B-3.7 Memo B&W over Uitvoeringsaanpak Stikstof Regio Foodvalley, d.d. 15 juli 2025
Tekst van het document
63
Ros, G. H., Kager, H., Boom, G., & de Vries, W. (2025). Verkenning effecten landbouwinnovaties: Potentieel van landbouwinnovaties om emissies van ammoniak en broeikasgassen naar de lucht en verliezen van nutriënten naar het water te verlagen. WUR-publicatie, 79 pp.
52
Tabel 7. Geschatte reductie en jaarkosten per maatregel in scenario 3 Geschatte reductie
Jaarkosten per maatregel per
(kg NH3)*
kg ammoniakreductie (€)**
Voermaatregelen (zoals verlaging ruw eiwit in veevoer)
122.950
€ 2,50
PH verlaging van mest (zoals aanzuren, Kopros en/of Farming)
103.739
€ 2,50 - € 7,50
Technieken voor mestbewerking (zoals stikstofstrippers i.c.m. mestscheiding, Lelysphere en koetoilet)
138.319
€ 15,00 - € 22,50
Luchtbehandeling (zoals chemische luchtwassers en klimaatbeheersingssystemen)
74.597
€ 2,50 - € 5,00
Bronmaatregelen (zoals scheiden, behandelen van mest en koelen van mest)
53.283
€ 10,00 - € 15,00
Managementmaatregelen (zoals behandelen met additieven)
7.104
€ 0,00 - € 5,00
Luchtbehandeling (zoals chemische luchtwassers en Klimaatbeheersingstechnieken als Eco Air Care Systeem)
456.713
€ 5,00 - € 10,00
Managementmaatregelen (zoals vaker afdraaien mestbanden bij volières)
260.979
€ 5,00 - € 10,00
Bronmaatregelen (zoals de strooiselschuif)
43.497
€ 5,00 - € 10,00
Luchtbehandeling (zoals chemische luchtwassers en klimaatbeheersingssystemen)
141.581
€ 2,50 - € 5,00
Bronmaatregelen (zoals scheiden, behandelen van mest en koelen van mest)
101.129
€ 15,00 - € 22,50
Managementmaatregelen (zoals behandelen met additieven)
13.484
€ 2,50 - € 5,00
Maatregelen per sector Melkveehouderij
Varkenshouderij
Pluimveehouderij
Kalverenhouderij
Noot. *De geschatte reductie is per maatregel weergegeven, zonder correctie voor het mogelijk cumulatief effect bij het stapelen van maatregelen. **Herleid op basis van gesprekken met experts en Ros et al. (2025).
Op basis van de inschatting van de adoptiegraad en mogelijk te nemen maatregelen is een schatting gemaakt van de totale jaarkosten voor elk scenario. Deze inschatting geeft een beeld van de benodigde financiële middelen voor een looptijd van twintig jaar. De bandbreedtes van de jaarkosten per maatregel zijn uiteenlopend, wat ook de onzekerheden weergeeft over de kosten van verschillende maatregelen. Het is belangrijk (mede gelet op het advies van de landsadvocaat) dat er voldoende financiële dekking beschikbaar is. Voor de ondersteuning van scenario 3 wordt daarom ingezet op een budget van ca. € 300 tot € 400 mln. Dit budget is bedoeld om agrariërs een vergoeding te bieden voor te nemen maatregelen, gebaseerd op een kosteninschatting over een periode van 20 jaar (afschrijvingsperiode). In de praktijk zal het budget worden uitgekeerd in een periode tot en met 2035, en mogelijk zelfs tot 2030 wanneer dit wordt uitgekeerd in de vorm van nadeelcompensatie. De exacte invulling van de compensatieregeling(en) zal in een vervolgfase verder worden uitgewerkt. De geraamde incidentele en structurele kosten voor de uitvoeringscomponenten bedragen over een looptijd van 10 jaar ca. € 170 mln. In combinatie met het benodigde budget van ca. € 300 tot € 400 mln. voor de compensatieregeling(en) komt het totale benodigde budget tot 2035 uit op ca. € 500 mln tot ca. € 600 mln.
Dit betreft de kosten voor de uitvoeringsorganisatie, gebiedsautoriteit, innovatietrajecten en kennisdeling, en de begeleiding en ondersteuning van stoppende agrariërs. Deze (grove) raming is exclusief de kosten van uitvoering van natuurherstelmaatregelen en flankerend beleid. De benodigde budgetten voor de overige onderdelen worden in een vervolgfase verder uitgewerkt, waar nodig in samenwerking met de provincie en/of het Rijk.
53
De scenario-analyse en kostenopzet laat zien dat een ammoniakreductie van 60% haalbaar lijkt, met inzet van zowel geborgde als niet-geborgde maatregelen. Daarnaast toont de analyse ook dat er nog veel onzekerheden zijn. De haalbaarheid en neveneffecten van de maatregelen dienen verder te worden verkend. In het volgende hoofdstuk worden de randvoorwaarden benoemd, evenals de vragen die verder onderzocht dienen te worden (zoals de nodige activiteiten om te komen tot een investeringsagenda) en de stappen die doorlopen moeten worden voordat met de uitvoering kan worden gestart.
