B-3.18 Besluit B&W inzake sluitende aanpak mensenhandel d.d. 22-3-22.pdf
Tekst van het document
Dit wordt meegenomen in het communicatieplan ondermijning. Het is de bedoeling dat alle signalen van mensenhandel binnen de gemeente (via het meldpunt) bij de ‘aandachtsfunctionarissen casuïstiek mensenhandel’ terecht komen. De betreffende aandachtsfunctionaris zal de binnenkomende signalen indien mogelijk verrijken en doorzetten naar de juiste ketenpartner (en tevens de andere aandachtsfunctionaris(sen) betrekken).25 Hierbij zal de signalenroutekaart gevolgd worden welke in samenspraak met de regionale ketenpartners is vastgesteld. Uiteraard zal er bij het doorgeven van signalen rekening gehouden worden met de regelgeving rondom de bescherming van persoonsgegevens.
Hiervoor zijn meerdere redenen. Eén van de redenen hiervoor is dat het bij signalen over een slachtoffer soms ook mogelijk is om acties tegen de dader te ondernemen. Dit uiteraard in zorgvuldige afstemming. 25
18
Externe bewustwording In afstemming met de beleidsadviseurs HGKM worden er ook trainingen voor bewustwording mensenhandel georganiseerd voor externe professionals die met potentiële slachtoffers (en daders) in aanraking komen. Zo willen wij onder andere heel graag dat docenten ook de trainingen signalering mensenhandel kunnen volgen, gezien scholen een belangrijke plek zijn waar er signalen kunnen worden opgepikt. Dit is volgens het VNG kader ‘een stapje extra’, maar uit onderzoek en uit de input van ervaringsdeskundigen blijkt dat dit een zeer belangrijk iets is in de aanpak van mensenhandel. Hierom willen wij ons toch inzetten om dit mee te nemen in het organiseren van de bewustwordingstrainingen. Waar mogelijk worden de trainingen gericht op bepaalde risicogroepen (bijvoorbeeld jeugdigen) tegelijk gegeven voor verschillende groepen professionals. Daarnaast kan de zorgcoördinator Moviera (en/of Veilig Thuis) worden uitgenodigd bij al bestaande overleggen om het onderwerp onder de aandacht te brengen.
Ook deze externe professionals moeten weten waar zij met hun signalen terecht kunnen. Het is cruciaal dat hierover eenduidigheid bestaat zodat signalen adequaat opgevolgd kunnen worden. Gezien mensenhandel onder de meldcode van Veilig Thuis valt is het van belang dat er duidelijke samenwerkingsafspraken zijn tussen Veilig Thuis en Moviera over het melden en oppakken van signalen. Als gemeente zullen we dit dan ook agenderen in onze voortgangsoverleggen met Veilig Thuis en Moviera.
‘Een stapje extra’ is ook het bewust maken van inwoners op signalen van mensenhandel. Een concrete actie welke al door de gemeente Barneveld is uitgevoerd, is de bewustwordingstentoonstelling ‘open je ogen voor mensenhandel’. Deze is in februari en maart 2022 in Barneveld gehouden en was vrij toegankelijk voor alle inwoners. In het communicatieplan ondermijning zal gekeken worden hoe verder inwoners te betrekken. Mogelijke laagdrempelige acties zijn het delen van social media berichten, bijvoorbeeld op de Europese dag tegen mensenhandel. Hierbij zullen we inwoners aansporen om signalen te melden, bijvoorbeeld via Meld Misdaad Anoniem.
3.3 Pijler 3: Aanpakken Belangrijk in de aanpak van mensenhandel is tevens het aanpakken en bestrijden van de criminele activiteiten van mensenhandelaren. Met andere woorden: het verstoren van het criminele bedrijfsproces. Dit kan enerzijds door mensenhandel op te sporen, te beëindigen en te bestraffen. Anderzijds kan dit door barrières in het criminele proces op te werpen.
Opsporen en ingrijpen bij mensenhandel Het opsporen en bestraffen van mensenhandel is in eerste instantie een taak van landelijke partijen, zoals de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en het Openbaar Ministerie (OM). Als het gaat om arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel is onder meer de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) (voorheen ISZW) verantwoordelijk. Echter is een integrale 19
aanpak met meerdere partijen gewenst en noodzakelijk in de bestrijding van mensenhandel (en overige vormen van ondermijning). De gemeente heeft hier ook een belangrijke rol in. Door samenwerking kan een zaak direct van meerdere kanten bekeken worden. De partner met de beste kaarten in handen gaat over tot actie. De ene keer is dat de gemeente, de andere keer de Belastingdienst of de politie. Zo kan sneller worden ingegrepen. Het gaat hier om repressie en het (integraal) aanpakken van daders en facilitators van mensenhandel. De middelen die de gemeente hiervoor kan inzetten liggen in het bestuurlijk instrumentarium, zoals duidelijke ‘spelregels’ in de Algemene Plaatselijke Verordening, het weigeren of intrekken van vergunningen, het uitvoeren van integriteitstoetsen via de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), het stellen van (aanvullende) voorschriften en beperkingen in de vergunning, terugvorderen van uitkeringen, sluiten van panden en het weren van personen.
