B-3.2 Besluit B&W over Werkwijze Spuitzonering, d.d. 28 oktober 2025
Tekst van het document
Gedacht kan ook worden aan opslagloodsen waar alleen mensen aanwezig zijn bij de aan- en afvoer van de producten die opgeslagen worden. Dat zal dan geen langdurig verblijf zijn. Of in een concreet geval geen sprake is van een gevoelige functie moet in ieder geval beredeneerd kunnen worden. 4. Worden nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt, die er dus eerder niet waren, dan ligt het voor de hand dat daarbij een spuitvrije zone in acht moet worden genomen. Minder duidelijk is of ook wijziging van een bestaande gevoelige functie ertoe kan leiden dat rekening moet worden gehouden met een spuitvrije zone. Te denken valt dan de uitbreiding van een bestaande woning, het splitsen van een woning of een functieverandering. 5. Ik meen dat als criterium kan worden aangehouden of sprake is van een intensivering van de functie, in die zin dat de wijziging ertoe leidt dat er meer mensen langdurig aanwezig kunnen op de locatie. Bij het toestaan van zo’n intensivering moet dan rekening worden gehouden met spuitvrije zones. Ik teken daarbij wel aan dat de jurisprudentie van de Afdeling wispelturig is en dat er in veel gevallen discussie mogelijk is over de vraag of sprake is van een intensivering. Bij woningsplitsing zal meestal sprake zijn van meer mensen die langdurig aanwezig zijn, maar dat hoeft niet altijd het geval zijn.
1 van 3
6. In de jurisprudentie van de Afdeling is een spuitvrije zone van 50 meter als hiervoor bedoeld een hard vereiste, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Onder de Omgevingswet is het criterium voor planologische procedures niet langer een goede ruimtelijke ordening, maar een evenwichtig toedeling van functies aan locaties, maar er is geen reden om aan te nemen dat dit leidt tot wijziging van deze jurisprudentie. Er zijn uitspraken van de Afdeling waarin wordt geaccepteerd dat geen spuitvrije zone wordt aangehouden of een spuitvrije zone die kleiner is dan 50 meter, maar dat zijn uitzonderingen. 7. Nu gaat deze jurisprudentie altijd over situaties waarin beroep wordt ingesteld omdat geen of een te kleine spuitvrije zone is aangehouden, en zou er voor kunnen worden gekozen om deze problematiek alleen te adresseren wanneer wordt verwacht dat op dit punt beroep wordt ingesteld, maar dat zou een opportunistische benadering zij en bovendien is vooraf niet te voorspellen of dit onderwerp aan de orde wordt gesteld of niet. 8. Wanneer de gemeente consequent wil zijn, zou in alle gevallen waarin een nieuwe gevoelige functie planologische mogelijk wordt gemaakt in de nabijheid van gronden met een agrarische bestemming, moeten worden verlangd dat een spuitvrije zone van 50 meter wordt aangehouden tussen de gevoelige functie en agrarische bestemming.
Eerder is de vraag gesteld of er op dit punt een onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen nieuwe initiatieven en plannen die al in een verder gevorderd stadium zijn, in die zin dat het bij de laatste categorie niet alsnog wordt gevraagd wanneer dat in een eerder stadium niet is gebeurd, maar ik zie geen aanleiding voor het maken van dat onderscheid. Het is voor de initiatiefnemer weliswaar vervelend wanneer een eis wordt gesteld die eerder niet is gesteld, maar de initiatiefnemer is verder van huis wanneer het plan alsnog stukloopt op deze kwestie. 9. Wanneer de afstand tussen gevoelige functie en de agrarische bestemming korter is dan 50 meter, zou dan van de initiatiefnemer moeten worden verlangd dat die met de eigenaar van de gronden met een agrarische bestemming overeenkomt dat deze eigenaar geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt op gronden die op kortere afstand dan 50 meter van de gevoelige functie liggen, waarbij het in de rede ligt dat de eigenaar van de agrarische gronden daarvoor wordt gecompenseerd. In dat geval is de spuitvrije zone privaatrechtelijk geborgd.
Gelet op het feit dat de Afdeling regelmatig heeft overwogen dat het feit dat de huidige eigenaar van agrarische gronden geen gebruik zal maken van gewasbeschermingsmiddelen, nog niet hoeft te betekenen dat een rechtsopvolger dat ook niet zal doen, zou zo’n privaatrechtelijke regeling eigenlijk ook in moeten houden dat ook rechtsopvolgers geen gebruik zullen maken van gewasbeschermingsmiddelen, door middel van een kettingbeding of een kwalitatieve verplichting, maar feit is dat wanneer een regeling is getroffen met de eigenaar van de agrarische gronden, deze eigenaar naar alle waarschijnlijkheid geen beroep zal instellen en de vraag of de privaatrechtelijke borging voldoende is, niet bij de Afdeling aan de orde zal komen. 10. De borging kan ook publiekrechtelijk zijn door in het omgevingsplan de agrarische functie te beperken of door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verbieden op agrarische gronden voor zover die op kortere afstand dan 50 meter van de nieuwe gevoelige functie zijn gelegen. Dan ontstaat op die manier alsnog een spuitvrije zone van 50 meter. Die middelen zouden kunnen worden ingezet wanneer geen privaatrechtelijke overeenstemming wordt bereikt tussen de initiatiefnemer en de eigenaar van de agrarische gronden.