54
6 Randvoorwaarden en stappenplan naar uitvoering Het uitvoeringsplan vertrekt vanuit de agrarische sector van Regio Foodvalley, maar is nadrukkelijk niet bedoeld als eenzijdig ‘stikstof-plan’. Het is bedoeld als een bredere gebiedsagenda waarin opgaven zoals water (beekherstel en Kaderrichtlijn Water), bodem, fijnstof, geur, klimaat (zoals broeikasgassen), dierenwelzijn en biodiversiteit uit diverse sectoren zoals landbouw, verkeer, recreatie en woningbouw in samenhang met elkaar worden benaderd. Stikstof blijft de sleutel om de vergunningverlening weer los te trekken en de onderbouwing rust daarom in eerste instantie op juridisch geborgde maatregelen, maar het einddoel is breder en in de uitvoering zal ook nadrukkelijk breder ingezet worden. In de uitvoering willen we juist meer ruimte scheppen om te leren met management- en innovatieve maatregelen en deze ammoniakreductie vervolgens met behulp van het wetenschappelijk geborgd meetnetwerk te meten. Ook willen we voorkomen dat een deelsector disproportioneel moet leveren. Ons voorstel is daarom om de ruimte in principe evenredig te verdelen, maar tegelijk oog te houden voor het feitelijke reductiepotentieel en de economische haalbaarheid per sector. Zo blijft het doel per deelsector realistisch en krijgen uiteindelijk alle deelsectoren perspectief om hun eigen ontwikkeling voort te zetten.
In de komende periode zal dit met de sector nader uitgewerkt moeten worden.
6.1
RANDVOORWAARDEN VOOR EEN SUCCESVOLLE UITVOERING
Voor een geloofwaardige start per medio 2026 moeten een aantal randvoorwaarden aantoonbaar zijn ingevuld: 1. Eenduidige ambitie en bestuurlijk commitment Provincies Gelderland en Utrecht, de acht Foodvalley-gemeenten, gemeente Putten en Regio Foodvalley bekrachtigen gezamenlijk in de vorm van interbestuurlijke samenwerkingsafspraken de, nader met elkaar vast te stellen, gebiedsdoelstelling en de uit te werken verbreding van de opgave naar opgaven zoals water (beekherstel en Kaderrichtlijn Water), bodem, biodiversiteit, fijnstof, geur, klimaat (zoals broeikasgassen) en dierenwelzijn. 2. Interbestuurlijke samenwerkingsafspraken Provincies en gemeenten leggen hun onderlinge afspraken vast in een bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst waar o.a. financiering, doelen, rollen en het beoogde borgingsmechanisme wordt vastgelegd. Wij stellen voor dat gesprekken over samenwerkingsafspraken en het onderzoeken van de gewenste, juridische vastlegging van de samenwerking tussen de overheden starten in augustus. 3. Experimenteerruimte (onder Omgevingswet) Wij stellen voor dat Regio Foodvalley wordt voorgedragen als koploper- en experimenteergebied bij het ministerie van LVVN en/of BZK, dit mee te nemen in de uitwerking van flankerend beleid en op te nemen in samenwerkingsafspraken.
Dit geeft ruimte om, onder nog vast te stellen voorwaarden, ook nog niet-geborgde technieken in te zetten en versneld te monitoren. De komende maanden zal inzichtelijk worden gemaakt welk extra budget en capaciteit daar voor nodig is. Voor de start van de uitvoering moet duidelijk zijn welke maatregelen juridisch geborgd kunnen worden en welke nog een bestuurlijk besluit of een experimenteerkader nodig hebben. Hierbij is werken vanuit het vakmanschap van de boer en met lokale kennis essentieel. 4. Evenwichtige bijdrage sectoren en gebieden Met deze aanpak levert de landbouw in de Regio Foodvalley ruimschoots haar ‘fair share’ om uit de stikstofimpasse te komen, maar zij kan het niet alleen. Daarom stellen we voor dat met andere sectoren naast de landbouw en in
55
andere regio’s vergelijkbare, gebiedsgerichte en transparante afspraken worden gemaakt, zodat ook zij hun ‘fair share’ in emissiereductie leveren. Hierbij wordt voorgesteld het stikstofbeleid te ontvlechten in afzonderlijke beleidsopgaven voor ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOX), en afspraken te maken over waar de vrijgekomen stikstofruimte kan worden ingezet. Daarnaast zal samen met de agrarische sector per deelsector realistische doelen moeten worden bepaald. 5. Integraal verbreden naar andere opgaven Zodra de uitvoering van start is gegaan, kan de aanpak worden verbreed en/of gekoppeld aan de uitvoering van andere opgaven, zoals water (beekherstel en Kaderrichtlijn Water), bodem, biodiversiteit, fijnstof, geur, klimaat (zoals broeikasgassen) en dierenwelzijn. In de komende maanden zal per maatregel de mogelijke neveneffecten op deze andere opgaven in kaart worden gebracht. Bij het inzetten en prioriteren van maatregelen zal een principe gelden van integrale afweging: maatregelen voor stikstofreductie zouden daarbij niet haaks moeten staan op andere opgaven, hoewel neveneffecten niet altijd te vermijden zijn. De werkwijze uit de Pilot Ondernemingsplan, waarin ondernemers een integraal bedrijfsplan opstellen dat ook in gaat op andere opgaven kan hierbij fungeren als belangrijk instrument om samenhang en maatwerk op bedrijfsniveau te borgen.
