B-3.22 Memo B&W over Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld, d.d. 27 januari 2026
Tekst van het document
Visie op verblijfsrecreatie Gemeente Barneveld
Doelen n.v.t. Doelen • Recreatief routenetwerk koppelen aan (toekomstig) groenblauwe netwerk • Nieuwe initiatieven stimuleren die inzetten op sport, ontmoeting, natuur en bewegen in de kernrandzones • Kleinschalig, recreatief gebruik als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf • Beleefbaar maken food en boerderijleven • Het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod kwalitatief ontwikkelen en aanvullen met bijzondere en vernieuwende concepten • Verweving van landschap, natuur, landbouw en andere gebruiksfuncties, waaronder recreatie • Waar mogelijk recreatie ontwikkelen in vrijkomende agrarische bebouwing
Omgevingsvisie gemeente Ede
Uitvoeringsprogramma Recreatie Toerisme - Ede
• • • • • • • • •
Provincie Gelderland Waterschap Vallei en Veluwe Gebiedsbeeld Barneveldse Beek en Gebiedsbeeld Lunterse Beek
• • • •
Landschapsecologische analyse (2024) Regionale energiestrategie Foodvalley
•
Meer landschap meer stad: ontwikkelperspectief NOVEXgebied Arnhem-NijmegenFoodvalley
•
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
• •
Overgangsgebied vanuit de Veluwe voor verspreiding recreatie Vitale verblijfsrecreatiesector Aantrekkelijke en gevarieerde routenetwerken Goede toeristische (gebieds)marketing Aantrekkelijk en toekomstbestendig aanbod voor bewoners en bezoekers Vitale toeristisch-recreatie sector Goede balans tussen impact bedrijven en recreanten, en draagkracht van het gebied Vergroten toeristisch-recreatie mogelijkheden en capaciteit in landelijk en stedelijk gebied Inzetten op kwaliteit en duurzaamheid in het Veluws natuurgebied Nieuwe recreatievisie is in ontwikkeling Hoge zichtbaarheid en toegankelijkheid van beken stimuleren Kleinschalig en afwisselend landschap Klimaatbuffers (zoals waterretentiegebieden) combineren met recreatieve functies Recreatie in combinatie met natuurinclusieve landbouw en streekproducten Recreatieve verbindingen ontwikkelingen/revitaliseren Zonering verblijfsrecreatie 2000 ha groen toegankelijk maken (zowel nieuw groen realiseren als bestaand groen toegankelijk maken)
P 41/56
Instrumenten Omgevingsplan (juridisch)
Uitgangssituatie en kansen Nu al bezig met programma Vitale Vakantieparken Omdat recreatie in een gebied verweven is met veel andere gebiedsfuncties, kunnen de volgende ontwikkelingen koppelkansen bieden met recreatie.
• •
Regels opstellen omtrent recreatie en toerisme Eventueel extra instrumenten beschikbaar wanneer deze doelen bijdragen aan de agrarische transitie, biodiversiteit en klimaatadaptatie
Agrarische transitie • Kansen voor recreatie verbreding van agrarische bedrijven • Recreatie in vrijkomende agrarische bebouwing Landschaps- en systeemherstel • Herstel van (cultuur)landschappen dragen bij aan een aantrekkelijkere recreatieroute; • Afwisseling in landschapstypen maakt een aantrekkelijkere recreatieroute en kan een positieve bijdrage leveren aan biodiversiteit en groenblauwe dooradering. Klimaatadaptatie • Klimaatbuffers (zoals waterretentiegebieden) kunnen gecombineerd worden met recreatieve functies.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 42/56
3.6
Erfgoed en cultuurhistorie
Erfgoed en cultuurhistorie is van belang voor het historisch besef en het benadrukken van een gezamenlijke identiteit. Het heeft daarmee niet alleen een historische waarde, maar fungeert als een verbindende kracht. In het Beleidskader Erfgoed en Cultuur van de provincie Gelderland wordt het belang genoemd om erfgoed te benutten in ruimtelijke plannen en bij grote opgaven. Het versterken van karakteristiek erfgoed vergroot daarbij ook de aantrekkelijkheid en beleving van het landschap. Alle betrokken partijen zijn het er dan ook mee eens dat dit erfgoed behouden en beschermd moet worden. De belangrijkste doelen in het gebied met betrekking tot erfgoed en cultuurhistorie zijn: 1. 2.
Combineren van de aanleg van cultuurhistorische landschapselementen en groenblauwe dooradering Behoud van bestaand erfgoed
Moeten Bescherming van monumenten met beschermde status Willen Provincie Gelderland Beleidskader Erfgoed en Cultuur
Doelen n.v.t.
