B-3.2 Besluit B&W over Werkwijze Spuitzonering, d.d. 28 oktober 2025
Tekst van het document
Aandachtsgebied: Leefomgeving Team Beleid Leefomgeving Behandelaar: D. Bol Telefoonnummer: 0342495269 Onderwerp:
Voorstelnr. 4370 Barneveld, 28 oktober 2025 Portefeuillehouder: B. Wijnne
Werkwijze Spuitzonering (BL-Bol)
Gevraagde beslissing: 1. 2.
In te stemmen met de werkwijze zoals opgenomen in de memo spuitzonering (bijlage 1) en deze van toepassing te verklaren voor alle toekomstige ruimtelijke plannen en de plannen die zich op dit moment in de fase Vooronderzoek of de fase Uitwerkingsverzoek fase 1 bevinden; Dit collegebesluit via Rubriek B ter kennisname aan te bieden aan de raad.
1. Inleiding Het aspect spuitzonering is een actueel onderwerp dat steeds meer aandacht van bewoners, media, politiek en de rechtspraak krijgt. Daarbij gaat het onder andere om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het opnemen van zogenaamde spuitvrije zones. Er is momenteel echter geen landelijke wet- en regelgeving, ondanks dat in mei 2024 hierover een motie is aangenomen door de Tweede Kamer. Hierdoor is het aan gemeenten zelf om al dan niet beleid en/of regels op te stellen. Daarbij vormt jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een goed uitgangspunt. Door de afgelopen jaren heen heeft de Afdeling meerdere uitspraken gedaan over de toepassing van spuitvrije zones. De jurisprudentie geeft aanleiding om een richtinggevende uitspraak over hoe wij om willen gaan met deze zones bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit speelt met name bij verzoeken om functieverandering nabij agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De Afdeling hanteert als vuistregel dat bij functieveranderingen een minimale afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen, scholen of kinderdagverblijven) en agrarische gronden in acht moet worden genomen.
Bij de beoordeling van initiatieven moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, ook als op dit moment geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Met dit voorstel stellen wij geen nieuw beleid vast, maar leggen wij duidelijke uitgangspunten vast voor een eenduidige en juridisch houdbare werkwijze. Hierdoor geven we een praktische invulling aan de bestaande jurisprudentie. Mocht er wet- en regelgeving of nieuwe jurisprudentie ontstaan waardoor de uitgangspunten moeten worden gewijzigd, dan zal dit worden verwerkt in onze werkwijze. Op deze manier passen we een pragmatische aanpak toe om spuitzonering te betrekken bij de toetsing van de plannen. Zo kunnen initiatiefnemers en de gemeente tijdig en zorgvuldig rekening houden met spuitzonering bij planvorming. Bijgevoegde memo bevat de werkwijze over hoe we om willen gaan met spuitzonering met uitgangspunten voor verschillende situaties. Extern juridisch advies is hierin verwerkt (zie bijlagen 2 en 3).
2. Beoogd effect Met dit voorstel wordt beoogd de gemeentelijke werkwijze in lijn te brengen met actuele jurisprudentie en de evenredige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) beter te borgen. Met het opnemen van richtlijnen is de gemeente beter in staat om de haalbaarheid van ruimtelijke plannen te toetsen op het aspect spuitzonering. Ook bevorderen we een zorgvuldige ruimtelijke afweging tussen agrarisch gebruik en gevoelige functies. Ten slotte sluiten we aan bij de doelstellingen in de omgevingsvisie ten aanzien van een toekomstbestendig landelijk gebied en de impact op de volksgezondheid. De werkwijze fungeert als bouwsteen voor nog op te stellen beleid voor onder andere spuitzonering.
3. Argumenten
-2-
1.1 Juridische houdbaarheid van ruimtelijke plannen wordt vergroot Door de werkwijze te baseren op bestaande jurisprudentie wordt aangesloten bij het juridisch kader dat door de Afdeling is ontwikkeld. Dit vergroot de rechtszekerheid voor zowel initiatiefnemers als de gemeente en wordt de kans verkleind dat een plan later door de rechter wordt vernietigd. 1.2 De werkwijze voorkomt toekomstige belemmeringen voor agrariërs Wanneer in een omgevingsplan geen spuitvrije zone wordt opgenomen, behouden agrariërs het recht om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. In civiele procedures kan dit echter alsnog tot beperkingen leiden. Een recent voorbeeld betreft een rechterlijk verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij lelieteelt naast een woonwijk in Sevenum. Ondanks naleving van het planologisch kader oordeelde de rechter dat de gezondheidsrisico’s voor omwonenden te groot waren. 1.3 De werkwijze sluit aan bij de opgaven in de Omgevingsvisie Barneveld 2040 Het opnemen van spuitvrije zones draagt bij aan de bescherming van omwonenden tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, vooral bij langdurige blootstelling. De werkwijze is in lijn met de opgaven ten aanzien van het aspect toekomstbestendig en gezond Barneveld zoals opgenomen in de Omgevingsvisie.
Door het beoordelen van ruimtelijke ontwikkelingen op gezondheidsaspecten beperken we de impact van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. 2.1 De werkwijze geldt voor toekomstige ruimtelijke plannen en ruimtelijke plannen die zich bevinden in een vroeg stadium van het planvormingsproces De werkwijze zal gaan gelden voor alle nieuwe toekomstige ruimtelijke plannen en voor de bestaande plannen die zich in de fase Vooronderzoek (VO) of fase uitwerkingsverzoek fase 1 (UV-1) bevinden. Concreet betekent dit dat we voor deze plannen een spuitvrije zone zullen opnemen. Voor plannen die verder zijn in het planvormingsproces zullen we niet actief een spuitvrije zone opnemen. Door deze ‘knip’ te hanteren zorgen we ervoor dat initiatiefnemers van lopende vergevorderde plannen het minst benadeeld worden door deze werkwijze. Tegelijk is dit een uitfaseringsconstructie. Immers, de nieuwe ruimtelijke plannen worden beoordeeld op het aspect spuitzonering, terwijl vergevorderde plannen waarbij deze toets niet heeft plaatsgevonden, steeds minder worden. Dit omdat deze procedures na vaststelling en het onherroepelijk worden ervan afgerond worden.
4. Kanttekeningen
1.1 Werkwijzen omtrent spuitzonering blijven juridisch kwetsbaarheid Door het ontbreken van landelijke wet- en regelgeving blijft de toepassing van spuitzones juridisch complex. De jurisprudentie biedt richting, maar sluit niet altijd aan op de praktijk. Hierdoor blijft enige onzekerheid bestaan ongeacht de werkwijze. Met de voorgestelde werkwijze blijven we zo dicht mogelijk bij vaste jurisprudentie en proberen we zoveel mogelijk juridische zekerheid te borgen. 1.2 Het opnemen van een spuitvrije zone is niet mogelijk met een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) Het opnemen van spuitvrije zones is niet mogelijk met een BOPA-procedure. Een BOPA richt zich op de vergunninghouder en niet noodzakelijk op de eigenaar van omliggende gronden. Hierdoor zullen vaker wijzigingen van het omgevingsplan nodig zijn, wat de doorlooptijd van procedures kan verlengen. 1.3 De voorgestelde werkwijze is een tijdelijke uitwerking van bestaande jurisprudentie De voorliggende werkwijze vormt geen nieuw beleid, maar een tijdelijke uitwerking van bestaande jurisprudentie. Op een later moment zal het aspect spuitzonering beleidsmatig worden uitgewerkt, zodat structureel richting kan worden gegeven aan toekomstige omgevingsplannen.