Overleggremia en controles gemeente Barneveld Er is binnen de gemeente Barneveld een lokaal ondermijningsoverleg: de interne ondersteuningsgroep ondermijning. Dit overleg wordt geïnitieerd vanuit team Veiligheid, Vergunningen & Toezicht (VVT). Hieruit sluiten onder andere de veiligheidsadviseur ondermijning/ teamleider, de jurist en een boa(coördinator) aan. Ook sluit er een collega van het sociaal domein aan en een BRP-specialist. De deelnemers zijn verder afkomstig uit de volgende organisaties: Politie, Omgevingsdienst de Vallei (ODDV), Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) en de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) (de brandweer). En waar nodig worden andere partijen (eenmalig) uitgenodigd. Dit overleg vindt 1 keer in de 6 weken plaats en hier worden ingebrachte signalen besproken. Opgeschaalde casuïstiek kan daarna in een (2-maandelijks) RIEC mensenhandeloverleg worden besproken. Hierbij sluiten onder andere de NLA en de AVIM aan. Het bespreken van de signalen kan uiteindelijk leiden tot (gezamenlijke) acties, zoals controles en handhaving. Vanuit de gemeente Barneveld vindt sowieso standaard 1 keer in de 3 maanden een integrale controle plaats. Hierbij sluiten Liander, ODDV, boa, politie, BRP, sociaal domein, brandweer en medewerkers VVT aan.
Hierbij worden onder andere locaties waarbij signalen van ondermijning zijn bezocht.26 Project Ariadne Eind 2021 is de gemeente Barneveld gestart met project Ariadne/ vitale vakantieparken. De gemeente Barneveld heeft veel recreatieparken. Het project Ariadne ondersteunt de gemeente Barneveld met het aanpakken en voorkomen van (mogelijke) ondermijning/ mensenhandel op de 57 vakantieparken. Ariadne heeft geconstateerd dat een groot aantal van deze vakantieparken niet meer uitsluitend functioneert als vakantiepark en daarom in meer en mindere mate vatbaar zijn voor criminele en ondermijnende activiteiten. Ariadne heeft daarom geadviseerd om op 6 vakantieparken een controle te gaan uitvoeren. De gemeente Barneveld is daar op dit moment mee bezig. Bestuurlijke maatregelen Op basis van bevindingen vanuit de (integrale of zelfstandige) controles kan de gemeente bestuurlijke maatregelen opleggen. De gemeente Barneveld heeft bij de gevallen waarin dit kon bestuursrechtelijk opgetreden, door bijvoorbeeld een pand waarin seksuele uitbuiting plaatsvond te sluiten.
Bij aangetroffen illegale prostitutie (waarbij geen sprake hoeft te zijn van (aangetoonde) mensenhandel) wordt ook bestuursrechtelijk opgetreden, door middel van bijvoorbeeld een last Dit zijn de standaard werkprocessen rondom het opvolgen van signalen en het uitvoeren van controles, waarbij de gemeente betrokken is in het kader van handhaving. Als er signalen binnenkomen waarbij er spoed achter zit, wordt er uiteraard sneller geschakeld. Daarnaast zijn er ook casussen waarbij de AVIM of de NLA zelfstandig opereert. Ook zijn er in het zorgdomein overleggen waarbij mogelijke signalen van slachtoffers van mensenhandel besproken worden. Als dit signalen van daders met zich meebrengt, wordt er geschakeld met het veiligheidsdomein. 26
20
onder dwangsom. Dit is in de afgelopen jaren enkele keren gebeurd. Ook wordt er een last onder dwangsom opgelegd bij sommige activiteiten waarbij vermoedens zijn van criminele uitbuiting, zoals het vervoeren van inbrekerswerktuigen. Wij zijn voornemens om ons te blijven conformeren aan regionale handhavingsrichtlijnen en om onze bevindingen/ extra handhavingsmogelijkheden met de regio te delen, om zo een waterbedeffect tegen te gaan. Barrières opwerpen Daarnaast kan het criminele bedrijfsproces worden bemoeilijkt doordat de gemeente en andere organisaties barrières opwerpen. Het opwerpen van barrières is zeer waardevol. Waar men met het strafrecht vaak aan het einde van het proces zit, kunnen eerder in het proces al criminelen tegen worden gehouden en/of hun activiteiten worden bemoeilijkt. Waar de strafrechtelijke of fiscale aanpak zich leent voor de aanpak op personen, richt de bestuurlijke aanpak zich juist op situaties en gelegenheidsstructuren die criminaliteit faciliteren of zelfs aanmoedigen. De bestuurlijke aanpak is op deze manier aanvullend aan de opsporing. Dit maakt de gemeente een onmisbare samenwerkingspartner om deze vorm van criminaliteit aan te pakken.
