B-4.3 Besluit B&W inzake Samenwerkingsprotocol gemeenten FV en Raad Kinderbescherming d.d. 16-3-21.pdf
Tekst van het document
-1Afdeling: Sociaal Domein Behandelaar: Mol, Haico Telefoonnummer: 06-83807340 Ter kennisname naar de raad Nummer beleidsproduct: 6217
Onderwerp:
Voorstelnr. 1285 Barneveld, 22-02-2021 Portefeuillehouder: P.J.T. van Daalen Op overzicht Bestaand beleid (website)
Samenwerkingsprotocol gemeenten Foodvalley en de Raad voor de Kinderbescherming.
Gevraagde beslissing: 1. Instemmen met het "Samenwerkingsprotocol gemeenten Foodvalley en de Raad voor de Kinderbescherming regio Gelderland".
1. Inleiding De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet en werken daartoe samen met diverse partijen in het veld. Eén van die partijen is de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Het maken van afspraken met de RvdK is een verplichting in de Jeugdwet. In 2014 is daartoe al een samenwerkingsprotocol opgesteld. In 2020 is dat protocol geëvalueerd door de Gelderse gemeenten van de jeugdhulpregio FoodValley en de RvdK en dat leidt tot het voorstel om akkoord te gaan met een nieuw protocol. Dit protocol komt na vaststelling in de plaats van het in 2014 vastgestelde protocol. 2. Beoogd effect Een goede samenwerking tussen de gemeente en de Rvdk ter bevordering van het veilig opgroeien van kinderen. 3. Argumenten 1.1.Het maken van afspraken met de RvdK is verplicht in de Jeugdwet Grondslag voor het protocol is artikel 3.1 lid 5 van de Jeugdwet ('De raad voor de kinderbescherming en het college leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol."). 1.2. Het protocol voldoet aan de eisen in de Jeugdwet In artikel 3.1 lid 6 van de Jeugdwet wordt de volgende eis aan het protocol gesteld: "In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming en het college overleggen over welke gecertificeerde instelling in het verzoekschrift aan de rechter wordt opgenomen." In bijlage 3 (blz.
33) staat een ‘Hulpschema bij bepaling keuze gecertificeerde instelling’. Op basis hiervan maakt de Raad voor de Kinderbescherming per casus en in overleg met de gemeente een keus uit de gecertificeerde instellingen. De gekozen instelling wordt vervolgens opgenomen in het rekest kinderbeschermingsmaatregel, het advies inzake strafzaken of de opdracht tot vrijwillige jeugdreclassering. In geval van statushouders is in het protocol opgenomen dat Nidos voor die doelgroep in actie komt. Die is n.l. specifiek voor deze doelgroep door de minister aangewezen.
-2-
1.3. Er is aanleiding om het bestaande samenwerkingsprotocol aan te passen aan de actualiteit Het voorliggende protocol vervangt het eerdere protocol dat op 25 november 2014 door het college is vastgesteld. In 2020 is door de deelnemers van de regionale Beleidsgroep Jeugd & Veiligheid het protocol geëvalueerd. In het protocol staan de afspraken in de samenwerking rond de jeugdbescherming en jeugdreclassering. De belangrijkste wijzigingen t.o.v. 2014 zijn: Een Verzoek tot onderzoek (VTO) kan vanaf 2021 ook door onder gemeentelijke verantwoordelijkheid werkende instellingen (inclusief leerplicht), Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen worden ingediend. Dat was voorheen voorbehouden aan het lokale team. Het COB (Casus Overleg Bescherming) is vervangen door de Jeugdbeschermingstafel (JBT). Het verschil t.o.v. het COB is dat voor het JBT ouders en kinderen (ouder dan 12 jaar) worden uitgenodigd, evenals belangrijke personen uit het sociaal netwerk. In het gehele protocol 2020 is speciale aandacht voor het ongeboren kind. In het protocol is de nazorg na detentie geactualiseerd. Daarvoor wordt een ‘Nazorgtafel’ georganiseerd en nieuw is dat de ouders en jongere aanwezig zijn. In het protocol 2014 wordt nog het AMHK (Advies en meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling) genoemd. Deze organisatie heet al jaren Veilig Thuis.
In de bijlage treft u een uitgebreider overzicht aan van de verschillen. 4. Kanttekeningen Bij beslispunt 1: centrale spil in de uitwisseling van persoonsgegevens is het secretariaat van de Jeugdbeschermingstafel, die wordt bemenst door medewerkers van de gemeente Ede. Daarvoor is een verwerkersovereenkomst met de gemeente Ede afgesloten. Proces Het Bestuurlijk Overleg van de jeugdhulpregio FoodValley is geïnformeerd over het nieuwe samenwerkingsprotocol, zodat alle gemeenten (zowel aan Gelderse of Utrechtse kant) op de hoogte zijn van de ontwikkelingen. Het protocol hoeft niet in het regionale BO te worden vastgesteld, omdat het alleen de Gelderse gemeenten aangaat. Na akkoord van het college tekent de wethouder het handtekeningenblad en worden handtekeningen verzameld door de Raad voor de Kinderbescherming. Momenteel wordt er ook landelijk gesproken over de toekomst van de taken van Veilig Thuis, de gecertificeerde instellingen en de RvdK. Dit zou gevolgen kunnen gaan hebben voor dit soort samenwerkingsafspraken. Denk ook aan de pilot Jeugdbescherming dichterbij waar deze partijen intensiever samenwerken in een vrijwillig kader. Er is afgesproken dat dit samenwerkingsprotocol opnieuw besproken kan worden wanneer daar behoefte aan is bij de betrokken partijen. 5. Financiën Dit voorstel brengt geen kosten met zich mee.
-3-
6. Uitvoering Evaluatie/controle Er is afgesproken dat dit samenwerkingsprotocol opnieuw besproken kan worden wanneer daar behoefte aan is bij de betrokken partijen. 7. Bijlagen Samenwerkingsprotocol JZR Foodvalley
Samenwerkingsprotocol gemeenten Foodvalley Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland
Versie: definitief dec. 2020
1
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9 1.10 1.11 1.12 2 2a 2.12.12 2.132.16 2.172.21 2b 2.222.26
Status Leeswijzer Algemene afspraken Intentieverklaring en geldigheid afspraken Verbindendverklaring Bestuurlijk en ambtelijk overleg Evaluatie met Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen Uitwisseling beleidsinformatie Samenwerking met gecertificeerde instellingen Landelijke afsprakenkaders zijn leidend Gemeenten zien toe op wettelijke verplichtingen gecertificeerde instellingen en nakomen afspraken met de Raad voor de Kinderbescherming Samenwerking bij calamiteiten en publiciteitsgevoelige casuïstiek Verwijsindex Risicojongeren Samenwerking in het Veiligheidshuis Berichtenverkeer tussen gemeenten en Raad voor de Kinderbescherming via CORV Jeugdbescherming Procesafspraken rond de toeleiding naar de Jeugdbescherming Het casusoverleg aan de jeugdbeschermingstafel
5 5 6 6 6 6 6 6 7 7 7
Criteria waaraan een verzoek tot raadsonderzoek moet voldoen
11
Verzoek tot raadsonderzoek door derden (crisismelding) of door de RvdK zelf (ambtshalve) Samenwerking tijdens het raadsonderzoek bescherming Borging van de veiligheid van kinderen
12
7 8 8 8 9 9 9
12 12
2
2.272.28 2c 2.31 2.322.33 2.34 3 4 4.1-4.2 4.3 4.4 4.5 4.6-4.7 Bijlage
1
Bijlage
2
Bijlage Bijlage
3 4
Gesloten jeugdzorg
14
De afronding van het raadsonderzoek Als de RvdK een maatregel vraagt Als de RvdK geen maatregel vraagt
15 15 15
Verleningsbeschikking Toetsende taak Jeugdreclassering en jeugdstrafrecht Benaderen informanten in strafonderzoek RvdK Inzet jeugdreclassering in opdracht van de RvdK Nazorg na detentie Uitvoering werkstraffen Schoolverzuim Bijlagen Landelijk kader afspraken Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming Landelijk kader afspraken Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen voor jeugdreclassering Hulpschema bij bepaling keuze van gecertificeerde instelling
16 17 18 18 18 18 19 19 20 21
Aanvullende afspraken bij een VTO nog niet geboren kind indien een kind van hetzelfde gezin onder toezicht of onder voogdij staat
30 33 36
3
Samenwerkingsprotocol gemeenten Foodvalley en de Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland
De ondergetekenden: a. Gemeente Barneveld, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de wethouder, de heer H. van Daalen, handelend ter uitvoering van het besluit van het college van burgemeester en wethouders d.d………. , nr. ..................
