B-4.3 Besluit B&W inzake Samenwerkingsprotocol gemeenten FV en Raad Kinderbescherming d.d. 16-3-21.pdf
Tekst van het document
Adviseert de Raad voor de Kinderbescherming om in te stemmen met het verlengingsverzoek, dan stuurt de Raad voor de Kinderbescherming de gecertificeerde instelling een aan de kinderrechter gerichte, gemotiveerde adviesbrief. De gecertificeerde instelling stuurt deze adviesbrief van de Raad voor de Kinderbescherming mee met het verlengingsverzoek. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt een kopie van de adviesbrief aan de belanghebbenden. Eventuele reacties van deze belanghebbenden stuurt de Raad voor de Kinderbescherming zo snel mogelijk door aan de gecertificeerde instelling. 23. Adviseert de Raad voor de Kinderbescherming om niet in te stemmen met het verlengingsverzoek, wordt belangrijke informatie gemist of bestaan er aarzelingen, dan volgt overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling. Als de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen het in dat overleg eens worden, dan zijn er drie mogelijkheden: a. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert alsnog positief over het verlengingsverzoek. b. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het erover eens dat het kind terug kan naar de eigen ouders. Er zijn dan twee mogelijkheden. Ofwel de gecertificeerde instelling past het verzoekschrift aan.
De instelling vraagt in dat geval ofwel alleen een verlenging van de ondertoezichtstelling (met eventueel een verlenging van de uithuisplaatsing voor korte duur, om de terugkeer naar het eigen gezin voor te bereiden). Ofwel de gecertificeerde instelling ziet af van een verzoekschrift. De ondertoezichtstelling verloopt dan om de door de rechter uitgesproken einddatum.
26
c. De gecertificeerde instelling vraagt de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel en de gecertificeerde instelling informeert hierover de ouders. De gecertificeerde instelling vraagt verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing om de Raad voor de Kinderbescherming tijd te geven om een onderzoek te doen. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt de gecertificeerde instelling in alle gevallen een aan de kinderrechter gerichte gemotiveerde adviesbrief met een kopie aan de belanghebbenden. Desgewenst stuurt de gecertificeerde instelling een reactie op het raadsadvies mee naar de kinderrechter, de Raad voor de Kinderbescherming en belanghebbenden. Als de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling het in dat overleg niet eens worden, dan doet de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel die past bij het perspectief van de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling spreken af wie hierover de ouders informeert. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt de gecertificeerde instelling een adviesbrief met daarin de motivatie voor het opstarten van een onderzoek en stuurt daarvan een kopie aan de belanghebbenden.
De Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek en stuurt het adviesrapport en eventueel rekest naar kinderrechter, de gecertificeerde instellingen en belanghebbenden, uiterlijk één week voor de zittingsdatum. 24. De gecertificeerde instelling dient het verzoekschrift in, uiterlijk acht weken voor de datum waarop de lopende kinderbeschermingsmaatregel van rechtswege eindigt. De gecertificeerde instelling voegt bij het verzoekschrift de adviesbrief van de Raad voor de Kinderbescherming. Leidt het verschil van inzicht tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling tot een raadsonderzoek, dan meldt de gecertificeerde instelling dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (inclusief onderbouwing in de vorm van een raadsrapport) uiterlijk een week voor de zitting bij de kinderrechter binnen is. Waar gaat het om 4. De toetsing door de raad voor de kinderbescherming bij (tijdelijke) voogdij De uitvoering van deze bepaling is voorlopig opgeschort. Of dan wel wanneer de bepaling zal worden uitgevoerd wordt door de verantwoordelijke ministers en de Kamer op een later tijdstip besloten, mede afhankelijk van de uitkomsten van nader onderzoek. Waar gaat het om? Bij voogdijen staat het behartigen van de belangen het kind buiten de oorspronkelijke opvoedingssituaties centraal.
Eén van die belangen is het bereiken van een stabiele alternatieve opvoedingssituatie. Bij voorkeur bij pleegouders die, waar dat verantwoord is, zelf met het gezag over het kind worden bekleed. Uit onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg uit 2003 bleek echter dat het belang van kinderen die onder voogdij staan onvoldoende is gewaarborgd. Het ontbrak aan een transparante en planmatige uitvoering van de voogdij. In een reactie op het inspectieonderzoek stelde de minister van Justitie en Veiligheid dat de activiteiten van de voogdijinstelling erop gericht moeten zijn om pedagogisch en juridisch gezag met elkaar verbinden bij een natuurlijk persoon en dat gestreefd moet worden naar een pleeggezinplaatsing. Waar plaatsing niet mogelijk is, is het taak om een sociaal netwerk te creëren.
