B-3.22 Memo B&W over Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld, d.d. 27 januari 2026
Tekst van het document
Aandachtsgebied: Leefomgeving Team Strategie & Regie Behandelaar: I. Jansen Telefoonnummer: 06 46 60 35 92 Onderwerp:
Voorstelnr. Barneveld, 20 januari 2026 Portefeuillehouder: B. Wijnne
Raadsmemo Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld
Gevraagde beslissing: 1. Ter kennisname delen van de Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld met de gemeenteraad via begeleidend raadsmemo.
1. Inleiding Op 9 december 2025 heeft het college ingestemd met het aangaan van de Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld en de portefeuillehouder gemachtigd om deze overeenkomst te ondertekenen. De intentieovereenkomst is inmiddels ondertekend door alle betrokken partijen. Met dit collegevoorstel wordt het college gevraagd in te stemmen met het informeren van de gemeenteraad over deze overeenkomst door middel van bijgaand raadsmemo.
2. Beoogd effect De gemeenteraad wordt tijdig en transparant geïnformeerd over: • het aangaan van de intentieovereenkomst; • het karakter van de verkenningsfase; • de wijze waarop het gebiedsproces wordt voortgezet.
3. Argumenten 1.1 Informatievoorziening aan de raad De intentieovereenkomst markeert een volgende stap in het gebiedsproces Ede-Barneveld. Het is wenselijk de raad hierover actief te informeren, conform de gebruikelijke werkwijze bij interbestuurlijke gebiedsprocessen.
4. Kanttekeningen 1.1 Communicatie en informatievoorziening De intentieovereenkomst en de onderliggende stukken zijn als gevolg van de besluitvorming in het college openbaar geworden. Omdat er op dat moment nog geen gezamenlijke communicatieaanpak was vastgesteld en is aangesloten bij de provinciale aankondiging richting Provinciale Staten begin januari, is de gemeenteraad niet gelijktijdig via een afzonderlijk raadsmemo geïnformeerd. Met dit collegevoorstel wordt in deze informatievoorziening richting de raad voorzien.
5. Financiën Dit collegevoorstel ziet uitsluitend op de informatievoorziening richting de gemeenteraad.
-2-
6. Participatie en communicatie a) Participatie Dit collegevoorstel ziet uitsluitend op de informatievoorziening richting de gemeenteraad. De participatie van gebiedspartijen maakt onderdeel uit van de verkenningsfase en wordt in dat kader door de betrokken overheden gezamenlijk uitgewerkt.
b) Communicatie De intentieovereenkomst wordt, samen met een begeleidend raadsmemo en de onderliggende stukken, ter kennisname aangeboden aan de gemeenteraad. Verdere externe communicatie is op dit moment niet aan de orde.
7. Vervolgstap Na instemming van het college worden het begeleidend raadsmemo, de intentieovereenkomst en de onderliggende stukken ter kennisname gedeeld met de gemeenteraad. De raad wordt geïnformeerd over de voortgang en uitkomsten van de verkenningsfase.
8. Bijlagen Bijlage Raadsmemo Bijlage Ondertekende intentieovereenkomst Bijlage 1 Plangebied Barneveld-Ede Bijlage 2 241325 Pré-verkenningsrapportage landelijk gebied Ede-Barneveld definitief Bijlage 3 Aanpak Gebiedsontwikkeling provincie Gelderland Bijlage 4 Werkkader Verkenningsfase Ede Barneveld Bijlage 5 Opdracht verkenning Ede-Barneveld DEF
Raadsmemo Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld
Datum:
Onderwerp:
Ter attentie van:
Afzender:
20 januari 2026
Intentieovereenkomst Verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld De Raad College van Burgemeester en Wethouders
Portefeuillehouder
B. Wijnne
Mail behandelaar
i.jansen@barneveld.nl Telefoonnummer
0646603592
Samenvatting De raad wordt geïnformeerd over de intentieovereenkomst voor de verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld, waarin overheden afspraken hebben gemaakt over samenwerking richting een gezamenlijk gebiedsprogramma. Doel Het doel van dit memo is de raad tussentijds te informeren over het aangaan van de intentieovereenkomst voor de verkenningsfase landelijk gebied Ede-Barneveld. Inhoud memo De intentieovereenkomst is gesloten door de provincie Gelderland, de gemeenten Ede en Barneveld, Waterschap Vallei en Veluwe en het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Met deze overeenkomst spreken de betrokken overheden af het gebiedsproces Ede-Barneveld gezamenlijk voort te zetten. De intentieovereenkomst heeft betrekking op een verkenningsfase van drie jaar. In deze fase wordt gezamenlijk verkend welke maatregelen kunnen bijdragen aan stikstofreductie, natuurherstel, verbetering van de waterkwaliteit, ondernemersklimaat en leefbaarheid, en hoe deze kunnen bijdragen om vergunningverlening en ontwikkelingen weer mogelijk te maken. Daarnaast werken de betrokken overheden toe naar het opstellen van een gezamenlijk gebiedsprogramma voor de middellange termijn (circa 3–5 jaar). Ook wordt onderzocht in hoeverre het plangebied kan bijdragen aan natuurcompensatie, zodat ruimte kan ontstaan voor onder meer woningbouw en mobiliteit.
Tevens wordt in de verkenningsfase geborgd dat het gebiedsprogramma wordt bezien in relatie tot andere lopende programma’s die raken aan het landelijk gebied zoals het programma Waardevol Landelijk Gebied. Vervolg
De verkenningsfase start in 2026 en wordt uitgevoerd door de betrokken overheden. De raad wordt geïnformeerd over de voortgang en de uitkomsten van de verkenningsfase, alsmede over eventuele vervolgbesluitvorming.
Pré-verkenningsrapportage Ede-Barneveld Pré-verkenning landelijk gebied Ede-Barneveld – 10 juni 2025
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
Pré-verkenningsrapportage Landelijk Gebied Ede-Barneveld project projectnummer projectleider
opdrachtgever adres
contactpersoon
status versie fase
Pré-verkenning landelijk gebied Ede-Barneveld 241325 Eric Kleissen
datum referentie
Gemeente Ede Bergstraat 4 6711 DD Ede Marieke Sanders Definitief 4 Pré-verkenning
paraaf gecontroleerd
Eric Kleissen
1
10 juni 2025 241325_AdB_RAP_0001_v4.0
2
Inhoudsopgave 1
Samenvatting
4
2 2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Aanleiding en doel Pré-verkenning: een stap op weg naar realisatie van de opgaven Proces Leeswijzer
5 5 5 5 6
3
Kenschets van het gebied
7
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Maatschappelijke opgaven: de problematiek Inleiding Natuurlijk systeem uit balans Landbouw en niet-agrarische bedrijven onder druk Milieudruk en risico’s voor de volksgezondheid Conclusie
8 8 8 8 8 8
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Synthese Inleiding Samenhangende gebiedsopgaven Autonome ontwikkelingen Bestuurlijke urgentie Conclusie
9 9 9 10 11 12
6 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.4
Uitvoeringsstrategie Kijkrichting Vertrekpunten Uitvoering Voorgestelde aanpak Verkenningsfase Doe-spoor Kernwaarden voor de samenwerking
15 15 16 16 16 17 17 17
6.5 6.6 6.1 6.2 6.3
Organisatie Verantwoordelijkheden Participatie en communicatie Fasering Financiering
18 19 20 20 20
7
Conclusie
22
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
3
Rapportage Huis op orde Autonome ontwikkelingen Overzicht verkenningsopdrachten Overzicht Doe-spoor Aanbevelingen voor participatie en communicatie
1
Het advies luidt dan ook om met elkaar de volgende stap te zetten naar de verkenningsfase. Parallel daaraan het Doe-spoor met lopende en aankomende projecten intensiveren.