b. Gemeente Ede, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de wethouder, de heer L. Meijer, handelend ter uitvoering van het besluit van het college van burgemeester en wethouders d.d. .................., nr. ..................
c. Gemeente Nijkerk, rechtsgeldig vertegenwoordigd door de wethouder, mevr. N. Aboyaakoub-Akkouh, handelend ter uitvoering van het besluit van burgemeester en wethouders d.d. ................., nr. ........... ..
d. Gemeente Scherpenzeel, rechtsgeldig vertegenwoordigd door loco - burgemeester mevr. H.E. van Dijk-van Ommering , handelend ter uitvoering van het besluit van het college van burgemeester en wethouders d.d. ..............., nr. ...................
e. Raad voor de Kinderbescherming Regio Gelderland, rechtsgeldig vertegenwoordigd door gebiedsmanager mevr. H. Weurding.
4
STATUS Dit samenwerkingsprotocol vormt de basis voor de afspraken tussen de gemeenten Foodvalley en Raad voor de Kinderbescherming. Dit protocol zal onderwerp van gesprek zijn in het bestuurlijk overleg tussen de gemeenten Foodvalley en de gebiedsmanager van de Raad voor de Kinderbescherming. Zo nodig leidt dit gesprek tot bijstellingen van dit protocol. Dit protocol komt na vaststelling in de plaats van het in 2014 vastgestelde protocol van samenwerking ingevolge art. 3.1 lid 5 JW. Indien daartoe aanleiding is kan dit samenwerkingsprotocol tussentijds worden aangepast n.a.v. de resultaten vanuit regionale pilots, zoals ‘Jeugdbescherming Dichterbij’ en het project ‘Gelderse Verbeteragenda Jeugdbescherming’. LEESWIJZER In hoofdstuk 1 staan de algemene (proces-)afspraken opgesomd over de samenwerking tussen gemeenten en Raad voor de Kinderbescherming en de wijze waarop de afspraken worden geëvalueerd en met welke frequentie. Ook wordt aandacht besteed aan enkele afspraken met het lokale veld, Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen en Raad voor de Kinderbescherming en de wijze waarop samenwerking plaatsvindt bij publiciteitsgevoelige casuïstiek. In hoofdstuk 2 zijn procesafspraken en samenwerking opgenomen tussen de gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming bij de toeleiding naar (2a), tijdens (2b) en na afronding van (2c) het raadsonderzoek.
In hoofdstuk 3 wordt tot slot stilgestaan bij de afspraken tussen de gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming bij jeugdreclassering en jeugdstrafrecht. In de bijlagen zijn relevante documenten opgenomen. De routes voor Jeugdhulp vormen een geheel met dit protocol.
5
Samenwerkingsprotocol gemeenten Foodvalley en de Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland 1.
Algemene afspraken
1.1 Intentieverklaring en geldigheid afspraken De colleges B&W van de samenwerkende gemeenten in de regio Foodvalley, te weten: Barneveld, Ede, Nijkerk en Scherpenzeel en de Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland (hierna te noemen ‘Raad voor de Kinderbescherming’) spreken af dat zij in de onderlinge samenwerking zullen handelen volgens de afspraken in dit protocol. Voor alle afspraken geldt dat hiervan gemotiveerd afgeweken kan worden, bijvoorbeeld als de (veiligheids)situatie van het kind erom vraagt. Indien er vanuit één van de partijen aanleiding is zal overleg plaats vinden om de afspraken in dit protocol bij te stellen. De vaststelling van het gewijzigde protocol vindt plaats in een bestuurlijk overleg als bedoeld in artikel 1.3 en behoeft de instemming van zowel de gemeenten als de Raad voor de Kinderbescherming. 1.2 Verbindendverklaring De gemeenten stellen vast dat de afspraken die in dit samenwerkingsprotocol met de Raad voor de Kinderbescherming gemaakt worden, onverkort gelden voor alle instanties die werken onder de regie van de gemeenten en op wie deze afspraken van toepassing zijn. 1.3 Bestuurlijk en ambtelijk overleg De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming overleggen ten minste eenmaal per jaar over de samenwerking.
In een bestuurlijk overleg tussen de portefeuillehouders jeugd namens de gemeenten Foodvalley en de gebiedsmanager van de Raad voor de Kinderbescherming worden de algemene stand van zaken en de ontwikkelingen op hoofdlijnen besproken op basis van landelijk geleverde informatie. De ambtelijke voorbereiding is belegd bij een beleidsadviseur van de Raad voor de Kinderbescherming en bij beleidsmedewerkers van de betreffende gemeenten. 1.4 Evaluatie met Veilig Thuis en gecertificeerde instellingen De gemeenten, de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en de gecertificeerde instellingen evalueren jaarlijks de gemaakte samenwerkingsafspraken in het Beleidsoverleg Jeugd en Veiligheid. Deze evaluatie wordt ambtelijk voorbereid door de beleidsmedewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Deze evaluatie kan onderdeel zijn van het bestuurlijk overleg (artikel 1.3) ofwel in onderling overleg afzonderlijk georganiseerd worden.
1.5 Uitwisseling beleidsinformatie De Raad voor de Kinderbescherming zal aan de gemeenten jaarlijks op geaggregeerd niveau gegevens beschikbaar stellen over de ontwikkelingen rond de inzet van het gedwongen kader en de benodigde capaciteit bij de gecertificeerde instellingen, voor zover dat nodig is als aanvulling op de gegevens die afkomstig zijn uit de landelijke ondersteuningssystemen voor de ketensamenwerking, waar gemeenten, gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming gebruik van zullen maken.
6
1.6 Samenwerking met gecertificeerde instellingen De gemeenten hebben de volgende gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, gecontracteerd namelijk Jeugdbescherming Gelderland (JBG), William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LJ&R. De Raad voor de Kinderbescherming zal per casus, op grond van de aangetroffen problematiek en doelgroep, een keuze maken uit deze drie gecertificeerde instellingen in het rekest tot (voorlopige) ondertoezichtstelling aan de rechter en de gekozen instelling opnemen in rekest kinderbeschermingsmaatregel, advies inzake strafzaken of opdracht tot vrijwillige jeugdreclassering. Indien een ondertoezichtstelling wordt verzocht voor kinderen die zonder verblijfsstatus in een COA-voorziening verblijven of voor een OTS bij kinderen die al wel een verblijfstatus hebben, dan is Nidos landelijk de aangewezen gecertificeerde instelling voor de uitvoering van de OTS. In deze gevallen zal de Raad voor de Kinderbescherming in het rekest aan de rechtbank in beginsel Nidos adviseren. Nidos wordt gefinancierd door het rijk vwb voogdijzaken, maar kan desgewenst worden verzocht voor OTS-zaken voor kinderen met verblijfsstatus, wanneer de expertise van Nidos gewenst is.