27
Om die transparantie en planmatige uitvoering beter te kunnen waarborgen, krijgt de Raad voor de Kinderbescherming bij de invoering van de herziene kinderbeschermingswetgeving (per 1 januari 2015) een toetsende taak bij (tijdelijke) voogdijen. Die taak is vergelijkbaar met de toetsende taak bij het niet verlengen van de ondertoezichtstelling. Het gaat niet om algemeen kwaliteitstoezicht of toezicht op naleving van de wet; dat doet Inspectie Jeugdzorg. Het gaat om te beoordelen of de belangen van de minderjarigen voldoende behartigd worden. Het gaat zowel om tijdelijke voogdij als om reguliere voogdij waar de gecertificeerde instelling of Nidos uitvoerder van is. De Raad voor de Kinderbescherming maakt over de samenwerking bij de uitvoering van deze taak afspraken met de gecertificeerde instellingen en de gemeente ziet erop toe dat de gecertificeerde instellingen zich aan hun wettelijke verplichtingen houden en de afspraken nakomen.
Relevante wetsartikelen Burgerlijk Wetboek (per 1 januari 2015) Art 305, lid 1-2: 1. De [gecertificeerde instelling], zendt jaarlijks aan de Raad voor de Kinderbescherming een afschrift van het plan, bedoeld in [de Jeugdwet], dat tevens de gegevens bevat over het verloop van de voogdij. 2. Geschillen tussen de [gecertificeerde instelling] en de Raad voor de Kinderbescherming die de uitoefening van de voogdij door de [gecertificeerde instelling] betreffen, kunnen op verzoek van een van beide aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming 25. De gecertificeerde instelling of Nidos stuurt (conform art 40 Uitvoeringswet op de JZ, per 1 januari 2015: JW) jaarlijks een afschrift van het evaluatieplan aan de Raad voor de Kinderbescherming. 26. De Raad voor de Kinderbescherming doet de toetsing in beginsel af op de schriftelijke stukken die de gecertificeerde instelling of Nidos aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt. 27. De Raad voor de Kinderbescherming toetst het evaluatieplan. De Raad voor de Kinderbescherming dient (conform de herziene kinderbeschermingswetgeving, MvT pg 37 en verder) te beoordelen of de belangen van de minderjarigen voldoende worden behartigd, of de minderjarige de nodige zorg ontvangt en of de punten uit wet- en regelgeving worden uitgevoerd. Het gaat concreet om: - de mate waarin de gecertificeerde instelling of Nidos zich op de hoogte houdt van de ontwikkeling van de minderjarige, de aan hem bestede zorg en zijn vermogen. - de mate waarin de gecertificeerde instelling of Nidos contact tussen de minderjarige en diens oorspronkelijk milieu bevordert. - de mate waarin de gecertificeerde instelling of Nidos bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een persoon buiten de instelling.
- de mate waarin de gecertificeerde instelling of Nidos rekening houdt met overgang van gezag naar de ouders of pleegouders.
28
28. Als de informatie niet compleet is, vraagt Raad voor de Kinderbescherming aan de gecertificeerde instelling of Nidos om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 2 weken met aanvullende informatie te komen. 29. Als de Raad voor de Kinderbescherming na toetsing van mening is dat de belangen van de minderjarige voldoende gewaarborgd zijn, stuurt de Raad voor de Kinderbescherming binnen twee weken na ontvangst van het evaluatieplan of na completering van de informatie een gemotiveerde brief aan de gecertificeerde instelling of Nidos met een afschrift aan de belanghebbenden. 30. Als de Raad voor de Kinderbescherming vragen heeft of twijfelt of de belangen van de minderjarige voldoende gewaarborgd zijn, vraagt de Raad voor de Kinderbescherming de gecertificeerde instelling of Nidos om nadere uitleg. 31. Als na uitleg van de gecertificeerde instelling of Nidos de Raad voor de Kinderbescherming vindt dat de belangen van de minderjarige voldoende gewaarborgd zijn, dan laat de Raad voor de Kinderbescherming dit schriftelijk aan de instelling weten. 32. Is de Raad voor de Kinderbescherming ook na overleg met de gecertificeerde instelling of Nidos van mening dat de belangen minderjarige onvoldoende gewaarborgd zijn, of als daarover nog steeds twijfels bestaan, dan start de Raad voor de Kinderbescherming een raadsonderzoek en benadert hiervoor de belanghebbenden.