Gemeente Barneveld Streefbeeld en toetsingskader landelijk gebied Barneveld 2040 (2023)
•
Doelen • Combineren van de aanleg van landschapselementen en groenblauwe dooradering • Behoud erfgoed voor historisch besef en gezamenlijke identiteit • Erfgoed moet beschikbaar en bereikbaar zijn voor iedereen
• •
Gemeente Ede Omgevingsvisie Ede
• •
Omgevingsvisie Barneveld
•
•
•
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
Herstel van verdwenen landschapselementen die tevens een bijdrage leveren aan het groenblauwe netwerk Voortbouwen op bestaande historische structuren (zoals historische wegen, ontginningsassen of militaire linies) Aantrekkelijk en afwisselend agrarisch cultuurlandschap, waarin wordt ingezet op de doorontwikkeling van beekdalen, landgoederen, natuurparels en landschapstypen Landschappelijke versterking van het gebied d.m.v. groenblauwe dooradering We leggen de basiskwaliteit voor natuur en landschap vast en investeren in het landschap, indien mogelijk benutten we daarvoor opbrengsten uit aangrenzende gebiedsontwikkeling Versterken van de identiteit van de landschapstypen gericht op landschaps-ecologisch herstel en beleving van het (agrarisch) cultuurherstel Faciliteren van functies en initiatieven die aantoonbaar een bijdrage leveren aan het versterken van de identiteit en aansluiten bij de kenmerken en samenhang van het agrarisch cultuurlandschap Erfgoed beschermen en inzetten als basis bij nieuwe ontwikkelingen
P 43/56
Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG) - provincie Gelderland Instrumenten Bestemmingsplan (juridisch) Uitgangssituatie en kansen Uitgangspuntennotitie Cultuur en Erfgoed
3.7
•
Herstel van historische akkers
Evt. extra instrumenten mogelijk wanneer gecombineerd wordt met natuuropgaven Cultuurhistorische blikvangers: • Kleinschalig landschap • Vele bosjes en houtsingels • Onregelmatige percelering, afgewisseld met regelmatigere copeen veenontginningen • Grotere dorpen aan de randen en overwegend kleine boerendorpjes en gehuchten in het centrum.
Defensie
Qua defensie zijn er een aantal ontwikkelingen gaande die het gebied kunnen raken. Gezien de internationale spanningen, acht het ministerie van Defensie het noodzakelijk de krijgsmacht te versterken. In het gebied EdeBarneveld wordt o.a. gezocht naar de uitbreiding van de milieugebruiksruimte, bijvoorbeeld voor activiteiten die voor een toename van geluid of uitstoot zorgen. Rondom Stroe is de mogelijkheid verkend om de bestaande defensielocatie te intensiveren15. Inmiddels is bekend geworden dat de bestaande kazerne niet zal worden uitgebreid16.
15
Kamerbrief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) resultaten eerste trechtering | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl
16 https://www.barneveldsekrant.nl/lokaal/overig/1092571/kazerne-stroe-niet-uitgebreid-defensie-wijst-de-glind-nu-ook-
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 44/56
4
Landbouw
De landbouw heeft een groot aandeel in de maatschappelijke opgaven voor natuur, landschap, water en luchtkwaliteit. Hier wordt ook al aan gewerkt in de sector, maar momenteel is dat niet voldoende om de doelen te kunnen behalen. In en nabij het gebied bevindt zich een grote concentratie (intensieve) veehouderijen. Dat zorgt voor knelpunten in relatie tot de maatschappelijke opgaven. 4.1
Wettelijke opgaven en beleidsambities
Moeten Klimaatakkoord Nederland
Doelen • Landbouw en landgebruik klimaatneutraal in 2050 • 3,5 Mton CO2-reductie in 2030
Willen Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG) - provincie Gelderland
Doelen • Een sterke plattelandseconomie waarvan de agrarische sector een belangrijk pijler is • Extensivering en natuurinclusieve, toekomstbestendige landbouw • Minder bemesten en minder bestrijdingsmiddelen • Bufferstroken langs beken
Regionaal Perspectief Landelijk Gebied – Foodvalley
•
Ca. 32% reductie van de broeikasgasemissies methaan en lachgas in 2030 voor veehouderijen. De grootste opgave voor methaanreductie ligt daarbij in de melk -, kalver - en varkenshouderij.