Hiervoor wordt de gemeente door Nidos verzocht een verleningsbeschikking aan de RvdK te sturen, zodat de betrokken gemeente Nidos financiert. 1.7 Landelijke afsprakenkaders zijn leidend De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat de gemeenten de landelijke afsprakenkaders voor afspraken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering (bijlagen 1 en 2) hanteren als voorwaarde bij de subsidiëring van de gecertificeerde instellingen. De Raad voor de Kinderbescherming conformeert zich aan deze landelijke kaders. 1.8
Gemeenten zien toe op wettelijke verplichtingen gecertificeerde instellingen en nakomen afspraken met de Raad voor de Kinderbescherming De gemeenten zien er op toe dat de door hen gesubsidieerde gecertificeerde instellingen zich aan hun wettelijke verplichtingen houden en de afspraken met de Raad voor de Kinderbescherming nakomen. De gebiedsmanager van de Raad voor de Kinderbescherming stelt de gemeenten ervan op de hoogte als een gecertificeerde instelling hierin structureel in gebreke blijft. 1.9 Samenwerking bij calamiteiten en bij publiciteitsgevoelige casuïstiek De gemeenten, zij die een verzoek tot raadsonderzoek indienen, en de Raad voor de Kinderbescherming stemmen bij calamiteiten en bij publiciteitsgevoelige casuïstiek met elkaar af – met inachtneming van eigen interne procedures – hoe zij omgaan met de media. De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat er bij calamiteiten en in publiciteitsgevoelige casuïstiek contact is tussen de gemeente, de verzoeker tot raadsonderzoek en de Raad voor de Kinderbescherming. Waar nodig zal dit contact plaatsvinden op het niveau van de verantwoordelijke bestuurders.
Indien voor, tijdens of na het raadsonderzoek een casus publiciteitsgevoelig blijkt te zijn of lijkt te worden, dan betrekken de uitvoerende werkers van zowel de gecertificeerde instellingen en/of Veilig Thuis als de Raad voor de Kinderbescherming de woordvoerders van beide organisaties en de betrokken gemeente(n). Instellingen, Raad voor de Kinderbescherming en gemeenten houden elkaar wederzijds op de hoogte van ontwikkelingen en overleggen bij eventuele activiteiten of publiciteit.
7
1.10 Verwijsindex Risicojongeren De gemeenten maken de afspraak met alle instellingen die onder de regie van de gemeente opereren, dat zij kinderen en jongeren over wie zij zich zorgen maken, melden bij de Verwijsindex Risicojongeren. De Raad voor de Kinderbescherming meldt kinderen in het kader van beschermingsonderzoeken en strafonderzoeken. Bij matches worden de betreffende regionale protocollen gevolgd. Voor de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen geldt dat zij zijn aangesloten op de landelijke Verwijsindex Risicojongeren. 1.11 Samenwerking in het Veiligheidshuis De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af om deel te nemen, informatie uit te wisselen en samen te werken in het Veiligheidshuis, met inachtneming van de bestaande afspraken in het Landelijk Kader Veiligheidshuizen. 1.12 Berichtenverkeer tussen gemeenten en Raad voor de Kinderbescherming via CORV De gemeenten, Veilig Thuis, de gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming maken voor het formele berichtenverkeer Jeugdbescherming (Verzoek tot Onderzoek) en Jeugdreclassering gebruik van CORV.
8
2.
Jeugdbescherming
Consultatie en advies De Raad voor de Kinderbescherming is beschikbaar voor overleg op casusniveau met de gemeente, Veilig Thuis, de GI en jeugdhulpaanbieder, zodra naar hun oordeel de mogelijkheid van inzet van jeugdbescherming in beeld komt. De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken nadrukkelijk uit, dat zij de inzet van jeugdbescherming (het gedwongen kader) waar mogelijk willen voorkomen. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming draagt hier aan bij. In geval van een zorgelijke opvoedsituatie wordt, in overleg met ouders en de Raad voor de Kinderbescherming, overwogen of inzet van intensieve jeugdhulp wenselijk en mogelijk is om een maatregel te voorkomen. 2a.
Procesafspraken rond de toeleiding naar de jeugdbescherming
Het casusoverleg aan de jeugdbeschermingstafel 2.1 De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat verzoeken om bespreking en verzoeken tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming besproken zullen worden op een casusoverleg, geheten: de jeugdbeschermingstafel. Dit geldt ook voor nog niet geboren kinderen. Eveneens wordt de toetsende taak van de raad voor de kinderbescherming bij einde ondertoezichtstelling aldaar besproken in aanwezigheid van de ouders, vertegenwoordiger van de gemeente en de Gecertificeerde instelling. Zie ook hoofdstuk 3. 2.2 De jeugdbeschermingstafel wordt georganiseerd door de gemeente. Het voorzitterschap en secretariaat van de jeugdbeschermingstafel is belegd bij de gemeente. Vaste deelnemers zijn: ouders, kind ouder dan 12 jaar, de voorzitter en secretaris namens de gemeente, een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instelling en de medewerker die het verzoek om bespreking of het verzoek tot onderzoek inbrengt (hierna: ‘verzoeker’). Indien de verzoeker niet aanwezig is dan zit de gemeente (lokale veld) standaard aan tafel. De verzoeker kan aangeven welke andere professionele betrokkenen of belangrijke personen uit het sociaal netwerk tevens aanwezig zouden kunnen zijn.
2.3 Als verzoeker kunnen optreden: de medewerkers van het onder gemeentelijke verantwoordelijkheid werkende lokale veld inclusief leerplicht, Veilig Thuis en de gecertificeerde instellingen. 2.4 De verzoeker informeert de ouders/verzorgers en de kinderen ouder dan 12 jaar over het verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming. In principe worden ouders/verzorgers en de kinderen ouder dan 12 jaar uitgenodigd aan de jeugdbeschermingstafel door het secretariaat, tenzij het belang van de minderjarige(n) zich hier tegen verzet. Belanghebbenden mogen een vertrouwenspersoon meenemen naar de jeugdbeschermingstafel.
9
2.5 Indien de verzoeker niet het lokale veld is, wordt door de voorzitter een medewerker van het betreffende lokale veld aan de jeugdbeschermingstafel uitgenodigd. Om te bepalen welke medewerker van het lokale veld uitgenodigd dient te worden, wordt het geldende woonplaatsbeginsel volgens de Jeugdwet gehanteerd. 2.6 De jeugdbeschermingstafel wordt wekelijks georganiseerd. De jeugdbeschermingstafel vindt structureel op een vaste plek binnen de gemeente plaats. 2.7 Ter voorbereiding op de bespreking ontvangen de deelnemers tenminste twee dagen van tevoren (bij voorkeur een week van tevoren) de benodigde documenten. Voor een verzoek tot bespreking aan de jeugdbeschermingstafel dient gebruik gemaakt te worden van het actuele Format ‘Verzoek tot Bespreking’. Het format bevat een aantal formele vereisten en een aantal onderdelen met gewenste aanvullende informatie. Bij besluit tot raadsonderzoek wordt dit format, voordat de zaak wordt doorgezet, omgezet naar Verzoek tot Onderzoek. De Raad voor de Kinderbescherming bouwt in zijn onderzoek voort op de informatie die ter jeugdbeschermingstafel besproken is en in bijzonderheid op de informatie in het Format Verzoek tot bespreking. Het raadsonderzoek kan vooral goed verricht worden als de verstrekte informatie concreet, recent en door de oorspronkelijke verstrekker geaccordeerd is.