Samenvatting
Het gebied rond de Veluwe heeft de hoogste prioriteit in Nederland als het gaat om natuurherstel en stikstofreductie. In de versnelde Gelderse stikstofaanpak is dit gebied aangewezen als één van de twee prioritaire gebieden in de provincie. Het andere gebied is Winterswijk, eveneens gelegen aan een Natura-2000 gebied. De stapeling van opgaven om het natuurlijke systeem te herstellen (water, bodem, lucht, natuur, landschap) zijn enorm en urgent. Het gebied ligt tussen de meer stedelijke omgeving van Ede en Barneveld en het natuurgebied de Veluwe, met veel agrarische en niet-agrarische functies. In de tweede helft van de 20e eeuw is het sterk veranderd; het gebied wordt nu intensief gebruikt. Het kenmerkt het ondernemerschap dat bij de bevolking aanwezig is. Dit intensieve gebruik heeft ook zijn keerzijde. Dit zie je terug in de kwaliteit van omliggende natuurgebieden, de kwaliteit van het oppervlaktewater en de luchtkwaliteit. De urgentie van de maatschappelijke opgaven komt pijnlijk tot uitdrukking door de vele juridisch niet houdbare vergunningen. Dit komt vooral door de hoge stikstofdepositie op het N2000 gebied de Veluwe. Dit heeft een enorme impact op het bedrijfsleven en de ondernemers en hun gezinnen in het gebied.
Als gevolg hiervan is vergunningverlening voor projecten of evenementen waarbij stikstof vrijkomt op dit moment onmogelijk en ligt verdere economische ontwikkeling volledig stil. Toekomstperspectief, passend bij de identiteit van het gebied, komt het beste tot stand als de verschillende overheden gezamenlijk met ondernemers, bewoners en overige betrokkenen integraal werken aan de realisatie van de maatschappelijke opgaven op het gebied van stikstof, water en natuur. Op de voorgestelde wijze wordt programmatisch en gestructureerd in gezamenlijkheid gewerkt aan doelrealisatie op het gebied van stikstof, water en natuur.
4
2
Inleiding
2.1 Aanleiding en doel Rondom de Veluwe en specifiek in het plangebied, zijn de opgaven op het gebied van stikstof, water, natuur, bodem, water, lucht groot en urgent. Overheden willen samen met maatschappelijke partners in het gebied werken aan een vitaal en leefbaar landelijk gebied. Samen, in samenhang, gebiedsgericht en met respect voor elkaars belangen. De gemeente Ede en Barneveld hebben in het kader VLGG met de regio Foodvalley het initiatief genomen om voor een gebied tussen Ede Barneveld het proces voor een Pré-verkenning op te starten. Reden tot dit initiatief is dat het gebied grote uitdagingen op het gebied van stikstof, water en natuur kent. De natuur herstelt zich niet of onvoldoende als gevolg van de veel te hoge uitstoot van stikstof uit de veehouderij die neerdaalt op N2000 gebied de Veluwe. Ook is de waterkwaliteit niet op orde. Dit gebied is door het Rijk aangewezen als Nutriënten-Verontreinigd Gebied (NV-gebied) als gevolg van een te hoge concentratie nitraat en/of fosfaat in het oppervlaktewater. Mede hierdoor is ook de ecologische kwaliteit van het water niet op orde. De Veluwe, waaronder het Kootwijkerzand en het Wekeroms Zand liggen deels in het gebied.
Figuur 1: Fases in de Gelderse aanpak Gebiedsontwikkeling van Pré-verkenning tot Exploitatie en Beheer. We bevinden ons in de eerste fase: de Pré-verkenning.
In de Pré-verkenningsrapportage zijn daarvoor de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Wat zijn de opgaven in dit gebied op basis van beleid- en regelgeving en autonome ontwikkelingen? • Wat zijn de gecombineerde opgaven waar overheden gezamenlijk op in willen zetten? • Welke handelingsperspectieven zijn er en welke past het beste bij de opgaven en het krachtenveld? • Hoe ziet de volgende stap eruit en welke afspraken moeten daarvoor gemaakt worden?
2.2
Pré-verkenning: een stap op weg naar realisatie van de opgaven Doel van de Pré-verkenning is om te onderzoeken of er een gezamenlijke basis is om een volgende stap te zetten in het gebiedsproces: een verkenningsfase. Zo ja, welke afspraken gemaakt kunnen worden over inhoud van de agenda, de uit te werken opgaven en randvoorwaarden zoals, wijze van samenwerken, borging, sturing en het vervolg proces.
2.3 Proces Deze Pré-verkenning is uitgevoerd met de betrokken overheden, op basis van beleidsstukken, gesprekken en werksessies. Naast de gemeente Ede en Barneveld zijn dit Waterschap Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Regieorganisatie Landelijk Gebied (RLG). Externe partijen hebben in deze fase niet deelgenomen maar worden in de volgende fase (Verkenning) betrokken. In de Pré-verkenning is de begrenzing van het onderzoeksgebied afgebakend (zie figuur 2). Het gebied waar de Pré-verkenning is
5
uitgevoerd betreft grondgebied van zowel de gemeente Ede als de gemeente Barneveld. Kernen zijn buiten de begrenzing gehouden. Zoals het kaartbeeld laat zien wordt het gebied aan de oost- en zuidzijde begrensd door de Veluwe, de A1 is aan de noordzijde de grens. Aan de westkant loopt de grens langs de kern Barneveld en volgt het de A30.
openbare data als beleidsstukken en onderzoeken die zijn aangedragen door de verschillende overheden. In deze Pré-verkenning zijn de scenario’s en handelingsperspectieven uitgewerkt om uitvoering te geven aan de sectorale beleidsdoelen en perspectief te bieden aan het gebied. 2.4 Leeswijzer Dit rapport beschrijft zowel het proces dat is doorlopen als de resultaten van de Pré-verkenning. In hoofdstuk 3 wordt de kenschets van het gebied beschreven. Hoofdstuk 4 en 5 gaan over de opgaven en de problematiek. In hoofdstuk 6 wordt de uitvoeringsstrategie voor de volgende fase beschreven en in hoofdstuk 7 de conclusie.
Figuur 2: Begrenzing van het gebied Ede-Barneveld
Binnen dit gebied is de landschapsstructuur in beeld gebracht, evenals de beleidsdoelen voor maatschappelijke opgaven op gebied van natuur en landschap, water- en bodem, luchtkwaliteit, landbouw, recreatie, erfgoed en defensie. Ook de uitgangssituatie en instrumenten voor deze sectorale thema’s zijn in beeld gebracht. De beleidsdoelen vormen de éénoverheidsagenda en zijn terug te vinden in H3 van faserapportage Huis op Orde (bijlage 1). Voor dit onderdeel is gebruik gemaakt van zowel
6
3
hoge vee dichtheid, een zeer hoge stikstofuitstoot en een verhoogd risico op zoönose.
Kenschets van het gebied
Het plangebied is onderdeel van de Gelderse Vallei en omgeven door de stuwwallen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. De bodem bestaat grotendeels uit zandpakketten die als dekzandruggen in het gebied zijn afgezet. Beekdalen ontstonden op (de flanken van) de stuwwallen en voeren via oost-westelijke richting water. De belangrijkste bekenstelsels in het gebied zijn die van de Esvelder beek, Barneveldse beek en de Lunterse beek. De geomorfologie van het gebied heeft het landgebruik en de wijze en periode van ontginning beïnvloed. In het plangebied zijn veel nietgrondgebonden veehouderijen gevestigd. Ook niet-agrarische bedrijvigheid is sterk in het gebied vertegenwoordigd. Een uitgebreide analyse staat in hoofdstuk 2 van de faserapportage Huis op Orde, opgenomen in bijlage 1. De mens heeft sterk in het landschap ingegrepen. De enorme schaalvergroting en efficiëntieslag van de tweede helft van de 20e eeuw heeft de volgende gevolgen gehad: ✓ De percelen zijn sinds de 19e eeuw een stuk groter geworden en veel historische landschapselementen zijn verdwenen, zoals oude perceelsgrenzen, houtwallen en meanderende beeklopen. Dit is het sterkst het geval in gebieden van de jonge heideontginningen.
✓ Het buitengebied is sinds de jaren ’50 een drukke lappendeken geworden van bebouwing en bedrijvigheid: een ‘confetti’ van agrarische en niet-agrarische bedrijven, afgewisseld met akkers en weides. ✓ De waterhuishouding in het gebied is sterk aangepast. Als gevolg daarvan wordt water in het gebied snel afgevoerd, wat een hoger risico op verdroging geeft in combinatie met klimaatverandering. Het noorden van het gebied, gelegen op de dekzandrug, heeft hier sneller mee te maken dan het beekdalsysteem van het zuiden. ✓ Er is een groot aantal veehouderijen in het gebied, waaronder een groot aantal intensieve veehouderijen. Daardoor is er sprake van een
Figuur 3: Verschil in mate van bebouwing in het gebied tussen 1938 (boven) en 2024 (onder).