2.1 De werkwijze is geen oplossing voor bestaande situaties en ruimtelijke plannen die zich in een ver gevorderd stadium bevinden De werkwijze ziet uitsluitend op nieuwe en lopende ruimtelijke plannen die zich in een bepaalde fase bevinden. In bestaande situaties zonder spuitvrije zone blijft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter van gevoelige functies formeel toegestaan.
5. Financiën
-3-
Dit voorstel heeft geen directe financiële consequenties voor de gemeente Barneveld. De werkwijze wordt opgenomen in de reguliere planologische werkzaamheden en gedekt door de legesverordening.
6. Participatie en communicatie a) Participatie
Er heeft geen directe participatie ten aanzien van dit collegevoorstel plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat het voorstel een werkwijze betreft hoe om te gaan met de bestaande jurisprudentie rondom het aspect spuitzonering. We zijn voornemens om nader beleid op te stellen ten aanzien van spuitzonering. In dat traject zal participatie plaatsvinden volgens de richtlijnen van het vastgestelde participatiebeleid.
b) Communicatie Lopende ruimtelijke plannen (voorfase of uitwerkingsfase 1) Na besluitvorming worden betrokken initiatiefnemers geïnformeerd over de toepassing van spuitvrije zones. Indien zij overeenstemming bereiken met grondeigenaren, wordt de zone opgenomen in het omgevingsplan. Wanneer geen overeenstemming wordt bereikt en het plan geen maatschappelijk belang dient, zal geen medewerking worden verleend. Het plan kan dan worden ingetrokken of aan de raad worden voorgelegd ter weigering. Toekomstige initiatieven Initiatiefnemers worden bij aanvang gewezen op het aspect spuitzonering zodat zij hier op een vroeg moment rekening mee kunnen houden. Dit bevordert voorspelbaarheid en voorkomt teleurstellingen in latere planfasen. Persbericht en eventueel een persgesprek Er is een communicatieadviseur gekoppeld aan het dossier spuitzonering. Na het collegebesluit zal het bijgevoegde persbericht uitgaan (bijlage 4). Er zal nog nader bepaald worden of een persgesprek noodzakelijk is.
7. Vervolgstap
Lopende ruimtelijke plannen (voorfase of uitwerkingsfase 1) Initiatiefnemers worden geïnformeerd over de geldende uitgangspunten en gevraagd om de benodigde spuitvrije zones in de plannen te verwerken. Toekomstige plannen Bij de beoordeling van nieuwe initiatieven wordt structureel rekening gehouden met het aspect spuitzonering. Verwerking in beleid Binnen het beleidsprogramma Landelijk Gebied of in ander op te stellen beleid wordt spuitzonering beleidsmatig en integraal verder uitgewerkt. Revisie bestaande planregels De huidige planregels in het omgevingsplan worden waar nodig herzien, zodat ze beter aansluiten op de jurisprudentie en gezondheidsbescherming. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de afstandsregels voor tuingebruik en de mogelijkheid om met een vergunning af te wijken bij deskundig onderzoek.
8. Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Memo Spuitzonering Advies Nysingh deel 1 Advies Nysingh deel 2 Persbericht Werkwijze Spuitzonering
Memo Datum: 29 oktober 2025 Onderwerp: Ter attentie van: Afzender:
Spuitzonering College van burgemeester en wethouders J. van der Linden en M. van ’t Veld 1. Aanleiding Het aspect spuitzonering is een actueel onderwerp dat steeds meer aandacht van bewoners, media, politiek en de rechtspraak krijgt. Daarbij gaat het onder andere om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij lelie- en fruitboomteelt, maar ook bij gewassen zoals aardappelen en maïs. Ook gaat het om zogenaamde spuitvrije zones. Er is momenteel echter geen landelijke wet- en regelgeving, ondanks dat in mei 2024 hierover een motie is aangenomen door de Tweede Kamer. Hierdoor is het aan gemeenten zelf om al dan niet beleid en/of regels op te stellen. Daarbij vormt jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een goed uitgangspunt. Door de afgelopen jaren heen zijn door de Afdeling uitspraken gedaan over het toepassen van spuitvrije zones. Op basis van deze jurisprudentie is er behoefte om duidelijkheid te krijgen over hoe wij als gemeente Barneveld om willen gaan met spuitvrije zones bij het mogelijk maken van gevoelige functies naast agrarische percelen. Dit speelt met name bij verzoeken om functieverandering. We maken op dit moment geen nieuw beleid, maar willen door duidelijke uitgangspunten te formuleren zorgen voor eenduidige advisering die bijdraagt aan de haalbaarheid van plannen.
Hierdoor geven we een praktische invulling aan de bestaande jurisprudentie. Op deze manier passen we een pragmatische aanpak toe om spuitzonering te betrekken bij de toetsing van de plannen. Mocht er landelijke weten regelgeving of nieuwe jurisprudentie ontstaan waardoor de uitgangspunten moeten worden gewijzigd, dan zal dit worden verwerkt in onze werkwijze. De Afdeling hanteert als vuistregel dat bij functieveranderingen de afstand tussen gevoelige functies en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden minimaal 50 meter moet zijn. Bij het beoordelen van initiatieven moet hieraan getoetst worden, waarbij wij moeten uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden. Dat houdt in dat ook agrarische grond waar op dit moment geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast in de beoordeling meegenomen moet worden. In dit adviesmemo wordt richting gegeven aan het aspect spuitzonering bij plannen. Ook worden uitgangspunten geformuleerd voor verschillende situaties. Tenslotte wordt ingegaan op communicatie. Bij deze memo zijn verschillende disciplines betrokken en is Nysingh om nader juridisch advies gevraagd. Het advies van Nysingh is als bijlage bijgevoegd en verwerkt in deze memo. 2.
Advies a. Bij functieverandering een spuitvrije zone van 50 meter opnemen Bij functieverandering moet rekening worden gehouden met een spuitvrije zone van 50 meter tussen de gevoelige functie en het agrarisch perceel dat bespoten
mag worden. In de jurisprudentie is een dergelijke spuitvrije zone een duidelijke vuistregel. Dit vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening of een evenwichtige toebedeling aan functies (ETFAL). Er zijn uitspraken van de Afdeling waarin wordt geaccepteerd dat geen spuitvrije zone wordt aangehouden of een spuitvrije zone die kleiner is dan 50 meter, maar dat zijn uitzonderingen. b. Bij alle nieuwe gevoelige functies een spuitvrije zone opnemen Bij nieuwe gevoelige functies moet rekening worden gehouden met een spuitvrije zone. Dit zijn functies waar mensen langdurig aanwezig kunnen zijn. Dat is een ruim begrip waar onder andere woningen en tuinen, werklocaties, speel- en recreatievoorzieningen onder vallen. Functies waarvoor beredeneerd kan worden dat mensen er niet langdurig verblijven zijn bijvoorbeeld de oprit, parkeerplaatsen en opslagloodsen waar alleen mensen aanwezig zijn bij de aanen afvoer van de producten die opgeslagen worden. Een uitzondering op het opnemen van een spuitvrije zone is als een gevoelige functie vergunningsvrij gerealiseerd kan worden, zoals een mantelzorgwoning. Dan geldt de verplichting niet, tenzij de gemeente dat beleidsmatig anders heeft bepaald. Dat is bij ons (nog) niet het geval. Op dit moment kunnen we een spuitvrije zone dan ook niet afdwingen wanneer een gevoelige functie vergunningsvrij gerealiseerd kan worden. c.