Daarnaast moet de aanpak ook aansluiting vinden bij het Convenant Dierwaardige Veehouderij. 6. Heldere toewijzing en benutting stikstofruimte Voor de start van de uitvoering zullen er afspraken gemaakt moeten worden over allocatie van vrijgekomen stikstofruimte aan andere activiteiten zoals bv. PAS-melders, woningbouw, industrie of infrastructuur. Ook zal er gekeken moeten worden naar een prioriteitsvolgorde en het beheer ervan middels bv. een regionale stikstofbank. 7. Gedekte financiering en juridische robuustheid Voor iedere maatregel is vóór de start een toets op staatssteun-regels, nadeelcompensatie en subsidieerbaarheid uitgevoerd. De benodigde financiering moet langjarig beschikbaar zijn, idealiter via een gebiedsfonds waar vanuit vergoedingen (nadeelcompensatie en/of subsidies) worden uitgekeerd. De emissienorm per bedrijf en het gebiedsplafond worden op de juiste plek geborgd. Het uitvoeringsplan zelf wordt – met aanpassingen waar nodig – als omgevingsprogramma onder de Omgevingswet vastgesteld. Daarnaast moet de benodigde financiering voor uitvoering van het plan verder uitgewerkt worden en beschikbaar zijn voor de beoogde start van de uitvoering. 8. Convenant met de agrarische sector Met de agrarische sector zal een convenant worden gesloten over de doelen, de uitvoering, normadaptatie, de governance, monitoring en bijsturing.
“Wij onderschrijven de lijn van het emissieplafond van maximaal 2kton. Het doel van 2kton is ambitieus, maar met keuzevrijheid in maatregelen en een gevuld compensatiefonds lijkt het haalbaar – mits vergunningverlening weer op gang komt en we met dit doel voor minimaal 10 jaar weten waar we aan toe zijn” Wim Brouwer LTO Noord Gelderse Vallei
56
6.2
OVERZICHT MIJLPALEN
Op bestuurlijk en ambtelijk niveau zullen naar verwachting de komende maanden een flink aantal stappen gezet moeten worden om het uitvoeringsplan als omgevingsprogramma met programmatische aanpak te verankeren. De focus van de komende maanden ligt op: -
Formele vastlegging; van conceptuitvoeringsplan naar bestuurlijk gedragen besluitvorming.
-
Uitbreiding van de scope; beoordelen of/hoe de aanpak kan worden uitgebreid naar aangrenzende gebieden en aanvullende doelen.
-
Operationalisering; concretiseren van doelen, aannames, middelen, governance en financiering zodat het uitvoeringsteam begin 2026 daadwerkelijk kan starten.
Om aan de randvoorwaarden te voldoen en per medio 2026 met de uitvoering te starten in aangewezen deelgebieden, stellen wij voor om in de komende maanden naar de volgende, indicatieve, mijlpalen toe te werken: Tabel 8. Overzicht mijlpalen Periode
Sleutelmijlpaal
Hoofddoelen
Juli 2025
17 juli aanbieding plan aan
•
Minister Wiersma Aug. – Sept. 2025
Afstemming met overheden over kernboodschap uitvoeringsplan en Rijksbetrokkenheid op aanpak
•
Draagvlak creëren
Bestuurlijk overleg faciliteren
•
Uitvoeringsprogramma verder uitwerken
Rijk – Provincie - Regio
•
Samenwerkingsafspraken maken tussen overheden en met aanpak Veluwe
•
Onderzoeken juridische vastlegging samenwerking overheden
•
Concept “Experimenteerregio” uitwerken
•
Organisatie-inrichting voor periode tot aan januari ingericht en budget vaststellen
Sept. – Nov. 2025
Nov. 2025 – Jan. 2026
Verdeelsleutel &
•
Werksessies met sectoren organiseren om doelen,
sectortijdspaden opgesteld en
impact, kosten & baten en haalbaarheid in kaart te
juridische borging in kaart
brengen
gebracht
•
Concept juridische borging in kaart te brengen (plafond)
Sectordoelstellingen gereed
•
Consolideren deelsector plannen
en juridische verankering
•
Toetsen neveneffecten maatregelen
voorbereid
•
Concept convenant agrarische sector
•
Uitwerken regionale stikstofbank
•
Houdbaarheid van uitvoeringsprogramma juridisch laten toetsen
Vanaf 2026
Werkprogramma 2026 gereed
•
Voorbereiden omgevingsprogramma (bv. MER)
•
Ondertekenen convenant sector
•
Vasstellen governance structuur in lijn met Veluwe aanpak
Medio 2026
Start uitvoering
•
Inrichten projectplanning en go/no go besluit
•
Opstart communicatie richting ondernemers
•
Start uitvoering met ondernemers
•
Besluitvorming overheden instrumentarium onder omgevingswet
Dit tijdspad is richtinggevend. Met dit voorstel ligt er een werkbare routekaart die de komende maanden samen met alle partners verfijnd kan worden.
57
Bijlage 1: Statement expertgroep Op basis van de expertsessie over ‘doelen en monitoring’ op vrijdag 20 juni 2025 op het gemeentehuis in Ede, volgt hier een samenvatting die als statement van de expertgroep kan dienen: •
Een emissieplafond NH3 op gebiedsniveau is wenselijk: In het kader van de stikstofaanpak is de expertgroep in algemene zin voorstander van een ammoniakemissieplafond voor de veehouderij in afgebakende gebieden, zoals bijvoorbeeld de Regio Foodvalley. Dit helpt om concreet te kunnen sturen op een belangrijk deel van de opgave en voorkomt een ‘bewegend doel’ zoals bij het sturen op de KDW.
•
Emissieplafond hangt samen met bijdrage vanuit andere sectoren en gebieden: Een ammoniakplafond voor de veehouderij in Foodvalley moet worden vastgesteld in samenhang met bijdragen vanuit andere sectoren en gebieden én in combinatie met maatregelen voor natuurherstel. Uitgangspunt is dat 50% (doel 2030) van het Natura 2000 areaal onder een kritische depositiewaarde (KDW) moet worden gebracht. Het emissieplafond is daarmee conditioneel op veronderstelde reducties buiten het Foodvalley gebied, waaronder de bijdrage vanuit het buitenland. Het stellen van een ‘macro’ reductiepercentage voor een specifiek gebied kent een exacte basis, maar die is per definitie contextueel.
