CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Barnseweg XI_Toelichting [OUDE VERSIE]

Gemeenteraad 17 april 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Barnseweg XI (SDVB), Barneveld19.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit deze rapportage volgt dat er binnen beide deelgebieden en de directe omgeving beschermde soorten van de Wet natuurbescherming voor (kunnen) komen. Het gaat om algemene broedvogels, broedvogels met een jaarrond beschermd nest, vleermuizen, marterachtigen, algemeen grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door toepassen van mitigerende maatregelen en rekening te houden met de zorgplicht kan het 28

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI grootste deel van de negatieve gevolgen voor beschermde soorten voorkomen of beperkt worden. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. In het rapport is verder aangegeven dat voor broedvogels met een jaarrond beschermd nest, vleermuizen, marterachtigen, eekhoorn en hazelworm de aanwezigheid in dit stadium en via een quickscan niet uit te sluiten is. Voor steenuil, overige roofvogels, vleermuizen, marterachtigen, eekhoorn en hazelworm is het nemen van mitigerende maatregelen mogelijk onvoldoende effectief om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Voor deze soorten dient soortgericht onderzoek plaats te vinden (reeds uitgevoerd en gerapporteerd; Arcadis, augustus 2023, zie bijlage 8 van de toelichting) en bij aanwezigheid een ontheffing aangevraagd te worden voordat met de werkzaamheden gestart kan worden. Het soortgericht onderzoek heeft plaatsgevonden in de perioden zoals opgenomen in Tabel 7 van de geactualiseerde quickscan flora en fauna. De resultaten zijn beknopt opgenomen in de rechter kolom en uitgebreid gerapporteerd (Arcadis, augustus 2023, zie ook bijlage 8 van de toelichting). Er is een territorium van de steenuil vastgesteld aan de Norschoterweg.

De werkzaamheden leiden - door aantasting van leefgebied - mogelijk tot het verstoren of vernietigen van verblijfplaatsen van steenuil (oostelijk deelgebied). Er is voor de steenuil een mitigatieplan opgesteld. Het is noodzakelijk dat er een ontheffing voor de steenuil in het kader van de Wet natuurbescherming wordt aangevraagd. Met in acht neming van onderliggend mitigatie-/activiteitenplan voor de steenuil is geen sprake van wezenlijke negatieve invloed op beschermde soorten. Er dient wel een ontheffing in het kader van de Wnb te worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. Deze ontheffingsaanvraag is voor overtreding van de verbodsbepaling artikel 3.1 lid 4 van de Wet natuurbescherming, voor zover deze van toepassing is op het verstoren van steenuilen. In december 2023 is de aanvraag ingediend bij de provincie (gedeputeerde staten). Er zijn geen verblijfplaatsen van boombewonende soorten aanwezig en een negatief effect van de voorgenomen werkzaamheden op verblijfplaatsen van boombewonende soorten is derhalve uitgesloten. Wel is er een vliegroute van de gewone dwergvleermuis vastgesteld (de bomen aan de zuidzijde van de Barnseweg en het noordelijk gelegen struweel met daarin ook bomen tussen het sportcomplex en de Barnseweg vormen een essentiële vliegroute voor deze vleermuis).

Indien beide structuren gelijktijdig zouden verdwijnen is sprake van aantasting van een essentiële vliegroute en is een ontheffing Wnb noodzakelijk. Het rooien van enkel de bomen bij de ingang van het sportcomplex of aan de westzijde nabij de kruising leidt niet tot verlies van de essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuis gezien er geen onoverbrugbare gaten in de bomenrij ontstaan van meer dan 50 m. Er is geen sprake van een functie als essentieel foerageergebied voor de vleermuis en een negatief effect van de voorgenomen werkzaamheden inclusief rooien van bomen is daarom uitgesloten. Er is door Arcadis een voorstel voor mitigatie gedaan ten aanzien van beplanting. In dit plan "Barnseweg XI" zal de groenstructuur langs de Barnseweg versterkt gaan worden. De bestaande groenzone zal aan de zijde van de Barnseweg namelijk worden uitgebreid, die bestaat uit inheems bosplantsoen. Hierdoor ontstaat een lijnvormige dichte groenstructuur bestaande van bomen en heesters. Hiervoor verwijzen we verder naar hoofdstuk 3 van de toelichting van het plan (onder het kopje 'Parkeerterrein en Barnseweg'). Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode.

Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of "Barnseweg XI" (vastgesteld)

29

Barnseweg XI griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht in de zin van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde, omdat er geen bomen worden gekapt buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom worden er wel bomen gekapt. Alleen die vallen qua bescherming niet onder de Wet natuurbescherming. Het gaat om 8 te kappen essen in de groenstrook, alsmede 20 essen en drie berken aan de Barnseweg die gekapt gaan worden in de bebouwde kom. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Zie hiervoor ook hetgeen hierover in de quickscan flora en fauna is aangegeven (paragraaf 1.1 van het rapport Quickscan flora en fauna van de toelichting). Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het 30

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er een risicobron in de directe nabijheid aanwezig is. Externe veiligheid is daarom een mogelijk relevant milieuaspect. Op Wesselseweg 48 zit namelijk een lpg tankstation. Er geldt hiervoor een plaatsgebonden risico contour. Er worden binnen dit gebied echter geen (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd, zodat de norm voor het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt.

Afbeelding: plaats gebonden risico contour 10-6 (bron: EV-Signaleringskaart) Wel ligt een deel van het plangebied binnen het invloedsgebied van het LPG tankstation. Ter plaatse zal daardoor het groepsrisico in beperkte mate toenemen. Door de beperkte bedrijfsduur van het verblijf van personen en het beperkte aantal aldaar zal het groepsrisico met niet meer dan 10% van de oriëntatiewaarde toenemen. Een onderzoek naar het groepsrisico is dan ook niet nodig. Wel bestaat er een "rest" risico. Omdat het hier om een kleine toename van personen binnen het invloedsgebied gaat, het hier zelfredzame personen betreft die het risico gebied snel kunnen ontvluchten van de bron af is dat "rest"risico verantwoord en vormt externe veiligheid hier geen knelpunt voor de ontwikkeling.

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

31

Barnseweg XI

Afbeelding: invloedsgebied (bron: EV- Signaleringskaart)

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Voor wat betreft wegverkeerslawaai kan hier worden geconcludeerd dat het oprichten van voetbalvelden en het aanleggen van een parkeerterrein niet geluidgevoelig is. Dus hier is geen nader onderzoek voor noodzakelijk. De ruimtelijke afweging van geluid voor de realisatie of uitbreiding van een inrichting wordt in eerste instantie gevormd door de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In deze publicatie worden richtafstanden gegeven voor de ruimtelijke scheiding tussen de bedrijven en geluidgevoelige bestemmingen. Met behulp van deze afstanden worden mogelijke knelpunten gesignaleerd. Uit paragraaf 5.11 (milieuzonering) blijkt dat er geen knelpunt bestaat op het gebied van geluid.

32

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen veehouderijen op de volgende adressen: - Norschoterweg 1: - Norschoterweg 5; en - Norschoterweg 7. Deze bedrijven hebben een geuremissie. Voetbalvelden zijn echter geen gebouwen bestemd voor regelmatig menselijk verblijf. Het zijn daarom geen geurgevoelige objecten. Alleen bestemde gebouwen bedoeld voor regelmatig menselijk verblijf zijn geurgevoelig. Voetbalvelden zijn derhalve niet belemmerend voor omliggende agrarische bedrijven. Ook parkeerplaatsen en het wijzigen van de entree zijn niet geurgevoelig. Wat betreft de realisatie daarvan vormt agrarische geurhinder evenmin een belemmering. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking': 1. Behoefteonderzoek