Bij nieuwe gevoelige functies kijken naar de intensivering van het gebruik Het is grijs gebied hoe om te gaan met functiewijzigingen van bestaande gevoelige functies. Gezien de jurisprudentie en voorbeelden van andere gemeenten wordt de intensivering van het gevoelig gebruik als uitgangpunt genomen. Als de functiewijziging niet leidt tot intensivering van het gevoelige gebruik ten opzichte van de bestaande gevoelige functie, hoeft geen rekening te worden gehouden met een spuitvrije zone. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het splitsen van een woning waar al een vergunde inwoonsituatie aanwezig is. Bij intensivering, zoals het splitsen van een woning zonder bestaande vergunde inwoonsituatie, het toevoegen van een B&B of een mantelzorgwoning (niet zijnde vergunningsvrij), moet de spuitvrije zone wel in acht worden genomen. d. Geen uitzonderingen voor tijdelijke gevoelige functies Er wordt geen uitzondering gemaakt voor tijdelijke gevoelige functies. Tijdelijke gevoelige functies waar mensen langdurig kunnen verblijven, hebben dezelfde bescherming nodig als permanente functies. e. Geen afwijking van 50 meter n.a.v. specifiek onderzoek Uit de jurisprudentie blijk dat er nog geen houdbaar model is om aan te tonen wanneer locatie specifieke maatregelen voldoende zijn.
Dit zijn maatregelen zoals de aanleg van beplanting of de werkwijze van het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen om zo kleinere spuitvrije zones te kunnen hanteren. Jurisprudentie biedt te weinig handvaten om de haalbaarheid van een plan met deze maatregelen te kunnen bepalen. Als in de toekomst wel wetenschappelijk bewezen houdbare modellen of andere (innovatieve) mogelijkheden ontstaan, zodat spuitvrije zones kleiner of anders ingericht kunnen worden, dan passen we onze werkwijze hierop aan. f. De verantwoordelijkheid om overeenstemming te vinden met perceeleigenaren ligt bij de initiatiefnemer Als de initiatiefnemer de spuitvrije zone niet op eigen perceel kan realiseren, dan zal de initiatiefnemer hier zelf overeenstemming over moeten vinden met de eigenaar/eigenaren van de percelen waarover de zone moet komen te liggen. Dit betekent dat wij voor plannen waar geen sprake is van groot maatschappelijk belang alleen meewerken indien de betrokken grondeigenaar akkoord is met het planologisch opnemen van een spuitvrije zone (= een beperking). Bij plannen van groot maatschappelijke belang, zoals een grote
2
woningbouwontwikkeling, kan beargumenteerd worden dat een spuitvrije zone op grond van derden gelegd kan worden zonder dat instemming van de grondeigenaar nodig is. De grondeigenaar heeft naar waarschijnlijkheid wel recht op nadeelcompensatie, die verhaald wordt op de initiatiefnemer. g. Ook voor lopende plannen moet een spuitvrije zone opnemen Er zijn op dit moment meerdere lopende initiatieven waarbij, met de kennis van nu, tijdens het vooronderzoek en uitwerkingsverzoek (wenselijkheid en haalbaarheid) onvoldoende rekening is gehouden met het opnemen van een spuitvrije zone. Nysingh is gevraagd om te adviseren of het denkbaar is om hier op een andere manier mee om te gaan dan dat bij bovenstaande punten is beschreven. Zij zien echter geen aanleiding om deze initiatieven op een andere manier te behandelen. Ze onderkennen dat het voor de initiatiefnemer vervelend is wanneer een eis wordt gesteld die eerder niet is gesteld, maar dat de initiatiefnemer verder van huis is wanneer het plan in beroep alsnog onderuitgaat op deze kwestie. Daarnaast is het kwetsbaar om medewerking te verlenen aan een plan terwijl dit tegen jurisprudentie in gaat. h. Ook voor gemeentelijke initiatieven Ook de initiatieven waar de gemeente zelf de initiatiefnemer is, zoals bij grote woningbouwontwikkeling, moeten aan de bovengenoemde uitgangspunten om een spuitvrije zone op te nemen voldoen. i.
Specifieke situaties: Op basis van bovengenoemde uitgangspunten wordt het volgende voorgesteld voor genoemde specifieke situaties. Deze lijst is niet limitatief en kan op een volgend adviesmoment worden aangevuld. Functiewijziging Toevoegen woning (inclusief tijdelijke woning en (pre-) mantelzorgwoning)
Intensivering gebruik Ja
Woningsplitsing (zonder Ja bestaande vergunning voor inwoonsituatie) Woningsplitsing (met bestaande Nee vergunning voor inwoonsituatie) Aanbouw woning Nee
Functieverandering naar of toevoegen van gevoelige functies zoals maatschappelijk, recreatie en B&B Agrarisch bedrijf naar nietagrarisch bedrijf
Ja
Bedrijfswoning naar burgerwoning*
Nee
Verschilt per situatie
Spuitzone opnemen Ja
Ja Nee Nee, tenzij de gevel opschuift richting het perceel waar gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Ja
-
Ja, wanneer er mensen langdurig verblijven (zoals in een werkplaats) - Nee, wanneer er mensen niet langdurig verblijven (zoals opslag) Nee
*Op basis van beschikbare jurisprudentie is het onduidelijk hoe hier het beste mee omgegaan kan worden. Op basis van de afweging dat het al een bestaande gevoelige bestemming is, het gebruik niet geïntensiveerd wordt en de tuin voor burger- en
3
bedrijfswoningen in het buitengebied op eenzelfde manier beschermd wordt, is het advies om hier nu geen spuitvrije zone te eisen. Daarnaast is het advies om in toekomstig beleid te kijken hoe om te gaan met ontstane situaties waar gevoelige functies onvoldoende beschermd worden.
3. Beoogd effect We houden meer rekening met bestaande jurisprudentie bij functieveranderingen nabij agrarische percelen. Hiermee zorgen we voor ETFAL. We zorgen dat we de haalbaarheid van plannen beter toetsen aan het aspect spuitvrije zones. Met deze richtlijnen zorgen we voor eenduidig advies. 4. Argumenten a. Juridisch Op deze manier verhouden we ons zo goed mogelijk tot bestaande jurisprudentie. b. Mogelijke toekomstige belemmeringen voor agrariërs Wanneer geen spuitvrije zone wordt opgenomen in een omgevingsplan, mogen agrariërs gewasbeschermingsmiddelen toepassen op het land. Er zijn echter steeds meer voorbeelden waar de rechter, in het kader van gezondheid, alsnog beperkingen oplegt op agrarische gronden. Een recent voorbeeld is het verbod dat is opgelegd aan een teler om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen op lelieteelt naast een woonwijk in Sevenum. De teler hield zich aan de regels van het Omgevingsplan, maar de omwonenden hebben de risico's voor henzelf in de civielrechtelijke procedure aannemelijk gemaakt, waardoor er een verbod is opgelegd t/m 2028. c. Gezondheid Er zijn gezondheidsrisico's verbonden aan gewasbeschermingsmiddelen, vooral bij langdurige blootstelling. Door het opnemen van een spuitvrije zone worden mensen beschermd tegen het gebruik van deze middelen. d.
Aansprakelijkheid Het kan zijn dat een initiatiefnemer aangeeft dat hij/zij verwacht dat het aspect spuitzonering bij zijn/haar plan geen rol speelt en daarom het risico wil lopen om een plan zonder een spuitvrije zone vast te laten stellen. Indien wij, ondanks dat wij wel een spuitvrije zone zouden willen opleggen, toch meegaan met de wens van de initiatiefnemer en hieraan medewerking zouden verlenen, dan kunnen wij (door de initiatiefnemer) aansprakelijk gesteld worden als het plan bij de Afdeling toch vernietigd wordt. Aangezien medewerking juridisch gezien niet de juiste weg is, zou dit ook politiek-bestuurlijk en publicitair een zeer onverstandige keuze zijn. Er blijkt immers duidelijk uit dat wij dan opzettelijk bereid zijn om in strijd met jurisprudentie te handelen. Daarbij komt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, zoals bij lelieteelt, steeds meer reactie van het publiek oproept. Het voorstel is dan ook om niet mee te gaan in een dergelijk verzoek van een initiatiefnemer. 5. Kanttekeningen Door gebrek aan wet- en regelgeving blijft het juridisch kwetsbaar We dienen zo goed mogelijk rekening te houden met de geldende jurisprudentie maar deze sluit niet altijd aan bij de praktijk. Daardoor is er geen zekerheid dat we met deze richtlijnen voldoen.