•
Ga voor 60% ammoniak emissiereductie voor de Regio Foodvalley: De expertgroep pleit voor Foodvalley voor een reductiedoelstelling in 20235 van ca 60% (55-65)% ten opzichte van 2019. Het is wat hoger dan de 50% die landelijk was geadviseerd door Remkes, maar dit wordt onderbouwd door de unieke omstandigheden en uitdagingen van de Foodvalley als veehouderijgebied naast het grootste Natura 2000 gebied van Nederland, de Veluwe. De argumentatie daarvoor is als volgt: Ros, de Vries et al (2023) 64 komen in ‘Visie Handelingsperspectieven Duurzame Landbouw’ voor Gelderland op 60%, gebaseerd op de aannames die werden gemaakt over het toedelen van landelijke emissies naar specifieke gebieden en bedrijven. Brouwer & Erisman (2025)65 komen tot een benodigde emissiereductie tussen de 65 en 85% in randzones rond natuurgebieden, en tussen de 25 en 30% in overige gebieden waarbij hun randzone rond de Veluwe varieert van 15 tot 5 kilometer. Voor de Food Valley als geheel komen zijn ook rond de 60%. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een deel van deze emissiereductie in de periode sinds 2019 reeds is gehaald (ca. 16% in 2023 t.o.v. 2019). Met het huidige beleid is een verdere reductie te verwachten (tot ca. 39% t.o.v. 2019). Aanvullend zijn extra emissiereducerende maatregelen nodig om boven de 60% reductie uit te komen in 2035.
•
Werk met een ammoniakplafond op gebiedsniveau in kton: We benadrukken het belang van het vaststellen van een duidelijke plafondnorm voor de totale ammoniakemissie, waarbij de focus komt te liggen op een kilotondoelstelling in plaats van procentuele reductie. Dit vereist een politieke keuze en samenwerking tussen diverse stakeholders, inclusief de betrokken gemeenten en provincies. De expertgroep stelt voor dat geen ‘bewegende doelen’ worden vastgesteld, maar een statisch plafond dat de maximale emissies per jaar bepaalt. Uitgaande van bovengenoemde indicatieve 60% emissiereductie ten opzichte van 2019 zou dit voor de 9 gemeenten in de Foodvalley rond 2 kton in 2035 liggen (ten opzichte van ruim 5 kton in 2019).
•
Differentieer naar sectoren, maar wel bottom-up: Daarnaast is het van belang om te differentiëren naar sectoren binnen de veehouderij en rekening te houden met de specifieke behoeften en mogelijkheden van elk bedrijf. De expertgroep adviseert de mogelijke reductiebijdrage per bedrijf te baseren op de mogelijke reducties per diersector (melkvee, pluimvee, kalveren, varkens, overig). Vervolgens kan dit vertaald worden naar normen per boer, bijvoorbeeld per dierplaats voor de niet-grondgebonden veehouderij en per hectare voor de
64
Ros GH, De Vries W, Jongeneel R & M van Ittersum (2023) Gebieds- en bedrijfsgerichte handelingsperspectieven voor een duurzame landbouw in Nederland. WUR-publicatie, 80 pp. 65
Brouwer T & JW Erisman (2025) Wat is de opgave voor de landbouw om de stikstofdoelen in 2030 en daarna te halen? Scenarioberekeningen van de stikstofdepositie. LU-rapport, 18 pp.
58
grondgebonden veehouderij. Deze normen dienen duidelijk te zijn, maar ook enige ruimte te bieden voor specifieke omstandigheden. Ruimte is nodig om de interventies en innovaties op kosteneffectiviteit te kunnen beoordelen en zodat saldering tussen de sectoren een mogelijkheid blijft. Voldoende flexibiliteit is nodig in de komende tien jaar om de doelstelling van het ammoniakemissieplafond van ca. twee kiloton te kunnen halen. Tegelijkertijd moet het duidelijk zijn waar bedrijven aan moeten gaan voldoen en dienen juridische waarborgen te worden ingebouwd dat bedrijven ook daadwerkelijk emissies gaan reduceren, tot aan handhaving waar nodig. •
Differentieer in NH3-emissienormen niet naar deelgebieden binnen Foodvalley: De expertgroep is van mening dat aanvullende maatregelen binnen een 250 tot 500 meter zone rondom gevoelige gebieden noodzakelijk zijn (zie hierna), maar dat het weinig zinvol is om hier met specifieke reductiepercentages te werken, gezien de beperkte impact daarvan en de uitvoerbaarheid (bedrijven liggen met hun percelen nooit precies in een zone, wat leidt tot allerlei grensdefinities en -discussies). De argumentatie is daarbij op hoofdlijnen als volgt: een norm per bedrijf op basis van het emissieplafond van 2 kton voor de Regio Foodvalley is al streng hoewel in principe haalbaar. Een nog strengere norm in afhankelijkheid van de afstand van natuurgebieden zet de haalbaarheid onder druk en maakt het beleid minder transparant terwijl de bijdrage op de depositiereductie beperkt is. Daarom acht de expertgroep het verstandig om vergelijkbare bedrijven ook vergelijkbaar te behandelen vanuit een bedrijfsvoering perspectief en mede daarom terughoudend te zijn in nadere differentiatie van (deel)gebiedsdoelstellingen voor wat betreft ammoniak.