Het raadsonderzoek wordt indien mogelijk binnen 3 weken maar uiterlijk binnen 2 maanden afgerond. 33. Is de Raad voor de Kinderbescherming na dit raadsonderzoek van mening dat de belangen van de minderjarige voldoende behartigd worden, dan laat de Raad voor de Kinderbescherming dit schriftelijk weten aan de gecertificeerde instelling of Nidos. De belanghebbenden ontvangen een kopie van deze brief. 34. Als de Raad voor de Kinderbescherming na dit raadonderzoek van mening blijft dat de belangen van de minderjarige onvoldoende behartigd worden, dan legt de Raad voor de Kinderbescherming of de gecertificeerde instelling of Nidos de zaak gemotiveerd voor aan kinderrechter. Wat afspreken tussen de gemeente en de raad voor de kinderbescherming
29
BIJLAGE 2 Landelijk kader voor afspraken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering De wetgeving rond de inzet van jeugdreclassering stelt eisen aan de samenwerking tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen. Daarnaast kan de gemeente nadere voorwaarden stellen over de samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming, bij het contracteren van gecertificeerde instellingen. De afspraken die in dit Landelijk kader zijn opgenomen, zijn tot stand gekomen in overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg Nederland, Nidos6. Waar gaat het om? De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering werken op verschillende momenten nauw samen. Voor een deel komt die samenwerking voort uit wettelijke verplichtingen (vastgelegd in de Jeugdwet en andere wetten). De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen maken onder regie van de gemeente afspraken over hun manier van samenwerking.7 Die afspraken moeten voldoen aan de wettelijke eisen en de aanvullende eisen van de gemeente. De gemeente ziet er, als opdrachtgever van de gecertificeerde instellingen, op toe dat die instellingen zich aan de afspraken houden.
In uitzonderlijke gevallen kan de Raad voor de Kinderbescherming – na overleg met de gemeente – gebruik maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van de gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering.
Relevante wet- en regelgeving Besluit van 16 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet op de jeugdzorg (Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), paragraaf 7. Het uitvoeren van de jeugdreclassering (art 46-49).
6
Nidos: landelijke organisatie voor jeugdbescherming voor vluchtelingen.
7 Dit is afhankelijk van het normenkader voor de certificering: de gemeente en de raad hoeven geen afspraken te maken die al in dat normenkader vastliggen.
30
Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering Wettelijke verplichtingen 1. De gecertificeerde instelling levert op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming informatie aan de raad ter voorbereiding van het afstemmingsoverleg ZSM. 2. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben soms gelijktijdige bemoeienis met jongeren. De Raad voor de Kinderbescherming informeert de gecertificeerde instelling direct en stemt af wanneer er sprake is van een nieuw Proces Verbaal Minderjarigen (PVM) ten aanzien van een jongere die begeleid wordt door een gecertificeerde instelling (zowel jeugdreclassering als jeugdbescherming). 3. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop en de termijnen waarbinnen uitwisseling van informatie plaatsvindt tijdens het strafonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en voor de zitting (wijze van preadvisering, uitvoering en rapportage toezicht en begeleiding, uitvoering en rapportage van haalbaarheidsonderzoeken). 4. De Raad voor de Kinderbescherming stuurt afschrift van het strafadvies naar de gecertificeerde instelling, indien deze is betrokken bij de totstandkoming hiervan en/of het strafadvies inhoudt dat zij de uitvoering van de maatregel hulp en steun of de gedragsmaatregel dienen op te pakken.
5. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken samenwerkingsafspraken in het kader van de wettelijke toezichthoudende taak van de Raad voor de Kinderbescherming op de gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering. Bijvoorbeeld over de termijnen waarbinnen (en de manier waarop) de plannen van aanpak, de reguliere verantwoordingsrapportages en de wijzigings- en verlengingsverzoeken in het kader van de gedragsmaatregel aan de Raad voor de Kinderbescherming worden toegezonden. Mogelijke aanvullende eisen aan de gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering8 1. De gecertificeerde instelling is, net als de Raad voor de Kinderbescherming, aanwezig bij het overleg over jongeren in het Veiligheidshuis. 2. De gecertificeerde instelling is aanwezig bij het JCO+ als er TUL-zaken9 worden besproken over jongeren die zij als cliënt hebben. 3. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop zij gebruikmaken van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen. 4. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop de organisaties ter zitting vertegenwoordigd zijn. De genoemde eisen zijn conform de huidige samenwerkingsafspraken in de jeugdstrafrechtketen. De afkorting TUL staat voor ‘ten uitvoer legging’.