Omgevingsvisie Ede
•
Agrarische sector vitaal houden: toekomstperspectief ontwikkelen voor de sector en ondernemers, met aandacht voor kenniseconomie, innovatie, landelijk gebied en landschap. Kiezen voor circulaire, natuurinclusieve landbouw, vooral in landschappen met belangrijke natuurwaarden Leefomgeving gezond houden/maken: Verminderen van stikstof- en fosfaatuitstoot naar bodem en water, en fijnstof en ammoniak naar de lucht..mk Maatschappelijke meerwaarde landbouw: Beter waarderen en belonen van diensten zoals landschap, biodiversiteit, zorg, recreatie, onderwijs, onderzoek en innovatie.
•
•
•
Omgevingsvisie Barneveld
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
•
Omschakeling van blijvende landbouwbedrijvigheid in de zone van 500 m rond Natura 2000 gebieden naar extensieve landbouw, natuurinclusieve landbouw
P 45/56
Provincie Gelderland - uitwerking van de gebiedsfiche Ede-Barneveld, gebiedsfiche 12
•
•
•
Instrumenten Algemeen
Modernisering agrarische sector: Gericht op toekomstbestendigheid binnen natuur-, water- en klimaatdoelen Verbetering verdienvermogen agrariërs: Door verbreding naar andere agrarische en niet-agrarische activiteiten Verbetering agrarische structuur: Focus op bedrijfskennis, ondernemerschap, goede bedrijfslocaties, betere verkaveling en een sterke agroketen met innovatieve kennisinstellingen o Natuurinclusieve landbouw (NIL) van niveau 3 of 4 vooral bij de Natura2000-gebieden en bij kwetsbare wateren en watergangen o Natuurinclusieve landbouw 1.300 ha van 2.000 ha ha o Agrarisch natuurbeheer, inclusief landschapsversterking, dooradering en verbindingszones. Bijvoorbeeld met bloemrijke graslanden, natuurlijke akkers, sloot- en akkerranden en landschapselementen.1.300 ha van 2.000 ha, waarvan 60 ha GBDA (dooradering)
• • • • • •
Samenwerking met pluimveesector Functieveranderingsbeleid Generiek mestbeleid ANLB GMS Regiodeal Foodvalley
Nationaal actieplan versterking zoönose beleid
• •
Preventie van uitbraken en overdracht van dierziektes Handelingskader voor monitoring en respons op uitbraken van dierziektes
Pilot Ondernemingsplannen Gelderse Vallei
•
Ontwikkelen en ondersteunen van toekomstbestendige ondernemingsplannen voor een duurzame bedrijfsvoering
•
Hoge concentratie intensieve veehouderij in het gebied: hoge emissies en veedichtheid. Dit geeft ook risico op het ontstaan en overdracht van dierziekten Veel agrarische bedrijven komen in aanmerking voor de aanpak Piekbelasters Weinig verdienmodellen voor verduurzaming Weinig ruimte voor extensivering
Uitgangssituatie en knelpunten
• • •
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 46/56
•
•
•
Er is veel interesse voor de LBV+ regeling. De kans bestaat dat een groot deel van de veehouderijen zal stoppen met het bedrijf Er lopen al initiatieven waarbij met de agrarische sector wordt samengewerkt voor doelrealisatie, zoals met de pluimveesector en het Pilot Ondernemersplan. Dit biedt kansen voor nieuwe werkwijzen (o.a. doelsturing) en onderbouwing voor nieuw beleid. In de Gemeente Ede is al een analyse uitgevoerd in het buitengebied m.b.t ruimtelijke ordening, inclusief aanbevelingen. Hierbij zijn ook gesprekken gevoerd met agrariërs en andere inwoners van het buitengebied. De bevindingen zijn onder andere gebruikt als input voor de Omgevingsvisie (Eindrapportage Project ‘Inventarisatie Vitaal Buitengebied’)
Figuur 23: Kaart met de veehouderijen naar diersoort en dieraantallen17.
17 Bron: ‘Water in beeld, Foodvalley, Barneveldse Beek’, Waterschap Vallei en Veluwe, februari 2023.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 47/56
In het projectgebied liggen veel landbouwbedrijven. Hieronder vallen diverse veehouderijsectoren en akkerbouwbedrijven. Bij veehouderijen is er onderscheid te maken tussen grondgebonden bedrijven en nietgrondgebonden bedrijven. Grondgebonden veehouderijen zijn bedrijven waarbij het grootste aandeel van het voer van land rondom de boerderij komt en waarbij de mest (voor het grootste deel) ook weer afgezet wordt op dit land. In de praktijk zijn dit met name de melkveehouderij en schapenhouderij. Onder niet-grondgebonden bedrijven en intensieve bedrijven verstaan we de vormen van veehouderij die niet direct aan gras- of bouwland gebonden zijn. De varkenshouderij, de pluimveehouderij en de vleeskalverhouderij worden als niet-grondgebonden beschouwd. Over de indeling van de melkgeitenhouderij als grondgebonden of niet-grondgebonden bedrijfsvoering verschillen de meningen. In deze pré-verkenning scharen we de geitensector onder de niet-grondgebonden veehouderij. In het projectgebied zijn veel niet-grondgebonden veehouderijen. Dit is historisch gegroeid, waarbij -mede ingegeven door de hoge gronddruk- in de afgelopen paar decennia een verdere specialisatie in met name de niet-grondgebonden sectoren heeft plaatsgevonden. De variatie in omvang van de bedrijven is groot.
