CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-3.8 Besluit B&W over beleidsnota subsidie ontplofbare oorlogsresten d.d. 22-8-23

Gemeenteraad 27 september 2023, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken31.321 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3. EISEN AAN MANAGEMENT VAN PERSONEEL, ARBEIDSMIDDELEN EN PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN 3.1. Eisen management van personeel 3.1.1. Deskundigheidseisen personeel De certificaathouder dient te borgen dat personeel (eigen personeel en ingehuurd personeel) dat werkzaamheden uitvoert in het kader van dit certificatieschema: a) voldoet aan de hierna opgenomen specifieke deskundigheidseisen b) voorzien is van de juiste arbeidsmiddelen zoals bedoeld in dit certificatieschema; en c) zonder taalbelemmeringen kan communiceren. Personen die arbeid verrichten met betrekking tot het opsporen van ontplofbare oorlogsresten dienen volgens artikel 4.10, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit te zijn geregistreerd in het Register veilig werken met explosieve stoffen of het Register veilig werken defensiemedewerkers dan wel personen te zijn van wie de beroepskwalificaties volgens voornoemd artikellid zijn gecontroleerd en toereikend bevonden en die deze arbeid verrichten onder voortdurend toezicht van een daarvoor gekwalificeerde persoon die is geregistreerd in het Register veilig werken met explosieve stoffen.

In deze registers wordt ter zake het opsporen van ontplofbare oorlogsresten onderscheid gemaakt in de volgende deskundigheidsniveaus: • Basiskennis Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten; • Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten; • Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten; • Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. Bij het opsporen van ontplofbare oorlogsresten (hoofdstuk 4) gelden de volgende eisen: 1. Tijdens het benaderen, identificeren van de vermoede ontplofbare oorlogsresten en het tijdelijk veiligstellen van de situatie is op het project een Senior-Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten aanwezig die toezicht houdt op de uitvoering van de werkzaamheden. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat er uitsluitend non-realtime detectie plaatsvindt. De aanwezigheid van een Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten op de projectlocatie is dan alleen vereist indien er bij deze werkzaamheden risico bestaat op het spontaan aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Deze afweging wordt gerapporteerd in het projectplan. 2. Het benaderen, identificeren van de vermoede ontplofbare oorlogsresten en het tijdelijk veiligstellen van de situatie wordt uitgevoerd door ten minste een Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten en een Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten.

Een uitzondering hierop vormt non-realtime detectie, die wordt uitgevoerd door ten minste een Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. Het uitvoeren van dieptedetectie wordt altijd beschouwd als realtime detectie. Dit betreft de detectie waarbij de meetconus in de grond gedrukt is. 3. De interpretatie van meetgegevens en het opstellen van een objectenlijst vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. Een uitzondering hierop vormt realtime detectie, waarbij de meetgegevens direct worden geïnterpre-

8

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

4.

5. 6.

7.

teerd door de Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten en significante objecten direct worden gelokaliseerd. Indien de vermoede ontplofbare oorlogsresten zich onder de waterspiegel bevinden en de werkzaamheden worden uitgevoerd door middel van duikarbeid als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onderdeel a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is afdeling 5 van hoofdstuk 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing en gelden bovendien de volgende regels: a. het detecteren vindt plaats door ten minste een Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, die tevens bevoegd is tot het verrichten van duikarbeid. Hij wordt bijgestaan door een reserveduiker die eveneens ten minste een Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten is. De duiker(s) word(t)en direct boven de waterspiegel bijgestaan door ten minste een Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, die verbaal in verbinding staat met de Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten die de duikarbeid verricht(en); b. het lokaliseren, laagsgewijze detecteren, identificeren en/of tijdelijk veiligstellen van de situatie van ontplofbare oorlogsresten vinden plaats door ten minste een Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, die tevens bevoegd is tot het verrichten van duikarbeid.

Hij wordt bijgestaan door een reserveduiker eveneens ten minste een Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten is. De duiker(s) word(t)en direct boven de waterspiegel bijgestaan door een Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, die verbaal in verbinding staat met de Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten die de duikarbeid verricht(en). Tijdelijk veiligstellen van ontplofbare Oorlogsresten binnen de projectlocatie vindt plaats onder toezicht van de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. De overdracht van ontplofbare oorlogsresten aan de EODD vindt plaats door een Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. Voorafgaand aan afvoer van schroot vindt een eindcontrole plaats door de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten en wordt door hem geregistreerd in het projectdossier. De overige personen die aanwezig zijn binnen de projectlocatie dienen te beschikken over het competentieniveau Basiskennis Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten te zijn. Dat geldt niet voor overige personen zonder taak in het opsporen van ontplofbare oorlogsresten die de projectlocatie betreden onder begeleiding van ten minste een Assistent Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten.

De certificaathouder dient te registreren welke personen werkzaamheden uitvoeren op projecten in het kader van dit certificatieschema, en uit deze registratie moet blijken dat deze personen gekwalificeerd zijn voor de uit te voeren werkzaamheden en wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van de aanwezigheid van deze deskundigen.

3.2. Eisen aan management van arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) 3.2.1. Algemene eisen aan management arbeidsmiddelen en PBM De arbeidsmiddelen en PBM moeten voldoen aan de wettelijke eisen en de eisen in dit certificatieschema. De certificaathouder moet beschikken over een procedure voor de inzet en het onderhoud van de arbeidsmiddelen en PBM die relevant zijn voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten, waarmee wordt geborgd dat: a) arbeidsmiddelen en PBM worden geïdentificeerd, inclusief de (wettelijke) veiligheidseisen, onderhouds- en keuringseisen (keuringsinstantie / deskundigheid) en -termijnen; b) arbeidsmiddelen en PBM door middel van keuring en onderhoud voldoen aan de (wettelijke) eisen, de eisen in dit certificatieschema, alsmede de door de certificaathouder gedocumenteerde eisen; c) arbeidsmiddelen en PBM worden ingezet voor het doel waarvoor zij ontworpen zijn; d) van de ingezette arbeidsmiddelen en PBM tijdens een project een registratie wordt bijgehouden op de projectlocatie, waarmee kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen en de eisen in dit certificatieschema alsmede de binnen de certificaathouder gedocumenteerde eisen; en e) dat geen ongekeurd(e) of afgekeurd(e) arbeidsmiddelen en PBM word(en)t ingezet, waarvoor een keuringsplicht geldt.

Indien bovenstaande eisen niet binnen de specificaties van de fabrikant vallen, zal aanpassing van de arbeidsmiddelen en PBM nodig zijn. Daardoor wordt de certificaathouder fabrikant in de zin van de machinerichtlijn (2006/42/EG) en wordt hij daardoor verantwoordelijk voor het in overeenstemming te brengen van de arbeidsmiddelen met de daaraan gestelde eisen in het Warenwetbesluit machines. Met betrekking tot PBM geldt verordening (EU) 2016/425 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/

9

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

EEG van de Raad (PbEU 2016, L 81) alsmede het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018.

3.2.2. Persoonlijke beschermingsmiddelen Wanneer de risico’s van werkzaamheden niet volledig kunnen worden weggenomen of onvoldoende kunnen worden gereduceerd, dient de certificaathouder de medewerkers (vast en tijdelijk) te voorzien van voor het doel geschikte en onderhouden persoonlijke beschermingsmiddelen. De certificaathouder dient dit te beoordelen in de projectgebonden RI&E, rekening houdend met de arbeidshygiënische strategie en de voorschriften uit hoofdstuk 8, afdeling 1, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor het verstrekken, het onderhouden en vervangen van PBM moet de certificaathouder beschikken over een procedure overeenkomstig paragraaf 3.2.1.