Aan de integrale aanpak van mensenhandel liggen barrièremodellen ten grondslag. Aan de hand van een aantal barrières wordt inzichtelijk gemaakt welke stappen mensenhandelaren moeten zetten om hun criminele activiteit te kunnen uitoefenen en welke organisaties een rol kunnen spelen om die activiteit te bemoeilijken of te sanctioneren. Bij mensenhandel zijn dat in ieder geval barrières op de terreinen van werving, entree, huisvesting, identiteit, vervoer, arbeid en financiën. Ook de gemeente kan barrières opwerpen om mensenhandel te bestrijden. Deze barrières kunnen op verschillende plekken in de organisatie worden opgeworpen en hebben met verschillende beleidsterreinen te maken. Een aantal barrières die de gemeente Barneveld opwerpt/ gaat opwerpen om mensenhandel te bestrijden, worden hier toegelicht. Barrières bij entree en identiteit Om in Nederland te kunnen werken is een inschrijving bij de gemeente nodig. Voor deze barrières ‘entree’ en ‘identiteit’ beschikt de gemeente over een aantal bestuurlijke instrumenten. Hoewel inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) onder de juiste voorwaarden bij publiekszaken niet kan worden geweigerd, kunnen verdachte signalen wel worden onderzocht door de gemeente. Het gemeenteloket is vaak de eerste stap voor het plegen van identiteitsfraude en adresfraude.
Aan de hand van informatie over fraudesignalen kan de gemeente vooraf (dus voor inschrijving in de BRP) een controle uitvoeren. Desondanks kan het aan het loket erg lastig zijn om fraude te herkennen. Bij (identiteits)fraude kan de gemeente de inschrijving weigeren, aanpassen, en/of de documenten ongeldig verklaren. De medewerkers van de gemeente Barneveld zijn op verschillende manieren alert op fraude. Zo wordt er bepaalde apparatuur gebruikt om identiteitsbewijzen en papieren te scannen op echtheidskenmerken. Ook worden er verscheidene cursussen gevolgd die handvatten geven. Bij (vermoedelijke) identiteitsfraude wordt de werkinstructie van de Landelijke Werkgroep Tegengaan Identiteitsfraude gevolgd. Dit kan bij een heterdaad situatie inhouden het bellen van 112, waarna de politie komt om de persoon aan te houden.
Daarnaast worden andere signalen ook doorgeven aan andere medewerkers, zodat deze controle hierop kunnen uitvoeren. Verdachte signalen worden doorgestuurd naar het Team Adresonderzoek (onderdeel van Burgerzaken). De gemeente doet tevens mee aan de Landelijke Aanpak 21
Adreskwaliteit, waarbij er op basis van data(koppelingen) verdachte signalen in beeld komen. Afhankelijk van de kern van de melding wordt bekeken wat nodig is om het signaal af te handelen. Er wordt een overweging gemaakt of administratief onderzoek volstaat, een huisbezoek nodig is of dat samenwerking met overige partners noodzakelijk is. Bij inschrijvingen waarbij het gebruiksdoel anders is dan een woonadres (dit kan zijn recreatieverblijf of bedrijfspand), wordt melding gemaakt bij de afdeling die dit kan oppakken. Dit betreft de omgevingsdienst, afdeling Bouw en vergunningen. Zo ook als sprake is van vermoedelijk illegale kamerverhuur of huisvesting van arbeidsmigranten. In geval van huisvesting arbeidsmigranten is de vraag of de bewoning in strijd is met de regels die het Beleid voor huisvesting arbeidsmigranten stelt óf in strijd is met het bestemmingsplan (zie ook de barrière huisvesting). (Te nemen) barrières bij huisvesting Arbeidsmigranten leveren in verschillende sectoren een grote bijdrage aan de economie. Een arbeidsmigrant is vaak afhankelijk van de werkgever of het uitzendbureau voor de huisvesting en het vervoer. Dit kan de arbeidsmigrant kwetsbaar maken. Het is daarom belangrijk dat gemeenten toezien op de integriteit van de huisvester en de werkgever.
Door een goed huisvestingsbeleid van arbeidsmigranten en handhaving wordt arbeidsuitbuiting eerder gesignaleerd of mogelijk zelfs voorkomen. De gemeente kan door middel van het huisvestingsbeleid en handhaving dus belangrijke barrières opwerpen.
Goede huisvesting voor arbeidsmigranten vraagt om samenwerking tussen gemeenten, huisvesters en werkgevers in afstemming met omwonenden. Deze samenwerking heeft betrekking op meerdere terreinen. Expertisecentrum Flexwonen onderscheidt vijf verschillende sporen: • • • • •
Voldoende ruimte voor de huisvesting van arbeidsmigranten; Handhaven op woon- of verblijfssituaties die niet aan de voorschriften voldoen; Inschrijven van arbeidsmigranten in de BRP; Organiseren van heldere en (pro)actieve communicatie; Stimuleren van taal en participatie.