Er zijn nog veel relatief kleine bedrijven, maar daar tegenover staat dat er in het projectgebied ook hele grote pluimvee-, vleeskalver- en varkensbedrijven zijn. De grootste concentratie pluimvee in het gebied is gesitueerd tussen Barneveld en Lunteren en rondom Kootwijkerbroek. De varkensbedrijven liggen meer verspreid over het projectgebied. Ook wat betreft omvang van de varkensbedrijven is het redelijk gespreid. Het zwaartepunt van de vleeskalverbedrijven, die overigens in groten getale in het projectgebied aanwezig zijn, ligt ten noorden van Kootwijkerbroek. Het aantal geitenbedrijven is ten opzichte van de andere sectoren niet groot, maar in de afgelopen decennia wel sterk toegenomen. Daarentegen is het aantal melkveebedrijven afgenomen. Er zijn veel agrarische bedrijven die onder de noemer "akkerbouwbedrijf" vallen, maar deze beslaan maar een zeer beperkt aandeel in zowel landgebruik als wat betreft bedrijfsomvang. 4.2
Huidige agrarische sector
In het projectgebied liggen veel landbouwbedrijven. Hieronder vallen diverse veehouderijsectoren en akkerbouwbedrijven. Bij veehouderijen is er onderscheid te maken tussen grondgebonden bedrijven en nietgrondgebonden bedrijven. Grondgebonden veehouderijen zijn bedrijven waarbij het grootste aandeel van het voer van land rondom de boerderij komt en waarbij de mest (voor het grootste deel) ook weer afgezet wordt op dit land. In de praktijk zijn dit met name de melkveehouderij en schapenhouderij. Onder niet-grondgebonden bedrijven en intensieve bedrijven verstaan we de vormen van veehouderij die niet direct aan gras- of bouwland gebonden zijn. De varkenshouderij, de pluimveehouderij en de vleeskalverhouderij worden als niet-grondgebonden beschouwd. Over de indeling van de melkgeitenhouderij als grondgebonden of niet-grondgebonden bedrijfsvoering verschillen de meningen. In deze pré-verkenning scharen we de geitensector onder de niet-grondgebonden veehouderij. Op basis van geaggregeerde data uit de provinciale werkgelegenheidsenquête van 2024 hebben wij wel een globaal beeld van de bedrijfsaantallen in het gebied. Op basis van deze enquête zijn er 1340 bedrijven in het gebied aanwezig, waarvan 354 in de agrarische sector. Verreweg het grootste is de vleeskalverensector met 90 bedrijven in het gebied.
Daarop volgt de melkveehouderij (50), varkenshouderij (43) en pluimveehouderij (39). Er zijn ook 17 paardenhouderijen gevestigd. Het aantal akker- en tuinbouwbedrijven bedraagt slechts 6 bedrijven. Ook zijn er 5 boomkwekerijen en 7 sierteeltbedrijven.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 48/56
Agrarische sector
Aantal bedrijven
Kalverhouderij
90
Agrarische dienstverlening
69
Melkveehouderij
50
Varkenshouderij
43
Pluimveehouderij
39
Paardenhouderij (agrarisch)
12
Combi akker-/tuinbouw met veehouderij
10
Teelt voedergewassen
4
Veehouderij overig
7
Sierteelt
7
Paardenhouderij (overig)
5
Geitenhouderij
5
Boomkwekerij
5
Tuinbouw
3
Akkerbouw
3
Schapenhouderij
2
Totaal
354
Uit deze gegevens kunnen we de conclusie trekken dat de intensieve inderdaad veehouderij sterk aanwezig is in het gebied. De grootste concentratie pluimvee in het gebied is gesitueerd tussen Barneveld en Lunteren en rondom Kootwijkerbroek. De varkensbedrijven liggen meer verspreid over het projectgebied. Ook wat betreft omvang van de varkensbedrijven is het redelijk gespreid. Het zwaartepunt van de vleeskalverbedrijven ligt ten noorden van Kootwijkerbroek. Het aantal geitenbedrijven is ten opzichte van de andere sectoren niet groot, maar we zien op grotere schaal in de regio Foodvalley wel dat het aantal geiten tussen 2000 en 2020 wel sterk is toegenomen. Deze stijging is opmerkelijk gezien het geitenmoratorium dat geldt vanaf 2017. Het aantal vleeskalveren en vleeskuikens is ook sterk gestegen. Daarentegen is het aantal melkkoeien en varkens in de regio doodvallen afgenomen. Figuur 24 Tabel met ontwikkelingen in dieraantallen in Regio food Valley, afkomstig uit de Landbouwstructuuranalyse voor de regio van WUR, 2022.