7
4
4.4 Milieudruk en risico’s voor de volksgezondheid Effecten van de hoge dichtheid aan veehouderijen zetten klimaat, het natuurlijk systeem, milieu en een gezonde leefomgeving voor inwoners onder druk. Het gaat hierbij om te veel aan stikstof, CO2, fijnstof, geuroverlast en het risico op zoönose (ook naar wilde dieren) die een risico vormen voor de gezondheid van inwoners in en om het gebied.
Maatschappelijke opgaven: de problematiek
4.1 Inleiding Het gebied Ede-Barneveld wordt geconfronteerd met vele en forse maatschappelijke opgaven op het gebied van stikstof, water en natuur. Dit vraagt om een grote inzet van de ondernemers en de gezamenlijke overheden.
4.5 Conclusie De problematiek in het gebied kenmerkt zich vooral door een stapeling van forse maatschappelijke opgaven op het gebied van stikstof, natuur en water en autonome ontwikkelingen die op elkaar ingrijpen. Nieuwe vergunningen kunnen niet worden verstrekt vanwege de stikstofproblematiek waardoor het gebied “op slot” zit. Dit raakt ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, maar ook de ondernemers in het gebied. Van veel bedrijven zijn op dit moment de vergunningen niet geldig. Door deze impasse wordt de agrarische sector in het gebied zowel inhoudelijk als economisch hard geraakt. Het realiseren van de opgaven en perspectief voor het gebied is alleen mogelijk door een gezamenlijke integrale duurzame gebiedsaanpak.
4.2 Natuurlijk systeem uit balans De hoofdopgave voor het gebied laat zich samenvatten als: ‘het herstellen van het natuurlijk systeem’ op het gebied van water, bodem, lucht, natuur en landschap. Deze is uit balans geraakt door menselijk ingrijpen in het verleden. Daardoor is de water-, bodem- en luchtkwaliteit achteruitgegaan, zijn landschapselementen en stukken natuur verdwenen en zijn ecosystemen kwetsbaar geworden. Klimaatverandering versterkt dit geheel. 4.3 Landbouw en niet-agrarische bedrijven onder druk Het ondernemersklimaat staat sterk onder druk door onzekerheid over de toekomst. Dit als gevolg van onduidelijkheid over regelgeving en de juridische onzekerheid van de vergunningen. De onzekerheid is het grootst in de agrarische sector gezien de directe impact van de opgaven op de bedrijfsvoering maar ook niet-agrarische bedrijven worden geraakt. Dit grijpt in op de bestaanszekerheid waardoor gezinnen en gemeenschappen onder druk staan. Het risico bestaat dat de publieke belangen geschaad worden als de overheden niet op tijd duidelijkheid kunnen geven en daarmee niet voor een veilig investeringsklimaat kunnen zorgen. Ondernemers hebben behoefte aan een langjarig, stabiel perspectief op gebied van beleid en regelgeving, zodat zij daar rekening mee kunnen houden bij de ontwikkeling van het bedrijf.
8
5
Synthese
5.1 Inleiding Het natuurlijk systeem is uit balans en niet veerkrachtig genoeg. Dit vraagt om het herstel van het natuurlijk systeem op het gebied van bodem, water, landschap en natuur. Hierdoor is het gebied ook beter in staat om de effecten van klimaatverandering op te vangen. Zoals in het vorige hoofdstuk aan bod is gekomen, heeft dat zijn weerslag op de agrarische sector en daarmee samenhangende plattelandseconomie. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste opgaven uitgelicht, de overige thema’s zijn na te slaan in bijlage 1 ‘Faserapportage Huis op Orde’. 5.2 Samenhangende gebiedsopgaven Stikstofreductie en natuurherstel De hoogste prioriteit voor het gebied is natuurherstel door middel van stikstofreductie. In de uitgangssituatie is de stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw (ammoniak NH3) op N2000-gebied de Veluwe zeer hoog als gevolg van de hoge vee dichtheid. De veel te hoge stikstofdepositie op N2000-gebied de Veluwe belemmert natuurherstel en daarmee de vergunningverlening. De stikstofaanpak voor dit hele gebied, en in het bijzonder de strook van 500 meter rondom Natura 2000, zijn daarom cruciaal om de vergunningverlening in Gelderland weer “van het slot” te krijgen.
Figuur 4: Stikstofdepositie afkomstig van de landbouw in Gelderland is het hoogst in en rond het plangebied1. Er zijn onder meer inrichtingsmaatregelen nodig om de waterkwaliteit in de beken te verbeteren. Daarnaast ligt de oplossing ook in de haarvaten van het watersysteem (C-watergangen). Om de waterkwaliteit te verbeteren is het nodig de hoeveelheid nitraat en fosfaat in deze watergangen en de aangelegen percelen te verminderen. Deze doelstellingen zijn alleen te realiseren door een combinatie van generiek(8e Programma Nitraat), gebiedsgericht beleid (o.a. Omgevingsplan) en een goede samenwerking met de grondeigenaren en de gemeenten. Dit is onderdeel van het Doe-spoor van de Uitvoeringsstrategie in dit gebiedsproces (zie 6.4).
Water- en bodemkwaliteit Naast stikstofreductie is ook het verbeteren van de waterkwaliteit van hoge prioriteit. Momenteel voldoen de hydrologische en ecologische condities van het watersysteem niet aan de richtlijnen vanuit de Kader Richtlijn Water. Uiterlijk eind 2027 moet de kwaliteit op orde zijn. De Barneveldse beek, Lunterse beek en Valkse beek zijn aangewezen als KRWlichamen, maar alleen de Valkse beek is aangewezen als KRW-lichaam met een resultaatverplichting.
1 Bron: https://www.gelderland.nl/themas/stikstof/veluwe/stikstofsituatie
9
Water en bodem bevatten in dit gebied in het algemeen te veel nutriënten en schadelijke stoffen. Het gebied is daarom door het kabinet aangewezen als Nutriënten Verontreinigd (NV) gebied. Dat betekent dat de reductie van nitraat en fosfaat in de bodem noodzakelijk is om de waterkwaliteit te herstellen. Het 7e en 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn zijn daarom relevant voor dit gebied, aangezien daarin o.a. over zoneringen rondom watergangen wordt gesproken. Een dergelijke zonering kan een zeer grote impact hebben op het grondgebruik in dit gebied in verband met bemesting en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
te beperken. De grondgebonden veehouderij heeft deze mogelijkheid veel minder. Momenteel loopt er al een aantal projecten in samenwerking met de pluimveesector om de emissies omlaag te brengen. Daarnaast is het aanscherpen van het geurbeleid ten dele een keuze voor de gemeenten. Ook de landelijke overheid is van plan de geurnormen voor veehouderijen aan te scherpen. Gemeente Ede is voornemens om de strengere geurnormen die vanuit Den Haag worden voorgeschreven al vast mee te nemen in haar nieuwe beleid. Natuur en landschappelijke kwaliteit Momenteel zijn leefgebieden van flora en fauna nog te veel versnipperd en worden deze te veel verstoord. De ecologische kwaliteit van bestaande natuur en landschapselementen is niet op orde (zie H3 Basiskwaliteit Natuur in Huis op Orde). Tegelijkertijd dient nieuwe natuur een plek te krijgen in het gebied. Daarbij gaat het om de uitbreiding van bos, overige natuur en groenblauwe dooradering. Dit in combinatie met het verbeteren van de verbinding tussen leefgebieden en het verzachten van de overgang tussen natuur en agrarisch landschap.
Doelrealisatie kan alleen gerealiseerd worden door samenwerking tussen de verschillende overheden en de grondeigenaren. Het is nu nog niet bekend hoeveel keuzevrijheid de overheden straks hebben ten aanzien van dergelijke maatregelen. In het najaar van 2025 wordt het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn bekend gemaakt. Op dat moment kunnen de uitkomsten mee worden genomen in de Verkenningsfase om nadere handelingsperspectieven te bepalen. Klimaatadaptatie Door het menselijk ingrijpen in het watersysteem is het gebied sterk droogtegevoelig. Ook de aangrenzende natuur van de Veluwe heeft hieronder te lijden. Hydrologische maatregelen rondom en in de beken, beekdalen, landbouwgronden en (agrarische) natuur moeten het gebied klimaat robuuster maken en voor natuurherstel zorgen. Deze maatregelen kunnen niet alleen op gronden van de overheden worden gerealiseerd. Het stimuleren en faciliteren van maatregelen bij andere grondeigenaren via beleid en regelgeving en via samenwerking met de grondeigenaren in het gebied is dus noodzakelijk.