Binnen de gemeente Barneveld zijn er (net als in veel gemeenten) momenteel te weinig (legale) plekken waar arbeidsmigranten kunnen worden gehuisvest. Het komt voor dat er veel arbeidsmigranten in kleine woonruimtes worden aangetroffen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld heeft eind 2019 het beleid huisvesting arbeidsmigranten Barneveld vastgesteld. De huisvestingsregels zijn primair gericht op buitenlandse werkenden die voor een relatief korte periode in Nederland verblijven en binnen een straal van tien kilometer werken vanaf waar zij woonachtig zijn. In het nieuwe beleid zijn voorwaarden gesteld aan huisvesting in reguliere woningen binnen de bebouwde kom, in agrarische bebouwing in het buitengebied en op bedrijventerreinen. In de laatste categorie wordt nieuwbouw toegestaan van complexen die ruimte bieden aan maximaal honderd volwassenen. Een dergelijk complex moet ook een beheerder hebben die verantwoordelijk is voor wat er op het terrein plaatsvindt en hoe de migranten gehuisvest zijn. De gemeente hanteert de criteria van het SNF-keurmerk (Stichting Normering Flexwonen), om te beoordelen of de huisvesting van migranten voldoet. In het gemeentelijke beleid is onder andere omschreven hoeveel arbeidsmigranten ergens maximaal mogen wonen, afhankelijk van de grootte van de huisvesting (en de WOZ-waarde) en het gebied waarin deze zich bevindt. 22
Er wordt toegewerkt naar meer ruimte voor de huisvesting van arbeidsmigranten, die voldoen aan de opgestelde voorwaarden. Het ideaalplaatje is dat er meerdere grotere vestigingen komen, zodat er goede afspraken over onder andere het beheer kunnen worden gemaakt. Het beleid is besproken met uitzendbureaus en deze staan hier welwillend in om naar een dergelijke situatie toe te werken. Op dit moment wordt er echter nog niet aan voldaan. Dit brengt tevens met zich mee dat sommige uitzendbureaus (uit angst voor handhaving) niet vrij willen geven waar hun buitenlandse medewerkers gehuisvest zijn en deze dus ook niet in de BRP worden ingeschreven. Door middel van meer huisvestingsmogelijkheden kan er toegewerkt worden naar een situatie waarin er genoeg legale woonmogelijkheden worden gecreëerd voor arbeidsmigranten en waarin er zicht is op de verblijfsplaatsen van de arbeidsmigranten. Dit gaat samen met handhaving op slechte woonsituaties (onder andere te veel personen in één woning). Hiermee kan een barrière worden opgeworpen voor slechte huisvesting en arbeidsuitbuiting. Dit vormt tevens een mooi samenspel (met positieve terugkoppeling aan de collega’s van burgerzaken) met de eerdergenoemde barrières en inspanningen van de collega’s bij inschrijving.
Lokale regelgeving prostitutiebranche en de Algemene plaatselijke verordening (Apv) als barrières bij arbeid Bij de aanpak van mensenhandel in de seksindustrie speelt de gemeente een specifieke rol bij de barrière ‘arbeid’. De prostitutiesector is immers lokaal gereguleerd via een vergunningenbeleid. De prostitutiebranche is een kwetsbare branche voor mensenhandel en een goed werkend vergunningensysteem met betrekking tot prostitutie kan bijdragen aan het voorkomen van misstanden. Lokale regelgeving is een belangrijk instrument voor gemeenten om misstanden te voorkomen en aan te pakken en ondersteuning te bieden aan sekswerkers. Hoofdstuk 3 van de Apv van de gemeente Barneveld bevat regels met betrekking tot de regulering van de seksbranche. In de beleidsregels is aangegeven dat er een vergunning kan worden verleend voor maximaal één seksinrichting in de vorm van een bordeel of privéhuis dan wel één escortbedrijf. In de Apv staan voorwaarden voor de vergunningaanvraag, de toetsingsgronden en de weigeringsgronden. Daarnaast moet het bestemmingplan de vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf mogelijk maken. Ook wordt altijd een Bibob-toets uitgevoerd.
De optie voor een vergunde seksinrichting of een escortbedrijf binnen de gemeente Barneveld is niet ingevuld en er is dus geen sprake van een vergunde sector. Echter willen wij de regelgeving up-todate houden voor het geval wel een bedrijf vestigt. De vergunningsvoorwaarden worden zoveel mogelijk in lijn gehouden met de landelijke en regionale richtlijnen. Bij de volgende Apv-wijziging voegen wij in ieder geval toe dat een exploitant een gedetailleerd bedrijfsplan dient op te stellen bij een vergunningaanvraag. Hierin dient onder andere te worden beschreven welke maatregelen de exploitant treft ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees. Dit om een vergund seksbedrijf zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor mensenhandelaren en seksuele uitbuiting.
Wanneer de vergunningsregels worden geschonden, dan moet of kan -afhankelijk van de ernst van de overtreding- de vergunning worden ingetrokken dan wel het bedrijf tijdelijk worden gesloten. Dit 23
geldt ook voor andere vergunde branches zoals de horeca (waar zich bijvoorbeeld arbeidsuitbuiting voor kan doen). De Apv is hierbij het gemeentelijke kader waarbinnen mensenhandel kan worden bestreden. Zo kent de Apv in artikel 2:40a en in de daarbij behorende beleidsregels de mogelijkheid om op grond van artikel 174 Gemeentewet een voor publiek openstaand gebouw te sluiten. In de beleidsregels is onder andere aangegeven dat bij verschillende vormen van mensenhandel (of de aanwezigheid van slachtoffers van mensenhandel) van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Ook zijn er Apv-artikelen opgenomen die kunnen vallen onder het tegengaan van criminele uitbuiting. Dit betreft verboden van gedragingen waarvan een vermoeden bestaat dat deze binnen de gemeente vaak onder dwang worden uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld het bij zich hebben van inbrekerswerktuigen of geprepareerde voorwerpen zoals “jattassen” (artikel 2:44 en 2:44a). Daarnaast is ook bedelarij verboden in de Apv in artikel 2:65.