Figuur 24 Verdeling van gewaspercelen in het gebied.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 49/56
Er is een klein aantal agrarische bedrijven die onder de noemer "akkerbouwbedrijf" vallen. Deze beslaan een zeer beperkt aandeel in zowel landgebruik als wat betreft bedrijfsomvang.
De kaart hierboven laat zien dat de gronden hoofdzakelijk worden gebruikt voor agrarisch grasland. 4.3 Ontwikkelingen in de agrarische sector Er wordt veel gesproken over de transitie van de landbouw. Zonder te pretenderen volledig te zijn, staan hieronder een aantal factoren genoemd die een grote wissel (gaan) trekken op (een gedeelte van) de agrarische sector. Moeten
Doel
Maatregelen
7e Verbetering • Actieprogramma waterkwaliteit Nitraat (incl. • addendum) en • vanaf 2026 het 8e Actieprogramma Nitraat Mestwetgeving
N2000
Verbetering • waterkwaliteit • (o.a.) Behoud en versterking
datum referentie
•
Grondgebonden melkveehouderij 2032 Bufferstroken langs watergangen Inrichting beekdalen
Praktisch gevolg agrarisch bedrijf** • • •
Extensiveren (meer grond en/of minder koeien) Afname efficiënte productiegrond en mestplaatsingsruimte Afname efficiënte productiegrond en mestplaatsingsruimte
Afschaffing derogatie Aanwijzing nutriënten verontreinigde gebieden
• • •
Minder mestplaatsingsruimte dierlijke mest Afname totale stikstofgebruiksruimte Opbrengstderving gewas
Verlagen stikstofdepositie door extensivering van veehouderij en/of
• •
Extensiveren Investeren maatregelen en innovatie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 50/56
N2000gebieden Beter Leven Keurmerk-1 ster (voor veehouders die produceren onder dit keurmerk)
Verhogen dierwelzijn
managementmaatregelen (o.a. voer) en/of toepassen innovatie • •
Per 1-1-2025 aanscherping stalvereisten varkens* Uiterlijk 1-1-2027 verplichte uitloop vleeskuikens
• •
Investeren en/of extensiveren Investeren en ruimtevraag
*Ongeveer een vijfde van de Nederlandse varkens wordt binnen het concept Beter Leven Keurmerk gehouden. Ondanks dat voor deze préverkenning niet nader is onderzocht hoe groot dit aandeel binnen het projectgebied is, is de verwachting dat de aanscherping van de eisen ook impact zal hebben op het aantal varkenshouders in dit gebied. Een gedeelte van de varkenshouders heeft er namelijk tijdens de overgangsperiode bewust voor gekozen om niet te investeren. Hiervan gaan er wellicht een aantal weer produceren voor de reguliere markt, maar de rest van deze groep zal per 1 januari 2025 gestopt zijn met het varkenshouden. Naar verwachting zijn dit voornamelijk de relatief kleine varkensbedrijven. **In de laatste kolom is weergegeven wat o.a. de praktische gevolgen zijn voor agrarisch ondernemers. De grote gemene deler van de gevolgen is dat de maatregelen per definitie geld kosten en kostprijsverhogend werken. Niet iedere ondernemer kan deze financiële gevolgen opvangen binnen de huidige exploitatie van het bedrijf.