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

33

Barnseweg XI

Er is sprake van een bestaande behoefte, de voetbalvereniging is een bestaande voetbalvereniging. De voetbalvereniging kent een wachtlijst van ruim 250 kinderen en volwassenen die lid willen worden. Met de realisatie van deze twee nieuwe velden heeft de vereniging in de nieuwe situatie een toekomstbestendige accommodatie waarbij de voetbalvereniging de ledengroei van de huidige 1200 naar 1800 leden kan faciliteren. Naast de aanleg van deze twee nieuwe velden zullen er overigens ook op het bestaande voetbalterrein de nodige verbeteringen gaan plaatsvinden. 2. Waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied? Sportvoorzieningen hebben een aanzienlijke ruimtebeslag waarvoor binnen bestaand stedelijk gebied geen ruimte beschikbaar is. De twee sportvelden zullen worden gesitueerd aansluitend aan het bestaande voetbalterrein. Er is behoefte aan extra voetbalvelden, vanwege de toename van leden nu er een wachtlijst is en het aantal leden nog zal groeien. Gezien ook de wens van de gemeente om het aantal inwoners in onze gemeente te laten groeien. De huidige velden voldoen niet. Er is extra capaciteit - in de vorm van extra velden - noodzakelijk om een toekomstbestendige voetbalclub te hebben. In deze situatie is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat in onderhavige situatie sprake is van een goede ruimtelijke afweging en van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen kabels en leidingen voor. Het betreft in dit geval een middenspanningskabel van Liander. Deze kabel behoeft verder geen bescherming in dit plan, omdat deze kabel niet onder bebouwing maar onder de openbare ruimte is gelegen. Een wadi wordt niet aangelegd bij deze kabel. Er worden geen nieuwe bomen gepoot in de nabijheid van de genoemde leiding. Verder ligt er vanuit de gemeente een duiker onder het parkeerterrein, die de watergangen aan de oost- en westzijde met elkaar verbindt. Hier is rekening mee gehouden in dit plan. De duiker vormt geen belemmering bij de uitvoering van het plan. Ook bij de duiker worden geen bomen gepoot. Concluderend kan gesteld worden dat kabels en leidingen geen conflict opleveren met het te realiseren groen in het plangebied.

Afbeelding: ligging middenspanningskabel Liander (rode lijn) Er liggen geen kabels en leidingen in het gebied van de twee nieuw te realiseren voetbalvelden. 34

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI

Er zijn geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Voor de uitbreiding van de sportvelden geldt dat er sprake gaat zijn van een extra verkeersaantrekkende werking. Deze verkeersaantrekkende werking blijft beperkt tot 1750 mvt/etmaal. Uit de rekentool NIBM blijkt dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit als Niet in Betekenende Mate kan worden beschouwd. Hieronder is de berekening NIBMtool toegevoegd.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nog gekeken naar de heersende achtergrondconcentratie. Hieruit blijkt dat ter hoogte van de voetbalvelden de concentraties ruim beneden de grenswaarden zijn gelegen, het betreft hier de recente monitoringsresultaten van 2022 voor het jaar 2021 waarvan verwacht mag worden dat deze naar de toekomst toe zullen verbeteren.

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

35

Barnseweg XI

Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke 36

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Toetsing en onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van twee nieuwe voetbalvelden, een parkeerterrein en de wijziging van de entree. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op 27 november 2023 is bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als bijlage 10 van de toelichting opgenomen. Hieruit blijkt dat het project wordt gerealiseerd in de bebouwde kom van Barneveld. De bebouwing en de functies passen goed in de bestaande situatie. De ontwikkeling leidt niet tot een stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura-2000 gebied De Veluwe. Ook de overige aspecten leiden niet tot de conclusie dat er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

De conclusie is dat er geen milieueffectrapportage behoeft te worden opgesteld, omdat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van "Barnseweg XI" (vastgesteld)