3.2.3. Detectie- en meetapparatuur Detectieapparatuur dient initieel (typekeuring) door de certificaathouder te worden gevalideerd. Doelstelling hiervan is om vast te stellen of het detectieapparaat geschikt is voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten, en zo ja, in welke situaties en omstandigheden dit apparaat toepasbaar is. Bij de validatie van detectieapparatuur dienen de eisen uit de gebruikershandleiding van de fabrikant te worden toegepast. Ten behoeve van de initiële validatie van detectieapparatuur wordt door de certificaathouder een validatieprotocol vastgesteld (gebaseerd op de eisen van de fabrikant), waarin ten minste de volgende zaken aan de orde komen: a) soorten objecten (materiaal)/verstoringen die worden gedetecteerd; b) geschiktheid voor soorten ontplofbare oorlogsresten en locatiespecifieke omstandigheden; c) meetbereik (diepte); d) toepasbaarheid in verschillende grondsoorten; e) gevoeligheid voor verstoringen; en f) nauwkeurigheid. De resultaten van de validatie worden door de certificaathouder geregistreerd, waarin tevens een vergelijking plaatsvindt met de specificaties van de gebruikershandleiding en/of de resultaten van vorige validaties van vergelijkbare apparatuur. De certificaathouder dient een overzicht van alle binnen de organisatie gebruikte detectieapparaten op te stellen en actueel te houden.

Voor elke detector dient een werkinstructie te worden opgesteld aan de hand van de gebruikshandleiding van de fabrikant en het beoogde doel van het apparaat. De bediening van detectieapparatuur dient te geschieden door een persoon die aantoonbaar deskundig is voor het werken met het desbetreffende detectieapparaat. De certificaathouder dient een procedure op te stellen hoe deze deskundigheid wordt gewaarborgd en geregistreerd. Het onderhoud en kalibreren van meet- en detectieapparatuur door de certificaathouder dient plaats te vinden op basis van een procedure van kalibratie en onderhoud. Bij het onderhoud en kalibreren van meet- en detectieapparatuur dient de gebruikershandleiding van de fabrikant en de resultaten van de initiële validatie te worden toegepast. Meet- en detectieapparatuur dient te worden beveiligd tegen oneigenlijke justering of andere invloeden die de resultaten van deze apparatuur kunnen beïnvloeden. Registraties van validatie, kalibratie, keuringen en onderhoud dienen door de certificaathouder ten minste 5 jaar te worden bewaard, tenzij een wettelijke regeling een langere bewaartermijn vereist.

3.3. Inhuur van arbeidsmiddelen en personeel Bij inhuur van arbeidsmiddelen en personeel voor de uitvoering van projecten wordt door de certificaathouder vooraf vastgesteld dat deze voldoen aan de eisen uit dit certificatieschema. De resultaten van deze beoordeling worden geregistreerd. Deze organisatie waar de inhuur plaatsvindt wordt vooraf op de hoogte gesteld van de eisen en de relevante projectinformatie. De inhuur van arbeidsmiddelen en personeel ten behoeve van de opsporing vindt plaats door en onder verantwoordelijkheid van een certificaathouder die (mede) is gecertificeerd conform deelgebied A. Inhuur van arbeidsmiddelen en personeel ten behoeve van de civieltechnische ondersteuning

10

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

vindt plaats door en onder verantwoordelijkheid van een certificaathouder die (mede) is gecertificeerd conform deelgebied B.

4. EISEN AAN DE CERTIFICAATHOUDER BIJ HET OPSPOREN VAN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN 4.1. Werkvoorbereiding en projectplan De certificaathouder moet de processen die nodig zijn voor een veilige, deskundige en juiste uitvoering van het project identificeren en plannen. Ten behoeve daarvan dient te worden voorzien in een procedure voor de werkvoorbereiding, waarin ten minste aandacht wordt besteed aan: a) verantwoordelijkheden (inclusief vaststelling en goedkeuring projectplan); b) samenwerking, identificatie en communicatie met verschillende disciplines; c) planning; en d) documentatie en registraties. Ten behoeve van de opsporing wordt door de certificaathouder een projectplan opgesteld. Het projectplan omvat ten minste de volgende onderdelen: 1. een omschrijving en doelstelling van de opdracht, gebaseerd op de verwachte ontplofbare oorlogsresten in het opsporingsgebied gespecificeerd naar hoofdsoort, subsoort, kaliber, type en nationaliteit; 2. een beschrijving van de projectorganisatie met taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden; 3. een beschrijving hoe om te gaan met wijzigingen lopende het project; 4. een beschrijving van de wijze van interne en externe communicatie conform de paragrafen 2.4.1 en 2.4.2; 5. de planning van de werkzaamheden en inzet van personeel conform de eisen in paragraaf 3.1.1; 6.

bepalingen ten aanzien van de juiste toepassing van PBM en de PBM dienen afgestemd te zijn op de uit te voeren activiteiten en de geïdentificeerde risico’s. 7. een werktekening met daarop ten minste de ligging van het werk-/opsporingsgebied, geprojecteerd op een ondergrond van de omgeving (gebaseerd op de Basisregistratie Grootschalige Topografie (B.G.T)) met daarop aangegeven de ligging ten opzichte van het Rijksdriehoeknet (door middel van RD-coördinaten) dan wel, indien het opsporingsgebied zich aan de zeezijde van de kustlijn bevindt, in overleg met de opdrachtgever een ander coördinatenstelsel, mits dit voor de certificaathouder uitvoerbaar is; 8. een omschrijving van de wijze van detectie en daarbij te gebruiken detectiemethoden en apparatuur, inclusief de configuratie en validatiegegevens; 9. een beschrijving van de wijze van lokaliseren, laagsgewijze detectie en identificatie en daarbij te gebruiken arbeidsmiddelen, indien nodig, PBM en, indien aan de orde, informatie over het toepassen van munitiescheiding conform paragraaf 4.6; 10. een beschrijving van de wijze van tijdelijk veiligstellen van ontplofbare oorlogsresten; 11. de wijze van overdracht van de mogelijk aan te treffen ontplofbare oorlogsresten aan de EODD en -indien van toepassing- de vernietigingslocatie, waarbij wordt voldaan aan de richtlijnen van de EODD (bijlage 3); 12.

een projectgebonden RI&E en een beschrijving van de op basis daarvan te treffen veiligheidsmaatregelen in de onderscheiden procesfasen; 13. indien van toepassing een beschrijving van de beschermende maatregelen voor de omgeving, die worden bepaald in overleg met de gemeente(n), de opdrachtgever en de EODD; 14. de toegangsregeling, begaanbaarheid en de bewaking van de projectlocatie; 15. een actuele en voor de projectlocatie geschikte beschrijving van de handelwijze bij calamiteiten; 16. een protocol voor de inschakeling van hulpverleningsdiensten; 17. een beschrijving van aansprakelijkheden en verzekeringen; 18. een beschrijving van de projectcontroles (wat, wie en hoe controleren op welk moment), inclusief de wijze van registratie en de terugkoppeling daarvan; en 19. een beschrijving van de wijze van oplevering. In het kader van de werkvoorbereiding wordt door de certificaathouder beoordeeld of er voldoende informatie beschikbaar is over de verwachte ontplofbare oorlogsresten en de ligging om de voorgenomen opsporingswerkzaamheden te kunnen uitvoeren. De resultaten van deze beoordeling worden geregistreerd in het projectdossier.