•
Ga wel aan de slag met andere maatregelen in de randzones: De expertgroep is wel van mening dat er andere overwegingen zijn om met een 250-500 meter zone te gaan werken. Bij aanvullende maatregelen in de zone kan bijvoorbeeld gedacht worden aan specifieke eisen aan grondgebruik, bemesting, bedrijfsvoering en graslandbeheer, grotendeels te regelen via het RO spoor (verordening, omgevingsplan) en mogelijk ook deels privaatrechtelijk. Daarnaast kan gedacht worden aan het creëren van ‘zachtere’ overgangen tot de natuur, en in die paar gevallen dat er wel een grotere emissiebron in deze randzone zit, zal met maatwerk en waarschijnlijk prioriteit naar oplossingen gekeken moeten worden. Er liggen in deze zones veelal ook nog andere opgaven, waaronder hydrologie, uitbreiding van leefgebied voor VHR soorten, waterkwaliteit, etc. Afhankelijk van deze opgaven kan de omvang van de zone ook variëren. Dit vergt maatwerk via een gebiedsgerichte aanpak en lokale betrokkenheid van gebiedsactoren. Buiten de 250-500 meter zone ziet de expertgroep weinig in verdere ruimtelijke differentiatie.
•
Monitoring op gebiedsniveau is mogelijk: Monitoring speelt een cruciale rol om te kunnen sturen op de doelstelling. De nationale emissieregistratie (NER) is hier momenteel leidend in. Deze kent beperkingen, maar is het beste wat beschikbaar is. Deze kan als onderdeel van de gebiedsmonitoring verreikt worden met data uit o.a. de kringloopwijzer (v.w.b. melkvee), vergunningendatabases (provincie, omgevingsdienst) en diverse praktijkonderzoeken, o.a. met emissiemeting. Er is ook een initiatief om NER te verrijken met bedrijfsspecifieke data (‘ReNEMA’). Dit laatste is momenteel nog in de onderzoeksfase, maar op termijn potentieel verrijkend. Door daarnaast in de uitvoering te werken met ondernemingsplannen die toekomstgericht zijn en ook uitvoerig ingaan op andere opgaven dan stikstof, kan inzicht worden verkregen in de verwachte bijdrage per bedrijf.
•
Uitvoeringsorganisatie: De expertgroep adviseert om een specifieke governance en uitvoeringskracht voor de regio te creëren onder leiding van een regioregisseur. Deze uitvoeringsorganisatie met gebiedsregisseur dient daartoe voldoende bevoegdheid en budget te hebben om ook aan de doelstellingen van het emissieplafond te kunnen gaan werken, in een duidelijke verhouding tot het bevoegd gezag. Eén van de grotere uitdagingen op dit moment is de vergunningverlening. Zonder vergunningen geen innovatie, zonder innovatie geen emissiereductie. Dit kip-en-ei probleem dient opgelost te worden, waar het uitvoeringsplan hopelijk een bepalende bijdrage aan kan leveren.
59
•
Conclusie, wees een voorbeeld: In conclusie, de expertgroep adviseert om een stevig fundament te leggen voor de reductie van de ammoniakemissies in de Regio Foodvalley. Dit moet gepaard gaan met heldere doelstellingen, een robuust monitoringsysteem, en een focus op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Door deze aanpak kan de regio niet alleen haar bijdrage leveren aan het landelijke stikstofvraagstuk, maar ook een voorbeeldfunctie vervullen voor andere gebieden in Nederland.
Namens de expertgroep ‘doelen en monitoring’, Prof. Dr. Ir. Wim de Vries (Wageningen Universiteit en Research) Prof. Dr. Ir. Dick Heederik (Universiteit Utrecht) Dr. Ir. Gerard Ros (Wageningen Universiteit en Research) Ir. Edo Giessen (Wageningen Universiteit en Research) Ir. Wouter de Heij (zelfstandig adviseur) Prof. Dr. Ir. Henk Kievit (Nyenrode Business Universiteit/CHE)
60
REGIO FOODVALLEY Bezoekadres
Bunschoterplein 1a, 6711 CD Ede
Postadres
Postbus 9022, 6710 HK Ede
Telefoon
0318 – 680 667
Website
regiofoodvalley.nl
61
FAQ UITVOERINGSPLAN STIKSTOF REGIO FOODVALLEY
Welke status krijgt deze regionale aanpak, temeer omdat de regio Foodvalley formeel geen bestuursorgaan is dat belast is met het stikstofvraagstuk Deze aanpak geeft invulling aan het RPLG (Regionaal Perspectief Landelijk Gebied) Foodvalley en is de routekaart om met mede-overheden en gebiedspartijen vervolgstappen te zetten. In de concretisering zal bij de regiogemeenten afzonderlijk besluitvorming moeten plaatsvinden volgens de omgevingswet. Vanuit de aanpak Veluwe wordt op dit moment gewerkt aan een interbestuurlijke samenwerking, daar zou de aanpak Foodvalley onderdeel van moeten worden. Waarom nemen de gemeenten hier een trekkende rol in, dit is toch de bevoegdheid van de provincie en het Rijk? Op dit moment ligt vergunningverlening helemaal stil wat impact heeft op de agrarische sector maar ook op woningbouw en andere economische activiteit. De urgentie om tot een oplossing te komen is groot, zeker in onze regio. Het startpakket van de minister geeft aan dat in specifieke gebieden aan grotere opgave ligt voor stikstofreductie, dat geldt voor de Veluwe en De Peel. De Regio Foodvalley heeft hoge emissies ten oosten van de Veluwe en meer te doen dan het landelijke generieke beleid. We zien mogelijkheden om als regio, gebiedsgericht, samen met de sector vanuit de uitvoering tot een oplossing te komen.