Het gaat om het ten uitvoer leggen van een voorwaardelijke straf, omdat de jongere zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden. 8 9
31
5. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop vanuit de uitvoering van een opgelegde jeugdreclasseringsmaatregel een verzoek tot raadsonderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel aan de Raad voor de Kinderbescherming gericht kan worden, conform de afspraken in beschermingszaken (zie het vorige hoofdstuk van deze handreiking). De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling maken afspraken over de wijze waarop de raad betrokken en geïnformeerd wordt indien een zaak wordt overgedragen aan, of wordt overgenomen van een andere gecertificeerde instelling. 6. De gemeente stelt aan de gecertificeerde instelling als eis, dat bij de uitvoering van de jeugdreclasseringsmaatregel wordt aangesloten bij de jeugdhulp zoals die in het gemeentelijke domein georganiseerd is.
32
BIJLAGE 3 Hulpschema bij bepaling keuze van gecertificeerde instelling De Raad voor de Kinderbescherming zal per casus, op grond van de aangetroffen problematiek en doelgroep, een keus maken uit onderstaande, door de Gelderse gemeenten gesubsidieerde, gecertificeerde instellingen of Nidos en de gekozen instelling opnemen in rekest kinderbeschermingsmaatregel, advies inzake strafzaken of opdracht tot vrijwillige jeugdreclassering. WIE Jeugdbescherming Gelderland
DOELGROEP Kinderen met een licht, matig of ernstig verstandelijke beperking (IQ < 70) Jeugdigen en hun gezinnen (IQ > 70) Kinderen met extra risicofactoren, zoals vroegtijdig schoolverlaten, overmatig middelengebruik, psychische problematiek Tienermoeders Multiprobleemgezinnen (overlast, maatschappelijke onrust) Drugs- of alcoholverslaafde ouders Gezinnen met geringe sociale redzaamheid Echtscheidingsproblematiek
WAT Jeugdbescherming Jeugdreclassering Voogdij
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering
Karakteristieken van het kind: Kinderen met een licht, matig of ernstig verstandelijke beperking (IQ < 70) Kinderen die op zwakbegaafd niveau functioneren (IQ tussen 70 en 85), mits er sprake is van een niveau van sociaal-emotioneel functioneren dat beduidend lager ligt dan het cognitief functioneren Kinderen met een lichamelijke beperking die als gevolg van hun beperking blijvende beperkingen ondervinden in hun ontwikkeling tot zelfstandigheid Kinderen met een zintuiglijke beperking: slechthorend/doof, slechtziend/blind. Meervoudig Complex Gehandicapte kinderen (M.C.G.)
Gezinsvoogdij Voogdij Jeugdreclassering
33
Kinderen in de leeftijd van 0 tot 6 jaar, met een verhoogd medisch risico op een blijvende beperking die in de eerder genoemde categorieën vallen Kinderen met een ernstig lichamelijke chronische of progressieve ziekte. Te denken valt aan een stofwisselingsziekte, aids, cystic fybrose, leukemie Kinderen die niet tot de doelgroep van de William Schrikker behoren maar van wie de ouders een beperking hebben, zoals die in de eerste vier categorieën is omschreven, waardoor specialistische hulp noodzakelijk is Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (SGJ is onderaannemer LDH)
Achtergrond van het gezin: Alle gezinnen (als vangnetorganisatie als huidige hulpverlenging vastloopt) Gezinnen aan de onderkant van de samenleving Verspreid wonende, samengestelde gezinnen Zwervende ouders en kinderen Roma en Sinti-gezinnen Gezinnen die vanwege hun geloofsovertuiging door het Leger des Heils begeleid willen worden
Gezinsvoogdij Voogdij Jeugdreclassering
Stichting Nidos
Stichting Nidos is met ingang van 1 december 2001 aanvaard door het Ministerie van Justitie en Veiligheid als voogdij- en gezinsvoogdijinstelling voor vluchtelingen en asielzoekers. Nidos is een landelijk werkende instelling die op algemene grondslag werkt. De hulpverlening van Nidos is specifiek gericht op alleenstaande minderjarige vluchtelingen, asielzoekers en jongeren die in Nederland verblijven zonder asielaanvraag en voor wie terugkeer naar het land van herkomst een reële optie is.
Gezinsvoogdij Voogdij
Voor deze jongeren dient, voor zover het gezag in Nederland niet wordt uitgeoefend, een voogdijvoorziening te worden getroffen. De instelling verzorgt, in het verlengde van de voogdij, ook de opvang voor een deel van haar pupillen. Indien een ondertoezichtstelling wordt verzocht voor kinderen die in een COA-voorziening
34
verblijven, dan is Nidos landelijk de aangewezen gecertificeerde instelling voor de uitvoering van de OTS. In deze gevallen zal de Raad voor de Kinderbescherming in het rekest aan de rechtbank in beginsel Nidos adviseren.