5.3 Autonome ontwikkelingen Een grote factor in het gebied in relatie tot de maatschappelijke opgaven is de agrarische sector. De verwachting is dat het aantal bedrijven in dit gebied tussen nu en tien jaar met meer dan de helft zal afnemen. De agrarische sector in het algemeen en de melkveehouderij in het bijzonder zal een steeds kleinere rol van betekenis gaan spelen als het gaat om de economische drager van het gebied. De beheerstaak (beheer en onderhoud van het landschap) door de agrarische sector zal daarentegen, gezien de maatschappelijke opgaven, van steeds grotere betekenis worden. De recente uitspraak (december 2024) van de Raad van State over het additionaliteitsbeginsel en intern salderen zal niet alleen van grote invloed zijn op de agrarische bedrijvigheid maar ook op niet agrarische economische activiteiten in het gebied. De juridische werkelijkheid als gevolg van de vele juridisch ongeldige vergunningen van dit moment gaat een grote impact hebben. Maar ook de economische
Luchtkwaliteit De hoge concentratie van veehouderijen heeft negatieve effecten op de luchtkwaliteit. De geurbelasting in het gebied is hoog en met name de pluimveehouderijen stoten veel fijnstof uit. Met innovaties hebben intensieve veehouderijen doorgaans wel de mogelijkheid om de emissies
10
werkelijkheid als gevolg het grote aantal natuurlijke stoppers, het sterk teruglopende rendement in de melkveehouderij en de opkoopregelingen heeft de komende jaren daarom naar verwachting een enorme invloed op het gebied. Zonder aanvullend integraal beleid zal de impact op het gebied sociaal, economisch en ruimtelijk sterk negatief zijn. Daarnaast is de verwachting dat zaken als ondermijning in toenemende mate ruimte krijgen in dit gebied.
In bijlage 2 zijn de autonome ontwikkelingen thematisch gerubriceerd. Bij elk thema is benoemd tot welke gevolgen dit leidt voor het gebied en of dit op de korte termijn of op de lange termijn zichtbaar zal worden. Daarnaast zijn de verwachte effecten benoemd.
Hieronder een overzicht van het effect van de autonome ontwikkelingen: ✓ Grote daling van het aantal agrarische bedrijven (halvering binnen tien jaar), daardoor forse toename van het aantal vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Het risico op ondermijning neemt toe. ✓ De melkveehouderij krijgt het financieel erg moeilijk en zal een economische sterk in belang afnemen. De beheerstaak van het landelijk gebied door de agrarische sector blijft van groot belang. ✓ De economische draagkracht van het gebied komt sterk onder druk te staan als gevolg van de uitspraken van de Raad van State rondom stikstof. Dit geldt zowel voor agrarische- als nietagrarische bedrijven. ✓ De natuur zal zich positief ontwikkelen als gevolg van de stikstofdaling. ✓ De KRW-maatregelen zorgen voor een betere bodem- en waterkwaliteit. De maatregelen zijn ook van invloed op het agrarisch grondgebruik (bemesting en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen). ✓ Klimaatrobuuste inrichting van beeksystemen zorgt voor betere klimaatbestendigheid van het gebied. Het heeft ook ruimtelijke impact en invloed op agrarisch grondgebruik. ✓ Het aantal rechtszaken rondom maatschappelijke opgaven neemt toe. Dit heeft gevolgen voor de vergunning van bedrijven en voor het beleid en de handhaving door overheden. ✓ Sociaalmaatschappelijke impact erg groot als gevolg van bovenstaande.
5.4 Bestuurlijke urgentie Door onzekerheid over het beleid, de onduidelijkheid over de juridische houdbaarheid van de vergunningen en het stilvallen van de vergunningverlening heerst er veel onzekerheid bij ondernemers en hun gezinnen. Landelijk beleid voor doelen op het gebied van stikstof, water en natuur zijn jarenlang vooruitgeschoven, waardoor de urgentie zeer hoog is opgelopen. Het bundelen van krachten en middelen door de gezamenlijke overheden in een programmatische aanpak leidt tot een gestructureerde daling van stikstof voor natuurherstel mede in verband met het additionaliteitsbeginsel en het verbeteren van de waterkwaliteit. Het realiseren van de sectorale doelen is daarom één van de argumenten voor samenwerking in een gebiedsproces. De overheden zijn momenteel los van elkaar met verschillende beleids- en uitvoeringssporen bezig om doelen te realiseren. Echter, er is een gezamenlijke agenda op basis van de doelen (zie bijlage 1 ‘Faserapportage Huis op Orde’), de ‘één-overheidsagenda’, en een gedeelde visie op wat de overheden in dit gebied willen bereiken (kijkrichting). Dit maakt het mogelijk om samen verder te komen dan wanneer ieder afzonderlijk werkt aan de realisatie van de doelen en het gewenste perspectief voor het gebied.
Overheden hebben verschillende deelbelangen die sneller en efficiënter en met meer draagvlak door een gezamenlijke uitvoeringsstrategie gerealiseerd kunnen worden.
11
Het ruimtelijk beleid van met name de gemeentes speelt daarbij een belangrijke rol. Sectorale doelen – korte termijn Op korte termijn is het belangrijk dat deze sectorale doelen snel worden gerealiseerd. De bestuurlijke urgentie bestaat uit de volgende punten: • De vergunningverlening zit “op slot” en ondernemers weten niet waar zij aan toe zijn. Beweging in beleid, regelgeving en stimulans is essentieel voor ondernemers om in/met het gebied te kunnen werken aan maatschappelijke doelen; Hiervoor is het belangrijk dat de overheden op één lijn naar buiten treden en geen tegenstrijdig beleid of instrumenten ontwikkelen. • Het combineren van instrumenten van de verschillende overheden is nodig om de gestapelde opgaven aan te pakken. • Naar verwachting zal de agrarische sector en vooral de melkveehouderij een steeds kleinere rol gaan spelen. Dit heeft grote impact op het gebied, zowel economisch als landschappelijk (ruimtelijke kwaliteit). Maar hoe groot die afname zal zijn en om welke effecten het precies gaat weten we niet. Die analyse is nodig om te kunnen anticiperen op de toekomst; • De huidige context is zeer dynamisch, er is nog veel onduidelijkheid omtrent het Rijksbeleid, de ontwikkelingen volgen elkaar snel op.
In deze tijd van onzekerheid met vele ‘schuivende panelen’ moeten de doelen als vertrekpunt worden genomen: wat kan er al wél? • Voor realisatie van de doelen is aansluiting nodig op de energie in het gebied. Welke burgers en ondernemers zijn er die op hun gronden of bedrijf invulling willen geven aan de opgaven?
Argumenten voor samenwerking op dit vlak zijn: • Het huidige beleid van de verschillende overheden is niet voldoende om perspectief te bieden aan het gebied. • Uitvoering geven aan de één-overheidsgedachte door beleid gezamenlijk af te stemmen. • Om beleid, bevoegdheden en instrumentarium op elkaar af te kunnen stemmen is meer nodig dan een regulier gezamenlijk overleg. Dit vraagt om een programmatische aanpak waarbij krachten en middelen gestructureerd worden ingezet en geborgd zijn in iedere organisatie. 5.5 Conclusie De omvang van de opgaven op landelijke schaal is groot en krijgt een forse doorvertaling naar dit gebied. Hierdoor is er grote onzekerheid bij ondernemers en hun gezinnen en ligt vergunningverlening volledig stil. Bevoegdheden, kennis en kunde liggen bij de afzonderlijke overheden, andere organisatie en ondernemers die allemaal vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en manier betrokken zijn bij de doelrealisatie. Met dit gebiedsproces wordt als gezamenlijke overheden middels een programmatische aanpak gestructureerd samen met het gebied een forse bijdrage geleverd aan natuurherstel en stikstofreductie mede i.v.m. het additionaliteitsbeginsel en waterkwaliteitsdoelen. De impact van de opgaven en autonome ontwikkelingen op het gebied zijn nu al enorm en grijpen allemaal op elkaar in.