Initiatieven kunnen op een laat moment sneuvelen Op dit moment zijn er veel lopende initiatieven waarbij het aspect spuitvrije zones niet eerder aan de orde is gekomen. Deze plannen zien onder andere op woningsplitsing, functieverandering van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ waarbij alleen gesloopt wordt en op functieverandering naar een niet-agrarisch bedrijf. Het al dan 4
niet opnemen van een spuitvrije zone is niet meegenomen in het beoordelen van de wenselijkheid, haalbaarheid en opstellen van het omgevingsplan of de -vergunning. De lopende plannen zitten in verschillende fasen van de procedure. In de nu in behandeling zijnde vooronderzoeken en in de eerste uitwerkingsverzoeken wijzen we de initiatiefnemers op het aspect spuitvrije zones. In de plannen waarvoor alle onderzoeken al zijn aangeleverd of die al in het formele traject zijn, is dat echter een ander verhaal. Sommige hiervan zouden als ontwerpwijzigingsplan ter inzage kunnen gaan, maar in afwachting van het besluit over de toepassing van spuitvrije zones liggen deze tijdelijk stil. Wanneer voor deze initiatieven, waar al veel tijd, energie en kosten in zitten van de initiatiefnemer en ambtelijk, alsnog een spuitvrije zone opgenomen moet worden, dan kan het zijn dat die plannen niet doorgaan. Dit komt bijvoorbeeld omdat de initiatiefnemer geen overeenstemming bereikt met omliggende grondeigenaren, het plan financieel niet meer haalbaar is vanwege de mogelijke nadeelcompensatie of doordat de vertraging in de procedure de initiatiefnemer doet besluiten om het plan niet door te zetten. Verder worden initiatiefnemers die de stappen goed hebben doorlopen, hierdoor verrast omdat het niet eerder ter sprake is gekomen. Het is belangrijk dat hier bestuurlijk een standpunt over wordt ingenomen.
Los daarvan is het dan ook de verwachting dat initiatiefnemers de nodige vragen, gedachten en emoties hebben als plannen langer gaan duren of zelfs niet door kunnen gaan. Andere procedure moet toegepast worden Het opnemen van een spuitvrije zone is niet mogelijk met een BOPA. Dat is namelijk een vergunning waar voorschriften aan verbonden worden die gelden voor de vergunninghouder. Dit hoeft niet de grondeigenaar te zijn (waar een spuitvrije zone over het perceel zou moeten komen). De verwachting is dan ook dat er minder BOPA’s doorlopen zullen worden. Daarnaast zullen sommige BOPA’s omgezet moeten worden naar de wijziging van een omgevingsplan, waardoor de bevoegdheid om vast te kunnen stellen van het college naar de gemeenteraad gaat. Dit is geen oplossing voor huidige situaties Er zijn in het verleden veel situaties ontstaan waarbij er geen rekening is gehouden met een spuitvrije zone. Zonder dat een beperking is opgenomen mogen er, vanuit het omgevingsplan bekeken, ook binnen 50 meter van een gevoelige functie, gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Mensen die hier verblijven zijn niet beschermd tegen het gebruik van deze middelen. Dit is geen nieuw beleid, maar daar is wel behoefte aan Deze memo geeft aan hoe we het beste kunnen om gaan met geldende jurisprudentie. Dit is geen nieuw gemeentelijk beleid, maar hieraan is wel behoefte.
Op dit moment zijn we bijvoorbeeld bezig met het Omgevingsplan voor het deelgebied Garderen. Idealiter zou meteen bij het opstellen van het Omgevingsplan nieuw beleid worden verwerkt. We vinden het echter belangrijk om spuitvrije zones een plek te geven in bijvoorbeeld het beleidsprogramma Landelijk Gebied onder de Omgevingswet. Vanuit dat programma kan vervolgens de doorvertaling komen richting het Omgevingsplan. De beleidskeuzes zullen niet op tijd komen voor het Omgevingsplan voor het deelgebied Garderen. We adviseren huidige regels die botsen met de jurisprudentie, zoals het mogen gebruiken van 30 meter van het agrarisch perceel voor de tuin, alvast te wijzigen op het moment dat een wijziging van het Omgevingsplan voor een concreet plan voorligt ter vaststelling. 6. Communicatie Huidige initiatieven Nadat een besluit is genomen over de toepassing van spuitvrije zones, wordt dit aan de betreffende initiatiefnemers meegedeeld. Zij zullen dan stappen moeten zetten om de zones geregeld te krijgen. Als zij overeenstemming bereiken met
5
grondeigenaren, dan zullen wij een spuitvrije zone opnemen in het omgevingsplan en deze als ontwerp ter inzage leggen. Wanneer initiatiefnemers geen overeenstemming kunnen bereiken en het plan geen groot maatschappelijk belang heeft, dan kan, in tegenstelling tot de eerdere positieve beoordeling van de wenselijkheid en haalbaarheid, geen medewerking verleend worden. Het plan zal dan door de initiatiefnemer ingetrokken worden of door ons als weigering aan de gemeenteraad voorgelegd moeten worden. Op basis van de legesverordening is dan geen mogelijkheid voor de initiatiefnemer om (een deel van) de leges terug te krijgen. Toekomstige initiatieven Zoals aangegeven worden, met de kennis van nu, initiatiefnemers al gewezen op het aspect spuitzonering en de spuitvrije zones. Hierdoor kunnen zij dit in een vroegtijdig stadium regelen of de beslissing nemen om niet verder te gaan met hun plan. Dan zijn zij alleen de leges kwijt voor de planfase(n) die ze tot dan toe doorlopen hebben. Door deze werkwijze zullen t.z.t alle initiatieven, indien het vanwege de aard van het plan nodig is, rekening houden met het aspect spuitzonering. 7.
Vervolg - Huidige plannen Afhankelijk van het te nemen besluit zullen initiatiefnemers vervolgens met het aspect spuitzonering aan de gang moeten gaan. - Toekomstige plannen In de toekomstige plannen wordt rekening gehouden met het aspect spuitzonering. - Verwerking in beleid In de Omgevingsvisie is aangegeven dat voor de hoofdopgave ‘Waardevol Landelijk Gebied’ een beleidsprogramma Landelijk Gebied onder de Omgevingswet uitgewerkt zal worden. Een belangrijk onderdeel van het programma zal zijn hoe we meer sturen op grondgebruik. In dit programma of in ander op te stellen beleid kan spuitzonering dan worden meegenomen. - Revisie planregels In de regels van het omgevingsplan staan verschillende planregels die, met de kennis van nu, niet de juiste uitgangspunten bieden met betrekking tot het aspect spuitzonering en daarmee gezondheid. Of er ontbreken juist planregels die idealiter opgenomen zouden zijn. Zo is het in het buitengebied bij recht mogelijk om een stuk agrarisch bestemde grond tot 30 meter vanaf bijvoorbeeld een woonfunctie als tuin te kunnen gebruiken. Als hier een spuitvrije zone van 50 meter opgenomen zou moeten worden, dan moet die gerekend worden vanaf de tuin. Hierdoor gaat het uiteindelijk om een zone van 80 meter die beperkend kan zijn voor het gebruik van agrarische grond.