35
BIJLAGE 4 Aanvullende afspraken bij een VTO nog niet geboren kind indien een kind van hetzelfde gezin onder toezicht of onder voogdij staat. Indien in een gezin c.q. huishouden reeds een kind onder toezicht staat en de moeder zwanger is, maakt de jeugdbeschermer altijd een afweging op basis van overleg met ouders en overleg in multidisciplinair teamverband met betrekking tot de aanvraag van een beschermingsonderzoek. Als hulpmiddel is er onder punt b een checklist opgenomen. Indien op basis van het invullen van de checklist en de weging blijkt dat het ongeboren nngk kind niet in de ontwikkeling wordt bedreigd, wordt dit schriftelijk onderbouwd en vastgelegd in het dossier van het kind dat onder toezicht staat. Blijkt uit de afweging dat er sprake is van dreiging dan wordt een VTO ingediend. a.
De jeugdbeschermer van de GI meldt via de JBT. Voor het verzoek wordt het reguliere format Verzoek tot Bespreking/ Onderzoek (zie site
gemeente) gebruikt. b.
De informatie zal betrekking hebben op de omstandigheden voor de geboorte en waaronder het kind ter wereld komt en opgroeit. Onderstaande cheklist kan samen met de moeder wordt doorgenomen: -
Zijn er zorgen, zo ja, wat zijn de zorgen over de baby voor en na de geboorte? Wanneer er geen zorgen zijn, moet ook dit beschreven worden.
-
Hoe verloopt de zwangerschap, is er sprake van een begeleide zwangerschap? Zo ja, graag informatie toevoegen van de verloskundige of gynaecoloog.
-
Waar gaat de bevalling plaatsvinden (welk ziekenhuis of thuis) en wanneer is de moeder uitgerekend?
-
Zijn er voorbereidingen getroffen voor de komst van de baby. Is er kraamzorg geregeld?
-
Is de vader van het kind in beeld en wat is zijn rol? Wat zijn de plannen van de ouders? Netwerk?
-
Wat kan gemeld worden over de pedagogische vaardigheden van ouders/moeder? Wat is de inschatting/ervaring met deze ouders/moeder?
-
Zorgen over de ouders; middelengebruik, huisvesting, financiën, beperkingen, psychiatrische problematiek.
-
Is er hulp in het gezin aanwezig, welke hulp is dit, waar is deze op gericht en hoe loopt dit? Welke hulp is er nodig (voor de geboorte en na de geboorte) en kan dit al in het plan van aanpak opgenomen (verleningsbesluit) worden zodat dit na de geboorte snel start?
-
Is er vertrouwen dat ouders hulp inschakelen indien nodig? Waar is dit op gebaseerd?
36
-
Kan de baby na de geboorte naar huis? Zo niet: is dit met ouders besproken, wat is hun reactie hierop en waar zou de baby (al dan niet met moeder) geplaatst moeten worden? Wat zijn de mogelijkheden van het netwerk? Als moeder-kind opvang geen optie is, dit uitgebreid toelichten.
c. Indien informatie niet bekend is, wordt dit vermeld en toegelicht waarom dit niet bekend is. d. De bodemeis voor een VTO is: - de zwangerschap is zeker -
de verblijfplaats van de zwangere is bekend.
e. Over de noodzaak en de mogelijkheden om achter de verblijfplaats van de zwangere moeder te komen, kan consultatief overleg worden gevoerd op initiatief van de GI met RvdK en mogelijke andere partners die een bijdrage kunnen leveren zoals Veilig Thuis en politie. f. Een Veilig Thuis melding is de juiste route als het ongeboren kind tot een ander huishouden behoort g. De RvdK neemt de verzoeken altijd in onderzoek, tenzij aan de JBT blijkt dat er geen grond voor is. Voor het overige is de behandeling aan de JBT gelijk aan de overige VTO (zie par. 2.3). Dit kan dus ook een uitgesteld raadsonderzoek worden. h. Indien het een reguliere OTS betreft, is de vraag aan de rechtbank of in de beschikking wordt opgenomen: -
dat de OTS ingaat vanaf het moment van geboorte of
-
direct wordt uitgesproken, zodat een jeugdbeschermer eerder aan de slag kan. De risico’s voor het kind zijn hierbij leidend.
37