Bibob-toets als barrière bij meerdere terreinen De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument. Door het opstellen van Bibob-beleid, kan een gemeente onder andere vergunningen onderwerpen aan een Bibob-toets/onderzoek. Zo geeft de Wet Bibob gemeenten de mogelijkheid om voorafgaand aan het verlenen van een vergunning de (criminele) antecedenten van de aanvrager na te gaan. Bij reeds verleende beschikkingen kan tevens (achteraf) een Bibob-onderzoek worden gestart bij bijvoorbeeld signalen van (veiligheids)partners. Als er een ernstige mate van gevaar dreigt dat een vergunning wordt misbruikt, kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Op deze wijze wordt voorkomen dat de gemeente (rechts)personen faciliteert met een onderneming en zij deze gebruiken voor (onder meer) mensenhandel of het witwassen van crimineel geld dat in dit soort sectoren verdiend is.
In het lokale Bibob-beleid geeft de gemeente aan hoe en op welke terreinen het instrument binnen de gemeente wordt ingezet. Voor de gemeente Barneveld geldt dat de Wet Bibob altijd wordt ingezet bij nieuwe beschikkingen op het terrein van de horeca en seksinrichtingen. Ook wanneer een bouwvergunning wordt gevraagd ten behoeve van een horecabedrijf of seksinrichting/escortbedrijf wordt deze ingezet. Daarnaast kan bij subsidies een toets worden uitgevoerd. Ook kan de toets worden uitgevoerd bij omzettingsvergunningen en/of splitsingsvergunningen uit de Huisvestingswet. In een bijlage bij het beleid zijn risicocategorieën aangewezen waar de gemeente in beginsel de Wet Bibob toepast. Hier staan ook de sectoren benoemd die bekend staan om mogelijke mensenhandel.
3.4 Pijler 4: Zorg en opvang voor slachtoffers De zorg en opvang voor slachtoffers is een belangrijk component in een sluitende aanpak mensenhandel. Voor slachtoffers van mensenhandel is het vaak erg moeilijk om hulp te vragen uit angst voor de daders, waarvan zij afhankelijk zijn. Wanneer er niets te bieden is aan de slachtoffers in de vorm van veilige opvang, ondersteuning en hulpverlening zullen zij zichzelf niet melden. Ook voor professionals die signalen van mensenhandel of uitbuiting willen doorgeven, is het belangrijk dat zij weten dat er adequaat op gereageerd wordt. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor passende opvang, ondersteuning en
24
nazorg voor slachtoffers van mensenhandel. In het VNG Kader wordt slechts één plateau op dit deelonderwerp beschreven, met daarin de volgende punten: •
•
•
De gemeente neemt haar organisatorische en financiële verantwoordelijkheid voor de zorg en opvang van slachtoffers van mensenhandel serieus, ook waar de opvang regionaal of landelijk is georganiseerd. De gemeente heeft zorgcoördinatie voor slachtoffers geregeld met aandacht voor casemanagement en werkt aan het opbouwen en onderhouden van een regionaal en landelijk netwerk en het geven van voorlichting en preventie. De ingekochte opvang en hulpverlening voldoet aan kwaliteitscriteria.
Afspraken zorgcoördinatie Naast opvang van een slachtoffer kan er sprake zijn van een verblijfsrechtelijk traject, een strafrechtelijk traject en een zorgtraject. Een zorgcoördinator coördineert dit en probeert te zorgen dat de verschillende trajecten elkaar niet bijten.27 Sinds 2018 is voor de regio West Veluwe Vallei de zorgcoördinatie voor slachtoffers van mensenhandel geborgd. Ter ondersteuning van gemeenten wordt de zorgcoördinatie voor de hele regio ingekocht bij Moviera (welke ook betrokken is bij de aanpak van huiselijk geweld). Deze dienst is onderdeel van de subsidie die gemeente Ede als centrumgemeente aan Moviera verstrekt. Er is meerdere keren per jaar overleg met Moviera over alle inzet vanuit de subsidie, waaronder de zorgcoördinatie voor slachtoffers van mensenhandel.