37

Barnseweg XI de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Voor wat betreft de te ontplooien activiteiten is geluid het meest belastende aspect. Er is in dit geval een onderzoek bedrijven en milieuzonering uitgevoerd voor de uitbreiding van de sportvelden aan de Barnseweg. Zie bijlage 9 van de toelichting. Uit dit onderzoek volgt dat Sportpark Norschoten en de directe omgeving ten noorden en westen (Wesselseweg en de Norschoterweg) het beste kan worden omschreven als ‘gemengd gebied’. In het oostelijke deel bevindt zich een agrarisch bedrijf met boogkassen. Voor de woningen ten zuiden (Barnseweg) en oosten (Heestereng) is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien wordt voldaan aan de richtafstanden, die voor de activiteiten worden gehanteerd, kan worden gesteld dat er bij de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Uitbreiding sportvelden De richtafstand voor het aspect geluid vanaf de sportvelden bedraagt 50 meter tot een woongebied en 30 meter tot gemengd gebied. Deze richtafstanden gelden voor een veldsportcomplex met verlichting. Bij de twee nieuwe voetbalvelden komt géén verlichting, maar in bijlage 1 van de VNG-handreiking zijn hiervoor geen afzonderlijke richtafstanden opgenomen. De minimale afstanden zijn dus bepaald voor het maximaal gebruik van de sportvelden (met verlichting) en zijn daarom ook toepasbaar voor de voorliggende situatie. De kortste afstand van de nieuwe sportvelden tot een gevoelig object bedraagt 54 meter. Dit is de bedrijfswoning aan de Wesselseweg 46A, gelegen ten noorden van de sportvelden (gemengd gebied). De richtafstand van 30 m tot gemengd gebied wordt niet overschreden. De gevoelige objecten in het woongebied ten zuiden van de nieuwe sportvelden liggen op ongeveer 70 meter afstand van de nieuwe sportvelden. Dit zijn de woningen aan de Heestereng. De nieuwe sportvelden komen op 50 m afstand vanaf de meest nabijgelegen woonbestemming (achtertuin). De richtafstand van 50 m wordt dan niet overschreden, voor zowel de bestaande woningen als de vergunningvrij mogelijke uitbreiding van de gevoelige bestemming.

Uitbreiding parkeerterrein De richtafstand voor het aspect geluid vanaf een parkeerterrein bedraagt 30 meter tot een woongebied en 10 meter tot gemengd gebied. De afstanden zijn bepaald ten opzichte van het totale parkeerterrein na de uitbreiding. De kortste afstanden worden dan gemeten vanaf het zuidelijke deel, dat in de bestaande situatie ook als parkeerterrein wordt gebruikt. De kortste afstand van het parkeerterrein tot een gevoelig object bedraagt 18 meter. Dit is de bedrijfswoning aan de Barnseweg 15, direct ten oosten van het parkeerterrein (gemengd gebied). De richtafstand van 10 m tot gemengd gebied wordt niet overschreden. De woningen in het woongebied ten zuiden van de parkeerplaats (overkant Barnseweg) liggen op tenminste 35 m afstand van de parkeerplaats. De richtafstand van 30 m tot een woongebied wordt niet overschreden. In het rapport wordt tot slot het volgende geconcludeerd. De afstanden zijn gemeten vanaf de grens van de nieuwe sportvelden en de parkeerplaats tot aan de gevoelige bestemmingen in de omgeving. De richtafstanden voor een goed woon- en leefklimaat worden niet overschreden. Dit onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden. Conform de VNG brochure kan voldaan worden aan de voorwaarden van een goed woon- en leefklimaat. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig.

In het 38

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Het onderhavige plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 28 november 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

De locatie van de nieuwe voetbalvelden is momenteel weiland. Het weiland is open en de randen worden voornamelijk bepaald door een watergang. Ten oosten van de nieuwe voetbalvelden zien we dat er een verrommeling is ontstaan van achterkanten. Enkele watergangen in en rondom het gebied worden begeleid met paal en draad. Vooral in de directe omgeving zijn waardevolle landschapselementen, zoals een oude eikenlaan naar erf Norschoten (Norschoterweg 1), een restant van een houtsingel en een rij knotwilgen. Deze elementen worden behouden en we proberen deze te versterken bij de 'blauw / groene' omranding van de nieuwe velden. Voor wat betreft natuur en landschap verwijzen we naar hoofdstuk 3 van de toelichting, waar is ingegaan op natuur en landschap.