4.4 Gevolgen voor de agrarische sector De verwachting is dat de ontwikkelingen grote gevolgen gaan hebben voor de agrarische sector en dat veel agrariërs ervoor zullen kiezen of genoodzaakt worden te stoppen met het bedrijf. De vergrijzing in de sector, beëindigingsregelingen, hoge mestafzetkosten en hoge grondprijzen werken deze ontwikkeling in de hand. Het is door de hoge kosten moeilijk om op een rendabele manier te extensiveren, met name voor de melkveehouderij. Naar verwachting is deze autonome ontwikkeling alleen echter niet voldoende om te kunnen voldoen aan de opgaven op gebied van stikstof, water en luchtkwaliteit. 4.4.1 Daling aantal bedrijven De algemene demografische ontwikkeling in Nederland, zo ook in de agrarische sector, is die van vergrijzing. We zien in zijn algemeenheid dat op 30 tot 35% van de agrarische bedrijven het bedrijfshoofd 55 jaar of ouder is en er geen opvolger aanwezig is. De verwachting is dat deze bedrijven tussen nu en 10 jaar stoppen. Daarnaast is er al langer een trend gaande dat jaarlijks het aantal agrarische bedrijven daalt. Deze ontwikkeling ging in het verleden gepaard met schaalvergroting voor de bedrijven die doorgingen. Dit zal gedeeltelijk door blijven gaan, wanneer zeer grote bedrijven kleinere bedrijven opkopen bij beëindiging. Tegelijkertijd vraagt extensivering om een tegenovergestelde ontwikkeling.
De daling van het aantal bedrijven schommelt zo rond de 3% per jaar. Het is aannemelijk dat de vergrijzing en de daling van het aantal bedrijven elkaar zullen versterken. 4.4.2 Beëindigingsregelingen In de gemeenten Ede en Barneveld is de stikstofdruk vanuit de agrarische sector op het N2000 gebied de Veluwe erg hoog. Bijna iedere veehouder is piekbelaster en kon gebruik maken van de LBV+ (voor piekbelasters) of de LBV (voor niet piekbelasters). Binnen deze twee gemeenten hebben vele agrariërs aangegeven gebruik te willen maken van deze regeling. Dit versterkt de daling van het aantal agrarische bedrijven. Vanuit LVVN wordt een nieuwe opkoopregeling voorbereidt die in de loop van 2025 opgesteld zal worden. Het is niet ondenkbaar dat wederom vanuit deze twee gemeenten een substantieel aantal agrarische bedrijven gebruik zullen maken van deze regeling. Ook dit zal dan de daling van het aantal bedrijven versterken.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 51/56
4.4.3 Intern salderen De Raad van State heeft in december 2024 een uitspraak gedaan over intern salderen. Daardoor zijn de mogelijkheden voor intern salderen beperkter dan voorheen. De uitspraak geldt direct voor alle lopende en toekomstige vergunningprocedures en heeft ook gevolgen voor procedures die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 hebben gelopen: iedere ondernemer (ook niet agrarisch) die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om intern te salderen binnen zijn vergunning, moet alsnog binnen 5 jaar een nieuwe NBvergunning aanvragen. Hierbij moet de additionaliteitstoets worden uitgevoerd. Dit betekend dat bij de aanvraag eerst getoetst moet worden of de stikstofruimte nodig is voor natuurherstel. Gezien de hoge stikstofdruk in het gebied ten opzichte van de Veluwe wordt het naar verwachting erg moeilijk, zo niet bijna onmogelijk om dit te onderbouwen. Het gevolg hiervan is dat het moeilijk wordt een nieuwe vergunning te verlenen n en het bedrijf genoodzaakt is om te stoppen. Dit is niet alleen van toepassing op agrarische vergunningen maar geldt ook voor niet-agrarische bedrijven in het gebied. Impact hiervan zal naar verwachting fors zijn. Een onverwachte ontwikkeling is dat het nu ook gaat om bedrijven die anders niet zouden stoppen en die de afgelopen vijf jaar flink geïnvesteerd hebben.
4.4.4 Grondprijs De grondprijs in het gebied is de laatste jaren sterk gestegen door enerzijds een geringe grondmobiliteit en anderzijds een grote gronddruk. Daarnaast zijn er een aantal grote intensieve bedrijven (varkens, kippen of kalveren), boomtelers en beleggers die over voldoende financiële middelen beschikken en zeer actief zijn op de grondmarkt. Tevens heeft Ede een forse verstedelijkingsopgave met een hierbij behorende compensatieopgave in natuur. Dit versterkt de gronddruk naar de toekomst en dus de grondprijs. De aankoop van extra grond om te extensiveren, wordt daardoor bemoeilijkt. 4.4.5 Klimaatverandering De invloed van de klimaatverandering is duidelijk merkbaar in het gebied, zowel in droge als in natte perioden. Het gebied bestaat daarnaast op diverse plekken (vooral het noordelijke deelgebied) uit droge zandgrond waardoor het waterbergend vermogen van de bodem beperkt is. De verwachting is dat door de klimaatverandering de jaarlijkse opbrengst van grasland in 2050 ergens tussen de 10 en 20 lager zal zijn dan nu. In periodes met grote hoeveelheden regen in korte tijd zal niet al het water gereguleerd kunnen via het huidige stelsel van beken en sloten. Inundatie op maaiveld zal vaker plaatsvinden hetgeen invloed heeft op de gewassenkeuze. 4.4.6 Mestafzetkosten De grondgebonden landbouw (hoofdzakelijk melkveehouderij) maakt financieel een lastige tijd door.