Werken met geaccordeerde informatie leidt tot versnelling, omdat niet onnodig informatie door de Raad voor de Kinderbescherming (opnieuw) geverifieerd hoeft te worden. 2.8 De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken nadrukkelijk uit, dat zij de inzet van jeugdbescherming (het gedwongen kader) waar mogelijk willen voorkomen. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming draagt hier waar mogelijk aan bij. De Raad voor de Kinderbescherming bewaakt de ondergrens als het gaat om de veiligheid van een kind: de Raad voor de Kinderbescherming zal aangeven (zowel aan de professionals als aan het gezin) wat naar het oordeel van de Raad voor de Kinderbescherming in deze situatie ten minste nodig is om de veiligheid van de betrokken kinderen te waarborgen en de gang naar jeugdhulp in een gedwongen kader te voorkomen. 2.9 De inzet van de jeugdbeschermingstafel is om consensus te bereiken of er binnen het vrijwillig kader nog mogelijkheden voor voortzetting van hulpverlening worden gezien danwel dat er een raadsonderzoek nodig is naar de inzet van gedwongen hulpverlening. Als na uitgebreid overleg toch verschil van mening blijft bestaan, kiest de Raad voor de Kinderbescherming voor zekerheid voor het kind en start een raadsonderzoek.
10
2.10 Bij een besluit tot raadsonderzoek aan de Jeugdbeschermingstafel dient de verzoeker bij voorkeur dezelfde dag en uiterlijk binnen zeven kalenderdagen digitaal een verzoek in bij de Raad voor de Kinderbescherming via CORV. (zie 1.12). Als de Raad voor de Kinderbescherming aan de JBT besluit het onderzoek direct te starten, dan is het van belang dat het VTO dezelfde dag nog wordt doorgezet via CORV. 2.11 Ter voldoening aan landelijke afspraken zal de Raad voor de Kinderbescherming altijd een raadsonderzoek starten, indien een gecertificeerde instelling een verzoek indient tot een raadsonderzoek naar een (on)geboren kind van ouders van wie een ander kind al onder toezicht is gesteld of onder voogdij. De GI maakt een eigenstandige afweging of ze een melding hiervan doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. 2.12 In principe is er altijd een Veiligheidsplan1 aanwezig. Onder regie van de voorzitter van de jeugdbeschermingstafel worden afspraken gemaakt met alle betrokkenen aan tafel met als doel de veiligheid van het kind te borgen. Het Veiligheidsplan omvat bodemafspraken omtrent de veiligheid van het kind, welke hulpverlening er betrokken is, wie waarvoor verantwoordelijk is en dus ook wie de RvdK op de hoogte stelt op het moment dat er sprake is van zorgen over de veiligheid van het kind.
De Raad voor de Kinderbescherming maakt hierop met spoed de afweging of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. Het Veiligheidsplan heeft bij voorkeur de vorm van het raamwerk van Signs of Safety of het 4-venstermodel. Het gebruik hiervan sluit aan bij de huidige praktijk van veel ketenpartners. Criteria waaraan een verzoek tot bespreking en verzoek raadsonderzoek moet voldoen 2.13 Vanwege de procedurele waarborgen die aan het verzoek tot bespreking gesteld worden, kan dit alleen schriftelijk worden ingediend. 2.14 De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat een verzoek tot bespreking moet voldoen aan de eisen, zoals die vastliggen in het Format Verzoek tot Bespreking/ Onderzoek. 2.15
1
Het Veiligheidsplan maakt bij voorkeur deel uit van het al aanwezige Familiegroepsplan of Ondersteuningsplan.
11
Alleen als er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging of de veiligheid van het kind in gevaar is en hulp in een vrijwillig kader niet (meer) toereikend is om die bedreiging af te wenden wordt een verzoek tot bespreking ingediend. Hiertoe wordt het Format Verzoek tot bespreking gebruikt. Conform de wettelijke vereisten moet uit het verzoek tot bespreking in ieder geval uit feiten en omstandigheden concreet blijken: waaruit de vermoedelijke bedreiging van de ontwikkeling van de jeugdige of het nog niet geboren kind bestaat, en welke veiligheidsrisico’s dit met zich meebrengt welke hulpverlening volgens de verzoeker aangewezen is en waarom deze hulpverlening niet op vrijwillige basis mogelijk is of ontoereikend is om die bedreiging af te wenden welke factoren in en om het gezin deze bedreiging veroorzaken en in stand houden welke factoren in en om het gezin de bedreiging verminderen en/of bijdragen aan een oplossing, en hoe die factoren versterkt kunnen worden. De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat verzoekers in ieder geval antwoord moeten geven op de met een * gemarkeerde onderdelen van het Format.
2.16 De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat dit redelijke vermoeden in het verzoek tot bespreking onderbouwd wordt, bijvoorbeeld door het meesturen van documenten zoals een risicotaxatie, hulpverleningsplan, gezinsplan, enzovoorts. Raadsonderzoek na crisismelding of na ambtshalve besluit door de Raad voor de Kinderbescherming zelf 2.17 De Raad voor de Kinderbescherming is 24 uur per dag, 7 dagen in de week beschikbaar voor de medewerkers van het gemeentelijke lokale veld, Veilig Thuis en de gecertificeerde instellingen voor overleg in crisissituaties, zowel voor (telefonisch) overleg als voor concrete stappen om in te grijpen bij een acute crisis. 2.18 De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat uit de feiten en omstandigheden van het spoedverzoek tot raadsonderzoek in een crisis concreet moet blijken (1) waaruit de vermoedelijk acute en ernstig bedreigende situatie voor het kind of nog niet geboren kind bestaat, (2) dat in deze situatie onmiddellijk hulp moet worden geboden en (3) dat ouders deze hulp in het vrijwillig kader niet accepteren. Indien mogelijk geeft de verzoeker daarnaast ook aan welke factoren deze bedreiging veroorzaken en in stand houden, welke factoren deze bedreiging verminderen en welke hulp noodzakelijk is. 2.19
12
Bij een spoedverzoek tot raadsonderzoek in een crisiszaak en bij ambtshalve besluit tot beschermingsonderzoek informeert de Raad voor de Kinderbescherming het betreffende lokale veld hierover. 2.21 De gemeenten en de Raad voor de Kinderbescherming spreken af dat situaties waarin de Raad voor de Kinderbescherming bij de uitoefening van zijn taken een zorgelijke situatie van een minderjarige of nog niet geboren kind aantreft terwijl er (nog) geen redenen zijn om een beschermingsonderzoek te starten, gemeld worden bij en overgedragen worden aan het gemeentelijke lokale veld. 2b.