Zowel LTO, natuurorganisaties als bewoners vragen om beweging op dit dossier. Als gemeenten kunnen wij vanuit onze bevoegdheid in de omgevingswet, via milieuwetgeving, mede sturen op de stikstofruimte in ons gebied. En ja dit vraagt nog zeer veel afstemming en uitwerking, ook met de partijen in het gebied om dit eerlijk en evenredig te doen. Maar juist doordat wij zo dicht bij de samenleving staan en zien wat werkt in de praktijk kunnen wij dit gesprek voeren op gebiedsniveau. Door zelf regie te nemen creëren we ruimte voor onze eigen opgaven, in de hoop dat Rijk of Provincie niet voor ons gaan besluiten waar stikstofruimte heen gaat. Dit uitvoeringsplan kent een geografische begrenzing. Is dat de regio Foodvalley of zijn dat de provinciegrenzen (Gelderland en Utrecht gezamenlijk) of moet dit landelijk beleid worden. In eerste instantie zien we een logische geografische afbakening op Regio Foodvalley niveau, zowel wat betreft interbestuurlijke samenwerking als samenwerkende agrariërs. Met provincie Gelderland wordt gesproken op welke manier de uitvoering Foodvalley integraal onderdeel kan uitmaken van de aanpak Veluwe, waarbij de inzet is dat de regio Foodvalley met de uitvoering zo snel mogelijk aan de slag kan. Deze aanpak is primair als gebiedsgerichte aanpak bedoeld gelet op de urgentie in dit gebied en de grote opgave.
De aanpak is eenvoudig te verbreden naar andere opgaven zoals water (kwaliteit/kwantiteit), biodiversiteit, fijnstof etc.). Dit plan is daarmee een voorzet voor de gebiedsgerichte uitwerking stikstof, zoals aangegeven in het startpakket van de Ministeriële Commissie. Hoe hangt het uitvoeringplan Regio Foodvalley samen met het emissiereductieplan van LTO, VNG, IPO, Unie van Waterschappen etc? Het “Bouwstenendocument emissiereductie landbouw” van LTO NL , IPO, VNG etc. is gericht op de invulling van de landelijke aanpak voor de emissiereductie van 43% (ongeveer). Het plan van de Regio Foodvalley is gericht op een gebiedsgerichte aanpak voor gebieden waar meer emissiereductie nodig is dan de landelijke aanpak, en is daarmee aanvullend op de generieke aanpak. Veel van de uitgangspunten in het uitvoeringsplan regio Foodvalley sluiten aan op de bouwstenen uit het voorstel van LTO NL. Op concreet uitvoeringsniveau zal in de vervolgfase nauwe afstemming plaatsvinden met LVVN en Provincie Gelderland om de landelijke aanpak, aanpak Veluwe, en gebiedsgerichte invulling Regio Foodvalley (als onderdeel van de aanpak Veluwe) goed op elkaar aan te laten sluiten. Hoe zorgen we voor voldoende democratische legitimatie en het meenemen van onze volksvertegenwoordigers? Het uitvoeringsplan stikstof Regio Foodvalley geeft invulling aan het vastgestelde RPLG Foodvalley.
Het uitvoeringsplan geeft een uitwerking van de doelen voor emissiereductie. Het geeft uitvoering aan de strategische keuze om in te zetten op doelsturing zodat agrarisch ondernemers hun vakmanschap kunnen inzetten om de gestelde doelen te bereiken. Het plan is vormgegeven met de verschillende partijen om zoveel mogelijk draagvlak te vinden voor het plan. De ambtelijke organisaties kunnen colleges en raden informeren over deze volgende stap in de uitvoering. In de volgende fase wordt de hoofdlijn van het plan nader uitgewerkt met mede-overheden en de landbouw sector, wanneer het bevoegdheden van de gemeenten raakt en bijvoorbeeld instrumenten onder de omgevingswet worden uitgewerkt wordt besluitvorming via colleges en gemeenteraden in gang gezet.
Emissies (in brede zin) hebben niet alleen effecten op natuur, maar ook op luchtkwaliteit, bodemkwaliteit en waterkwaliteit. Gaat het om een brede insteek of richt de aanpak zich vooral op de effecten op natuur? Primaire focus ligt vanwege de vergunningverlening en de effecten op natuur op stikstofreductie en natuurherstelmaatregelen. De positieve effecten van maatregelen op de luchtkwaliteit (fijnstof), bodemkwaliteit en waterkwaliteit nemen we mee als koppelkans. De aanpak zoals hij is uitgewerkt kan via de ondernemingsplan aanpak van de ondernemers, in combinatie met een gebiedsvisie, snel verbreed worden naar luchtkwaliteit, bodemkwaliteit en andere opgaven. Wanneer is er voldoende gereduceerd om met voldoende juridische zekerheid vergunningverlening op gang te brengen, en te zorgen dat er geen nieuwe PAS-situatie ontstaat? De aanpak gaat uit van een verzekerde en juridisch vastgelegde daling van emissies. Het is de bedoeling om daarmee het additionaliteitsvereiste in te vullen, vanuit de evenredige bijdrage die de Regio Foodvalley kan leveren. Andere regio’s hebben ook voldoende stikstof te reduceren om het effect op de N2000 gebieden, met name de Veluwe, voldoende te verkleinen. Ook moet rond de Veluwe de biodiversiteit en natuur voldoende herstelt worden, om te voldoen aan de staat van instandhouding (volgens de Vogel-en Habitatrichtlijn).