5.13

Veiligheid en gezondheid

Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht "Barnseweg XI" (vastgesteld)

39

Barnseweg XI gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter.

Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderij(en) aan de Barnseweg 140 in Barneveld. De afstand bedraagt circa 1,5 kilometer. Het plan voorziet niet in het realiseren van een hindergevoelige functie. Dus vormt het aspect gezondheid hier geen belemmering.

5.14

Verkeer

Parkeren - Auto Door de uitbreiding van het aantal sportvelden neemt de parkeerbehoefte naar verwachting toe doordat er meer spelers tegelijk kunnen voetballen. Het plan moet voldoen aan de Nota Parkeernormen 2020. Conform de Nota Parkeernormen 2020 is de parkeernorm voor een sportveld 21,4 autoparkeerplaatsen per netto hectare sportveld. Er vervalt een half voetbalveld en er komen twee nieuwe velden bij. Per saldo stijgt het aantal sportvelden dus met 1,5 speelveld. Eén speelveld is ongeveer 0,75 hectare. Omdat er twee speelvelden bij komen (+ 1,5 hectare) en een half speelveld (- 0,75/2) verdwijnt is de toename voor het berekenen van de parkeereis + 1,125 hectare. 1,125 hectare maal 21,4 = 25 extra benodigde parkeerplaatsen ten opzichte van de huidige situatie. Echter is bij aanvang van de uitbreiding van de sportvelden een parkeerdrukmeting uitgevoerd op het maatgevende moment, de zaterdagochtend. Daaruit is gebleken dat de daadwerkelijke parkeerdruk hoger ligt voor deze sportvereniging dan de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen 2020. Uit het parkeeronderzoek is een gemiddelde parkeerdruk van 50 voertuigen per netto hectare sportveld geconstateerd. Naar verwachting geldt dit aantal ook voor de uit te breiden velden.

De parkeereis voor de uitbreiding is daarom bepaald op 1,5 speelveld * 0,75 netto hectare maal 50 autoparkeerplaatsen = 57 extra te realiseren parkeerplaatsen. Uit het parkeeronderzoek bleek dat de huidige parkeerbehoefte tijdens het piekmoment 224 parkeerplaatsen was. De totale parkeerbehoefte komt daarmee op minimaal 281 (224 + 57) benodigde autoparkeerplaatsen. Door het verdwijnen van een half speelveld kan daar het parkeren worden uitgebreid. 202 parkeerplaatsen nieuwe parkeerterrein op locatie vervallen halve speelveld; 44 parkeerplaatsen huidige situatie langs Barnseweg ter hoogte van SDVB; 36 parkeerplaatsen huidige situatie Barnseweg ter hoogte van Aeres (alleen de zuidelijke vakken). 40

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI

Het nieuwe parkeerterrein voldoet aan de afmetingen zoals gesteld in de Nota Parkeernormen 2020. Daarmee zijn alle nieuwe parkeerplaatsen goed bruikbaar. Vanaf het nieuwe parkeerterrein is er een logische looproute zijn naar de kantine en kleedkamers. De totale capaciteit na realisatie 282 parkeerplaatsen, waardoor met een parkeereis van 281 parkeerplaatsen de parkeerbalans positief is. Parkeren - Fiets Conform de Nota Parkeernormen 2020 is de parkeernorm "fiets" voor een sportveld 64 fietsparkeerplekken per netto hectare sportveld. De uitbreiding van + 1,5 sportveld (1,125 hectare) heeft daarmee een fietsparkeereis van 72 fietsparkeerplaatsen. Door het herinrichten van de bus parkeerplaats ontstaat op het voorterrein ruimte voor deze 72 extra fietsparkeerplaatsen. Bereikbaarheid en verkeersgeneratie De bereikbaarheid per auto blijft ongewijzigd. De parkeerplaatsen zijn allen uitsluitend te bereiken via de Barnseweg. Voor fietsers verandert de oversteekplaats op de Barnseweg. Doordat het hier geen doorgaande fietsroute betreft maar een bestemming/uitrit en een 50 km/uur gebiedsontsluitende weg, is een fietsoversteek ín de voorrang niet passend en ligt niet binnen de verwachting van automobilisten. Ook ligt het naastgelegen tweerichtingenfietspad té dicht op de fietsoversteek in de voorrang.