Samenwerking tijdens het raadsonderzoek bescherming
Borging van de veiligheid van kinderen of nog niet geboren kinderen 2.22 Het betreffende lokale veld is verantwoordelijk voor de continuïteit van de hulp en het zicht op veiligheid, ook tijdens het raadsonderzoek. De hulp is in de eerste plaats gericht op het waarborgen van de veiligheid van de kinderen in het gezin of nog niet geboren kind. 2.23 De verzoeker en de Raad voor de Kinderbescherming besteden altijd aandacht aan de niet gemelde minderjarige(n) die in het gezin verblijven of nog niet geboren kind en maken afspraken over de wijze waarop dit gebeurt. In veel gevallen wonen er meerdere kinderen in een gezin. Wanneer voor één van die kinderen een verzoek tot bespreking wordt ingediend, maar niet voor de andere kinderen, geeft de verzoeker aan waarom hij voor die andere kinderen een bespreking niet noodzakelijk vindt De Raad voor de Kinderbescherming kan in dat geval, op basis van een eigen afweging bij de start van het raadsonderzoek of op basis van de bevindingen tijdens het raadsonderzoek, zelf besluiten om een raadsonderzoek te starten naar de andere kinderen in het gezin. De Raad voor de Kinderbescherming stelt de verzoeker en het gemeentelijke lokale veld, als deze niet de verzoeker is, hiervan op de hoogte.
Indien ouders niet bereid zijn mee te werken aan het plan dat de veiligheid van het kind of nog niet geboren kind tijdens het raadsonderzoek moet bevorderen/optimaliseren, informeert het lokale veld en/of de verzoeker de Raad voor de Kinderbescherming hierover. Vervolgens overweegt de Raad voor de Kinderbescherming een voorlopige kinderbeschermingsmaatregel te vragen. 2.24
13
In het belang van de betrokken kinderen duren raadsonderzoeken in principe zo kort mogelijk. De duur van het raadsonderzoek wordt ook bepaald door de tijd die nodig is om op een zorgvuldige manier te kunnen beoordelen of ingrijpen in het ouderlijk gezag noodzakelijk is. Daar hoort onder andere bij dat ouders de gelegenheid krijgen om op het concept raadsrapport te reageren.2 2.25 De Raad voor de Kinderbescherming houdt de verzoeker en de ouders gedurende het raadsonderzoek op de hoogte van de vorderingen en de stand van zaken in het raadsonderzoek. 2.26 Als één van de betrokkenen signaleert dat er een onveilige situatie voor het kind of nog niet geboren kind ontstaat, volgt acuut overleg. Gesloten jeugdzorg 2.27 Als tijdens het raadsonderzoek blijkt dat gesloten jeugdhulp in gedwongen kader aangewezen is, dan overlegt de Raad voor de Kinderbescherming hierover met de verzoeker. Als het lokale veld niet de verzoeker is, dan wordt het lokale veld in het overleg betrokken. In geval van het aanvragen van een spoedverzoek gesloten jeugdzorg in het vrijwillig kader zowel binnen als buiten kantoortijden, heeft de gemeente een eigen route bepaald. Deze route is per gemeente bekend bij zowel de gecertificeerde instellingen als de Raad voor de Kinderbescherming.
In het geval van een lopend raadsonderzoek stemmen de Raad voor de Kinderbescherming en de verzoeker, dan wel lokale veld af wie de meest aangewezen partij is om de verklaring van de noodzaak tot gesloten jeugdhulp en de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper aan te leveren. Als de Raad voor de Kinderbescherming gesloten jeugdhulp noodzakelijk vindt, maar de verzoeker ofwel het lokale veld vindt dat niet, dan levert de Raad voor de Kinderbescherming zelf de verklaring van de noodzaak en de instemming van de gekwalificeerde gedragswetenschapper. 2.28 In het geval ouders hun toestemming voor gesloten jeugdzorg in vrijwillig kader intrekken, en indien het lokale veld, Veilig Thuis of de gecertificeerde instelling voor zover betrokken, het in het belang van de jongere noodzakelijk vindt dat de gesloten plaatsing voortduurt, dient het lokale veld, Veilig Thuis of de gecertificeerde instelling, uiterlijk 1 dag na intrekking van de toestemming, bij de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek tot raadsonderzoek in. Dit geldt ook als er al een raadsonderzoek loopt. Een plaatsing gesloten jeugdzorg kan ten hoogste 14 kalenderdagen vanaf de intrekking van de toestemming zonder kinderbeschermingsmaatregel doorlopen.
Op dit moment geldt voor een raadsonderzoek bescherming een landelijke norm voor de doorlooptijd van acht weken (van verzoek tot onderzoek tot het nemen van een besluit over het indienen van een verzoek tot het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel bij de rechter), inclusief de wettelijke termijnen (bijvoorbeeld voor het recht op inzage en reactie door de betrokken ouders). De Raad wordt geacht deze norm in ten minste 80% van de zaken te halen. 2
14
De verzoeker geeft aan de Raad voor de Kinderbescherming aan wanneer de termijn van 14 kalenderdagen ingaat en afloopt. De Raad voor de Kinderbescherming start een dergelijk onderzoek direct en rondt dit onderzoek zodanig snel af dat, indien noodzakelijk, de rechter tijdig kan beslissen.
2c.
De afronding van het raadsonderzoek
Als de Raad voor de Kinderbescherming een maatregel vraagt 2.31 Indien de Raad voor de Kinderbescherming een maatregel vraagt, blijft het lokale veld verantwoordelijk voor de uitvoering van het Veiligheidsplan en het zicht op veiligheid in ieder geval totdat de rechter een uitspraak heeft gedaan op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdhulp in gedwongen kader daadwerkelijk van start is gegaan, maar zo mogelijk ook daarna, om de continuïteit van de hulp te waarborgen. Als de Raad voor de Kinderbescherming geen maatregel vraagt 2.32 Indien de Raad voor de Kinderbescherming afziet van het vragen van een maatregel en voortzetting van hulp in het vrijwillig kader gewenst is, wordt deze casus overgedragen aan het betreffende lokale veld. De indiener van het verzoek wordt geïnformeerd over de uitkomst van het onderzoek. Als zich tijdens de vrijwillige hulpverlening na het afsluiten van het raadsonderzoek opnieuw, binnen drie maanden, problemen voordoen die melding bij de Raad voor de Kinderbescherming nodig maken, kan de hulpverlenende instantie de zaak direct bij de Raad voor de Kinderbescherming melden. Een schriftelijke actualisatie is voldoende voor de Raad voor de Kinderbescherming om opnieuw een onderzoek te starten.
2.33 Indien, na een verzoek tot onderzoek door lokale veld, de Raad voor de Kinderbescherming na onderzoek niet overgaat tot indiening van een rekest tot ondertoezichtstelling en geen hulp in vrijwillig kader wordt geregeld als bedoeld in artikel 2.32, deelt hij dit schriftelijk mee aan de verzoeker. Desgewenst zal de Raad voor de Kinderbescherming de uitkomst van zijn onderzoek aan deze verzoeker toelichten. Het verzoekende lokale veld kan de casus ter beoordeling voorleggen aan de burgemeester.
15
De burgemeester kan, binnen 10 kalenderdagen na ontvangst van de mededeling van de Raad voor de Kinderbescherming aan het lokale team, de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken het oordeel van de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen. De Raad voor de Kinderbescherming vraagt het oordeel van de kinderrechter binnen twee weken na dagtekening van het verzoek van de burgemeester.