Moviera heeft in de regio de expertise op de zorg voor slachtoffers van mensenhandel. Moviera behartigt de belangen van slachtoffers en coördineert de zorg vanuit het slachtoffer. Dit is maatwerk en afhankelijk van verschillende factoren. Door middel van landelijke samenwerking met de verschillende partners zijn de zorgcoördinatoren goed geïnformeerd over de ontwikkelingen en hebben zij kennis van alle vormen van uitbuiting, de signalen en de uitingsvormen. Een standaard werkwijze is dat de politie of de NLA vaststelt of iemand vermoedelijk slachtoffer is van mensenhandel op basis van de geringste aanwijzing en doorverwijst naar de zorgcoördinatoren. De zorgcoördinator gaat in gesprek met het vermoedelijke slachtoffer over de uitbuiting, veiligheid en de hulpvragen van het slachtoffer. Moviera informeert slachtoffers over hun rechten, schakelt juridische hulp in (slachtoffer advocaat) en zet zorg in waar dat nodig is. In de praktijk werkt Moviera samen met veel verschillende ketenpartners in de zorg in de regio. Landelijk wordt er samengewerkt met Comensha en de zorgcoördinatoren in andere regio’s in het land.
Naast de politie/ NLA kan elke organisatie (onderwijs/zorg/gemeente) een vermoeden van uitbuiting bij een zorgcoördinator melden. Ook wanneer er alleen nog sprake is van (kleine) signalen kan Moviera adviseren en ondersteunen bij het verhelderen/duiden van deze signalen. Afhankelijk van de situatie gaat een zorgcoördinator alleen of samen met de hulpverlener/school in gesprek met degene waar zorgen over zijn. Soms vindt er in eerste instantie alleen monitoring plaats op afstand. Wanneer er sprake is van acute onveiligheid zal geadviseerd worden om contact te leggen met politie en informatie te delen. Er kan ook gevraagd worden om een melding te doen bij Veilig Thuis. In de samenwerking met Veilig Thuis kunnen signalen ook bij andere partijen worden opgehaald.
Op de website www.wegwijzermensenhandel.nl is uitgebreide informatie te vinden over welke aspecten er allemaal bij de zorg en opvang voor (verschillende soorten) slachtoffers van mensenhandel komen kijken. 27
25
De zorgcoördinator blijft betrokken bij een slachtoffer zolang er een strafrechtelijk traject loopt. Dit kan meerdere jaren zijn. In de praktijk heeft de zorgcoördinator het meeste directe contact met het slachtoffer in de eerste periode dat een vermoedelijk slachtoffer is gesignaleerd. Wanneer een slachtoffer besluit geen aangifte te doen, blijft de zorgcoördinator betrokken tot de zorg goed geregeld is, een slachtoffer veilig is en met ondersteuning verder kan. Dit kan van enkele weken tot enkele maanden zijn. De zorgcoördinator heeft ook de rol om lacunes in de zorg te signaleren en deze te bespreken. Dit gebeurt soms landelijk, maar ook in de eigen regio.
Bekendheid en doorverwijzing naar Moviera De gemeente Barneveld heeft nog niet veel ervaring met vastgestelde casussen mensenhandel. Wel is het wenselijk dat als er sprake is van een (mogelijk) slachtoffer er contact wordt opgenomen met Moviera, zodat Moviera met haar expertise op het gebied van mensenhandel kan meedenken over de casus en in de oplossing hiervan eventueel een rol kan spelen. Dit kan uiteraard naast lokale ondersteuning van andere partijen (zoals het jeugdwerk). Voor het slachtoffer is het in ieder geval belangrijk dat deze op vrijwillige basis de mogelijkheid krijgt voor contact met Moviera, zodat het slachtoffer de juiste ondersteuning (en erkenning) kan krijgen. Dat er sprake is van een situatie van mensenhandel moet in ieder geval bij Moviera worden gemeld. Moviera meldt op haar beurt weer bij Comensha. Dit is namelijk ook belangrijk voor de cijfers en om het probleem goed in beeld te krijgen. Moviera wordt nog niet standaard betrokken. Ook zijn niet alle professionals die in aanraking kunnen komen met slachtoffers van mensenhandel bekend met Moviera. Het streven is een situatie waarin dit wel het geval is. Dit betekent dus meer bewustwording en kennis onder andere over Moviera, naast meer kennis over het fenomeen mensenhandel. Wij zullen helpen Moviera meer onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld door ze te laten aansluiten bij bepaalde overleggen.
Overige gemeentelijke taken en doelen Indien er sprake is van een mogelijk slachtoffer van mensenhandel, neemt Moviera veel op zich rondom de coördinatie wat er geregeld moet worden voor het slachtoffer. Toch zijn er ook zaken die door de gemeente geregeld dienen te worden of waarin de gemeente kan ondersteunen. Ten eerste rondom de opvang van slachtoffers. Moviera heeft (via Comensha) met name zicht op de opvangbedden specifiek voor slachtoffers van mensenhandel. Stel dat een slachtoffer voor deze opvanginstellingen een contra-indicatie heeft, moet het slachtoffer wellicht ergens anders geplaatst worden, zoals bijvoorbeeld in een vrouwenopvang voor huiselijk geweld (indien de uitbuiter hun partner is). Hierin kan de gemeente een rol spelen, gezien zij zicht heeft op de verschillende opvangbedden in de gemeente.