Mede op basis van consultatie van (juridische) experts is onze verwachting dat met deze aanpak de vergunningverlening (voor ons gebied) weer op gang kan komen. Dit zullen we nadrukkelijk toetsen (bij de Raad van State bijvoorbeeld) voordat we de uitvoering daadwerkelijk op gaan starten. Programma opstellen: de verdeling van de stikstofruimte tussen activiteiten is wel heel cruciaal. Bij de PAS-systematiek liep het niet alleen juridisch in de soep; ook de verdeling tussen de verschillende activiteiten was onevenwichtig. Hier zitten dus haken en ogen aan, waarschijnlijk ook juridisch. Ook ligt dit mogelijk politiek gevoelig. Het onder een gebiedsplafond verdelen van stikstofruimte c.q. normeren onder de verschillende sectoren (industrie, landbouw etc.) vraagt echt nadere uitwerking. De optelsom naar het totaal moet kloppen, de evenredige bijdrage aan de totale stikstofemissies vanuit een sector is een sleutel, het maatschappelijk debat over wat wenselijk is is relevant, en de verdeling over de regio is relevant. Dit moet samen met overheden uit het gebied én de gebiedspartijen, waaronder de landbouw, nader uitgewerkt worden. Dit vraagt een nauwkeurig proces om recht te doen aan wat nodig is aan stikstofruimte, hoe ieders belang daarin is en welke politieke afweging daarin wordt gemaakt.
Daarbij moet rekening worden gehouden met de ontwikkelruimte van de landbouw, de uitbereiding van Defensie, de woningbouwopgave, andere economische activiteiten en ook juridisch vraagt dit nadere uitwerking. Er wordt aangegeven dat 5% van de stikstofruimte naar ontwikkelingen in de regio gaat. De verwachting is dat dit bij lange na niet genoeg zal zijn voor realisatie van onze doelen, bijvoorbeeld woningbouw en economische ontwikkelingen. Breng daarom, voordat een besluit wordt genomen, in beeld wat de opgave is. Hoeveel ruimte er straks beschikbaar komt voor ontwikkelingen in de regio is geen simpele optelsom van reductiepercentages. Door een geborgde aanpak van significante stikstofreductie vast te stellen, is het de bedoeling om het additionaliteitsvraagstuk in te vullen. Wanneer dit afdoende is, ontstaan ruimte voor economische ontwikkelingen en woningbouw. Dan kun je, terwijl je stikstof gaat reduceren, vergunning gaan uitgeven voor activiteiten. Met dit plan willen we juist de beweging maken van een toetsing op ieder individueel project naar een afweging op regio niveau. Door een geborgde aanpak voor de hele regio vast te stellen denken we dat daar voldoende basis voor is. Hoe de beschikbare ruimte ingezet kan worden, onder andere via een stikstofbank, en op welke termijn zal nader bepaald moeten worden.
Het duurt wel twee tot drie jaar om een MER procedure en passende beoordeling van een dermate complexe programma door te lopen, hoe dan al op korte termijn aan de slag? Als de gemeente of provincie als bevoegd gezag met het gebiedsplafond en de eventuele normering aan de slag gaan, kunnen wij aan ondernemers garanderen dat de reducties die zij behalen sinds 2019 worden meegewogen in de normering. Dit biedt ondernemers de zekerheid dat reducties die zij doen meetellen, en zullen zij eerder geneigd zijn in beweging te komen, tegelijkertijd kunnen de overheden de MER procedure doorlopen.
Planning handelingsperspectief voor ontwikkelingen: Wanneer gaat deze aanpak het stikstofslot openen? Het plan gaat juridisch getoetst worden of het voldoende (en evenredig vanuit het gebied) bijdraagt aan het additionaliteitsvereiste voor vergunningverlening. Het additionaliteitsvereiste is de optelsom van maatregelen (incl planning, verzekerde uitvoering, doelen etc.) die laat zien dat de natuur niet verder verslechterd. Voor het N2000 gebied de Veluwe komt de depositie ook uit de rest van Nederland. Het gaat er dus om dat het totale maatregelenpakket vanuit het Rijk, aanpak van de provincie Gelderland (met stroken en intern-extern salderen) én de gebiedsgerichte aanpak van de Regio Foodvalley voldoende is om vergunningen weer te verlenen. We denken met de 60% reductie op gebiedsniveau een dermate substantiële bijdrage te leveren dat daarmee vanaf de uitvoering, medio 2026, weer meer mogelijk is in vergunningverlening. Gaat de stikstofbank over het grondgebied van beide provincies? En kan dat? Dat moet in de vervolgfase nader uitgezocht worden. Is er zicht op een voorlopige begroting en waar komen de middelen vandaan? In het voorstel staat een grove inschatting van verwachte kosten. Vanuit de aanpak Veluwe komt de eerste 300 miljoen voor de stroken.
We leggen dit bod neer bij de Ministeriële Commissie en de beide provincies voor aanvullende de middelen voor bredere uitvoering in de gehele Foodvalley. De kosten en de dekking moeten in de volgende fase in samenwerking met de andere overheden worden uitgewerkt. Focus ligt nu op veeteelt. Gaan we op termijn verbreden naar andere thema’s voor de veehouderij? Houdt de uitvoeringsorganisatie hier ook al rekening mee? De focus ligt nu op stikstofemissies van de veeteelt omdat daar de urgentie zit op korte termijn. De aanpak en methodiek voor de landbouw is gemakkelijk te verbreden naar andere opgaven zoals water (Kader Richtlijn Water), klimaat, dierenwelzijn etc. Moeten we eerst veel reduceren voordat we stikstofruimte kunnen gebruiken? En gaan we dan eerst PAS-melders legaliseren voordat stikstofruimte voor andere activiteiten wordt gebruikt? Het plan gaat juridisch getoetst worden of het voldoende (en evenredig vanuit het gebied) invulling geeft aan de additionaliteitsvraag. Wanneer dit het geval is en de aanpak voldoende geborgd is, heeft dat direct effect op de vergunningverlening, omdat dan voldoende aangetoond is dat effectieve maatregelen genomen worden voor natuurherstel.