Een ander voorbeeld van een gewenste aanpassing van een planregel is dat slechts in een aantal wijzigingsplannen in het buitengebied een regeling is opgenomen voor een spuitvrije zone waarbij de mogelijkheid er is om hier met een vergunning (voorzien van deskundig en akkoord bevonden onderzoek) vanaf te wijken.
8. Bijlagen - Advies Nysingh deel 1 - Advies Nysingh deel 2
6
Memo Van
: mr. B.J.W. Walraven
Aan
: Michael van 't Veld
Datum Betreft
: 24 juli 2025 met aanpassingen naar aanleiding van bespreking op 19 augustus 2025 : Spuitvrije zones
Referentie
: 248021/BJW
Inleiding Binnen de gemeente Barneveld speelt, mede naar aanleiding van enkele procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) de vraag hoe kan worden voorkomen dat plannen voor nieuwe ontwikkelingen de eindstreep niet halen omdat daarin niet op een juiste wijze invulling is gegeven aan wat de Afdeling blijkens haar jurisprudentie verlangt ten aanzien van spuitvrije zones, dat wil zeggen afstanden die moeten worden aangehouden tussen gevoelige functies enerzijds en agrarische gronden waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt anderzijds, met het oog op de mogelijke gezondheidsrisico’s van het blootgesteld worden aan die gewasbeschermingsmiddelen. In een memo van 28 februari 2024 gaven mijn kantoorgenoten Linde Miltenburg en Maarten van Nijendaal antwoord op een aantal vragen over spuitvrije zones in verband met de procedure die toen aanhangig was bij de Afdeling over het bestemmingsplan “De Eendracht”. Daarna is een herstelbesluit genomen, maar de Afdeling heeft bij tussenuitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1840 de raad opdracht gegeven om een nieuw herstelbesluit te nemen dat ook dient te zien op de kwestie van spuitvrije zones. In juni 2025 heeft de gemeente een Handreiking Spuitvrije zone juni 2025 opgesteld over hoe om te gaan met spuitvrije zones bij functieveranderingen in het landelijk gebied.
Naar aanleiding hiervan zijn nieuwe vragen gerezen en bij mail van 18 juni 2025 is ons gevraagd om op die vragen in te gaan. Dat ga ik in dit memo doen, maar eerst maak ik enkele algemene opmerkingen die naar mijn idee van belang zijn voor deze kwestie.
Geen wettelijke regeling voor spuitvrije zones Er is geen wettelijke regeling op grond waarvan een afstand van 50 meter moet worden aangehouden tussen gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en woningen. Er is alleen sprake van jurisprudentie van de Afdeling in bestemmingsplanzaken waarin deze afstand wordt gehanteerd als “vuistregel”. Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in inrichtingen voorzag het Activiteitenbesluit tot 1 januari 2024 in voorschriften, maar die hielden geen afstanden in die moesten worden aangehouden tot woonbebouwing of gevoelige bestemmingen. De regels zagen vooral op het voorkomen dat “drift” van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater terecht zou komen. 1 van 11
De inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving heeft hier geen verandering in gebracht. Er zijn instructieregels die in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van het omgevingsplan, maar die bevatten geen regels over spuitvrije zones. Het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) bevat voorschriften voor de milieubelastende activiteit ‘telen van gewassen in de open lucht’, en die bevatten ook weer voorschriften voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, maar die zijn grotendeels hetzelfde als de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Er is verder ook de regelgeving voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, die inhoudt dat alleen toegelaten gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, en dat er ook voorschriften zijn waaronder het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel moet voldoen, maar daar volgt ook niet uit dat altijd een bepaalde spuitvrije zone in acht moet worden genomen. Dit betekent dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op kortere afstand dan 50 meter van een gevoelige bestemming (en dat verder voldoet aan het Bal en aan de voorschriften van de toelating) op zich zelf niet illegaal is.
Dat gebruik is alleen illegaal, als ter plaatse op grond van een bestemmingsplan dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan een afstand van 50 meter moet worden aangehouden tot een gevoelige bestemming. Een onherroepelijk bestemmingsplan dat gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op kortere afstand van 50 meter van een gevoelige bestemming is naar mijn mening ook niet gebrekkig of alsnog aantastbaar. De mogelijkheid bestaat dat een bestemmingsplan onverbindend is wegens strijd met een hogere regeling, maar als gesteld, er is hier geen wettelijke regeling die een spuitvrije zone van 50 meter voorschrijft. Er zijn dan ook tientallen, zo niet honderden bestemmingsplannen waarin agrarisch gebruik van gronden is toegestaan op kortere afstand van woningen dan 50 meter zonder dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij dat agrarisch gebruik daarbij is geregeld. Alleen wanneer een gemeente er, op grond van de jurisprudentie van de Afdeling, van uit gaat dat het nodig is om een spuitvrije zone op te nemen in een bestemmingsplan, dan wel wanneer iemand opkomt tegen het bestemmingsplan en stelt dat niet ten onrechte niet is gebeurd, of dat het juist niet had moeten gebeuren of dat het niet goed is gebeurd, kan dat ertoe leiden dat een verbod ontstaat om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken binnen een spuitvrije zone.
Het is goed om dit voor ogen te houden, want de Afdeling lijkt het zelf soms ook te vergeten. Daarover hierna meer. Zou het niet goed zijn om zo’n wettelijke regeling in het leven te roepen? Die vraag kwam in 2019 in de Tweede Kamer aan de orde, waarna besloten werd advies in te winnen bij prof mr. N.S.J. Koeman, oud-staatsraad en specialist in het omgevingsrecht. Hij geeft in zijn advies van 11 mei 2020, bijlage 1, aan dat zo’n wettelijke regeling goed mogelijk is, maar dat een regeling die verplicht tot het opnemen van een spuitvrije zone in bestemmingsplannen alleen maar zou kunnen zien op nieuwe situaties, omdat op grond van artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan overgangsrecht moet worden opgenomen dat bestaand legaal gebruik eerbiedigt. Dus wanneer agrarisch gebruik zonder beperkingen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan op grond van een eerder bestemmingsplan, kan in een nieuw bestemmingsplan wel een spuitvrije zone worden opgenomen, maar in dat plan moest dan worden opgenomen dat het bestaande agrarisch gebruik mocht worden voortgezet. 2 van 11
Koeman wijst er ook op dat onder de Omgevingswet niet meer de verplichting geldt om bestaand legaal gebruik onder overgangsrecht te brengen. Omdat er in het omgevingsplan veel meer geregeld kan worden dan in het oude bestemmingsplan heeft de wetgever ervoor gekozen om het aan de gemeenteraad over te laten om bij aanpassingen van het omgevingsplan te bepalen wat voor die specifieke aanpassing het gewenste overgangsrecht zou moeten zijn, kortom: om maatwerk te leveren1. Een direct werkend verbod, of een in tijd gefaseerd verbod zouden dus onder de Omgevingswet wel mogelijk zijn, waar nodig in combinatie met het bieden van nadeelcombinatie. Koeman wijst er verder op dat onder Omgevingswet ook instructieregels mogelijk zijn die verplichten om spuitvrije zones op te nemen in het omgevingsplan en hij noemt ook dat in het Activiteitenbesluit en, na de inwerkingtreding van het Bal, ook daarin algemene regels zouden kunnen worden opgenomen over het in acht nemen van afstanden tot gevoelige functies bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Maar feit is dat die algemene regels er nog niet zijn.