Naast de opvang van een slachtoffer, zal er in de verdere procedures ook mogelijk door de gemeente nog het een en ander geregeld of uitgezocht moeten worden. De zorgcoördinator kan bijvoorbeeld voor het slachtoffer een spoed Wmo-indicatie nodig hebben (bijvoorbeeld indien een slachtoffer voor zijn/ haar veiligheid naar een andere regio wordt verplaatst). Ook kan er bijvoorbeeld gevraagd 26
worden of (buitenlandse) (soms onjuiste of ontbrekende) documenten geverifieerd kunnen worden. De zorgcoördinator maakt hiervoor gebruik van de normale routes (denk aan het Wmo-loket). Mochten er zich in de standaardroutes problemen voordoen, dan is het wenselijk dat de zorgcoördinator dit bij de aandachtsfunctionaris kan aankaarten (welke intern collega’s vanuit o.a. Jeugd, Sociaal domein, Wmo, BRP kan betrekken). Hierover dienen goede afspraken te worden gemaakt, zowel intern (wie is waar verantwoordelijk voor) als met Moviera. De verwachting is dat dit in de praktijk niet vaak zal voorkomen.
Er moet maatwerk kunnen worden geboden in de ondersteuning van slachtoffers. Ondersteuning kan niet altijd gevangen worden in bestaande protocollen en regels. Daarnaast is het belangrijk om voldoende laagdrempelige hulpverleningstrajecten beschikbaar te hebben, waarbij zo veel mogelijk wordt ingezet op bewezen effectieve interventies. Slachtoffers hebben een grote kans om terug in de handen van een mensenhandelaar te vallen. Inzet van de hulpverleningstrajecten bij de juiste organisaties is noodzakelijk om revictimisatie te voorkomen.
Over het vraagstuk van de verantwoordelijkheden die wij als gemeente hebben bij de opvang en zorg van slachtoffers van mensenhandel heeft een commissie onder voorzitterschap van Henri Lenferink, burgemeester van Leiden in 2015 onderzoek gedaan (belangrijke aanbevelingen hieruit komen terug in de punten uit het VNG kader). Een nog niet benoemde aanbeveling uit het Rapport van de Commissie Lenferink is dat in principe de gemeente waar het slachtoffer staat ingeschreven of, indien niet ingeschreven, aangetroffen wordt (financiële) verantwoordelijkheid neemt voor de hulp en opvang van slachtoffers die rechtmatig in Nederland verblijven. Indien dit laatste plaatsvindt in onze gemeente zullen we dan ook aan deze aanbeveling voldoen.
Er zal worden gemonitord of bovenstaande processen goed verlopen. Zoals gezegd is bij het eruit halen van slachtoffers mensenhandel uit hun situatie en het voorkomen van (voortdurend) slachtofferschap adequate en tijdige ondersteuning cruciaal.
3.5 Overig Naast de inzet op de vier pijlers, zijn er nog enkele overkoepelende zaken van belang.
Aandacht voor en bewustwording van het fenomeen Mensenhandel Naast de specifieke inzet op bewustwording van medewerkers die met mensenhandel te maken kunnen krijgen, is het ook belangrijk om op andere niveaus aandacht voor het onderwerp mensenhandel te behouden. De VNG adviseert hierin als basisniveau: “De gemeente heeft aandacht voor het fenomeen mensenhandel op bestuurlijk, ambtelijk en uitvoerend niveau, en aandacht voor de mensenhandel in de samenwerking met bestuurlijke partners. Het onderwerp wordt ten minste twee keer per jaar besproken in de gezagsdriehoek en op ambtelijk niveau.” De betreffende aandachtsfunctionaris mensenhandel zorgt voor agendering in de gezagsdriehoek. Het onderwerp 27
mensenhandel zal daarnaast in ieder geval worden geagendeerd voor overleggen rondom ondermijning, zorg en veiligheid en de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Het doel is om het onderwerp mensenhandel op meerdere overleggen en agenda’s terug te laten komen, om zo bij te dragen aan bewustwording en blijvende urgentie omtrent dit onderwerp.
Daarnaast is het belangrijk om meer zicht te krijgen op de actuele en regionale verschijningsvormen van mensenhandel. Mensenhandel beperkt zich niet tot gemeentelijke grenzen. Huisvesting, werklocaties, daders en slachtoffers kunnen over meerdere gemeenten zijn verspreid, waarbij de accenten per gemeente kunnen verschillen. Het is goed om te weten wat er in de regio speelt en hierop samen te werken. De VNG adviseert hierin als basisniveau: “De gemeente genereert inzicht in de situatie in de regio, door een omgevingsscan of risicoanalyse te doen van de sectoren die kwetsbaar zijn voor mensenhandel. Hiermee zijn mogelijke risicogroepen ook in beeld gebracht. Daar waar mogelijk, wordt gebruik gemaakt van beschikbaar (lokaal) cijfermateriaal.” Het lokale ondermijningsbeeld heeft reeds een globaal zicht geleverd op risico’s en witte vlekken. Daarnaast zullen regionale onderzoeken worden gestimuleerd en worden meegenomen in de regionale en lokale aanpak. Zicht hebben en houden hangt daarnaast vooral samen met adequate signalering, melding en registratie. Signalen kunnen ook buiten de gemeente om bij partners zoals Moviera terecht komen. De gemeente spreekt met de partners af elkaar (op hoofdlijnen) op de hoogte te stellen van signalen. Hierbij worden de privacywaarborgen in acht genomen. Belangrijk is om de ontwikkelingen in de gemeente scherp te hebben.