Een projectplan voor uitsluitend een detectieonderzoek omvat in ieder geval de onderdelen genoemd onder punt 1 t/m 8 en, ingeval van een detectiemethode waarbij indringing in de bodem plaatsvindt (diepte detectie), tevens punt 12 en in veel gevallen ook punt 14, 16 en 18. Ingeval van een projectplan voor uitsluitend een detectieonderzoek, omvat het projectplan verder een procedure over hoe te handelen bij het spontaan aantreffen van ontplofbare oorlogsresten.

11

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

Met het opstellen van het projectplan en de beschrijving van de werkmethoden is geborgd dat alle geïdentificeerde risico’s op adequate wijzen worden vermeden of beheerst. In het projectplan dient te worden beschreven welke personen hebben meegewerkt aan de werkvoorbereiding. De Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten en het management van de certificaathouder dienen door ondertekening ingestemd te hebben met de inhoud van het projectplan. Het projectplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever. Het akkoord van de opdrachtgever wordt aangetekend in het projectdossier.

4.2. Projectgebonden RI&E De certificaathouder dient te beschikken over een procedure voor de uitvoering van de projectgebonden RI&E. Hieruit volgen ten minste de benodigde acties gericht op: a) het beheersen van de risico’s voor personen op de projectlocatie en de omgeving; b) het tijdelijk veiligstellen van de situatie van ontplofbare oorlogsresten; c) de toegangsregeling en bewaking van de projectlocatie; en d) de verkeersmaatregel en begaanbaarheid van de projectlocatie.

4.3. Detectieonderzoek 4.3.1. Algemeen Voor het uitvoeren van het detectieonderzoek dient de certificaathouder geschikte methoden in te zetten. Er wordt gebruik gemaakt van realtime of non-realtime detectie of van een combinatie van beide. Het projectplan, bedoeld in paragraaf 4.1, wordt zo nodig aangevuld op basis van de resultaten van het detectieonderzoek. Alle betrokken partijen worden door de certificaathouder over de aanpassingen geïnformeerd.

4.3.2 Selectie van detectiemethoden Voorafgaand aan de detectiewerkzaamheden dient de certificaathouder de in te zetten detectieapparatuur te selecteren. Dit wordt door de certificaathouder vastgelegd in onderdeel 8 van het projectplan. De selectie van detectiemethoden vindt plaats op basis van de resultaten van de validatie (paragraaf 3.2.3) en de op basis van de werkvoorbereiding te verwachten ontplofbare oorlogsresten en de locatiespecifieke omstandigheden. Er worden uitsluitend detectieapparaten ingezet die voldoen aan paragraaf 3.2.3.

4.3.3. Uitvoeren detectie Bij aanvang van de detectiewerkzaamheden dienen de projectgegevens, bedoeld in paragraaf 4.3.6, onderdeel b, zoals opgenomen in het projectplan, te worden geverifieerd. Het resultaat van de verificatie wordt geregistreerd in de veldwerkregistraties, bedoeld in paragraaf 4.3.6. Ingeval van afwijkende omstandigheden die van invloed zijn op de kwaliteit van de detectie, dient terugkoppeling plaats te vinden met de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. De bediening van detectieapparatuur dient te voldoen aan paragraaf 3.2.3.

4.3.4. Realtime detectie Bij realtime detectie worden de hierna genoemde meetgegevens direct geïnterpreteerd en worden de significante objecten direct gelokaliseerd. Van de significante objecten worden in ieder geval de volgende meetgegevens door hem geregistreerd: a) gemeten meetwaarden; b) coördinaten ten opzichte van het Rijksdriehoeknet (RD-coördinaten), dan wel indien het opsporingsgebied zich aan de zeezijde van de kustlijn bevindt, in overleg met de opdrachtgever een ander coördinatenstelsel, mits dit voor de certificaathouder uitvoerbaar is; c) indicatieve diepte (z); en d) veldwerkregistraties als bedoeld in paragraaf 4.3.6.

4.3.5 Non-realtime detectie Bij non-realtime detectie worden de meetgegevens opgeslagen en op een later tijdstip geïnterpreteerd. De non-realtime detectie resulteert in een objectenlijst met ten minste: a) coördinaten van aangetroffen uitslagen/verstoringen ten opzichte van het Rijksdriehoeknet (RDcoördinaten), dan wel indien het opsporingsgebied zich aan de op zeezijde van de kustlijn bevindt, in overleg met de opdrachtgever een ander coördinatenstelsel, mits dit voor de certificaathouder uitvoerbaar is;

12

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

b) indicatieve diepte (z); en c) gemeten meetwaarden. Een objectenlijst wordt opgesteld aan de hand van meetwaarden die voldoen aan de parameters van de te verwachten Ontplofbare Oorlogsresten. Deze interpretatie dient aantoonbaar te worden gemaakt in de rapportage van de detectie. In deze rapportage wordt duidelijk aangegeven en beargumenteerd op welke wijze de meetgegevens zijn geanalyseerd en geïnterpreteerd, in relatie tot de op basis van de werkvoorbereiding te verwachten ontplofbare oorlogsresten en de locatiespecifieke omstandigheden. In de rapportage van de detectie worden aanbevelingen gedaan voor de verdere aanpak van benaderen. De detectierapportage wordt, inclusief de objectenlijst, opgenomen in het projectdossier.

4.3.6. Veldwerkregistraties Tijdens de detectie worden ten minste de volgende gegevens geregistreerd door degene die de detectie uitvoert: a) datum van detectie; b) projectgegevens (ten minste opdrachtgever, gemeente(n) en locatie); c) de naam van de persoon die de detectie heeft uitgevoerd; d) detectiegegevens; e) gebruikte detectieapparatuur, configuratie en de apparaatinstellingen; f) een toelichting op eventuele detectieverstoringen g) weersomstandigheden (ten minste temperatuur en neerslag); h) afgezocht gebied; i) relevante visuele waarnemingen: j) afwijkingen t.o.v. projectplan; en k) verificatie aangeleverde gegevens. De veldwerkregistraties worden opgenomen in het projectdossier.

4.4. Lokaliseren Door middel van het lokaliseren wordt de ligplaats van de gedetecteerde significante objecten vastgesteld. Het lokaliseren bestaat uit het: a) bepalen van de locatie van het significante object op basis van de verkregen meetwaarden en deze vastleggen op RD-coördinaten, dan wel, indien het opsporingsgebied zich aan de zeezijde van de kustlijn bevindt, in overleg met de opdrachtgever een ander coördinatenstelsel, mits dit voor de certificaathouder uitvoerbaar is; en b) bepalen ontgravingsdiepte door (her)vaststellen van z-coördinaat. De definitieve lokalisatiegegevens worden op de objectenlijst vastgelegd. De objectenlijst wordt opgenomen in het projectdossier. Door middel van het lokaliseren wordt een ontgravingsdiepte vastgesteld die vervolgens wordt ontgraven. Tijdens het benaderen worden de definitieve lokalisatiegegevens van het significante object vastgesteld. Dit wordt in de objectenlijst vastgelegd. De objectenlijst wordt opgenomen in het projectdossier.