Ook de rest van Nederland zal met een geborgd pakket emissies moeten gaan reduceren voor een samenhangend pakket van maatregelen (zowel generiek als gebiedsgericht) waardoor de N2000-gebieden kunnen herstellen. Daarnaast gaan we via een omgevingsprogramma onder de omgevingswet werken met een gebiedsplafond, onder dit gebiedsplafond onderzoeken we de mogelijkheid tot vergunningsvrij activiteiten mogelijk maken (wat we als kansrijk zien). Dat betekent: - vergunningen voor projecten kunnen weer worden afgegeven; - PAS-melders gelegaliseerd worden zodra óf een nieuwe vergunning aanvragen in het komen tot emissiesreductie (zij krijgen immers ook een norm) óf zij onder het gebiedsplafond vrij zijn voor vergunning In het stuk staat een stikstofreductie van 60% genoemd (generiek). Vervolgens staat bij de randvoorwaarden “andere sectoren leveren ook hun bijdrage” , dit impliceert dat de landbouw een stikstofreductie van 60% levert, hoe groot is de stikstofreductie opgave voor de andere sectoren/ regio’s? Dat moet in een vervolgfase bepaald worden, maar die zal in verhouding tot de agrarische sector zowel absoluut als relatief naar verwachting geringer zijn. Wordt deze 60% ook berekend over de agrarische bedrijven die de afgelopen jaren al geïnvesteerd hebben? Denk daarbij aan de investering in stalsystemen en dergelijke (Best Beschikbare Technieken, BBT).
Het zou niet eerlijk zijn als een bedrijf dat zich de afgelopen jaren al ingespannen heeft voor ammoniakreductie nog eens met hetzelfde percentage moet reduceren, terwijl andere bedrijven wellicht nog niets hebben gedaan aan reductie. Op gebiedsniveau werken we met een absolute opgave: reductie van 5,1 kton in 2019 naar 2,0 kton in 2035, dat is een reductie van ca 60%. Op bedrijfsniveau vertalen we dit naar een absolute opgave per bedrijf gerelateerd waarschijnlijk aan dierplaats en of ha en stimuleren we de inzet van BBT. Hierdoor voorkomen we dat bedrijven die al maatregelen genomen hebben, opnieuw voor een grote opgave staan die niet meer uit te voeren is. Basis van de aanpak is dat we af willen van relatieve normen en referentiejaren.
PERSBERICHT
Ede/Barneveld, 17 juli 2025
Regio Foodvalley wil 60 procent stikstofuitstoot reduceren De Regio Foodvalley wil PAS melders legaliseren, woningbouw versnellen en (agrarische) bedrijfsontwikkelingen weer mogelijk maken. Om dat te bereiken gaat de regio in 2035 minstens 60 procent minder stikstof uitstoten dan in 2019, waardoor de natuur kan herstellen. Dat staat in het actieplan van de regio, dat in gesprek met onder meer LTO Gelderse Vallei, Natuur & Milieu Gelderland en Waterschap Vallei & Veluwe tot stand is gekomen. Het plan is vandaag aan minister Femke Wiersma van LVVN overhandigd. Oplossingen De regio organiseerde in februari een stikstofconferentie om oplossingen aan te dragen aan de ministeriële commissie die de stikstofcrisis moet oplossen. Deze oplossingen zijn nu verder uitgewerkt in actieplan. De regio wil toewerken naar een ‘gebiedsplafond’ voor stikstof in 2035. Dit betekent dat er in 2035 niet meer dan 2 kiloton mag worden uitgestoten. Om dat te bereiken is een reductie van minsten 60 procent nodig ten opzichte van de uitstoot van 2019. Forse daling Jan Pieter van der Schans (wethouder in Ede en portefeuillehouder landelijk gebied in de regio): ,,We hebben een heel concreet doel gesteld. Daar ontbrak het de voorbije jaren aan. Om dit doel te bereiken is een grote inspanning nodig van alle betrokkenen in onze regio. Dit lukt alleen als we er samen de schouders onder zetten.
Tegelijkertijd tonen we met dit plan nogmaals aan dat het mogelijk is om de stikstofcrisis achter ons te laten en kunnen we met een set extra maatregelen perspectief bieden aan onze agrarische sector.’’ Dat onderschrijft Wim Brouwer (Voorzitter LTO Gelderse Vallei): ,,Wij onderschrijven de lijn van het emissieplafond van maximaal 2 kiloton. Dit doel is ambitieus, maar met keuzevrijheid in maatregelen en een gevuld compensatiefonds lijkt het haalbaar (en betaalbaar) – mits vergunningverlening weer op gang komt en we met dit doel voor minimaal 10 jaar weten waar we aan toe zijn.’’ Aanpak Veluwe Het actieplan van de regio past goed in de Aanpak Veluwe van de provincie Gelderland en de handreiking die provincies, gemeenten, waterschappen en landbouworganisaties vorige week presenteerden. Financiering Bij de overhandiging van het plan aan minister Wiersma heeft de regio nadrukkelijk aandacht gevraagd voor een langjarige ondersteuning vanuit de rijksoverheid. Beleid moet voor 10 jaar worden vastgezet en de regio Foodvalley moet worden aangewezen als koploper- en experimenteergebied, zodat innovaties snel kunnen worden toegepast en geborgd. Daarnaast is er een bedrag van 500 tot 600 miljoen euro nodig voor de uitvoering van het plan en nadeelcompensatie.