In een zeer recente zaak in mijn praktijk stelde de eigenaar van gronden met een agrarische bestemming, die niet als zodanig werden gebruikt, dat hij door nieuwe woningbouw werd beperkt in de mogelijkheid om die gronden alsnog agrarisch te gebruiken, omdat dan een spuitvrije zone 2 van 3
zou moeten worden aangehouden, maar het resultaat daarvan was dat de gemeente een voorbeschermingsbesluit nam waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op die gronden werd verboden. 11. Er is jurisprudentie van de Afdeling en ook van sommige rechtbanken waarin het niet aannemelijk wordt geacht dat gronden waarop nu geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bijvoorbeeld omdat ze voor een veehouderij worden gebruikt, in de toekomst wel zullen worden gebruik voor teelt waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Dan is een spuitvrije zone niet aan de orde. Dat gebeurt dan vooral wanneer de eigenaar van de agrarische gronden heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling is om die gronden te gebruiken voor teelt, en om daar dan gewasbeschermingsmiddelen bij te gebruiken. Er zijn echter meer uitspraken waarin de enkele mogelijkheid dat gronden met een agrarische bestemming voor teelt worden gebruikt doorslaggevend wordt geacht voor het eisen van een spuitvrije zone. 12. Er zijn ook gevallen waarin een spuitvrije zone wordt geaccepteerd die kleiner is dan 50 meter, maar daar moet dan locatiespecifiek onderzoek aan ten grondslag liggen. De volgende omstandigheden kunnen eraan bijdragen dat een kleinere spuitzone op grond van locatiespecief onderzoek wordt geaccepteerd: -
-
er wordt alleen handmatig gespoten en het aantal keren dat dit gebeurt is beperkt; de ligging van de gevoelige functie en de agrarische gronden ten opzichte van elkaar met het oog op de windrichting; er vinden driftreducerende maatregelen plaats (bijvoorbeeld omdat dit moet om te voldoen aan de voorschriften van het Besluit activiteiten leefomgeving die vooral zien op het voorkomen dat drift in het oppervlaktewater terechtkomt); er zijn windhagen of andere voorzieningen (bijvoorbeeld kokosmatten) aanwezig die voorkomen dat drift zich verspreidt, maar dan moeten de aanwezigheid daarvan en het onderhoud wel geborgd zijn.
13. Kort samengevat is mijn advies dus als volgt: in alle gevallen waarin het realiseren van een nieuwe gevoelige functie, een functie waar mensen langdurig aanwezig kunnen zijn, op kortere afstand dan 50 meter van gronden met een agrarische bestemming mogelijk wordt gemaakt door middel van een planologische procedure moet aan de orde komen of niet alsnog een spuitvrije zone van 50 meter tot die nieuwe gevoelige functie moet worden gerealiseerd. In een beperkt aantal gevallen is dit niet nodig, maar wanneer die gevallen zich niet voordoen, dient alsnog privaatrechtelijk of publiekrechtelijk te worden geborgd dat een spuitvrije zone van 50 meter in acht wordt gehouden.
3 van 3
Gemeente Barneveld legt uitgangspunten vast voor spuitvrije zones De gemeente Barneveld heeft uitgangspunten vastgesteld voor de toepassing van spuitvrije zones bij nieuwe ruimtelijke plannen. Aanleiding daarvoor zijn het gebrek aan landelijke wet- en regelgeving en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze jurisprudentie maakt duidelijk dat bij functieveranderingen doorgaans een minimale afstand van 50 meter tussen agrarische gronden en gevoelige functies moet worden aangehouden. Wethouder Wijnne: “Met deze uitgangspunten sluiten we aan bij de lijn van de Raad van State en zorgen we voor een eenduidige, juridisch houdbare werkwijze. Zo weten initiatiefnemers waar ze aan toe zijn en voorkomen we onnodige vertraging in planprocessen.” Behoefte aan landelijke regelgeving Ondanks dat in mei 2024 een motie is aangenomen door de Tweede Kamer is er nog geen zicht op landelijke regelgeving over het onderwerp spuitzonering. Daarom baseert de gemeente zich op uitspraken van de Raad van State. We stellen geen nieuw beleid vast, maar geven het een praktische invulling aan bestaande jurisprudentie. De uitgangspunten zorgen voor eenduidige advisering bij ruimtelijke initiatieven, zodat spuitzonering tijdig en zorgvuldig kan worden meegenomen in de planvorming. Dit geldt voor nieuwe plannen en voor plannen die zich nog in een vroeg stadium bevinden.
Deels over andermans grond Wanneer een spuitvrije zone niet volledig op het perceel van de initiatiefnemer kan worden gerealiseerd kan de zone eventueel deels over andermans grond worden gelegd. Dit is alleen van toepassing bij plannen van groot maatschappelijk belang, zoals bijvoorbeeld grootschalige woningbouwprojecten. Het is aan de initiatiefnemer om afspraken te maken met aangrenzende grondeigenaren. Flexibel bij toekomstige ontwikkelingen De gemeente benadrukt dat het om een pragmatische werkwijze gaat. Mocht landelijke wet- of regelgeving of nieuwe jurisprudentie aanleiding geven om de uitgangspunten aan te passen, dan zal dit worden verwerkt in een herziene werkwijze. Wethouder Wijnne: “We bieden hiermee vooral duidelijkheid en voorspelbaarheid voor initiatiefnemers en zorgen voor een zorgvuldig proces bij ruimtelijke ontwikkelingen in ons buitengebied.”