4.5. Laagsgewijze detectie Laagsgewijze detectie betreft het cyclisch detecteren van een bodemlaag waarna de vrijgegeven laag kan worden verwijderd zodat een volgende bodemlaag kan worden gedetecteerd. In het projectplan wordt aangegeven op welke wijze de laagsgewijze detectie plaatsvindt en welke arbeidsmiddelen of PBM er worden ingezet. De certificaathouder dient te borgen dat deze arbeidsmiddelen voldoen aan de eisen in Warenwetbesluit machines, voor zover van toepassing. Met betrekking tot PBM geldt verordening (EU) 2016/425 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (PbEU 2016, L 81) alsmede het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen 2018. De certificaathouder dient te beschikken over de noodzakelijke werkinstructies voor activiteiten die in het kader van de laagsgewijze detectie worden uitgevoerd. Voor de eisen aan de civieltechnische ondersteuning wordt verwezen naar paragraaf 4.11.

4.6. Munitiescheiding De certificaathouder dient het werkingsprincipe en het scheidingsbereik (welke ontplofbare oorlogs-

13

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

resten door middel van de munitiescheidingsinstallatie afgescheiden kunnen worden) van gebruikte munitiescheidingsinstallatie(s) te documenteren en te valideren. Tevens dient een RI&E te worden uitgevoerd en gedocumenteerd, op basis waarvan de te treffen veiligheidsmaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen worden bepaald en uitgevoerd rekening houdend met de arbeidshygiënische strategie (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Arbeidsomstandighedenwet). De certificaathouder dient te waarborgen dat voor munitiescheiding ingezet materieel voldoet aan de eisen in Warenwetbesluit machines. Bij toepassing van munitiescheiding wordt in het projectplan gemotiveerd waarom munitiescheiding wordt toegepast en of deze, gegeven de verwachte ontplofbare oorlogsresten en de toegepaste munitiescheidingsinstallatie, geschikt is voor het te bereiken resultaat. Daarbij wordt rekening gehouden met de te verwachten ontplofbare oorlogsresten en de locatiespecifieke omstandigheden. Bij het toepassen van munitiescheiding vindt de identificatie van ontplofbare oorlogsresten, het tijdelijk veilig stellen van de situatie respectievelijk de overdracht van ontplofbare oorlogsresten en schroot plaats volgens de paragrafen 4.7, 4.8, 4.9 en 4.10.

4.7. Identificeren De identificatie volgt op het aantreffen van het significante object en heeft tot doel om vast te stellen of sprake is van ontplofbare oorlogsresten, en zo ja, om de hoofdsoort, subsoort en wapeningstoestand (gewapende of ongewapende ontplofbare oorlogsresten) van eventueel geplaatste ontstekers te bepalen. Bij de identificatie wordt geregistreerd of sprake van ontplofbare oorlogsresten, en zo ja: a) de uiteindelijke diepte van aangetroffen ontplofbare oorlogsresten; b) de hoofdsoort en subsoort van het ontplofbare oorlogsresten; c) het type van eventueel geplaatste ontstekers; d) de wapeningstoestand, kaliber en nationaliteit; en e) de naam van de persoon die de identificatie heeft uitgevoerd. De geregistreerde gegevens worden door de certificaathouder opgenomen in het projectdossier.

4.8. Tijdelijk veiligstellen situatie Het tijdelijk veiligstellen van de situatie omvat alle activiteiten na de benadering en identificatie die benodigd zijn om de uitwerkingsrisico’s van ontplofbare oorlogsresten in relatie tot de omgeving te beheersen tot aan het tijdstip van overdracht van het explosief aan EODD. Er worden bij het tijdelijk veiligstellen van de situatie geen demontagehandelingen aan ontplofbare oorlogsresten zelf verricht. De wijze van tijdelijk veiligstellen en de getroffen beschermende maatregelen worden geregistreerd in het projectdossier.

4.9. VTVS en veiligstellen ontplofbare oorlogsresten De certificaathouder dient te borgen dat de voorziening voor het tijdelijk veiligstellen van de situatie van ontplofbare oorlogsresten voldoet aan bijlage 1 bij dit certificatieschema.

4.10. Overdracht aan EODD en afvoer schroot Het ruimen van aangetroffen ontplofbare oorlogsresten wordt uitgevoerd door de EODD. Voor aanvang van een opsporingsproject, met uitzondering van een project dat alleen een detectieonderzoek omvat, wordt de EODD geïnformeerd overeenkomstig de richtlijnen van de EODD op genomen in bijlage 3 bij dit certificatieschema. De overdracht van ontplofbare oorlogsresten aan de EODD vindt plaats door de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten overeenkomstig de richtlijnen van de EODD (bijlage 3). Voorgeschreven registraties worden opgenomen in het projectdossier. Voorafgaand aan afvoer van schroot vindt een eindcontrole plaats door de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten en wordt door hem geregistreerd in het projectdossier.

4.11. Civieltechnische ondersteuning De civieltechnische ondersteuning omvat het geheel van organisatie en uitvoering van civieltechnische activiteiten die de opsporing mogelijk maken. Indien voor de opsporing gebruik wordt gemaakt van civieltechnisch materieel, wordt het project uitgevoerd door een certificaathouder die beschikt, dan wel een combinatie van twee certificaathouders die tezamen beschikken, over een certificaat conform deelgebied A en B.

14

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

Voor zover sprake is van laagsgewijze detectie en/of munitiescheiding, wordt gebruik gemaakt van materieel dat voldoet aan het Warenwetbesluit machines, voor zover van toepassing. Indien een project in een combinatie van twee certificaathouders wordt uitgevoerd, zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden tussen de certificaathouders vastgelegd in een samenwerking /combinatieovereenkomst. Dit wordt, met inachtneming van de bepalingen in dit certificatieschema, door de certificaathouder die is gecertificeerd volgens deelgebied A nader uitgewerkt in het projectplan. De certificaathouder die is gecertificeerd conform deelgebied B stemt schriftelijk in met het projectplan. Bij uitvoering van het project ligt de eindverantwoordelijkheid voor de opsporing bij de certificaathouder die is gecertificeerd conform deelgebied A. Dit laat onverlet dat elke certificaathouder binnen die combinatie verantwoordelijk is voor de kwaliteit van zijn eigen werkzaamheden en de arbeidsomstandigheden van zijn werknemers.

4.12 Oplevering, rapportage en evaluatie 4.12.1. Oplevering Na uitvoering van het project dient het opsporingsgebied door de certificaathouder conform afspraak met de opdrachtgever te worden opgeleverd, zoals beschreven in het projectplan overeenkomstig paragraaf 4.1, onderdeel 19. Indien na het oordeel van de Senior Deskundige Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten de locatie voldoet aan de vastgelegde afspraak, vraagt de certificaathouder opname van het project aan bij de opdrachtgever. Een proces-verbaal van oplevering wordt opgesteld door of namens de certificaathouder en bevat ten minste de volgende gegevens: a) het werk-/opsporingsgebied geprojecteerd op een ondergrond van de omgeving (BGT) met daarop aangegeven de ligging ten opzichte van het Rijksdriehoeknet (door middel van RD-coördinaten); b) een omschrijving van de opdracht; c) een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden; d) de resultaten van het detectieonderzoek en de benaderwerkzaamheden, en e) de gegevens met betrekking tot de overdracht en (indien van toepassing) de aard van de verwijderde significante objecten. De certificaathouder stuurt een afschrift van het proces-verbaal van oplevering aan de gemeente(n) waarbinnen het opsporingsgebied is gelegen, als bevoegd gezag voor openbare orde en veiligheid.