De melkprijs is volatiel en impact van de mestafzetkosten drukt bij menig melkveebedrijf fors op de exploitatie. Dit zal de komende jaren naar verwachting nog lastiger worden als gevolg van o.a. afschaffing derogatie en het feit dat dit gebied onderdeel uitmaakt van een NV-gebied (Nutriënten Verontreinigd gebied). Dit laatste heeft mogelijk effect op de mestplaatsingsruimte en dus op de exploitatie. Tevens wordt als gevolg hiervan de kunstmestruimte ingeperkt en wordt daarmee het opbrengend vermogen van de grond negatief beïnvloed. De aanpassingen in de mestwetgeving zorgt ervoor dat ook de pluimveesector bij aankoop of lease de mestrechten dat er 13% generiek wordt afgeroomd. Dit heeft invloed op de prijsvorming van de mestrechten en resulteert in een lager bedrijfssaldo. Het leasen van mestrechten komt in de pluimveehouderij veelvuldig voor. 4.4.7 Extensivering melkveehouderij In het addendum 7e actieprogramma Nitraat wordt gesproken over een extensiveringsopgave voor de melkveehouderij met een mogelijk een graslandnorm per GVE (grootvee-eenheid). Het lage verdienvermogen in combinatie met de hoge grondprijzen maakt extensivering erg lastig. Dit maakt dat het aannemelijk is dat als
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 52/56
gevolg van een mogelijke graslandnorm het voor de melkveehouderij nog moeilijker wordt. De melkveehouderij zou daardoor versneld kunnen stoppen in het gebied. 4.4.8 Nitraatrichtlijn In het 7e actieprogramma Nitraat en bijbehorende addendum wordt gesproken over maatregelen die genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat zowel de grondwaterkwaliteit als de oppervlaktewaterkwaliteit voldoet aan de nitraatnorm. De maatregelen worden aangescherpt in het 8e programma Nitraat dat nu in ontwikkeling is. Binnen dit programma wordt ook gesproken over brede (zoneringen rondom) beekdalen en mogelijkheden hierbinnen om de nitraatnorm in het oppervlaktewater te bereiken. Dit zal naar verwachting ten koste gaan van mestplaatsingsruimte. Daarmee ontstaat extra druk op de mestmarkt hetgeen de melkveehouderij in een nog lastigere positie brengt. De kans dat dit invloed heeft op het aantal stoppers in de melkveehouderij is aannemelijk. 4.4.9 Landschap en biodiversiteit Het landschap en de biodiversiteit staan al jaren onder druk. De opgave om te komen tot 10% groenblauwe dooradering kan hier een kentering in teweeg brengen en zowel het landschap als de biodiversiteit weer versterken. Compensatieopgave vanuit de verstedelijking kan zorgen voor een positieve impuls. Echter, dit zal vanwege de grondclaim van invloed zijn op de mestplaatsingsruimte in het gebied en dus op de mestafzetkosten.
Tevens ontstaat hiermee extra spanning op de extensiveringsopgave voor de melkveehouderij. 4.4.10 KRW De directe invloed van de KRW als gevolg van inrichtingsmaatregelen rond KRW-watergangen is beperkt. Echter de indirecte invloed van de maatregelen in de haarvaten om de waterkwaliteit te kunnen borgen voor nitraat maar vooral voor fosfaat zal naar verwachting fors zijn. De verwachting is dat generiek beleid vanuit het Rijk hiervoor ontwikkeld zal worden. Bufferzones en mogelijke beperkingen in bemesting hebben verstrekkende gevolgen voor de melkveehouderij. Het heeft een negatief effect op de mestplaatsingsruimte en de gewasopbrengst. Dit legt extra druk op de sector. 4.4.11 Bodemgezondheid Bodemgezondheid is een thema dat zeker in het plangebied van belang is. Het waterbergend vermogen van de bodem neemt al jaren af en de nutriënten in de bodem zijn te hoog (nitraat en fosfaat). Er zijn reeds programma’s waarmee men de afname van de bodemgezondheid probeert te keren. Dit staat nog in de kinderschoenen maar zal naar verwachting een positief effect hebben. 4.4.12 Economische draagkracht Gezien alle hiervoor benoemde ontwikkelingen is het de verwachting dat de agrarische sector in het algemeen en de melkveehouderij in het bijzonder een steeds kleiner rol van betekenis zal gaan spelen als het gaat als economische drager van het gebied.