Door gerechterlijke uitspraken over stikstof in relatie tot de houdbaarheid van vergunningen en onduidelijkheid over (on)mogelijkheden in relatie tot de opgaven staat een groot deel van de bedrijven op slot. Doelrealisatie van de maatschappelijke opgaven is de enige manier om de vergunningverlening weer vlot te trekken. Effectuering van maatschappelijke doelen gaat ook in de toekomst nog een grote impact geven op het gebied van economie, natuur en
Perspectief voor het gebied – lange termijn Voor de langere termijn gaat het meer over het perspectief dat de overheden het gebied willen bieden. De gewenste ontwikkelingen moeten worden gestimuleerd, gefaciliteerd en (juridisch) mogelijk gemaakt worden.
12
landschap, gezondheid en leefbaarheid. Door als gezamenlijke overheden aan een gezamenlijk gebiedsperspectief te werken kunnen de effecten van de maatschappelijke opgaven en de gebiedsontwikkeling in samenhang vormgegeven en uitgevoerd worden. Overheden kunnen dit niet alleen. Een intensieve betrokkenheid en samenwerking met mensen en ondernemers in het gebied is uitgangspunt om te komen tot een gezamenlijk gebiedsperspectief. De verwachting is dat aansluiten bij, verleiden tot dan wel aanjagen van de ondernemersgeest met een vrijwillig karakter om een bijdrage te leveren een grotere kans maakt dan een dwingend karakter (zoals bij de reconstructiewet). Dus: samen met het gebied, aansluiten bij het gebied.
13
Figuur 5: Overzichtskaart met beleidsopgaven en gebiedsindeling naar stroomgebieden
14
6
Tabel 1:Tabel Autonome ontwikkelingen versus gebiedsproces
Uitvoeringsstrategie
Thema
6.1 Kijkrichting De hoofdambitie is een duurzaam toekomstperspectief voor het gebied voor: 1. Een goede balans tussen het natuurlijk systeem en het economische (land-)gebruik: Voor een veerkrachtig, klimaat adaptief gebied; Voor hogere natuurwaarden en een beter milieu; Voor een herkenbare ruimtelijke- en landschappelijke identiteit; 2. Een toekomstbestendig ondernemers- en investeringsklimaat, voor de huidige ondernemersgezinnen en toekomstige generaties; 3. Een leefbare en gezonde fysieke leefomgeving voor mensen die wonen en verblijven in het gebied en daaromheen.
Stikstof Fijnstof Geur Waterkwaliteit Klimaatbestendigheid Natuur Leefbaarheid Zoönose Economie Samenwerking
Vertrekpunt daarbij is de kracht van het gebied: geworteld in traditie met een ondernemende blik gericht op de toekomst
Scenario 1 Autonome ontwikkelingen Daling Daling Daling Verslechtert Verbetert niet Verbetert langzaam Gaat achteruit Verbetert Gaat achteruit Sectoraal, synergie wordt niet benut
Scenario 2 Gebiedsproces Snellere daling Snellere daling Snellere daling Verbetert Verbetert Verbetert sneller Behoudt of versterkt Verbetert sneller Versterkt Integraal, synergie wordt benut
Uit deze tabel blijkt in zijn algemeenheid dat de doelen bij de thema’s in scenario 2 gebiedsproces sneller worden behaald of worden versterkt ten opzichte van scenario 1 autonome ontwikkelingen.
Scenario 1 Autonome ontwikkelingen In dit scenario is bestaand beleid uitgangspunt en ontwikkelingen uitgangspunt. Overheden werken informeren elkaar maar werken niet samen. Opgaven worden sectoraal benaderd. Duurzame ontwikkelingen in de agrarische sector worden niet of nauwelijks ondersteund. Er wordt gewerkt op basis van een gezamenlijk gebiedsperspectief.
Scenario 2 Gebiedsproces In dit scenario wordt het beleid van de verschillende overheden op elkaar afgestemd en wordt integraal programmatisch en gestructureerd samengewerkt aan een gezamenlijk gebiedsperspectief. Duurzame ontwikkelingen worden ondersteund.
Autonome ontwikkelingen dragen in dit gebied al bij aan doelrealisatie op het gebied van stikstof, natuur en water. De vraag is of dit voldoende zal zijn is mede afhankelijk van mogelijk generiek beleid vanuit het Rijk. Op dit moment is dat in deze Pré-verkenning buitengewoon moeilijk te kwantificeren. In tabel 1 is per thema een kwalitatieve omschrijving gegeven van de inschatting van het effect op het gebied.
De verwachting is dat met deze werkwijze de doelen sneller kunnen worden behaald. De overheden kunnen inzetten in op een gezamenlijke programmatische aanpak en zijn daarmee minder afhankelijk van het generiek beleid van de Rijksoverheid.
15
6.2 Vertrekpunten Bij het bepalen van de uitvoeringsstrategie zijn de volgende vertrekpunten vastgesteld:
fijnstof, geur, waterkwaliteit en ecologische verbindingszones. Daarom wordt voorgesteld om met deze twee deelgebieden te starten in de Préverkenning.
1. De gezamenlijke opgaven en agenda: gebiedsfiche De opgaven in het gebied zijn groot, met name voor stikstof, natuur en water. Daarnaast zijn ze urgent en complex. Ze hebben een grote economische en sociaal maatschappelijke impact op het gebied. Om versnelling te kunnen aanbrengen in de uitvoering, wordt voorafgaand aan de Verkenningsfase een gezamenlijk gebiedsfiche opgesteld, waarin specifiek voor dit gebied gekwantificeerde doelen zijn opgenomen. De opgaven in hectares zoals die door de provincie Gelderland zijn geformuleerd in gebiedsfiche 12, wijken namelijk af van de ambities van de overige overheden. De gezamenlijk bepaalde gebiedsdoelen worden vastgelegd in de gebiedsfiche. Deze wordt bestuurlijk voorgelegd en vastgesteld.
In de Verkenningsfase moet besloten worden hoe om te gaan met de andere twee deelgebieden. Afwegingen die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld koppelkansen tussen opgaven, waar worden al projecten uitgevoerd, zijn er initiatieven vanuit het gebied of waar liggen gebied overstijgende gebieden voor bepaalde opgaven. Het werken in deelgebieden maakt onderdeel uit van de uitvoeringsstrategie. 4. Aansluiten op cyclus gemeentelijke Omgevingsvisie Voor gemeenten is het van belang om regie te kunnen voeren op doelen. Uitgangspunt hierbij zijn de Omgevingsvisies en de daarbij behorende beleidscycli van de gemeenten. Het is belangrijk om de impact van de economische en juridische effecten in het gebied te blijven monitoren en bezien hoe deze zich verhouden tot de omgevingsvisies van de gemeenten Ede en Barneveld en de maatschappelijke opgaven.
2. Gebiedsafbakening Er wordt voorgesteld om het gebied voor de Verkenning uit te breiden met het zuidwestelijk deel van de gemeente Ede (grondgebied links van de A30 tot 100 meter onder de beekoever van de Lunterse beek en gemeentegrens). Dit in verband met de ligging van de ecologische verbindingszone rondom de Lunterse beek en het grote cluster van intensieve veehouderijen waardoor de opgaven op het gebied van stikstof, fijnstof, geur daar groot zijn.
6.3 Uitvoering In de komende verkenningsfase wordt op basis van de gezamenlijk gebiedsfiche, waarin de opgaven en ambities zijn benoemd, focus aangebracht in de uit te voeren maatregelen. De focus zal in eerste instantie vooral liggen op stikstofreductie om de natuur te herstellen en de vergunningverlening weer op gang te brengen. En daarnaast op de realisatie van de KRW-doelen omdat deze vóór 2028 gerealiseerd moeten zijn.
3. Deelgebieden In deze Pré-verkenning zijn oorspronkelijk drie deelgebieden benoemd op basis van de stroomgebieden van de drie beken. Ook is de strook van 500 meter rondom de Veluwe als deelgebied te onderscheiden, aansluitend op zowel gemeentelijk beleid als het nieuwe stikstofbeleid van de provincie.