De in dit certificatieschema genoemde projectdocumenten (projectplan, projectregistraties en proces-verbaal van oplevering) worden minimaal 5 jaar bewaard, tenzij een wettelijke regeling een langere bewaartermijn vereist.

4.12.2. Projectevaluatie De certificaathouder dient ten behoeve van de procesbeheersing aan het eind van ieder project een evaluatie op te stellen. Er dient ten minste aandacht te worden besteed aan: a) analyse en evaluatie van de uitgevoerde werkzaamheden; b) perceptie op het verloop van het project door medewerkers, c) perceptie op het verloop van het project door belanghebbenden, waaronder in ieder geval de opdrachtgever d) vergelijking van de resultaten van de informatie vooraf over de verwachte ontplofbare oorlogsresten met de resultaten van de opsporing, (detectieresultaten en daadwerkelijk aangetroffen ontplofbare oorlogsresten); e) effectiviteit van de getroffen veiligheidsmaatregelen en beschermende maatregelen; f) afwijkingen/tekortkomingen/bevindingen; en g) verbetermogelijkheden. De evaluaties dienen als input voor de jaarlijkse beoordeling door het management, bedoeld in paragraaf 2.3.

15

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

5. CONTROLEACTIVITEITEN EN SANCTIEBELEID / -PROCEDURES DOOR CI 5.1. Algemeen De wijze van toezicht door de CI dient in overeenstemming te zijn met de eisen NEN-EN-ISO/IEC 17021-1. In aanvulling daarop geldt het in dit hoofdstuk bepaalde. De CI neemt bij het uitvoeren van haar activiteiten de door de schemabeheerder vastgestelde documenten in acht. Ingeval van strijdigheid tussen documenten van de schemabeheerder en documenten / reglementen van de CI, prevaleert het document van de schemabeheerder. Door de schemabeheerder wordt een openbare lijst van certificaathouders bijgehouden.

5.2. Controleactiviteiten 5.2.1. Initiële audit De initiële audit door de CI vindt plaats, zodra het managementsysteem van de aanvrager van het certificaat is geïmplementeerd. Voorafgaand aan de audit stelt de certificaathouder alle relevante documenten van het managementsysteem ter beschikking aan de CI. De initiële audit bestaat uit een fase 1 en een fase 2 audit. De initiële audit beslaat een periode van maximaal zes maanden, vanaf start fase 1 tot en met afronding van fase 2. De fase 1 audit geschiedt op de vestigingslocatie. De fase 2 audit vindt plaats op de vestigingslocatie en op projectlocaties conform tabel 5.2.5.1. Het auditen van projecten door het beoordelen van projectdossiers in het kader van de initiële beoordeling door de CI vindt plaats tijdens de fase 2 audit en dient volledig te zijn afgerond voordat de certificatiebeslissing wordt genomen. De aanvrager van een certificaat wordt voor de duur van de audit van deze aanvraag op twee projectlocaties gelijkgesteld aan een gecertificeerde organisatie indien wordt voldaan de volgende voorwaarden: a. de fase 1 audit positief is afgerond; en b. de aanvrager heeft een schriftelijke aanvraag ingediend voor het uitvoeren van twee projecten met verschillende opdrachtgevers, waarbij deze aanvraag door de CI is geaccepteerd.

De CI geeft toestemming aan de aanvrager voor het uitvoeren van twee projecten indien de fase 1 audit positief is afgerond. De CI voert een audit uit op deze twee projecten. Indien in één van deze projectaudits een categorie 1 afwijking wordt geconstateerd, kan de aanvrager van een certificaat op verzoek voor de duur van een derde projectlocatie gelijkgesteld worden aan een gecertificeerde organisatie. Indien in deze projectaudit opnieuw een categorie 1 afwijking wordt geconstateerd, wordt de initiële beoordeling afgebroken en vervallen de auditresultaten. In paragraaf 5.2.5. is een regeling voor de tijdsbesteding van de CI voor het uitvoeren van audits opgenomen.

5.2.2. Verlening van het managementsysteemcertificaat Het certificaat wordt afgegeven zodra de initiële audit van het managementsysteem in positieve zin is afgerond. Daarbij dient te worden voldaan aan alle normelementen uit dit certificatieschema in de hoofdstukken 2 tot en met 4, met uitzondering van de normelementen die buiten het toepassingsgebied (Deelgebied A en / of B) vallen. Het certificaat wordt afgegeven voor een periode van maximaal 3 jaar (certificatieperiode).

5.2.3. Periodieke audits Tijdens de certificatieperiode wordt door de CI een controleprogramma uitgevoerd dat bestaat uit het jaarlijks beoordelen of de certificaathouder voldoet aan de van toepassing zijnde eisen in hoofdstuk 2 tot en met 4. Hierbij gaat het om de doeltreffendheid en juiste toepassing van het managementsysteem en het beoordelen van projecten. Een regeling voor de tijdsbesteding van de audits is opgenomen in paragraaf 5.2.5. De eerste periodieke audit na de initiële certificaatverstrekking vindt plaats binnen twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van afgifte van het certificaat. Om de borging van het managementsysteem te toetsen, voert de CI projectaudits uit conform paragraaf 5.2.5.

16

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

5.2.4. Herbeoordeling van het managementsysteemcertificaat In het kader van de verlenging van het managementsysteemcertificaat dient uiterlijk 3 maanden voor het einde van de certificatieperiode een complete beoordeling van de eisen uit het certificatieschema uitgevoerd te worden. Verlenging van het managementsysteemcertificaat vindt plaats voor een periode van maximaal 3 jaar.

5.2.5. Tijdsbesteding CI De tijdsbesteding voor het uitvoeren van de audits door de CI dient te worden bepaald volgens de richtlijnen in tabel 5.2.5.1 en 5.2.5.2 en de daaronder weergegeven aanvullende bepalingen. Tabel 5.2.5.1: tijdbesteding initiële audit (in uren) Deelgebied

Fase 1 audit vestigingslocatie [uren]

Fase 2 audit vestigingslocatie [uren]

Fase 2 audit projectlocatie [uren]

Totale tijdsbesteding [uren]

A

4

8

8

20

B

4

6

8

18

A+B

4

8

81

20

1

Waarvan één project voor deelgebied A en één project voor deelgebied B

Tabel 5.2.5.2: tijdbesteding periodieke audits (in uren) Deelgebied

Audit vestigingslocatie [uren / certificatiejaar]

Audit Projectlocatie [uren / certificatiejaar]

Onaangekondigde audit projectlocatie [uren / certificatiejaar]

Totale tijdsbesteding [uren / certificatiejaar]

A

8

4

4

16

B

8

4

4

16

A+B

12

4

81

24

1

Waarvan één project voor deelgebied A en één project voor deelgebied B

1. Onder de initiële audit zoals bedoeld in tabel 5.2.5.1 wordt verstaan de situatie dat de certificaathouder op het moment dat de audit plaatsvindt niet beschikt over een certificaat volgens dit certificatieschema. Nadat het certificaat is verstrekt (initiële certificatie) dient in het eerste certificatiejaar het aantal projectaudits ten behoeve van de periodieke audit te worden bepaald op basis van tabel 5.2.5.2. Onder certificatiejaar wordt verstaan: een opeenvolgende periode van 12 maanden, waarbij het eerste certificatiejaar wordt gerekend vanaf de datum van afgifte van het certificaat. 2. De tijdsbesteding voor de herbeoordeling is ten minste gelijk aan de tijdsbesteding voor de initiële audit (minus de tijdsbesteding voor fase 1). Het is ter beoordeling aan de CI of er ten behoeve van de herbeoordeling aanvullende tijd nodig is voor verificatie van bevindingen uit de voorgaande certificatieperiode en of wijzingen bij de certificaathouder. 3. Indien er tijdens de herbeoordeling geen projecten beschikbaar zijn kan geen audit plaatsvinden. Hercertificatie kan pas plaatsvinden als projectaudits alsnog uitgevoerd zijn door de CI, mits hercertificatie volledig uiterlijk zes maanden na de vervaldatum van het certificaat is afgerond. 4.