Het enige dat nu vaststaat, is dat wanneer een zaak over een bestemmingsplan of afwijking daarvan bij de Afdeling komt en daarin het thema gewasbeschermingsmiddelen aan de orde wordt gesteld, de Afdeling haar jurisprudentie zal toepassen met de “vuistregel” dat een spuitvrije zone van 50 meter moet worden gehanteerd.
Vuistregel wordt als wet toegepast Die vuistregel wordt in de praktijk echter als wet toegepast. In de standaardoverweging van de Afdeling wordt wel de mogelijkheid open gelaten dat in concrete gevallen wordt aangetoond dat er locatiespecifieke omstandigheden zijn op grond waarvan met een kortere afstand dan 50 meter kan worden volstaan, maar dat slaagde meestal niet. De Afdeling stelde hoge eisen aan het onderzoek naar die locatiespecifieke omstandigheden. In 2022/2023 lijkt daar een kentering in te komen. In een aantal uitspraken, waarvan die over de Buitenhuisweg van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3128 er één is, overwoog de Afdeling dat de komst van een nieuwe woning op kortere afstand dan 50 meter acceptabel zou zijn, omdat zich op kortere afstand al een bestaande woning of gevoelige functie (een tuin) bevond en de eigenaar of gebruiker van de agrarische woning door die woning al beperkt zou zijn in de bedrijfsvoering. In de uitspraak over de Buitenhuis weg staat het volgende. “Op dit moment staat er in het plangebied al een burgerwoning. De rest van het plangebied wordt gebruikt als tuin en dat gebruik is planologisch ook toegestaan.
Dit betekent dat [appellante] in de huidige situatie al wordt beperkt in haar bedrijfsvoering, in die zin dat, als zij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt binnen 50 m van het plangebied, zij kan worden geconfronteerd met klachten van de bewoners van de huidige woning.” Dat is een rare overweging. De gebruiker van de agrarische gronden kan met klachten worden geconfronteerd van de bewoners van de huidige woning? En dan? Zouden die klachten ertoe kunnen leiden dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daadwerkelijk moet worden beperkt? Dat lijkt
1
Zie nota van toelichting Omgevingsbesluit, Stb. 2018, 290, pag. 99. 3 van 11
wel de veronderstelling te zijn, maar dat is niet zo. Volgens mij is hier het misverstand gerezen dat in de bestaande situatie al zou gelden dat een afstand van 50 meter zou moeten worden aangehouden.
Er zijn meer uitspraken uit dezelfde periode waarin deze redenering wordt gevolgd. Dat is ook opgevallen in de literatuur. In haar noot onder een andere uitspraak van gelijke strekking, ABRvS 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:43312 wijst Dianne Jennissen erop dat de redenering van de Afdeling op dit punt niet te volgen is. Ook Caren Schipperus is kritisch over deze benadering in een artikel in Land- en Tuinbouwbulletin over spuitzones3. Dianne Jennissen ziet deze uitspraken als uitschieters. Zij wijst erop dat in latere uitspraken weer de strakke lijn wordt gevolgd dat van de afstand van 50 meter alleen kan worden afgeweken wanneer sprake is van locatiespecifiek onderzoek waaruit blijkt dat met een kortere afstand kan worden voldaan. In de uitspraak van 22 november 2023 lijkt de Afdeling ook aan te nemen dat het, heel kort samengevat, niet zo erg zou zijn om een plattelandswoning toe te voegen in een situatie waarin er, door het ontbreken van een spuitvrije zone, toch al op kortere afstand van een woning wordt gespoten. Die redenering staat haaks op uitspraken die daar vlak voor en vlak na zijn gedaan.
Bij uitspraak van 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3710, oordeelt de Afdeling: “Wat betreft de stelling van de raad dat het vorige bestemmingsplan op de locatie Kastelijnsweg [nummer C] al woningbouw toestond, overweegt de Afdeling dat dat niet betekent dat de raad bij de vaststelling van het voorliggende plan niet meer hoefde te motiveren waarom hij het ruimtelijk aanvaardbaar acht om te voorzien in woningbouw op zo’n korte afstand van de agrarische percelen.” en de Voorzieningenrechter van de Afdeling verwijst bij uitspraak van 21 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4730 naar deze overweging. Er lijkt dus sprake te zijn van een tijdelijke afwijking van de strenge lijn van haar jurisprudentie dat bij agrarische bestemming sprake moet zijn van een spuitvrjie zone van 50 meter tot gevoelige bestemmingen.
Civielrechtelijke procedures en handhavingsverzoeken in verband met zorgplicht Bal Het lijkt mij tenslotte van belang om in dit verband twee andere ontwikkelingen te noemen, die overigens ook met elkaar samenhangen. Er zijn momenteel veel zorgen over de mogelijke negatieve gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden. In de medische literatuur wordt gepubliceerd over de relatie tussen het blootgestelde worden aan gewasbeschermingsmiddelen en ziektes, zoals Parkinson. Het gaat dan overigens om blootstelling op veel langere afstanden dan 50 meter, met name bij sierteelt waar heel veel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er is ook veel kritiek op de wijze waarop de toelating van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt, door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).
2
TBR 2024/47, waarin ze ook de uitspraak over de Buitenhuisweg noemt en nog enkele andere voorbeelden, bijlage 2. 3 LTB 2024/25, waarin de uitspraak over de Buitenhuisweg “heel bijzonder” wordt genoemd, bijlage 3. 4 van 11
Dit heeft geleid tot enkele civielrechtelijke procedures tegen telers van producten waarbij veel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, waarin werd gevorderd om dat gebruik te verbieden. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft zo’n vordering toegewezen bij vonnis van 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6083 het verbod van de voorzieningenrechter in stand gelaten, zij het in beperktere mate. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 8 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2330 ook een verbod toegewezen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Ook dat verbod is in appèl (grotendeels) overeind gebleven, zie het zeer recente arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 juli 2025,ECLI:NL:GHSHE:2025:2043. Bij dit oordeel speelde een belangrijke rol dat in het kader van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen geen onderzoek was gedaan naar het risico op bepaalde aandoeningen. Dat onderzoek dient volgens het hof alsnog te gebeuren op grond van het Europese voorzorgsbeginsel. Hierdoor doet zich de bijzondere situatie voor dat gebruik dat in publiekrechtelijk zin is toegestaan, in privaatrechtelijke zin in specifieke situaties verboden is.
Verder zijn meerdere gemeenten geconfronteerd met verzoeken om handhaving van de zorgplicht die is opgenomen in artikel 2.11 Bal, omdat uit die zorgplicht zou voortvloeien dat telers in bepaalde situaties, die in die handhavingsverzoeken zijn benoemd, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen achterwege zouden moeten laten. Daarbij is in sommige gevallen ook verzocht om maatwerkvoorschriften te stellen. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg heeft bij uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:6311, het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de afwijzing van zo’n handhavingsverzoek afgewezen. Ons kantoor is betrokken bij een vergelijkbaar verzoek om voorlopige voorziening dat op 5 augustus 2025 zal worden behandeld door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland. Een ander spoor is ook nog de invloed van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden, maar daar ga ik niet verder op in, want in die zaken zijn Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag en het gaat in die zaken niet om de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van mensen, maar om de gevolgen voor Natura-2000 gebieden.