6.3.1 Voorgestelde aanpak De overheden werken in een dynamisch gebiedsproces waarin met een programmatische gestructureerde aanpak gewerkt wordt aan doelrealisatie van de gezamenlijke gebiedsfiche middels een gebiedsprogramma.
De strook van 500 meter rondom de Veluwe is bijzonder urgent voor stikstofreductie en natuurherstel. En in het stroomgebied van de Lunterse beek bevindt zich een stapeling van opgaven op het gebied van stikstof,
16
Met dynamisch gebiedsproces wordt bedoeld dat de opgaven van de verschillende overheden gedurende het proces kunnen wijzigen. Een voorbeeld hiervan is het voorbereidingsbesluit dat in maart 2025 genomen is door het college van GS van de provincie Gelderland waarbij de strook van 500 meter rondom N2000 gebied de Veluwe is aangewezen ten behoeve van de stikstofreductie om de vergunningverlening weer op gang te kunnen brengen. Indien nodig wordt bij gewijzigde opgaven na onderling overleg het gebiedsprogramma aangepast.
-
Een uitgebreid overzicht van de verkenningsopdrachten is opgenomen in de bijlage 3. 6.3.3 Doe-spoor Naast de activiteiten in de Verkenningsfase, wordt er ook gewerkt aan uitvoering. Dit noemen we het Doe-spoor. Op dit moment zijn er al projecten in uitvoering en in voorbereiding. Het is van groot belang dat dit door blijft gaan en daar waar mogelijk wordt gestimuleerd of versneld. Binnen het doe-spoor informeren partijen elkaar over de projecten en wordt er afgestemd welke projecten individueel of samen met een andere gebiedspartner(s) worden opgepakt. Binnen het doe-spoor wil men ook leren van de projecten en het samenwerken. Om dit concreet te maken worden er in gezamenlijkheid drie projecten uitgelicht waarvoor onderzoeksvragen worden opgesteld om kennis en ervaring op te doen en te delen. Dit kan van grote toegevoegde waarde zijn bij de realisatie van het gebiedsprogramma.
In het gebiedsprogramma wordt per opgave omschreven of het generiek of gebiedsgericht wordt uitgewerkt, wie hiervoor verantwoordelijk is, welke uitvoeringsprojecten hieronder vallen, welke tijdslijn erbij hoort en hoeveel budget ervoor beschikbaar is. De manier waarop de doelen worden gerealiseerd wordt besproken en zoveel mogelijk samen bepaald met het gebied. Het verdient de aanbeveling om het gebiedsprogramma ter besluitvorming voor te leggen aan de bestuursorganen van de betrokken partijen. Dit geeft mandaat aan de betrokken bestuurders en bevordert continuïteit bij de uitvoering. 6.3.2 Verkenningsfase In de Verkenningsfase gaan de overheden actief aan de slag om te komen tot een gedragen gebiedsprogramma waarmee de uitvoering gezien de grote urgentie zo snel mogelijk kan worden gestart. Hieronder staat op hoofdlijnen opgesomd waarmee we z.s.m. willen starten: -
Bepalen met gebiedspartners welk uitvoeringsinstrumentarium het beste past bij de realisatie van het gebiedsprogramma.
Voor een uitgebreid overzicht van de projecten die aangedragen zijn door de opdrachtgevers zie bijlage 4. De lopende projecten zijn opgenomen in bijlage 1 Faserapportage Huis op Orde. 6.4 Kernwaarden voor de samenwerking Het benoemen en vaststellen van gezamenlijke kernwaarden is van belang voor een succesvolle en langdurige samenwerking.
Vaststelling van de aangepaste gebiedsbegrenzing Opstellen gebiedsprogramma en bijbehorende gebiedsbegroting waarbij opgaven en ambitie in balans zijn met de financiële middelen. Opstarten overleggen om te komen tot een gebiedsfinanciering door middel van een gebiedsfonds. In overleg met de agrarische sector over wat nodig is om te komen tot een duurzaam toekomstperspectief voor de sector. Instrumentenkoffer afstemmen op behoefte van het gebied waarbij stimuleren en faciliteren uitgangspunt is.
De volgende kernwaarden zijn benoemd: Er wordt gewerkt vanuit gezamenlijke urgentie aan een duurzaam toekomstperspectief voor het gebied. Overheden werken aan gezamenlijke agenda en steunen elkaar. Gezamenlijke verantwoordelijkheid is uitgangspunt zowel voor het integraal laten landen van generiek maatregelen of beleid.
17
-
-
nadrukkelijke voorkeur uitgesproken om als één overheid invulling te geven aan dit gebiedsproces. Invulling geven aan het opdrachtgeverschap heeft een formele- administratieve- en een inhoudelijke kant. Gezien deze situatie, de formele verantwoordelijkheid van de provincie Gelderland als het gaat om de reductie van stikstof en het zicht op de integrale opgave wordt aanbevolen de provincie Gelderland te consulteren of zij formeel opdrachtgever willen zijn voor de Verkenning. Als de provincie Gelderland hiertoe bereid is stelt deze na afstemming met de stuurgroep een uitvraag op voor de verkenningsfase en brengt deze daarna in procedure. Inhoudelijk is de stuurgroep opdrachtgever.
Zowel voor generieke als gebiedsgerichte maatregelen wordt gezamenlijk verantwoordelijkheid gedragen en genomen. Transparantie over wat niet meer kan maar ook over wat wel mogelijk is in het gebied. Gezamenlijk bewustzijn van de dynamiek in het krachtenveld in relatie tot het adaptieve proces. Wachten op duidelijkheid van generieke maatregelen sluit niet aan bij de urgentie van de opgaven in het gebied. Vanuit de gebiedsfiche wordt er gewerkt aan een gezamenlijk gebiedsprogramma op hoofdlijnen vanuit wat wel kan. Gezamenlijk wordt er geïnvesteerd in gebiedsgerichte en integrale ambtelijk en bestuurlijke sturing.
Organisatiestructuur In een gebiedsproces als deze met urgente en complexe opgaven is een juiste ambtelijke en bestuurlijke inbedding van belang. Bestuurlijk mandaat en aandacht voor bestuurlijke kwetsbaarheid vraagt blijvend aandacht. Op meerdere bestuurlijke tafels zoals bijvoorbeeld Foodvalley en NOVEX wordt er gesproken over dit gebiedsproces. Uitgangspunt voor de besluitvorming volgt de Omgevingswet: ‘centraal waar het moet en decentraal daar waar het kan’. In de ambtelijke organisatie is bestuurlijke dekking en doorzettingsmacht essentieel om invulling te kunnen geven aan de realisatie van het gebiedsprogramma. Het advies is om te gaan werken in de volgende structuur: • Stuurgroep (met onafhankelijk voorzitter) • Ambtelijke Project Groep (met onafhankelijk voorzitter) • Projectteam (uitvoerend voor de realisatiefase) Daarnaast blijven de verschillende overheidsbesturen een rol spelen bij de besluitvorming in het proces en de ambtelijke organisaties bij de uitvoering, o.a. van het Doe-spoor.
6.5 Organisatie De samenwerkende overheden hebben de wens uitgesproken om beleid en uitvoering van alle verschillende overheidslagen in het gebiedsproces op elkaar af te stemmen. Er wordt in het gebied als één overheid gewerkt aan de uitvoering van het gezamenlijk gebiedsfiche in de vorm van een gebiedsprogramma waarvoor bestuurders collectief verantwoordelijk zijn. De cyclus van de Omgevingswet en Omgevingsvisie zijn leidend om het beleid op elkaar af te stemmen. Afspraken over samenwerking Als eerste stap in de Verkenning wordt een document opgesteld waarin de rollen, taken en verantwoordelijkheden van alle partijen met inachtneming van de kernwaarden duidelijk worden omschreven. Advies is om dit document bestuurlijk vast te laten stellen als fundering voor verdere inhoudelijke en bestuurlijke samenwerking om te komen tot een gebiedsprogramma.