Indien tijdens de periodieke audit geen projectaudit kan worden uitgevoerd dient deze zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in het volgende certificatiejaar, alsnog te worden uitgevoerd. De CI legt een dergelijke maatregel in het dossier vast. Deze maatregel kan slechts één keer in een certificatieperiode worden toegepast. Als hier niet aan kan worden voldaan, dient de CI het certificaat in te trekken. 5. Een onaangekondigde audit betreft de beoordeling van de implementatie van het certificatieschema op een projectlocatie, te beoordelen door de CI. Deze audit vindt plaats conform de tijdsbesteding in tabel 5.2.5.2. De CI stelt een verslag van bevindingen op en stelt dit ter beschikking aan de certificaathouder. 6. De in de tabellen genoemde uren voor tijdsbesteding zijn inclusief rapportage en voorbereiding. 7. De tijdsbesteding voor een projectaudit bedraagt ten minste 4 uur (inclusief rapportage). Het aantal projectaudits wordt als volgt bepaald: tijdsbesteding projectaudit(s)/4. 8. Indien door omstandigheden het aantal projectaudits in een certificatiejaar (zie tabel 5.2.5.2) niet is uitgevoerd, dienen de ontbrekende aantallen in het daarop volgende certificatiejaar alsnog te worden uitgevoerd. De CI legt een dergelijke maatregel in het dossier vast. Deze maatregel kan slechts één keer in een certificatieperiode worden toegepast.

Als hier niet aan kan worden voldaan, dient de CI het certificaat in te trekken. 9. Voor certificaathouders met meerdere vestigingen, actief binnen het toepassingsgebied van dit certificatieschema, dient aan het aantal mandagen een halve dag per vestiging te worden toegevoegd.

17

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

10. Bij uitvoering van een gecombineerde audit met NEN-EN-ISO 9001 door hetzelfde auditteam kan, met voldoende onderbouwing, een reductie worden gegeven op de tijdsbesteding voor de bedrijfsaudit met een maximum van 30%. 11. Bij de overname van een certificaat door een andere CI dient ten minste een herbeoordeling plaats te vinden. Het is ter beoordeling aan de overnemende CI of er aanvullende tijd nodig is voor de beoordeling van documenten en / of de afhandeling van openstaande afwijkingen die zijn uitgeschreven door de andere CI. Bij een overname kan het certificaat pas worden verstrekt nadat alle afwijkingen zijn gesloten.

5.3. Sanctiebeleid 5.3.1. Classificatie van afwijkingen Afwijking De berichtgeving door de CI aan de certificaathouder over de vastgestelde afwijkingen bevat ten minste een beschrijving van: a) de eis in het certificatieschema waaraan niet wordt voldaan; b) de reden waarom is vastgesteld dat de certificaathouder niet aan deze eis voldoet; c) een beschrijving van feiten en omstandigheden op basis waarvan de afwijking is vastgesteld; en d) de termijn en wijze waarop de certificaathouder de afwijking kan herstellen en daarover kan rapporteren aan de CI. Categorie 1 afwijking 1. Een categorie 1 afwijking wordt vastgesteld bij het ontbreken van een doeltreffende implementatie van een of meer eisen van dit certificatieschema of bij een situatie waarbij niet geborgd is dat het managementsysteem voldoet aan de gestelde eisen van dit certificatieschema. Tevens wordt een categorie 1 afwijking vastgesteld als de CI niet in de gelegenheid is gesteld toezicht te houden op projectlocatie conform paragraaf 5.2.5. 2. Ingeval van een categorie 1 afwijking bedraagt de hersteltermijn maximaal drie maanden. Categorie 2 afwijking 1. Een categorie 2 afwijking wordt vastgesteld bij een op zichzelf staande afwijking met betrekking tot de eisen van dit certificatieschema die geen invloed heeft op het resultaat van het functioneren van het managementsysteem. 2.

Ingeval van een categorie 2 afwijking bedraagt de hersteltermijn maximaal zes maanden. Een categorie 2 afwijking die niet tijdig is hersteld door de certificaathouder of na herstel opnieuw wordt geconstateerd, wordt verzwaard naar een categorie 1 afwijking.

5.3.2. Weigering van een verzoek om afgifte van een certificaat 1. De aanvraag van het certificaat wordt door de CI geweigerd als de aanvrager niet voldoet aan de eisen in dit certificatieschema. 2. De aanvraag van het certificaat wordt door de CI geweigerd indien ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van het verzoek tot afgifte van het certificaat, sprake was van een weigering tot het afgeven van eenzelfde certificaat dan wel van een intrekking van eenzelfde certificaat en de weigering of intrekking is geschied op grond van aan de aanvrager toe te rekenen feiten of omstandigheden. 3. Tegen het besluit van de CI tot het weigeren van een aanvraag van een certificaat is bezwaar en beroep mogelijk conform de Algemene wet bestuursrecht.

5.3.3. Voorwaardelijke schorsing van het certificaat 1. De CI schorst het certificaat voorwaardelijk indien de CI een afwijking van categorie 1 of 2 heeft vastgesteld. 2. Het besluit van de CI tot voorwaardelijke schorsing van het certificaat wordt schriftelijk aan de certificaathouder medegedeeld en bevat ten minste: a. een gemotiveerde beschrijving van de feiten en omstandigheden die tot de voorwaardelijke schorsing hebben geleid; b. de ingangsdatum van de voorwaardelijk schorsing; c. de mededeling dat de periode van voorwaardelijke schorsing maximaal vier maanden bedraagt; d. de voorwaarden en aanwijzingen die moeten worden opgevolgd om de voorwaardelijke schorsing op te heffen, alsmede de termijn waarbinnen deze gerealiseerd moeten zijn;

18

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

3. 4. 5.

6.

e. een beschrijving van de wijze waarop de CI geïnformeerd moet worden over de genomen maatregelen om de voorwaardelijke schorsing op te heffen; f. de verplichting voor de certificaathouder om binnen drie maanden de hiervoor genoemde informatie aan de CI te geven; en g. de mededeling dat de certificaathouder tijdens de voorwaardelijke schorsing werkzaamheden binnen de scope van het certificaat mag blijven uitvoeren. De certificatieovereenkomst tussen de CI en de certificaathouder blijft tijdens de voorwaardelijke schorsing van kracht. Tegen het besluit van de CI tot een voorwaardelijke schorsing van het certificaathouder is bezwaar en beroep mogelijk conform de Algemene wet bestuursrecht. Na ontvangst van de informatie van de certificaathouder over de oorzaakanalyse en de correcties en corrigerende maatregelen beoordeelt de CI binnen een maand op basis van een extra audit of de voorwaardelijke schorsing kan worden beëindigd. Indien de voorwaardelijke schorsing niet kan worden beëindigd, stelt de CI dit vast en doet de CI mededeling aan de certificaathouder dat de voorwaardelijke schorsing van rechtswege is omgezet in een onvoorwaardelijke schorsing. De CI meldt dit besluit onmiddellijk aan de certificaathouder.