Beantwoording van de vragen
5 van 11
Hiervoor heb ik al aangegeven dat de uitspraak Buitenhuisweg volgens mij, en ook volgens anderen, niet klopt. Het heeft daarom naar mijn mening niet zoveel zin om veel tijd te besteden aan de interpretatie hiervan. In algemene zin kan ik wel het volgende opmerken. In de Wet ruimtelijke ordening, en ook in de voorganger daarvan, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, was het criterium voor het vaststellen van bestemmingsplannen een goede ruimtelijke ordening. Een ruim en vaag criterium en dat betekent dat een belangenafweging moest worden gemaakt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling houdt een goede ruimtelijke ordening onder meer in dat ter plaatse van woningen sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit dat oogpunt bezien, is het niet wenselijk om bij een bestemmingsplan (of een vergunning voor afwijking daarvan) nieuwe woningen mogelijk te maken op locaties waar geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, bijvoorbeeld doordat de geluidbelasting van de woningen te hoog is, of dat er risico’s zijn voor de gezondheid door activiteiten die in de directe omgeving worden verricht. De vuistregel van de Afdeling dat daar waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, een spuitvrije zone van 50 meter moet worden aangehouden, komt daar vandaan.
Zonder die spuitvrije zone zou geen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dus niet van een goede ruimtelijke ordening. Wanneer, vanuit het belang van woningbouw, dat in deze tijd van woningnood hoog is, spuitvrije zones in het leven worden geroepen om woningen mogelijk te maken, en die spuitvrije zones het vervolgens voor agrariërs niet langer meer mogelijk maken om op (delen van) hun gronden gewassen te telen en daarbij gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, komen de bedrijfsbelangen van die agrariërs in het geding, die uiteraard ook legitiem zijn en dus moeten worden betrokken in de belangenafweging die moet worden gemaakt om op een bepaalde locatie tot een goede ruimtelijke ordening te komen. Dát is het spanningsveld dat hier speelt. Het belang van woningbouw is legitiem en, gelet op de grote behoefte aan woningen, ook zwaarwegend, maar voor het belang van het kunnen voortzetten van de bedrijfsvoering geldt dat evenzeer. In de jurisprudentie van de Afdeling komt de afweging van die belangen niet vaak uitdrukkelijk aan de orde, wellicht ook omdat die belangenafweging niet vaak uitdrukkelijk wordt gemaakt, maar in de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2416 komt dit wel aan de orde.
In die zaak ging het om een woningbouwplan van 36 woningen, waarvan een deel op kortere afstand dan 50 meter was gelegen van gronden met een agrarische bestemming die zouden kunnen worden gebuikt voor teelt met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De Afdeling overweegt dan in r.o. 9.2: “Tegenover de belangen van [appellant sub 1] staat het belang van woningbouw. Dat heeft de raad als een zwaarwegend belang mogen aanmerken. Zoals hiervoor onder 7.1 is overwogen, staat in de plantoelichting dat er plaatselijk een grote behoefte is aan woonruimte. Het plan beoogt in die behoefte te voorzien. De Afdeling is van oordeel dat de raad een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het algemeen belang van woningbouw dan aan het individuele belang van [appellant sub 1] om alle nog onbenutte planologische mogelijkheden van zijn perceel onverkort te behouden” Hier wordt dus het algemeen belang van woningbouw afgezet tegen het individuele belang van de agrariër en bij die tegenstelling wint het algemeen belang het meestal. Maar dit is, zoals gesteld, één van de weinige uitspraken waarin deze belangenafweging uitdrukkelijk aan de orde komt én de uitkomst ook wordt geaccepteerd. 6 van 11
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het criterium van een goede ruimtelijke ordening vervangen door het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) maar ik zie niet in dat dit tot een wezenlijk andere benadering zou moeten leiden dan hiervoor geschetst. Gesteld zou kunnen worden dat met de term ETFAL nog iets concreter wordt aangeduid wat er moet gebeuren. De toedeling van de functies wonen en agrarisch gebruik moet evenwichtig zijn.
Omdat er geen wettelijke regeling is van spuitvrije zones die in acht moeten worden genomen bij gevoelige functies is er ook geen definitie van wat dan een gevoelige functie zou zijn. De zaken waarop de uitspraken van de Afdeling zien, gaan als ik het goed zie meestal over woningen en tuinen, de problematiek wordt ook onder de noemer gebracht van aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maar het gaat hier om gezondheidsrisico’s die verband houden met blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en die kunnen overal spelen waar mensen langere tijd verblijven. Dat kan op heel veel locaties het geval zijn, bij allerlei functies, waarbij in algemene zin kan worden gesteld dat de risico’s buiten waarschijnlijk groter zijn dan binnen. Het lijkt mij ondoenlijk en ook onwenselijk om in een omgevingsplan gedetailleerd te regelen hoeveel mensen er op een bepaalde locatie aanwezig mogen zijn en hoe lang zij er dan mogen zijn. Onwenselijk omdat er altijd een element van willekeur in zit en omdat het ook volstrekt niet handhaafbaar zal zijn.
Wanneer een plan de combinatie van wonen en/of andere gevoelige functies enerzijds en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen anderzijds mogelijk maakt zonder regeling van spuitvrije zones en tegen het plan om die reden beroep wordt ingesteld, kan worden aangenomen dat het plan door de Afdeling zal worden vernietigd. De zienswijzen die worden ingediend geven meestal wel een indicatie van de mogelijke beroepen en waarover die beroepen dan zullen gaan. Wanneer in een zienswijze wordt aangegeven dat het ontbreken van spuitvrije zones als probleem wordt gezien, zou het heel onverstandig zijn om daar niets mee te doen. Maar sinds de Varkens-in-nooduitspraken is het ook mogelijk om beroep in te stellen wanneer geen zienswijzen zijn ingediend, dus het thema spuitvrije zones kan ook pas in de beroepsprocedure op tafel worden gelegd. Met de ‘knip’ in de vraag onder b wordt, naar ik aanneem, bedoeld dat in plannen in fase 3 en 4 niet alsnog uit eigen beweging een spuitvrije zone wordt opgenomen en dat in plannen in fase 1 en 2 wel standaard een spuitvrije zone wordt opgenomen. Dat zou een aanpak kunnen zijn, maar wanneer in 7 van 11
plannen in fase 3 en 4 het thema “spuitvrije zone” in zienswijzen wordt aangekaart, moet daar, zoals ik hiervoor aangaf, wel iets mee gebeuren.
Het antwoord op de vraag onder a is duidelijk na wat hiervoor bij vraag 3 is gesteld. Het plan kan dan worden vernietigd en de gemeente zal dan proceskosten moeten vergoeden en wellicht ook verdere schade. Nadeelcompensatie is een ander verhaal. De verplichting om nadeelcompensatie (onder oud recht: planschade) te betalen, kan alleen aan de orde komen wanneer een plan wel de eindstreep haalt. Dat zou het geval kunnen zijn wanneer een plan voorziet in een spuitvrije zone die een agrariër beperkt in de mogelijkheden om gewassen te telen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, terwijl die beperking er eerder niet was. Wanneer de agrariër niet opkomt tegen het plan en het plan onherroepelijk wordt, kan hij nadeelcompensatie vorderen. Onder oud recht kon de gemeente dat via een anterieure overeenkomst op de initiatiefnemer afwentelen en dat kan onder nieuw recht nog steeds. Een financieel risico voor de intiatiefnemer kan zijn dan zijn dat hij/zij die nadeelcompensatie moet vergoeden. Het vragen van een planschade/nadeelcompensatie risicoanalyse is een dossier waarin dit zou kunnen spelen, is zeker verstandig.