In de nieuwe situatie moeten fietsers die de Barnseweg oversteken voorrang verlenen aan kruisend verkeer, dit is een verkeersveiligere inrichting. Een (verkeers) adviesbureau heeft een inschatting gemaakt van het aantal te verwachten verkeersbewegingen, op basis van huidige wedstrijddagen. Ingeschat is hoeveel voertuigen bij een wedstrijd van één elftal aanwezig zijn. Bij een thuiswedstrijd ligt dat hoger dan bij een uitwedstrijd vanwege bijvoorbeeld bezoekers van zowel de thuisspelende als de uitspelende club; bij een uitwedstrijd vaak gezamenlijk rijden. Vanaf de leeftijd vanaf 12 jaar liggen de aantallen hoger omdat de elftallen dan groter zijn, bij de pupillen minder kinderen. Hier is rekening mee gehouden. Er worden in de huidige situatie zo'n 1400 vervoersbewegingen verwacht. Er zijn nu 6 velden geschikt voor wedstrijden en in de nieuwe situatie 7,5. De inschatting is daarom dat na de uitbreiding van 1,5 extra veld (1400* 1,25) zo'n 1750 verkeersbewegingen op de zaterdag verwacht worden. Op doordeweekse dagen zal dit aantal aanzienlijk lager liggen doordat er dan geen wedstrijden plaatsvinden maar alleen trainingen. De Barnseweg is ingericht om deze intensiteit verkeersveilig te verwerken. Eénmaal per week worden de spelers van het eerste elftal gebracht of opgehaald met de bus. In geval van een thuiswedstrijd is er ook een spelersbus van de bezoekende ploeg.

Die parkeren bij de hoofdentree achterwaarts. De inrit van het terrein wordt aangepast zodat bussen in één manoeuvre hier kunnen parkeren, te allen tijde begeleid door verkeersregelaars van SDVB.

5.15

Water

Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. "Barnseweg XI" (vastgesteld)

41

Barnseweg XI

Waterbeleid BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. - Waterveiligheid · Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. - Watersysteem · Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. - Wonen en zuiveren · Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

- Circulaire economie · Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. - Energietransitie · Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie De voetbalvereniging SDVB is gelegen aan de Barnseweg in Barneveld. Het voetbalveld bestaat uit een zestal velden. Daarnaast staat er nog een clubhuis, kleedruimtes, tribune bij het hoofdveld en een kantine op het terrein.

In de huidige situatie wordt er geparkeerd parallel aan de Barnseweg langs de voetbalvereniging en op het kleine parkeerterrein ten oosten van het hoofdveld. Bussen ten behoeve van uitspelende clubs worden geparkeerd op de busparkeerplaats ten westen van het hoofdveld. De gebouwen zijn aangesloten op het riool middels drukriolering. De ondergrond van de voetbalvelden bestaat uit een zandige ondergrond met een toevoeging van silt. De K-waarde van de ondergrond ligt tussen de 0,1 en 0,01 m/dag in de onverzadigde zone en in de verzadigde zone (1.4-2.4 onder maaiveld) ligt deze op 2.3 m/dag. De GHG in het gebied ligt op +10.70 ten opzichte van NAP en de GLG op +10.25 ten opzichte van NAP. Langs het terrein zijn verschillende watergangen aanwezig. Zo loopt er een B-watergang langs de zuidzijde van het veld die ter hoogte van de huidige parkeerplaats in een duiker overgaat. Langs de oostzijde van het veld loop ook nog een B-watergang door het naastgelegen weiland richting het zuiden die verbonden is met de hiervoor genoemde watergang. Verder zijn er in de omgeving nog enkele C-watergangen aanwezig.