5.3.4. Onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat 1. De CI schorst het certificaat onvoorwaardelijk indien: a. de CI bij de certificaathouder een afwijking van categorie 1 heeft vastgesteld en de certificaathouder niet binnen drie maanden heeft hersteld; b. de certificaathouder er niet mee instemt dat controle- en hercertificeringaudits met de vereiste frequentie worden uitgevoerd; c. de certificaathouder zelf verzoekt om een schorsing; of d. ervan sprake is dat de certificaathouder zich niet houdt aan één van de volgende in artikel 1.5g, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoelde gevallen: • op grond van feiten of omstandigheden waarvan de CI, bij de afgifte van het certificaat, redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan zij het certificaat niet of alleen met beperkingen of voorschriften, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, zou hebben gegeven; • indien de certificaathouder niet meer voldoet aan de in dit certificatieschema gestelde eisen of zijn wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt; of • indien de certificaathouder met zijn werkzaamheden, voor zover die door het certificaat worden gereguleerd, of door de wijze waarop hij de werkzaamheden verricht, ernstig gevaar veroorzaakt of kan veroorzaken voor personen. 2.

Het besluit van de CI tot onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat wordt schriftelijk aan de certificaathouder medegedeeld en bevat ten minste: a. een gemotiveerde beschrijving van de feiten en omstandigheden die tot de onvoorwaardelijke schorsing hebben geleid; b. de ingangsdatum van de onvoorwaardelijke schorsing; c. de mededeling dat de periode van onvoorwaardelijke schorsing maximaal zes maanden bedraagt; d. de voorwaarden en aanwijzingen die moeten worden opgevolgd om de onvoorwaardelijke schorsing op te heffen, alsmede de termijn waarbinnen deze gerealiseerd moeten zijn; e. een beschrijving van de wijze waarop terugkoppeling aan de CI plaats vindt over de genomen maatregelen om de onvoorwaardelijke schorsing op te heffen; f. de verplichting voor de certificaathouder om een maand voor het verstrijken van de hersteltermijn voor de betreffende categorie de hiervoor genoemde terugkoppeling over de genomen maatregelen aan de CI te geven; g. de mededeling dat de certificaathouder tijdens de looptijd van de onvoorwaardelijke schorsing geen gebruik mag maken van het certificaat en geen werkzaamheden binnen de scope van het certificaat mag uitvoeren; h. de eis dat de certificaathouder de opdrachtgevers en de medezeggenschapsvertegenwoordiging van de certificaathouder informeert over de onvoorwaardelijke schorsing; i.

de mededeling dat de certificaathouder de opdrachtgever informeert over de onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat; j. de mededeling dat de CI de schemabeheerder en Inspectie SZW informeert over het onvoorwaardelijk geschorste certificaat; en k. de mededeling dat gedurende de onvoorwaardelijke schorsing de certificaathouder geen acquisitie mag verrichten. 3. De certificatieovereenkomst tussen de CI en de certificaathouder blijft tijdens de onvoorwaardelijke schorsing van kracht. 4. Na ontvangst van de informatie van de certificaathouder over de correcties en corrigerende maatregelen neemt de CI binnen een maand op basis van een extra audit de beslissing of de onvoorwaardelijke schorsing kan worden beëindigd.

19

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

5. Indien de onvoorwaardelijke schorsing niet kan worden beëindigd, stelt de CI dit vast en doet de CI mededeling aan de certificaathouder dat de CI zal overgaan tot intrekking van het certificaat. 6. Tegen het besluit van de CI tot een onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat is bezwaar en beroep mogelijk conform de Algemene wet bestuursrecht.

5.3.5. Intrekking van het certificaat 1. De CI trekt het certificaat in indien de CI heeft vastgesteld dat: a. er geen adequate corrigerende maatregelen zijn genomen door de certificaathouder binnen een periode van onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat; b. de certificaathouder failliet is verklaard; of c. sprake is van door de certificaathouder verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten en omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan de certificaathouder bekend was of kon zijn. 2. Het besluit van de CI tot intrekking wordt schriftelijk aan de certificaathouder medegedeeld en bevat ten minste: a. een gemotiveerde beschrijving van de feiten en omstandigheden die tot de intrekking hebben geleid; b. de ingangsdatum van de intrekking; c. de eis dat de certificaathouder de opdrachtgevers en de medezeggenschapsvertegenwoordiging van de certificaathouder informeert over de intrekking; en d. het verzoek aan de certificaathouder om de uitgereikte certificaten te retourneren aan de CI. 3. Tegen het besluit van de CI tot een intrekking van het certificaat is bezwaar en beroep mogelijk conform de Algemene wet bestuursrecht. 4. Indien een certificaathouder na een intrekking van het certificaat opnieuw gecertificeerd wil worden dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij de initiële certificatie. 5.

Na een intrekking van zijn certificaat kan een certificaathouder pas na twaalf maanden opnieuw een aanvraag indienen voor een certificaat.

5.4.1. Procedure bij de weigering van afgifte van het certificaat 1. Voorgenomen besluit: indien de CI het voornemen heeft de afgifte van een certificaat te weigeren meldt zij dat voornemen aan de aanvrager van het certificaat. De CI geeft daarbij aan dat de aanvrager tien werkdagen de tijd heeft voor het indienen van een zienswijze, te rekenen vanaf datum van de dagtekening van de brief. 2. Definitief besluit: na ontvangst van de zienswijze dan wel, indien geen zienswijze is ingediend, na het verstrijken van de termijn van tien werkdagen neemt de CI een definitief besluit tot weigering van de afgifte van het certificaat. 3. De CI houdt zich daarbij aan de volgende bepalingen: a. indien een zienswijze is ingediend vermeldt de CI waarom deze wel of niet heeft geleid tot wijziging van het voorgenomen besluit; en b. de CI geeft aan dat ten aanzien van de weigering van de afgifte van het certificaat bezwaar open staat. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op het moment van de dagtekening van het besluit.

5.4.2. Procedure bij afwijkingen 1. Voorgenomen besluit: indien de CI het voornemen heeft een afwijking vast te stellen, meldt zij dat voornemen aan de certificaathouder. De CI geeft daarbij aan dat de certificaathouder tien werkdagen de tijd heeft voor het indienen van een zienswijze, te rekenen vanaf datum van de dagtekening van de betreffende brief waarmee dat voornemen is aangekondigd. 2. Definitief besluit: na ontvangst van de zienswijze dan wel indien geen zienswijze is ingediend, na het verstrijken van de termijn van tien werkdagen neemt de CI een definitief besluit tot het vaststellen van categorie afwijking. 3. De CI houdt zich daarbij aan de volgende bepalingen: a. de CI geeft aan welke afwijking zij heeft vastgesteld; b. de CI geeft een beschrijving van feiten en omstandigheden op basis waarvan de afwijking is vastgesteld; c. indien een zienswijze is ingediend vermeldt de CI waarom deze wel of niet heeft geleid tot wijziging van het voorgenomen besluit en zo ja, tot welke wijziging van het besluit zij heeft geleid; d. de CI vermeldt dat de datum van de dagtekening van het besluit de ingangsdatum is; e. de CI geeft aan op welke wijze de certificaathouder de afwijking dient te herstellen; f. de CI geeft aan binnen welke termijn de certificaathouder aan de CI informatie moet sturen over de genomen herstelmaatregelen; g.

de CI geeft aan dat ten aanzien van besluit bezwaar open staat. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op het moment van de dagtekening van de brief;

20

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

h. de CI beoordeelt binnen een maand na de ontvangst van de informatie over de genomen herstelmaatregelen of de afwijking gesloten kan worden; en i. indien de CI vaststelt dat geen adequate herstelmaatregelen binnen de gestelde termijn zijn genomen, bericht zij de certificaathouder dat zij dit heeft vastgesteld en dat een procedure voor het opleggen van een voorwaardelijke schorsing wordt gestart.