Stuurgroep We adviseren om te werken met een stuurgroep waarin alle betrokken gebiedspartijen, inclusief directe vertegenwoordigers uit het gebied zoals Staatsbosbeheer, vertegenwoordigd zijn onder leiding van een onafhankelijk voorzitter. De vertegenwoordigers uit het gebied worden bepaald op basis van de krachtenveldanalyse. De stuurgroep is de formele
Opdrachtgeverschap: Er speelt erg veel in het gebied en de gemeenten hebben gezien het ravijnjaar 2026 de nodige financiële uitdagingen die effect hebben op de mate van betrokkenheid bij de Verkenning. In dit gebiedsproces is gezien de urgentie en complexiteit van de maatschappelijke opgaven ambtelijk de
18
opdrachtgever voor de realisatie van het gebiedsprogramma. Vooraf moet duidelijk zijn wat de rol en bevoegdheid is van de stuurgroep. Een onafhankelijke voorzitter biedt continuïteit voor het proces en de realisatie van het gebiedsprogramma. Deze is niet gebonden aan de bestuurstermijnen en risico’s die inherent zijn aan het openbaar bestuur. Daarnaast maakt het de stuurgroep minder politiek waardoor bestuurders minder kwetsbaar zijn. Deze onafhankelijke voorzitter moet kunnen rekenen op de ambtelijke en bestuurlijke loyaliteit en betrokkenheid van de betrokken organisaties. Ambtelijke ondersteuning van de voorzitter bij haar of zijn taakuitvoering is hierbij uitgangspunt.
coördinatie tussen partijen en projecten, bewaken de kernwaarden en zijn het gezicht naar buiten. Dit team kan zich volledig richten op de realisatie van het gebiedsprogramma in de realisatiefase. We adviseren om het projectteam ook in te zetten in het Doe-spoor voor de inventarisatie, coördinatie en/of realisatie van lopende projecten of de projecten die binnenkort in de uitvoering gaan. Daarnaast kan het projectteam een selectie maken van een drietal projecten uit het Doe-spoor waarmee men kennis en ervaring wil opdoen. Dit voorstel kan ze vervolgens voorleggen aan de ambtelijke projectgroep en de tuurgroep ter besluitvorming. Door het projectteam in te zetten in het Doe-spoor wordt ervaring en kennis verzameld in de verkenningsfase die bij de verdere uitvoering van het gebiedsprogramma van meerwaarde is. Ook ondersteunt het projectteam de stuurgroep en de ambtelijke projectgroep bij het organiseren van de bijeenkomsten, afstemmen en voorbereiding van de stukken. Om te komen tot een goede samenwerking tussen het projectteam en de betrokken ambtelijke organisaties zijn bindende afspraken van belang.
Ambtelijke projectgroep Naast de stuurgroep adviseren we een ambtelijke projectgroep waarin alle betrokken partijen uit de stuurgroep vertegenwoordigd zijn. Vooraf moet duidelijk zijn wat de rol en bevoegdheid is van de ambtelijke projectgroep (APG). De ambtelijke projectgroep stemt af, bespreekt en toetst de stukken alvorens ze ter besluitvorming worden voorgelegd aan de stuurgroep. In deze ambtelijke projectgroep worden de voorstellen besproken alvorens ze worden voorgelegd aan de stuurgroep. Ook hier adviseren we een onafhankelijke voorzitter. Een onafhankelijke voorzitter draagt bij aan continuïteit en voorkomt dat ambtelijke medewerkers in een loyaliteitsspagaat komen.
Het projectteam dat hybride is verantwoordelijk voor de voorstellen richting ambtelijke projectgroep en stuurgroep en verantwoordelijk in de realisatiefase voor de uitvoering van het gebiedsprogramma. Tevens voor de afstemming en coördinatie tussen partijen en projecten. Het projectteam zal doordat zij het gezicht naar buiten zijn het meest in verbinding staan met de mensen in het gebied.
Indien nodig kan de voorzitter van de ambtelijke projectgroep interveniëren in de betrokken organisatie.
Een goede communicatie en samenwerking tussen de projectmanager van het projectteam en de leden van de stuurgroep kan bijdragen aan een goede verstandhouding met de mensen in het gebied en draagt daardoor bij aan een adequate uitvoering van het gebiedsprogramma.
Projectteam In verband met de urgentie en complexiteit en omvang van de opgaven adviseren we een projectteam bestaande uit o.a. projectmanager en projectsecretaris en vertegenwoordigers van de 4 overheden die betrokken zijn bij de uitvoering van lopende projecten. Voor de bemensing of ondersteuning van dit team wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de Rijks Uitvoerings Organisaties (RUO’s), bijvoorbeeld: Kadaster, Staatsbosbeheer en RVO. Het projectteam zorgt voor de onderlinge
6.6 Verantwoordelijkheden Er speelt erg veel in het gebied en de gemeenten hebben, gezien het ravijnjaar 2026, de nodige financiële uitdagingen die effect hebben op de mate van betrokkenheid bij de Verkenning. Gezien deze situatie en het feit dat de formele verantwoordelijkheid bij de provincie Gelderland ligt als het
19
gaat om de reductie van stikstof en het zicht op de integrale opgave, wordt aanbevolen de provincie Gelderland te consulteren of zij formeel opdrachtgever willen zijn voor de Verkenning. Als de provincie Gelderland daartoe bereid is stelt deze na afstemming met de met de stuurgroep een uitvraag op voor de verkenningsfase en brengt deze daarna in procedure.
voor verkenningsfase niet voor de zomer kunnen starten. Advies is om zodra na de bestuurlijke uitspraak van 4 juli direct te starten met de voorbereiding voor de uitvraag en deze in oktober in de markt zetten. Feitelijk kan de verkenning dan in januari starten. Gezien het feit dat er gemeenteraadsverkiezingen zijn in maart 2026 is afstemming met de wethouders van de beide gemeenten over hoe hiermee om te gaan van belang.
In het gebiedsprogramma wordt per programma (opgave) omschreven of het generiek of gebiedsgericht wordt uitgewerkt, wie hiervoor verantwoordelijk is, welke uitvoeringsprojecten hieronder vallen, welke tijdslijn erbij hoort en hoeveel budget ervoor beschikbaar is. Het verdient de aanbeveling om het gebiedsprogramma ter besluitvorming voor te leggen aan de bestuursorganen van de betrokken partijen. Dit geeft mandaat aan de betrokken bestuurders en bevordert continuïteit bij de uitvoering. 6.1 Participatie en communicatie Tijdens de Verkenning en het doe-spoor is participatie en communicatie belangrijk. Hiervoor is een participatieplan en communicatieplan nodig. De resultaten van krachtenveldanalyse die uitgevoerd is tijdens de Préverkenning dient als basis voor deze plannen. In de Pré-verkenningsfase is de krachtenveldanalyse uitgevoerd zonder externe gebiedspartijen. In de verkenningsfase worden vervolgens de externe gebiedspartijen betrokken en de krachtenveldanalyse zo nodig aangevuld. Het participatie- en communicatieplan wordt opgesteld op basis van de reeds uitgevoerde krachtenveldanalyse en later aangevuld en/of aangepast met de informatie van de externe partijen.
Figuur 6: Schematische weergave tijdslijn
6.3 Financiering Er is een inschatting op hoofdlijnen gemaakt van de personele capaciteit en de financiële consequenties hiervan voor de betrokken organisaties waarbij de provincie Gelderland opdrachtgever is. Ook dienen met de provincie Gelderland afspraken gemaakt te worden over de financiën gezien de zeer beperkte ruimte in de gemeentelijke begrotingen. In onderstaande tabel is dit op hooflijnen weergegeven. Bij de kosten voor het doe-spoor zijn we ervan uitgegaan dat deze in de projectkosten worden meegenomen en de bemensing van het projectteam grotendeels gefinancierd wordt via de provincie Gelderland. Kosten voor monitoring en beantwoording van de onderzoeksvragen in het doe-spoor zijn opgenomen in de geraamde uren.