42

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal het veld ten oosten van het hoofdveld verdwijnen. Daarnaast zullen er twee velden gerealiseerd worden in het noordoosten van het gebied in het aangelegen weiland ten noorden van de straat de Heestereng. Ten behoeve van de uitbreiding van de club zal er op de locatie waar een veld is verdwenen een parkeerterrein komen. Deze zal de helft van het oude veld in beslag nemen. De rest van het terrein zal worden opgevuld met een half voetbalveld. Het parkeerterrein wordt deels verhard en deels voorzien van waterdoorlatende verharding in de parkeervakken. Voor het verharde deel van het parkeerterrein zal er waterberging komen onder de waterdoorlatende parkeervakken. Hier komt een waterbergend pakket van 30 cm onder te liggen die de volledige wateropgave kan opvangen, rekening houdend met een wateropgave van 30 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Het water zal onder de parkeervakken geïnfiltreerd worden in de bodem. Tussen de parkeervakken wordt een strook met kolken geplaatst om het overtollige water bij hevige neerslag ook te kunnen afvoeren. Deze zijn aangesloten op een drainageleiding onder het parkeerterrein die het water infiltreert in de bodem, maar bij een te hoge waterstand loost naar de duiker aan de voorzijde van het terrein.

Bij de twee nieuwe velden wordt een enkele bestaande watergang gedempt en omgeleid om de velden heen, hierbij wordt dan ook direct nieuwe natuur gemaakt in combinatie met poelen in het gebied. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

43

Barnseweg XI

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 6.1.1 6.1.1.1

Inleidende regels Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. Het begrip 'Relatie' staat in artikel 1.45. Hierin staat beschreven dat het een op de verbeelding opgenomen aanduiding betreft die aangeeft welke bestemmingsvlakken met elkaar verbonden zijn en een eenheid vormen; Dit houdt in dat de aanduidingen die op beide verbonden bestemmingsvlakken staan niet zelfstandig gelezen moeten worden maar dat deze gelden als één geheel. Als bijvoorbeeld wordt aangegeven onder de bestemming Wonen I: 'de totale oppervlakte van buiten het bouwvlak gelegen bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20% van dat bouwperceel, met een maximum van 150 m2, [...].' wordt bedoeld dat de maximum oppervlakte die is aangegeven op de verbonden vlakken als één maximum voor beide vlakken geldt en niet voor beiden afzonderlijk.

44

"Barnseweg XI" (vastgesteld)

Barnseweg XI

6.1.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. 6.1.2 6.1.2.1

Bestemmingsregels Bestemming 'Groen'

Het structureel groen krijgt de bestemming 'Groen'. Onder structureel groen worden wijkparken, grotere groenelementen op buurt- of blokniveau, groen om wegen en waterlopen en wadi's verstaan. Binnen deze bestemming zijn ook speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en paden toegestaan. De bestemming 'Groen' wordt alleen toegepast op openbare gronden, in principe niet op particuliere terreinen. In de omschrijving van de bestemming 'Groen' staat dat de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (et cetera) 'met daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen'. Het is de bedoeling van de raad dat een relatief klein gedeelte van de gronden kan worden gebruikt als parkeervoorziening: om en nabij 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak. De raad beschouwt de parkeervoorzieningen dan als ondergeschikt. Die 10% is geen harde norm. De regeling is bewust flexibel geformuleerd. Als de parkeervoorzieningen meer dan de helft van de oppervlakte van het bestemmingsvlak beslaan, dan is in elk geval geen sprake van ondergeschiktheid. Wanneer sprake is van landschappelijke waarden wordt aan de hand van de geldende bestemming en de eigendomssituatie bepaald welke bestemming wordt toegekend. Bij gemeentelijk eigendom kan het hierbij gaan om diverse bestemmingen, zoals 'Groen' en 'Verkeer' in combinatie met de dubbelbestemming 'Waarde-Landschap.