2.34 Verleningsbeschikking De gemeente en de Raad voor de Kinderbescherming geven invulling aan de bepaling van artikel 1:265b lid 2 van het burgerlijk wetboek (overleggen van het besluit van het college bij het verzoek om een machtiging uithuisplaatsing in kader van een ondertoezichtstelling) waarbij voorkoming van bureaucratie en snelheid van handelen belangrijke uitgangspunten zijn. De Raad voor de Kinderbescherming overlegt in principe altijd een besluit van het college aan de rechter bij het vragen van een machtiging uithuisplaatsing. Er zijn drie uitzonderingen op deze regel, namelijk (1) als er sprake is van een crisiszaak (spoedmaatregel), (2) als de gemeente geen besluit wil afgeven maar de Raad voor de Kinderbescherming een machtiging uithuisplaatsing wel noodzakelijk acht (verschil van mening) of (3) als er sprake is van andere omstandigheden, waarin het belang van het kind dit vergt (ter beoordeling van de rechter). Als er in het vrijwillig kader een besluit voor een uithuisplaatsing is afgegeven door de gemeente zorgt de gemeente (of de door de gemeente gemachtigde instelling) ervoor dat de Raad voor de Kinderbescherming tijdig over het gemeentelijk besluit beschikt.
Als er geen gemeentelijk besluit in het vrijwillig kader is afgegeven, vraagt de Raad voor de Kinderbescherming aan de gemeente om zo’n besluit te nemen voordat bij de rechter een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing wordt ingediend. In dit geval informeert de Raad voor de Kinderbescherming de ouders dat hij dit verzoek aan de gemeente heeft gedaan. De Raad voor de Kinderbescherming voorziet de gemeente daarbij op gestandaardiseerde wijze van de benodigde informatie en informeert de gemeente over de mening van cliënten (belanghebbenden) met betrekking tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling. De gemeente zorgt ervoor dat het besluit van het college zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf werkdagen tot stand komt. De Raad voor de Kinderbescherming ontvangt nog dezelfde dag een afschrift van het besluit. Als de gemeente om redenen van procedurele of inhoudelijke aard geen besluit van het college tot uithuisplaatsing afgeeft, dan krijgt de Raad voor de Kinderbescherming ook hiervan bericht, onder opgaaf van redenen. Als de Raad voor de Kinderbescherming bij zijn verzoek aan de rechter geen besluit van het college kan overleggen, dan vermeldt de RvdK in het verzoek wat voor de gemeente de redenen zijn geweest om af te zien van het nemen van een besluit.
De Raad voor de Kinderbescherming vermeldt tevens voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
16
3. Toetsende taak3 De RvdK toetst (het voornemen van) de GI om - een ondertoezichtstelling niet te verlengen aan de Jeugdbeschermingstafel. - een (machtiging) uithuisplaatsing van een jeugdige niet te verlengen. - een tussentijdse terugplaatsing naar de thuissituatie (het eigen leefmilieu) te effectueren en adviseert aan de GI of een gezagsbeëindigende maatregel wellicht meer geëigend is Bij toetsingen aan tafel worden afspraken gemaakt met het lokaal team. In bijlage 1 (blz. 20) staat informatie over de werkwijze bij: - De gezagsbeëindigende maatregel. - Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming bij een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing die 2 jaar heeft geduurd.
3
Zie ook bijlage 1.
17
4.
Jeugdreclassering en jeugdstrafrecht
Melden onderzoek en benaderen informanten in het strafonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming 4.1 De Raad voor de Kinderbescherming informeert het lokale veld in verband met de uitoefening van het principe van een gezin een plan een regie over elk door hen ingestelde onderzoek met betrekking tot een minderjarige. Zij benut hierbij de VIR en CORV zoveel als mogelijk. Indien de Raad voor de Kinderbescherming toestemming van de ouders heeft, dan kan de RvdK de betrokken school en het lokaal veld als informant benaderen. Dit is conform het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen (LIJ), dat als keteninstrument door politie, Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en justitiële jeugdinrichtingen gebruikt wordt, onder meer voor het in kaart brengen van het recidiverisico en voor de toeleiding naar erkende effectieve gedragsinterventies. 4.2 De Raad voor de Kinderbescherming overweegt intern in elk strafonderzoek of naast de school andere informanten in of buiten het gemeentelijk domein te benaderen. De intentie is waar mogelijk samen te werken. Inzet jeugdreclassering in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming 4.3 De Raad voor de Kinderbescherming informeert het lokale veld middels een notificatie via CORV over de inzet van jeugdreclassering in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming.
Nazorg na detentie4 4.4 De Raad voor de Kinderbescherming meldt indien daar aanleiding toe bestaat de uitstroom van jongeren uit een Justitiële Jeugdinrichting aan het betreffende lokale veld en draagt zorg voor een overdracht van de regie naar het lokale veld. Tijdens detentie van een jongere in een Justitiële Jeugdinrichting wordt onder voorzitterschap van de Raad voor de Kinderbescherming een Nazorgtafel gehouden. Deelnemers aan de Nazorgtafel zijn een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdige, zijn ouders (bij 18-), de betrokken gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering of de betrokken Volwassenenreclassering, de 4
Zie ook het concept document ‘Werkafspraken nazorg jeugdige ex-gedetineerden regio Gelderland-Midden’. Verwacht wordt dat dit in 2021 definitief wordt.
18
betrokken justitiële jeugdinrichting en afhankelijk van de casus én van toezegging van ouders en/of jongere (18+) het betreffende lokale veld van de gemeente die volgens het woonplaatsbeginsel verantwoordelijk is danwel de gemeente van uitstroom. De procesregie gaat indien daar aanleiding toe bestaat na afloop van de justitiële titel over van de Raad voor de Kinderbescherming naar de gemeente van uitstroom. Een Nazorgtafel wordt indien mogelijk binnen 1 week na instroom in detentie gehouden en bij langere detentie (o.a. PIJ) 6 maanden voor de verwachte uitstroom. Afhankelijk van de situatie kunnen er meerdere Nazorgtafels gehouden worden. Doel van een Nazorgtafel is: inhoudelijke afstemming over de te volgen koers: aan welke doelen moet bij de betrokken jeugdige gewerkt worden; het beantwoorden van de vraag welke partij verantwoordelijk wordt gehouden voor de aanpak van welke problemen, waaronder het aanbod en de diensten die de gemeente kan leveren in het nazorgtraject; maken van (procedurele) afspraken over de totstandkoming van het trajectplan, bestaande uit het Perspectiefplan van de JJI en het plan voor nazorg.
Partijen zorgen er gezamenlijk voor dat de activiteiten gericht op de begeleiding van en zorg voor de jeugdige, op elkaar afgestemd zijn en dat in ieder geval de 5 aandachtsgebieden op orde komen: identificatiebewijs, huisvesting, daginvulling (school, werk, dagbesteding), ondersteuning/hulp en financiën. Ouders en jongere zijn in de regel aanwezig bij de Nazorgtafel. Uitvoering werkstraffen 4.5 De coördinatoren taakstraffen van de Raad voor de Kinderbescherming kunnen met individuele gemeenten overleggen over mogelijkheden voor het uitvoeren van werkstraffen voor jeugdigen/adolescenten in de betreffende gemeente. Schoolverzuim 4.6 Het uitgangspunt is dat de inzet van het strafrechtelijk kader bij schoolverzuim alleen aan de orde is als hulp in een vrijwillig kader niet toereikend is. De Raad voor de Kinderbescherming is daarom beschikbaar voor overleg met de leerplichtambtenaar om gezamenlijk te bekijken welk traject in het belang is van de jeugdige en om te voorkomen dat er een proces-verbaal wordt opgemaakt voor jeugdigen die niet in het straftraject thuishoren. De leerplichtambtenaar kan op eigen initiatief consultatief een zaak bespreken met de Raad voor de Kinderbescherming nog voordat een proces-verbaal is opgemaakt.