In bijlage 5 zijn de aanbevelingen voor het participatie- en communicatieplan opgenomen. 6.2 Fasering Afhankelijk van bestuurlijke instemming met de verkenningsfase zal na de zomervakantie van 2025 de gezamenlijke intentieovereenkomst bestuurlijk worden ondertekend. Dit betekent niet dat de voorbereidingen
20
Tabel 2:Overzicht kosten per organisatie
Fase 1 samenwerking Provincie Gelderland (opdrachtgever) Waterschap Vallei en Veluwe RLG Gemeente Ede Gemeente Barneveld
Uren/week
Aantal weken
Uren collega’s
Totaal uren
Uurtarief
Kosten
12 6 6 6 6
12 12 12 12 12
30 15 15 15 15
174 87 87 87 87
€ 105 € 105 € 105 € 105 € 105
€18.270 €9.135 €9.135 €9.135 €9.135
Totaal kosten organisaties fase 1 Fase 2 inhoudelijke verkenning Provincie Gelderland Vallei en Veluwe RLG Gemeente Ede Gemeente Barneveld
€54.810
8 4 4 4 4
42 42 42 42 42
70 35 35 35 35
406 203 203 203 203
€ 105 € 105 € 105 € 105 € 105
€42.630 €21.315 €21.315 €21.315 €21.315
Totaal kosten organisaties fase 2
€127.890
Totaal kosten organisaties fase 1+2
€182.700
Kosten onafhankelijke voorzitters (2)
4
54
216
€ 145
€31.320
Inhuur extern bureau Verkenning
€100.000
Communicatie
€30.000
Kosten projectteam,3.5 fte, 1800 uur per jaar per fte (inclusief uren RUO’s)
6300
Totaal
€ 125
€787.500
€1.131.520
21
7
Conclusie
De opgaven in dit gebied zijn enorm, complex en urgent. Verantwoordelijkheden en instrumentarium liggen bij verschillende overheden die op dit moment ieder vanuit hun eigen deelbelang werken aan doelrealisatie. Dit leidt niet tot het gewenste perspectief voor het gebied. Doelstellingen zijn vooral te bereiken met een gebiedsproces waarin als één overheid wordt samengewerkt aan doelrealisatie. Door het bundelen van de krachten en de middelen van de verschillende overheden wordt met een programmatische aanpak gestructureerd invulling gegeven aan de daling van stikstof i.v.m. het additionaliteitsbeginsel en het realiseren van de doelen op het gebied van water en natuur. Uitkomst van de Pré-verkenning is dat ambtelijk unaniem de conclusie is getrokken dat er draagvlak is voor de verkenning. Het advies luidt dan ook: Het project doorzetten naar een verkenningsfase en uitvoering geven aan de daarvoor benoemde acties. Parallel daaraan het doe-spoor met lopende en aankomende projecten intensiveren.
22
Bijlage 1 Rapportage Huis op orde
23
Faserapportage Huis op Orde Préverkenning landelijk gebied Ede-Barneveld
datum projectnummer
16 mei 2025 241325
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
Faserapportage Huis op Orde project projectnummer projectleider
Pré-verkenning landelijk gebied Ede-Barneveld 241325 Eric Kleissen
adres
Gemeente Ede Postbus 9024 6710 HM EDE GLD
status
Definitief
opdrachtgever
paraaf gecontroleerd
Eric Kleissen
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
Inhoudsopgave 1
Inleiding
1
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Ruimtelijke identiteit van het gebied Inleiding Het natuurlijke landschap Menselijke ontwikkeling in een natuurlijk landschap Ontwikkelingen vanaf ca. de 19e eeuw Het huidige landschap en de opgaven
2 2 2 5 6 8
3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.3.5 3.4 3.5 3.5.1 3.6 3.7
Maatschappelijke opgaven Natuur en landschap Overzicht opgaven en samenhang met andere thema’s Natura 2000 Nieuwe Natuur Gelders Natuurnetwerk (GNN) Groene Ontwikkelzone (GO) Groenblauwe dooradering Biodiversiteit Stikstof (NH3) Water en bodem Overzicht opgaven en samenhang met andere thema’s Waterkwaliteit en ecologie Droogte en wateroverlast Drinkwater Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Overzicht opgaven en samenhang met andere thema’s Fijnstof Stikstof (NO2) Broeikasgassen (CO2 en CH4) Geur Verstedelijking en natuurcompensatie Recreatie Recreatie, erfgoed en cultuurhistorie Erfgoed en cultuurhistorie Defensie
10 10 10 12 13 14 15 16 17 19 22 22 23 26 30 32 33 33 34 36 37 39 39 40 40 43 44
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4
Landbouw Wettelijke opgaven en beleidsambities Huidige agrarische sector Ontwikkelingen in de agrarische sector Gevolgen voor de agrarische sector Daling aantal bedrijven Beëindigingsregelingen Intern salderen Grondprijs
45 45 48 50 51 51 51 52 52
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
4.4.5 Klimaatverandering 4.4.6 Mestafzetkosten 4.4.7 Extensivering melkveehouderij 4.4.8 Nitraatrichtlijn 4.4.9 Landschap en biodiversiteit 4.4.10 KRW 4.4.11 Bodemgezondheid 4.4.12 Economische draagkracht
52 52 52 53 53 53 53 53
5
Niet-agrarische bedrijven
54
6
Deelgebieden
55
7
Bronnenlijst
56
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
1
Inleiding
Voor de zone tussen Ede en Barneveld, langs de gemeentegrens in de lijn Stroe, Kootwijkerbroek, Wekerom, Harskamp, Otterlo en Lunteren wordt onderzocht of het kansrijk is om een gebiedsproces te starten. Het betreft het overgangsgebied rondom Natura 2000-gebied de Veluwe en het bovenstroomse deel van de stroomgebieden van de Barneveldse Beek en de Lunterse Beek. In dit gebied is sprake van een hoge concentratie aan bedrijven met kalveren, pluimvee en varkens. Dit staat op gespannen voet met de stikstofopgave en de opgaven voor het herstel van het natuurlijke watersysteem (waaronder de beken), waterkwaliteit, luchtkwaliteit en biodiversiteit. De natuurlijke kaders van het watersysteem, onder meer vormgegeven in het principe ‘bodem en water sturend’, worden steeds belangrijker voor toekomstbestendig beleid, ruimtelijke inrichting en bedrijvigheid. De maatschappelijke opgaven voor dit gebied dragen hieraan bij. Een ander belangrijk aandachtspunt is recreatie en toerisme. Er liggen kansen voor de koppeling met de doelen voor natuur, biodiversiteit en waterberging. Door de mogelijkheden en kwaliteit voor recreatie in dit gebied te versterken, kan de druk op de Veluwe verlicht worden. Tevens heeft dit landelijk gebied de functie van uitloopgebied voor de lokale stedelijke kernen.
In deze fase van de Préverkenning, fase Huis op Orde, bekijken we welke doelen er zijn voor het gebied, waar de knelpunten liggen en waar de samenhang. In dit document worden de hoofdlijnen maar wel concreet weergegeven. Daar waar mogelijk , hebben we de kwantitatief geformuleerde doelstellingen opgenomen. Soms is echter alleen een beschrijvende doelstelling beschikbaar. Deze rapportage is een bundeling van de ruimtelijke gebiedsanalyse met de wettelijke opgaven, beleidsambities, instrumenten, de uitgangssituatie en ontwikkelingen. De landschapsstructuur vormt daarbij het startpunt.
datum referentie
16 mei 2025 241325_AdB_RAP_Fase2_v2.0
P 1/56
2
Ruimtelijke identiteit van het gebied
2.1
Inleiding
Het landschap van Ede-Barneveld is gevormd door de dynamische wisselwerking tussen bodem en water. Dit karakteristieke samenspel bepaalt het reliëf en vormt zo de natuurlijke randvoorwaarden waarin de mens zich al duizenden jaren heeft ontwikkeld. Het landschap biedt daarmee essentiële kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen. Zonder aandacht voor deze natuurlijke kaders kan ondoordachte ontwikkeling leiden tot complexe problemen. Om dit te voorkomen, stelt het Rijk bodem en water centraal in de ruimtelijke ordening, zodat nieuwe ontwikkelingen in harmonie zijn met het landschap. In het licht van de huidige maatschappelijke uitdagingen—zoals de agrarische transitie, de stikstofcrisis, natuurbehoud en de verbetering van waterkwaliteit—is het essentieel om het landschap vanuit een brede context te beschouwen. Deze landschapsstructuuranalyse brengt deze thema's samen binnen de specifieke context van Ede-Barneveld. De analyse onderzoekt de wisselwerking tussen het natuurlijke landschap en de menselijke invloeden door de tijd heen. Dit inzicht vormt waardevolle input voor een mogelijk gebiedsproces in Ede-Barneveld. 2.2