De beheerstaak zal daarentegen gezien de maatschappelijke opgaven van steeds grotere betekenis worden. In de intensieve sector (varkens, kippen en kalverhouderij) en de boomteelt wordt goed verdiend. Deze sectoren leveren daarmee in tegenstelling tot de melkveehouderij in het gebied een bijdrage aan de economie in het gebied. Daarnaast zien we dat de vele niet agrarische bedrijven eveneens een forse bijdrage leveren aan de economische draagkracht.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 53/56
5
Niet-agrarische bedrijven
Op basis van de geaggregeerde data uit de provinciale werkgelegenheidsenquête uit 2024 zijn er 1340 bedrijven in het gebied, waarvan 986 niet-agrarisch. De hoogste aantallen bedrijven zijn er in de sectoren bouwbedrijven en ontwikkelaars (155), zakelijke dienstverlening (153), afbouwbedrijven (102) en groot- en detailhandel (87). Verder varieert het segment van onderwijs tot metaalbewerking. Deze data laten zien dat er naast de agrarische bedrijven ook een groot aantal bedrijven aanwezig zijn in de niet agrarische sector. : Bouwbedrijven en ontwikkelaars Zakelijke dienstverlening Afbouwbedrijf Groot- en detailhandel Productie Zorg Installatiebedrijf Motor- en autohandel Metaalbewerking Landschapsverzorging Recreatie Logistiek Onderwijs Grondverzet Schoonheidsverzorging Informatie en communicatie Kunst en cultuur Reparatiebedrijf Verkoop Overige dienstverlening Horeca Onroerend goed Diergezondheid Afvalbedrijf Veiligheid Sport Natuurbeheer Rijscholen Slachterij Bosbouw Diervoerderproducent Eindtotaal
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
155 153 102 87 47 45 45 36 34 33 27 25 24 23 23 20 19 18 18 12 9 7 5 3 3 3 3 2 2 2 1 986
P 54/56
6
Deelgebieden
Op basis van de werksessie is gekozen voor een indeling in deelgebieden op basis van de stroomgebieden van de belangrijkste beken in het gebied: Esvelderbeek, Valkse en Barneveldse beken en de Lunterse beek met Modderen Moorsterbeek. In de volgende werkfases wordt verkend in welk deelgebied prioriteiten kunnen worden toegekend en waar energie zit in de samenleving.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 55/56
7
Bronnenlijst 1. 2. 3.
Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG), bijlage “Omschrijving gebiedsprocessen” Fiche Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG) regio Foodvalley (Bijlage C) Gebiedsbeeld Barneveldse Beek: ‘Water in beeld, Foodvalley, Barneveldse Beek’, Waterschap Vallei en Veluwe, februari 2023. 4. Gebiedsbeeld Lunterse Beek: ‘Water in beeld, Foodvalley, Lunterse Beek’, Waterschap Vallei en Veluwe, februari 2023. 5. Omgevingsverordening 2023 Provincie Gelderland 6. Omgevingsvisie Ede 2040 7. Omgevingsvisie Barneveld 2040 8. Voorkeurscenario Omgevingsvisie gemeente Barneveld 9. Tauw raportage ‘Uitwerking mogelijke natuurmaatregelen omgeving Natura 2000-gebieden, Gelderse Maatregelen Stikstof, Deelgebiedrapportage Gelderse Vallei (midden en noord), Provincie Gelderland’ 12 juni 2023 10. Coalitieakkoord Barneveld 2022-2026 11. Gebiedsdocument Agrarische Wateropgave, Vallei en Veluwe, 14 juli 2023 12. Regionaal Perspectief Landelijk Gebied Foodvalley, 5 april 2024 13. Provincie Gelderland - uitwerking van de gebiedsfiche Ede-Barneveld, gebiedsfiche 12 14. Programma Biodiversiteit Provincie Gelderland, 15. Eindrapportage project ‘Inventarisatie Vitaal Buitengebied’, Gemeente Ede, 21 september 2021 16. Blauw Omgevingsprogramma 2022 – 2027, Waterschap Vallei en Veluwe, 2021 17. Streekgids Gelderse Vallei, Ruimtelijke Kwaliteit en Landschap, Provincie Gelderland 2022 18.
Landschapsecologische analyse gemeente Ede, mei 2024 19. Archeologische waarden en verwachtingenkaart gemeente Barneveld, 2018
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 56/56
Bijlage 2 Autonome ontwikkelingen
24