5.4.3. Procedure bij de voorwaardelijke, de onvoorwaardelijke schorsing (zonder voorafgaande voorwaardelijke schorsing) en de intrekking van het certificaat 1. Voorgenomen besluit: indien de CI het voornemen heeft een certificaat voorwaardelijk, dan wel onvoorwaardelijk te schorsen, dan wel in te trekken meldt zij dat voornemen aan de certificaathouder. De CI houdt zich daarbij aan de volgende bepalingen: a. de CI geeft aan welke afwijking of afwijkingen zij heeft vastgesteld; b. de CI geeft een beschrijving van feiten en omstandigheden op basis waarvan de afwijking is of de afwijkingen zijn vastgesteld; en c. de CI geeft aan dat de certificaathouder tien werkdagen de tijd heeft voor het indienen van een zienswijze, te rekenen vanaf datum van de dagtekening. 2. Definitief besluit: na ontvangst van de zienswijze, dan wel indien geen zienswijze is ingediend na het verstrijken van de termijn van tien werkdagen, neemt de CI een definitief besluit tot voorwaardelijke schorsing, dan wel onvoorwaardelijke schorsing dan wel intrekking van het certificaat indien zij meent dat daartoe aanleiding bestaat. 3. De CI houdt zich daarbij aan de volgende bepalingen: a. de CI geeft aan welke afwijking of afwijkingen zij heeft vastgesteld; b. de CI geeft een beschrijving van feiten en omstandigheden op basis waarvan de afwijking is of de afwijkingen zijn vastgesteld; c.

indien een zienswijze is ingediend vermeldt de CI waarom deze niet heeft geleid tot wijziging van het voorgenomen besluit; d. de CI vermeldt de ingangsdatum van de schorsing of intrekking van het certificaat welke de dag na dagtekening van de brief is; e. bij een intrekking verzoekt de CI de certificaathouder het uitgereikte certificaat te retourneren aan de CI; en f. de CI geeft aan dat ten aanzien van het besluit bezwaar open staat, met uitzondering van de overgang van een voorwaardelijke naar een onvoorwaardelijke schorsing. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op het moment van de dagtekening van het besluit.

5.5. Gegevensverstrekking en toegang locatie De certificaathouder is verplicht medewerking te verlenen aan audits op zowel vestigings- als projectlocaties door of vanwege de CI. Tevens is de certificaathouder verplicht de voor deze audits noodzakelijke gegevens te verschaffen. De certificaathouder is verplicht om wijzigingen in zijn omstandigheden, die voor het certificaat van belang kunnen zijn, aan de CI door te geven. Bij wijziging in rechtspersoon dient de certificaathouder de CI te informeren. De certificaathouder dient de CI schriftelijk op de hoogte te stellen van uit te voeren opsporingsprojecten in het kader van dit certificatieschema. Deze melding geschiedt per e-mail en uiterlijk 72 uur voor aanvang van de werkzaamheden binnen de projectlocatie. Wijzigingen in de planning van deze werkzaamheden dienen eveneens zo spoedig mogelijk te worden gemeld. Meldingen inzake spoedwerkzaamheden (o.a. onverwacht aantreffen munitie) dienen zo spoedig mogelijk aan de CI te worden gericht. Bij de eerstvolgende (periodieke) beoordeling zal de documentatie van deze werkzaamheden onderdeel van het onderzoek zijn. De certificaathouder verleent zijn medewerking aan de Raad voor Accreditatie in het kader van de accreditatie van de aangewezen CI.

6. Eisen aan de CI 6.1. Kwalificatie-eisen lead auditors De lead-auditoren die door de CI worden ingezet voor het uitvoeren van audits in het kader van dit certificatieschema dienen te voldoen aan de volgende eisen: a) een afgeronde opleiding op ten minste bachelor niveau of gelijkwaardig dan wel een vergelijkbaar werk- en denkniveau; b) in het bezit zijn van een certificaat voor lead-auditor verkregen door een IRCA erkende training van

21

Staatscourant 2020 nr. 58198

13 november 2020

ten minste 40 uur (ten minste van het niveau NEN-EN-ISO 9001):2015; c) kennis van dit certificatieschema en eventueel andere door het CCvD Opsporen van ontplofbare oorlogsresten vastgestelde documenten; d) minimaal vier jaar relevante werkervaring; e) beschikken over Basiskennis Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, aan te tonen door een registratie in het Register veilig werken met explosieve stoffen of het Register veilig werken defensiemedewerkers; en f) een afgeronde opleiding Middelbare Veiligheidskunde (MVK) of gelijkwaardige opleiding.

6.2 Kwalificatie-eisen beslissers De certificatiebeslissing wordt genomen in overeenstemming met de eisen uit het certificatieschema door een functionaris van de CI die is gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitsmanagementsysteem van de CI en die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van het systeem. De beslisser die door de CI wordt ingezet voor het certificatieonderzoek dient te voldoen aan de volgende eisen: a) in het bezit zijn van een afgeronde HBO-/WO-opleiding, dan wel vergelijkbaar werk- en denkniveau; b) in het bezit zijn van een certificaat voor lead-auditor verkregen door een IRCA-erkende training van ten minste 40 uur; c) kennis van dit certificatieschema; en d) minimaal twee jaar relevante werkervaring.

6.3. Kwalificatie-eisen vakdeskundige (technical expert) De vakdeskundige die door de CI wordt ingezet voor het certificatieonderzoek dient te voldoen aan de volgende eisen: a) in bezit zijn van een HBO-/WO-opleiding in de technische sector, dan wel een gelijkwaardig werken denkniveau; b) kennis van het certificatieschema en eventueel andere door het CCvD Opsporen van ontplofbare oorlogsresten vastgestelde documenten; c) beschikken over Basiskennis Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten, aan te tonen door een registratie in het Register veilig werken met explosieve stoffen of het Register veilig werken defensiemedewerkers; en d) minimaal twee jaar relevante werkervaring.

6.4. Klachten over de certificaathouder Indien de CI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het niet voldoen aan dit schema door de certificaathouder, dient de CI de klager te verwijzen naar de certificaathouder. De CI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij de betreffende certificaathouder. Indien het naar de mening van de CI echter een ernstige klacht betreft, dient de CI, naast de behandeling door de certificaathouder, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

6.5. Klachtenprocedure Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten. De CI beschikt over een document waarin een klachtenprocedure is opgenomen die voldoet aan de Algemene wet bestuursrecht. Dit document is tevens toegankelijk en online beschikbaar voor derden.

6.6. Gegevens op certificaat De gegevens die specifiek in het kader van dit certificatieschema op het certificaat moeten worden vermeld zijn opgenomen in bijlage 2 bij dit certificatieschema.

6.7. Certificaatregister De CI registreert de actuele gegevens van certificaathouders. Conform de overeenkomst met de schemabeheerder worden de gegevens elektronisch verzonden aan schemabeheerder ten behoeve

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=7554595c-83b4-4844-a4d7-504f7dc935ab