Bij particulier eigendom kan het gaan om de bestemming 'Tuin', met de aanduiding 'groen'. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor de aanleg van in- en uitritten. 6.1.2.2

Bestemming 'Sport'

Binnen de bestemming 'Sport' zijn sportterreinen en gebouwen ten behoeve van sportieve doeleinden toegestaan. Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de regels voor het mogelijk maken van een tribune. Via deze constructie kan het bestuursorgaan de locatie bepalen. Wanneer de aanduiding 'specifieke vorm van sport uitgesloten - lichtmasten' is opgenomen, zijn daar geen lichtmasten toegestaan. Deze aanduiding is gelegen op de twee nieuwe velden. 6.1.2.3

Bestemming 'Verkeer'

De bestemming 'Verkeer' wordt opgenomen voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden. Daarnaast zijn parkeer-, groen- en speelvoorzieningen mogelijk. Evenals waterhuishoudkundige doeleinden en bermen. 6.1.3 6.1.3.1

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 6.1.3.2

Algemene bouwregels

In artikel 7.1 is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. De regeling houdt in dat ondergronds bouwen is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan, tenzij anders is aangegeven. 6.1.3.3

Algemene gebruiksregels

Seksinrichting / coffeeshop Ter verduidelijking van het plan wordt aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting dan wel coffeeshop in ieder geval strijdig is met de bestemming. Verblijfsrecreatie In de uitwerking van de Visie Toerisme en Recreatie 2030, de Visie Verblijfsrecreatie (2022), staat dat de "Barnseweg XI" (vastgesteld)

45

Barnseweg XI gemeente Barneveld kansen ziet voor de camperaar. Het streven is gericht op een geschikt en divers aanbod. Binnen de gemeente zijn in beginsel maximaal 5 camperterreinen mogelijk, met op elk terrein ten hoogste 8 camperplaatsen. Het realiseren van een dergelijk terrein is altijd maatwerk. Waarbij de kwaliteit van het initiatief voorop staat. We vinden het belangrijk dat een camperterrein in de nabijheid (fietsafstand) van toeristische plaatsen, horeca, middenstand, dagrecreatieve voorzieningen, wandel- en fietsroutes ligt. Het camperterrein draagt daarmee bij aan het recreatieve product van de gemeente Barneveld. Op het camperterrein moet het ook goed verblijven zijn. Dat betekent dat bijvoorbeeld een ligging aan een drukke weg of bij een bedrijf met veel geluid of geuroverlast niet wenselijk is. Het camperterrein moet goed in de omgeving en het landschap worden ingepast. Een camperterrein mag het woon- en leefgenot van woningen, voorzieningen en scholen niet aantasten. Om onderscheidend te zijn ten opzichte van reguliere verblijfsrecreatieterreinen zijn op camperterreinen in principe geen recreatieve voorzieningen en sanitaire voorzieningen toegestaan Er gelden ook een aantal (organisatorische) randvoorwaarden. Het voorgaande wordt gefaciliteerd in de algemene gebruiksregels.

Parkeerplaatsen Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de Nota Parkeernormen (2020). Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten. 6.1.3.4

Algemene aanduidingsregels

De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende gebiedsaanduiding is toegepast: veiligheidszone - lpg. De gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - lpg' is toegepast ter bescherming van / voor het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico van (beperkt) kwetsbare objecten vanwege het vulpunt lpg (bij het tankstation aan de Wesselseweg nr. 48). Hiermee wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten in de nabijheid worden gerealiseerd (binnen die zone) van het vulpunt lpg. In de gemeente Barneveld zijn op diverse locaties in de openbare ruimte standplaatsen voor ambulante handel aanwezig. Deze standplaatsen worden gedurende één of meer dagdelen per week ingenomen door kramen of wagens van waaruit producten (zoals vis, snacks, bloemen en groente en fruit) worden verkocht. Een standplaats is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel standplaats'. 6.1.3.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=bcb452d4-320e-4fe3-89d8-dbef0bbb27b0