenselijk om tijdens het ontwerpproces al zo veel mogelijk rekening te houden met toekomstige aanpassingen en uitbreidingsmogelijkheden van het gebouw. Door hier in het ontwerp en met de gebouwinstallaties al zo veel mogelijk rekening mee te houden, zijn gebouwen makkelijker aan te passen en uit te breiden in de toekomst. Daarnaast moet het mogelijk zijn om bij krimp delen van het gebouw af te stoten of in medegebruik te geven. Hiermee wordt leegstand zo veel mogelijk voorkomen. Tijdelijke uitbreiding is alleen aan de orde als de behoefte aan deze uitbreiding slechts van tijdelijke duur is (minimaal 4 jaar tot maximaal 10 jaar). Er wordt gezocht naar praktische oplossingen die passen binnen de beschikbare mogelijkheden op het schoolterrein of in de omgeving van de school. Multifunctionaliteit In het kader van toegankelijk onderwijs waarbij samenwerking tussen pedagogische en zorgpartners voor passend onderwijs centraal staat, is het nodig om ruimtes ook binnen de lestijden multifunctioneel in te kunnen zetten en in te richten. Denk hierbij aan speellokalen die gebruikt kunnen worden voor fysiotherapie, maar ook voor buitenschoolse (bewegings)activiteiten.
Afwegingen renovatie/nieuwbouw In dit IHP wordt nader ingegaan op het afwegingskader renovatie/nieuwbouw zoals gevraagd in de nog vast te stellen nieuwe wetten op po, vo en s(v)o (expertisecentra). Hierbij is het uitgangspunt dat renovatie of vervangende nieuwbouw door gemeente en schoolbestuur gezamenlijk wordt overwogen op het moment dat een gebouw 40 jaar of ouder is.
5.5 De
Organisatie samenwerking gemeente en schoolbesturen regie
op schoolgebouwen
is
een
gezamenlijke taak
van
gemeente
en schoolbesturen.
In de huidige
bekostigingssystematiek is de gemeente verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding en de schoolbesturen voor exploitatie, inrichting en instandhouding. Daarnaast zijn de schoolbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en de diversiteit ervan. Ook de samenwerking met voor- en naschoolse opvang, zorginstellingen, mbo-instellingen of het bedrijfsleven is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Inhoudelijk worden de uitgangspunten voor het onderwijs besproken en vastgelegd in het bestuurlijk Platform Jeugd, waar de gemeente, de schoolbesturen en instellingen op het gebied van onderwijs en jeugd aan deelnemen. De wettelijk vastgelegde onderwerpen voor de Lokale Educatieve Agenda (LEA) worden door dit platform behandeld. Voor onderwijshuisvesting vindt de afstemming en besluitvorming plaats in het op overeenstemming gericht overleg (OOGO). Gedurende het jaar kunnen er door allerlei omstandigheden wijzigingen optreden in de plannen. Aangezien de plannen elkaar en de uitvoeringsplanning kunnen beïnvloeden, verdient het de aanbeveling om gedurende het jaar, bijvoorbeeld ieder half jaar, technische afstemming tussen gemeente en betrokken schoolbesturen in te plannen om de stand van zaken van de lopende projecten te bespreken. Het IHP heeft een looptijd van 16 jaar en wordt iedere 4 jaar geactualiseerd.
Het IHP geeft alle betrokkenen duidelijkheid over investeringen ten aanzien van uitbreiding, nieuwbouw, renovatie of vervanging. Hierdoor zijn de schoolbesturen in staat om hun exploitatie hierop af te stemmen en kan de gemeente de benodigde reserveringen in de begroting treffen. Daarnaast maakt dit het mogelijk voor de betrokkenen om te sturen op de levensduurkosten of Total Costs of Ownership (TCO): Eventuele besparingen op onderhoud in aanloop naar een ingreep kunnen worden ingezet om extra verduurzaming te realiseren. Programma-aanvragen zoals benoemd in hoofdstuk 2 van de VVHO (niet zijnde aanvragen in het kader van calamiteiten) kunnen hiermee komen te vervallen. 20
De leerlingenaantallen en ruimtebehoefte in het IHP worden bepaald op basis van leerlingenprognoses. Prognoses hebben echter een onzekerheidsfactor. Dit betekent dat de toekomstige ruimtebehoefte niet in beton is gegoten. Er kunnen zich onvoorziene omstandigheden voordoen die aanpassing van de gegevens noodzakelijk maken. Vooral met betrekking tot het speciaal onderwijs zijn de afgelopen jaren afwijkingen geconstateerd. Met de ambities van de gemeente Barneveld om het aantal inwoners te laten groeien en de constatering dat lokale factoren van invloed kunnen zijn op de aanmeldingen per school, is deze onzekerheid een gegeven voor Barneveld. Het is daarom nodig om de leerlingenprognoses op het moment van uitvoering/beschikking te actualiseren en de opgave hieraan te toetsen.
21
6.
Bekostiging
Het realiseren van adequate voorzieningen voor onderwijshuisvesting heeft een behoorlijke impact op de gemeentelijke begroting. Een deel van deze kosten worden gedekt door een toename van de (Lumpsum) uitkering uit het gemeentefonds. Daarnaast zijn er aanvullende investeringen nodig vanuit de gemeentelijke begroting, die te maken hebben met specifieke en noodzakelijke locatie gebonden factoren en ambities vanuit het gemeentelijke beleid. In dit hoofdstuk staan we stil bij de financiële uitgangspunten
6.1
Financiële uitgangspunten.