19
4.7 De Raad voor de Kinderbescherming neemt de zaak mee voor het doen van onderzoek als de leerplichtambtenaar een proces-verbaal heeft opgemaakt wegens aanhoudend schoolverzuim tegen de jongere én het Openbaar Ministerie (na overleg in het Casusoverleg Schoolverzuim) besluit om te vervolgen. Het resultaat van het onderzoek is een strafadvies aan het Openbaar Ministerie en eventueel de Kantonrechter. Als de Raad voor de Kinderbescherming daartoe aanleiding ziet volgt een beschermingsonderzoek en eventueel een rekest aan de kinderrechter voor een kinderbeschermingsmaatregel.
20
BIJLAGE 1 Landelijk kader voor afspraken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming De kinderbeschermingswetgeving (zowel de huidige als de herziene, waarvan de invoering is voorzien per 1 januari 2015) stelt eisen aan de samenwerking tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming. Daarnaast kan de gemeente nadere voorwaarden stellen over de samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming, bij het contracteren van gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming. De afspraken die in dit Landelijk kader zijn opgenomen, zijn tot stand gekomen in overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg Nederland, Nidos. De gemeente ziet er op toe dat de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming afspraken maken over hun samenwerking.5 1. Niet-verlenging van een ondertoezichtstelling, niet-verlenging van een uithuisplaatsing of tussentijdse beëindiging van een uithuisplaatsing Waar gaat het om? Een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing) eindigt van rechtswege op de einddatum die de rechter in zijn uitspraak heeft aangegeven. De gecertificeerde instelling die de maatregel uitvoert, kan ervoor kiezen om bij de rechter om een verlenging te vragen.
In dat geval heeft de Raad voor de Kinderbescherming geen rol. De gecertificeerde instelling kan er ook voor kiezen om de maatregel te beëindigen. Dat kan op de datum waarop de maatregel van rechtswege afloopt, maar ook al eerder, als blijkt dat de hulp goed verloopt en de maatregel niet langer nodig is. In beide gevallen toetst de Raad voor de Kinderbescherming dit voornemen van de gecertificeerde instelling. De Raad voor de Kinderbescherming toetst ook het voornemen van de gecertificeerde instelling om een uithuisplaatsing te beëindigen en het kind weer terug naar huis te laten gaan, ook als de ondertoezichtstelling daarbij in stand blijft.
5 Dit is afhankelijk van het normenkader voor de certificering: de gemeente en de Raad voor de Kinderbescherming hoeven geen afspraken te maken die al in dat
normenkader vastliggen.
21
De Raad voor de Kinderbescherming maakt over de samenwerking bij de uitvoering van deze toetsende taak afspraken met de gecertificeerde instellingen. De gemeente ziet erop toe dat de gecertificeerde instellingen zich aan hun wettelijke verplichtingen houden en de afspraken nakomen.
Relevante wetsartikelen Niet-verlenging van de ondertoezichtstelling Burgerlijk Wetboek art 265 j, lid 1: Indien de [gecertificeerde instelling] oordeelt dat niet-verlenging van de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 260, tweede lid, of niet-verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, bedoeld in artikel 265c, tweede lid, aangewezen is, doet zij hiervan tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling of machtiging tot uithuisplaatsing en onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling of de uithuisplaatsing mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming. Tussentijdse beëindiging van een uithuisplaatsing Burgerlijk Wetboek art 265 j, lid 2: De [gecertificeerde instelling] kan een uithuisplaatsing gedurende de termijn waarvoor zij is toegestaan beëindigen. De [gecertificeerde instelling] doet van het voornemen daartoe tijdig doch uiterlijk een maand voor het voorgenomen tijdstip van beëindiging en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing, mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming. Jeugdwet art.
6.1.12, lid 6: Het college doet aan de Raad voor de Kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De jeugdhulpaanbieder doet aan de Raad voor de Kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking als bedoeld in het vijfde lid. Wettelijke vereisten aan de gecertificeerde instellingen bij toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming Burgerlijk Wetboek art 265k: 1. Verzoeken op grond van deze afdeling worden schriftelijk gedaan. Voor zover zij aan de kinderrechter zijn gericht, kunnen zij worden ingediend zonder advocaat. 2. De [gecertificeerde instelling] die een verzoek indient of ter terechtzitting wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan, bedoeld in[de Jeugdwet], en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter. 3. Het plan en het verslag, bedoeld in het tweede lid, worden eveneens gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming. 4.
De verzoeken die de [gecertificeerde instelling] ter uitvoering van haar taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.
Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming 1. Conform de wettelijke bepalingen verzoekt de gecertificeerde instelling de Raad voor de Kinderbescherming een toets uit te voeren op de beslissing tot niet verlenging ondertoezichtstelling, niet verlenging uithuisplaatsing en/of tussentijdse beëindiging uithuisplaatsing. De Raad voor de Kinderbescherming toetst of er naar zijn oordeel inderdaad geen gronden meer bestaan voor (verlenging van) de ondertoezichtstelling en/of machtiging uithuisplaatsing. De veiligheid en het ontwikkelperspectief van het kind staan hierbij centraal.
22
2. De Raad voor de Kinderbescherming informeert de ouders, minderjarigen en belanghebbenden al tijdens het raadsonderzoek over de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming. 3. Bij een voornemen tot niet-verlenging van de ondertoezichtstelling stelt de gecertificeerde instelling de Raad voor de Kinderbescherming uiterlijk 10 weken tevoren op de hoogte. 4. Bij een voornemen tot beëindiging van de uithuisplaatsing stelt de gecertificeerde instelling de Raad voor de Kinderbescherming direct na het nemen van de kernbeslissing tot terugplaatsing. Als het gaat om een beslissing om geen verlenging van de machtiging uithuisplaatsing te vragen, meldt de gecertificeerde instelling dit bij voorkeur 10 weken voor het verstrijken van de machtiging uithuisplaatsing. 5. De gecertificeerde instelling wacht met het feitelijk terugplaatsen van het kind tot de Raad voor de Kinderbescherming schriftelijk heeft laten weten akkoord te gaan met niet verlenging of – als de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek instelt en een verzoek indient bij de rechter om de maatregel te verlengen – tot de kinderrechter een uitspraak heeft gedaan. 6. De Raad voor de Kinderbescherming bericht uiterlijk een week na ontvangst van de mededeling, schriftelijk aan de gecertificeerde instelling of er al dan niet een onderzoek wordt ingesteld. 7.
Als er een onderzoek wordt ingesteld, wordt dit in beginsel binnen drie weken afgerond. 8. Indien de plaatsing feitelijk eindigt zonder voorafgaand besluit (‘crisissituaties’) stelt de gecertificeerde instelling de Raad voor de Kinderbescherming hiervan zo snel mogelijk in kennis, uiterlijk binnen twee weken na de beëindiging van de plaatsing. 9. Hangende de toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming, draagt de gecertificeerde instelling zorg voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en/of machtiging uithuisplaatsing. 10. De gecertificeerde instelling stuurt de Raad voor de Kinderbescherming documenten waaruit duidelijk wordt hoe de veiligheidstoets heeft plaatsgevonden, welke afwegingen en beoordelingen zijn gemaakt ten aanzien van de gekozen oplossingen voor de eerder geconstateerde onveiligheid. In ieder geval ontvangt de Raad voor de Kinderbescherming de ingevulde Deltaveiligheidslijst of een ander ingevuld risicotaxatieformulier. Daarnaast stuurt de gecertificeerde instelling bij een voorgenomen thuisplaatsing het laatste plan van aanpak naar de Raad voor de Kinderbescherming en bij een beëindiging van de ondertoezichtstelling de evaluatie van de rapportage (afsluitrapportage).