Ondanks het feit dat het slechts om een “vuistregel” zou gaan, is de Afdeling heel rigide in het toepassen van de eis dat een spuitvrije zone van 50 meter zou moeten worden aangehouden. Van de onderzoeken die worden aangevoerd om af te wijken, stelt de Afdeling vaak dat ze niet locatiespecifiek, maar algemeen zijn. In de zaak waarop de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523, was een dappere poging gedaan om het afwijken van deze afstand te onderbouwen, aan de hand van het model dat gehanteerd wordt door het European Food Safety Agency (EFSA), maar na een negatief StAB-advies ging de Afdeling daar niet in mee. Wij kennen op dit moment vanuit de jurisprudentie geen houdbare onderzoeksmodellen, onderbouwingsmogelijkheden of afwijkingsmotiveringen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we in concrete zaken niet kunnen meedenken over mogelijkheden op dit gebied.
8 van 11
De situatie waar de vraag onder a. op ziet, is waarschijnlijk dat zich in de directe omgeving van het bedrijf dat wordt omgezet, nog andere agrarische bedrijven bevinden en de vraag is dan of die van een spuitvrije zone moeten worden voorzien. Als dat de vraag is, zou mijn antwoord zijn dat, wanneer er op dat nieuwe bedrijf mensen gedurende langere tijd aanwezig zijn, dat zou betekenen dat er dan wel een spuitvrije zone zou moeten zijn. Ook de bewoners van de niet-agrarische bedrijfswoning zouden dan wel beschermd moeten worden tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Van een opslagloods kan ik me niet zo goed voorstellen dat daar langdurig mensen aanwezig zijn, dus dat lijkt mijn geen gevoelige functie, waarbij ik aanteken dat dit niet meer is dan mijn interpretatie aan de hand van de strekking van de jurisprudentie van de Afdeling, bij het ontbreken van een definitie van gevoelige functies. In een werkplaats kunnen wel mensen gedurende langere tijd aanwezig zijn en de vraag is of het, gelet op de strekking van de jurisprudentie van de Afdeling, heel relevant is of het dan veel of weinig mensen zijn.
Wat betreft de vraag onder c.: wanneer de vergroting, die dan, naar ik aanneem, in afwijking is van het omgevingsplan, is gelegen binnen een afstand van 50 meter van gronden met een agrarische bestemming, moet worden geconcludeerd dat de mensen die langdurig aanwezig zijn in dat deel van de bebouwing kunnen worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen en moet een spuitvrije zone worden opgenomen. .
Dit lijkt me een variant op vraag 6a. Ook hier zou bescherming moeten worden geboden tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Ik denk dat bij deze vraag de aanname is dat een agrarische bedrijfswoning geen bescherming behoeft tegen blootstelling van gewasbeschermingsmiddelen, maar de vraag kan worden gesteld of dat wel zo vanzelfsprekend is.
Hier verandert er, naar ik aanneem, niets aan de bebouwing, maar wordt gebruik van de woning dat in strijd is met het omgevingsplan, gelegaliseerd. Dan is er sprake van een in planologisch opzicht nieuwe situatie, waarin wordt toegestaan dat mensen langdurig aanwezig zijn. Wanneer dat op kortere afstand is dan 50 meter van gronden met een agrarische bestemming, moet dan een 9 van 11
spuitvrije zone in acht worden genomen. Zie hiervoor ook de uitspraak van de Rechtbank NoordHolland van 10 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:4285, die volgens mij over een vergelijkbare situatie gaat.
In al de gevallen die hier worden genoemd, verandert er iets in de combinatie van wonen en het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Wanneer het uitgangspunt is dat in alle gevallen waarin nog geen spuitvrije zones zijn opgenomen terwijl dat, gelet op de combinatie van wonen en het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wel zou moeten, dan zou het hier ook moeten. Hiervoor heb ik verder ook al aangegeven dat ik me afvraag of het vanzelfsprekend is dat bij agrarische bedrijfswoningen minder bescherming nodig is tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Nu de strekking van de jurisprudentie van de Afdeling lijkt te zijn om bescherming te bieden tegen de risico’s van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, is de vraag of die bescherming bij agrarische bedrijfswoningen niet nodig zou zijn.
Wanneer een mantelzorgwoning niet kan worden vergund als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, is sprake van buitenplanse omgevingsplanactiviteit die als zodanig vergund kan worden. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet dan ook aan ETFAL worden voldaan en zoals volgt uit wat ik hiervoor aangaf, is aannemelijk dat de Afdeling dan ook een spuitvrije zone zal verlangen wanneer het gaat om de combinatie van wonen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In een vergunning voor een BOPA kunnen voorschriften worden opgenomen ten aanzien van het gebruik van het gebied waarvoor de BOPA wordt gevraagd.
10 van 11
Het is mogelijk om in het omgevingsplan een verbod op te nemen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken op een afstand van 50 meter van gevoelige functies en om dat gebod voor het gehele grondgebied van de gemeente te laten gelden. Een paraplubestemmingsplan is dan niet nodig. Die gevoelige functies zouden dan ook gedefinieerd moeten worden, wat nog wel een uitdaging zal zijn. Het verbod zou wellicht ook beperkt kunnen worden tot de teelt van producten waarbij grote hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, zoals de sierteelt, waarvoor niet de beperking geldt dat de producten gegeten moeten kunnen worden. Ten aanzien van de voorbereidingsbescherming geldt wat mijn kantoorgenoten Maarten van Nijendaal en Linde Miltenburg hebben aangegeven in hun memo van 28 februari 2024, namelijk dat een verbod in voorbeschermingsregels, gelet op het bepaalde in artikel 4.14 lid 3 onder a Ow, alleen betrekking kan hebben op activiteiten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden. Dat zou wel zinvol zijn voor de gevallen waarin gronden een agrarische bestemming hebben maar nog niet worden gebruikt.
Dan zou immers voorkomen kunnen worden dat alsnog gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen gaan worden op locaties waar dat nu nog niet gebeurd, maar de voorbeschermingsbescherming kan dus geen betrekking hebben op locaties waar nu legaal teelt met gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt. Mijn kennis van de overgang van TAM-IMRO naar STOP/TPOD schiet tekort om de vraag daarover te kunnen beantwoorden, maar het lijkt mij nogal ambitieus om in september 2025 al voorbereidingsregels klaar te hebben, zeker gelet op de mogelijke nadeelcompensatie die voor dat verbod moet worden betaald. Want voor zover zo’n verbod tot nadeel voor agrariërs leidt, zal nadeelcompensatie moeten worden geboden. Dat zal zeker het geval zijn wanneer het verbod, na een periode van voorbescherming, waarin het alleen kan zien op nieuwe situaties, ook voor bestaande situaties gaat gelden, maar ook een verbod op nieuw gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zou al tot nadeel kunnen leiden.
11 van 11
Memo Van
: mr. B.J.W. Walraven
Aan
: Michael van ’t Veld, gemeente Barneveld
Datum
: 5 september 2025
Betreft Referentie
: Advies spuitvrije zones : 248021/BJW
1. In dit memo ga ik, in vervolg op mijn memo van 25 juli 2025, in op de vraag hoe in lopende en nieuwe planologische procedures moet worden omgegaan met het gegeven dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verlangt dat een spuitvrije zone wordt aangehouden van 50 meter tussen gronden met een agrarische bestemming waarop gewassen kunnen worden geteeld waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies. 2. Onder planologische procedures versta ik wijziging van het omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan en eventuele procedures over bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen of omgevingsvergunningen voor afwijking van het bestemmingsplan die onder oud recht vallen omdat ze zijn begonnen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. 3. Gevoelige functies zijn functies waar mensen langdurig aanwezig kunnen zijn. Dat is een ruim begrip. Daar vallen in ieder geval woningen en tuinen onder, maar het kan ook gaan om werklocaties, speelvoorzieningen en allerlei andere functies. Er is weinig jurisprudentie waarin wordt geoordeeld dat een bepaalde functie niet gevoelig is. Een voorbeeld daarvan is een oprit, maar dat is wel vrij specifiek.