Uitgangspunt bij het berekenen van de investeringskosten is de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente Barneveld. Hierin zijn normatieve bedragen opgenomen voor nieuwbouw, uitbreiding en tijdelijke huisvesting. De gemeente Barneveld sluit aan bij de door de VNG-modelverordening.
Figuur 2: Visualisatie bekostiging onderwijshuisvesting gemeente Barneveld
6.2
Aanbevelingen doelmatigheidsonderzoek
Voorafgaand aan de herijking van het Masterplan tot een IHP is er een onderzoek uitgevoerd naar de doelmatigheid van het gemeentelijk beleid ten aanzien van onderwijshuisvesting. Zoals in de inleiding werd benoemd heeft dit geleid in een bevestiging van de doelmatigheid en rechtmatigheid van het beleid en de gestelde (financiële) kaders. Als onderdeel van het onderzoek zijn volgende aanbevelingen gedaan ter ondersteuning van de doelmatigheid van het beleid op onderwijshuisvesting van de gemeente Barneveld. Uitgangspunt bij het berekenen van de investeringskosten is de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente Barneveld. Hierin zijn normatieve bedragen opgenomen voor nieuwbouw, uitbreiding en tijdelijke huisvesting. De gemeente Barneveld sluit aan bij de door de VNG-modelverordening. In het in 2024 vastgestelde Doelmatigheidsonderzoek Onderwijshuisvesting is aanbevolen om bij de lokale herziening een aantal lokale afwijkingen, zoals die op het voorbereidingskrediet of de ruimtenorm, in lijn te plaatsen met genoemde Modelverordening. Hier valt ook het integraal berekenen en bekostigen van het speellokaal onder. Een andere aanbeveling vanuit het doelmatigheidsonderzoek betreft het voorbereidingskrediet. Binnen het IHP wordt ervoor gekozen om dit krediet te verhogen naar van 2,5 naar 8%. De complexiteit van de opgaven en de noodzaak om nog voor de 22
planuitwerking de risico’s nader in kaart te brengen, rechtvaardigen deze verhoging. Het verhogen van het voorbereidingskrediet heeft geen consequenties voor het totale benodigde budget.
6.3
Aanvullende uitgangspunten
Aansluitend op de uitgangspunten zoals verwoord in de verordening en de aanbevelingen uit het doelmatigheidsonderzoek is er sprake van een aantal lokale (aanvullende) financiële uitgangspunten: Toeslag parkeervoorzieningen (kader 10) Toeslag natuur-inclusief bouwen (kader 11) Eigen bijdrage schoolbesturen (kader 11) Toeslag ruimtenormering bewegingsonderwijs (kader 12) Toeslag passend onderwijs (kader 17) Bedragen worden volgens de indexering, zoals deze jaarlijks vastgesteld wordt door de VNG, bijgesteld. Parkeervoorzieningen (kader 10) Realisatie van een schoolgebouw heeft consequenties voor de parkeerdruk in de directe omgeving. Vandaar dat er rekening wordt gehouden met de parkeercapaciteit, inclusief de aansluiting op de infrastructuur. Er wordt rekening gehouden met een extra benodigde investering van € 3.800, - (prijspeil januari 2025) per parkeerplaats. In overleg met de gemeente worden de benodigde ingrepen en de verantwoordelijkheid voor realisatie nader afgestemd. Uitgangspunt is dat oplevering van de openbare ruimte en gebouw op elkaar worden afgestemd. Klimaat natuur-inclusief bouwen (kader 11) Realisatie van bouwvolume heeft consequenties voor flora-fauna en het milieu. Om dit te kunnen compenseren wordt rekening gehouden met een toeslag van € 5.000, - (prijspeil januari 2025) per groepsruimte.
Onderbouwing van de benodigde ingrepen en de financiële consequenties maakt onderdeel uit van de verantwoording van de investeringen. Eigen bijdrage schoolbesturen (kader 11) Van schoolbesturen wordt bij de realisatie van een nieuw gebouw een eigen bijdrage gevraagd van € 150,- m2 BVO. Hierbij moet worden opgemerkt er een indexatie wordt toegepast conform de systematiek voor de indexering van de normbedragen voor onderwijshuisvesting. Met deze bijdrage kunnen energiebesparende en kwalitatieve verbeteringen voor bijvoorbeeld onderhoud en binnenklimaat worden gerealiseerd waarmee de exploitatielasten voor het schoolbestuur worden verlaagd. Deze investering door het schoolbestuur wordt gecompenseerd door de besparing op het onderhoud die kan worden gerealiseerd met het zicht op het beëindigen van het gebruik van het bestaande gebouw. Ook tijdens de eerste gebruiksjaren in het nieuwe gebouwen is de onderhoudslast relatief laag. Bewegingsonderwijs (kader 12) In de normen wordt uitgegaan van een gymzaal met een speelveld van 252 m². Vanuit de vakvereniging voor lichamelijke opvoeding (KVLO) wordt geadviseerd een grotere gymzaal te realiseren, waarmee de mogelijkheden voor het bewegingsonderwijs worden vergroot en vooral het veilig gebruik wordt verbeterd door uitloopstroken rondom de speelvelden.