Indien aanwezig stuurt de gecertificeerde instelling overige nuttige informatie betreffende het verloop van de hulp mee zoals het indicatiebesluit, rapportage van de jeugdhulpaanbieder, (recent) diagnostisch materiaal. 11. Is de melding compleet, dan bericht de Raad voor de Kinderbescherming aan de gecertificeerde instelling binnen een week of de Raad voor de Kinderbescherming akkoord gaat met het voorgenomen besluit.
23
12. Als de Raad voor de Kinderbescherming van mening is dat de aangeleverde informatie onvoldoende is, dan verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een week de gecertificeerde instelling de aanvullende informatie aan te leveren. De gecertificeerde instelling reageert binnen een week door de alsnog compleet te maken. Als de gevraagde informatie achterwege blijft, start de Raad voor de Kinderbescherming zelf een onderzoek, uiterlijk binnen tien dagen na binnenkomst van de melding. 13. De Raad voor de Kinderbescherming doet de toetsing in beginsel op de stukken af, tenzij de informatie aanwijzingen bevat dat er nog steeds gronden voor de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing zijn. 14. De Raad voor de Kinderbescherming verricht de toetsing aan de hand van een beoordelingsformulier. Hiermee wordt nagegaan of de benodigde stukken door de gecertificeerde instelling toegestuurd zijn en of deze voldoende inhoudelijke informatie bevat. De Raad voor de Kinderbescherming toetst alle mededelingen van de gecertificeerde instelling, ook de mededelingen die te laat zijn. In de toetsing bij de beëindiging van de ondertoezichtstelling wordt de afweging gemaakt of de gronden niet langer aanwezig zijn, de doelen zijn behaald de veiligheid van het kind gewaarborgd is en of in de noodzakelijke hulpverlening wordt voorzien.
In de toetsing of terugplaatsing wordt getoetst of de veiligheid van het kind in brede zin gewaarborgd is en of de nog in te zetten hulpverlening naar verwachting deze veiligheid zal bevorderen en waarborgen. 15. De Raad voor de Kinderbescherming treedt in overleg met gecertificeerde instelling als de Raad voor de Kinderbescherming op basis van de beschikbare informatie van mening is dat er een verzoek aan de rechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en/of verzoek aan de rechter (tot verlenging van de duur van de) machtiging uithuisplaatsing moet worden overwogen. Wanneer het overleg niet tot overeenstemming leidt, stelt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in en legt de zaak, indien nodig, aan de kinderrechter voor. 16. De Raad voor de Kinderbescherming legt de weging vast in de beoordelingsformulieren en stuurt een kopie aan de gecertificeerde instelling. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in de brief aan de gecertificeerde instelling gemotiveerd aan hoe de Raad voor de Kinderbescherming tot zijn instemming is gekomen of waarom tot een onderzoek werd besloten. Relevante wetsartikelen 2.
Verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel vanuit een lopende ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing Waar gaat het om? Een ondertoezichtstelling kan niet verlengd worden wanneer de ouder niet in staat is om binnen een voor persoon en de ontwikkeling van de minderjarige verantwoorde termijn, de verzorging en opvoeding zelf ter hand te nemen. Dit speelt alleen wanneer er sprake is van een uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling kan tijdens een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing aan de Raad voor de Kinderbescherming vragen om een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel in te stellen. De Raad voor de Kinderbescherming maakt over de samenwerking bij het verzoek tot raadsonderzoek afspraken met de gecertificeerde instellingen. De gemeente ziet erop toe dat de gecertificeerde instellingen zich aan hun wettelijke verplichtingen houden en de afspraken nakomen. Relevante wetsartikelen
24
Relevante wetsartikelen Burgerlijk wetboek Art 266, lid 1 en 2: 1. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 2. Het gezag van de ouder kan ook worden beëindigd indien het gezag is geschorst, mits aan het eerste lid is voldaan. Art 267, lid 1: Beëindiging van het gezag kan worden uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat.
Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming 17. De Raad voor de Kinderbescherming maakt met de gecertificeerde instellingen afspraken over de onderbouwing van dit verzoek en over de afhandeling ervan door de Raad voor de Kinderbescherming. De gecertificeerde instellingen hebben de wettelijke plicht om het verzoek te onderbouwen. Doen zij dat niet, dan zal de Raad voor de Kinderbescherming of de rechter hen hier op aanspreken. 3. Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming bij een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing die 2 jaar heeft geduurd Waar gaat het om? Bij de invoering van de herziene kinderbeschermingswetgeving (voorzien per 1 januari 2015), krijgt de Raad voor de Kinderbescherming als taak om een advies uit te brengen als de gecertificeerde instelling bij de rechter een verlenging van de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing vraagt en de uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd(art 265j BW). De vraag die de Raad voor de Kinderbescherming in het advies beantwoordt, is (conform de MvT, pg 33 en verder) of de ondertoezichtstelling niet onnodig wordt verlengd. In veel gevallen ligt dat namelijk niet voor de hand: na twee jaar uithuisplaatsing is het meestal in het belang van kinderen om permanent in het pleeggezin te blijven en daar ook duidelijkheid over te krijgen.
Beëindiging van het gezag is dan meer in het belang van de betrokken kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming kan daarnaast ook van oordeel zijn dat het kind naar de eigen ouders kan terugkeren, omdat de situatie bij hen sterk ten goede is veranderd en zij de noodzakelijke hulp aanvaarden. De Raad voor de Kinderbescherming maakt over de samenwerking bij de uitvoering van deze toetsende taak afspraken met de gecertificeerde instellingen. De gemeente ziet erop toe dat de gecertificeerde instellingen zich aan hun wettelijke verplichtingen houden en de afspraken nakomen.
25
Relevante wetsartikelen Burgerlijk Wetboek (per 1 januari 2015) Art 265 j, lid 3: Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, gaat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de [gecertificeerde instelling] vergezeld van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de verlenging van die ondertoezichtstelling. De [gecertificeerde instelling] doet van het voornemen tot een voornoemd verzoek tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de ondertoezichtstelling mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming.
Wat afspreken tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming 18. Bij een voornemen tot een verlenging van een ondertoezichtstelling met een machtiging uithuisplaatsing die twee jaar duurt, stuurt de gecertificeerde instelling 10 weken voor het verstrijken van de machtiging uithuisplaatsing alle relevante documenten naar de Raad voor de Kinderbescherming: de evaluatie van het plan van aanpak, het nieuwe indicatiebesluit, het verzoekschrift en het plan van aanpak voor de komende periode. In deze documenten staat de afweging waarom deze verlenging de meest geëigende maatregel is en de andere maatregelen niet. 19. Op grond van deze documenten brengt de Raad voor de Kinderbescherming advies uit aan de kinderrechter. 20. Is de informatie van de gecertificeerde instelling niet compleet en kan de Raad voor de Kinderbescherming daardoor niet adviseren, dan vraagt de Raad voor de Kinderbescherming aan de gecertificeerde instelling om aanvullende informatie. Als die informatie er binnen een week niet is, volgt overleg tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling. 21. De Raad voor de Kinderbescherming rondt het advies binnen een week af. 22.