Samenwerking in de keten en/of regio De ketenaanpak mensenhandel omvat meerdere partijen. Het is belangrijk dat deze goed op elkaar ingespeeld zijn en op de hoogte zijn van belangrijke ontwikkelingen. Samenwerking en afstemming is belangrijk, onder andere om ervoor te zorgen dat partijen geen tegenstrijdige acties uitvoeren, maar elkaar juist versterken. De VNG adviseert dan ook als basisniveau het volgende: •
De gemeente heeft een duidelijk beeld welke partijen een rol spelen bij de aanpak van mensenhandel, en de samenwerking met deze partijen is geregeld, bijvoorbeeld middels samenwerkingsafspraken. • De samenwerking in de aanpak van mensenhandel is ingebed in bestaande samenwerkingsstructuren: het onderwerp komt bijvoorbeeld terug op regionale overlegtafels. • De aanpak van de gemeente is aangesloten op de aanpak binnen de regio. De gemeente draagt daarmee effectief bij aan het verkrijgen van een landelijk dekkend stelsel van zorgcoördinatie. Dit worden aandachtspunten voor de aandachtsfunctionaris. Echter is er ook al kennis in huis en loopt er regionaal al het een en ander. Binnen het regionale programma Samen Weerbaar Gelderland Midden is er een werkgroep welke zich onder andere bezig houdt met de aanpak van mensenhandel en het schrijven van een handreiking. De gemeente Barneveld werkt hieraan mee. Er wordt blijvend verbinding gezocht met de regio en good practices worden gedeeld.
28
4. Vervolg en financiën Vervolg Na de instemming van dit beleidsplan (bestuurlijke) sluitende aanpak mensenhandel zullen de aandachtsfunctionarissen (structureel) vervolg geven aan de acties binnen hun taakvelden en de praktische uitvoering hiervan nader uitwerken. De aanpak van mensenhandel valt onder de aanpak van ondermijning. Hierom is ervoor gekozen om de activiteiten die uit dit beleidsplan voortvloeien, mee te nemen in de acties die vallen onder ondermijning. In de praktijk betekent dit het opnemen van de acties in de jaarlijkse uitvoeringsplannen veiligheid.
Financiën Veel van de (mogelijke) kosten zit op de financiering van de zorgcoördinatie/begeleiding en de bewustwordingstrainingen. Zoals aangegeven wordt de zorgcoördinatie voor slachtoffers van mensenhandel voor de regio West Veluwe Vallei uitgevoerd door Moviera. Deze dienst is onderdeel van de subsidie die gemeente Ede als centrumgemeente aan Moviera verstrekt. Gemeente Ede betaalt dit als centrumgemeente volledig uit de Decentralisatie Uitkering Vrouwenopvang (DUVO).
Een ander belangrijk deel van de aanpak mensenhandel is het organiseren van bewustwordingstrainingen. De komende maanden zal door de aandachtsfunctionaris binnen team VVT een voorzet voor een keuze hierin worden gemaakt. Dit onder andere met input uit de regionale werkgroep mensenhandel. Eventuele kosten worden betaald uit het budget ondermijning 6011/40606.
29
Bijlage 1: De rollen van de gemeente volgens de Nationaal Rapporteur De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen onderscheidt in zijn tiende rapportage vier gemeentelijke rollen. Deze worden nog eens nader toegelicht in het VNG Kompas. De vier gemeentelijke rollen zijn: 1. De gemeente als signaleerder. Gemeenten zijn door het dagelijks contact met burgers de oren en ogen in de samenleving waarbij signalen van mensenhandel kunnen worden opgevangen. Het is van belang dat gemeenten in staat zijn mensenhandelsignalen te herkennen. Als gemeenten weten waar zij op moeten letten, kan mensenhandel effectief worden herkend, kunnen slachtoffers worden beschermd en de signalen worden doorgezet naar ketenpartners. 2. De gemeente als beleidsmaker. Gemeenten zijn als beleidsmakers verantwoordelijk voor het opstellen van een plan voor een sluitende aanpak mensenhandel, waarin alle gemeentelijke taken worden opgenomen (preventie, signalering, handhaving en zorg). Dit draagt bij aan een sluitende aanpak. Huisvesting, werklocaties, daders en slachtoffers kunnen echter over meerdere gemeenten zijn verspreid. Door een stevige samenwerking in de regio en met alle betrokken ketenpartners kunnen waterbedeffecten worden voorkomen. 3. De gemeente als deel van de integrale aanpak.
De complexiteit van mensenhandel vraagt om zowel een bestuurlijke als strafrechtelijke aanpak en intensieve samenwerking tussen de verschillende domeinen. Gemeenten zijn met al hun taken en verantwoordelijkheden de aangewezen partij om de regie in handen te nemen en partijen bij elkaar te brengen. Een belangrijke rol komt in dit verband ook toe aan de sinds 2007 bestaande RIEC’s (Regionale Informatie- en Expertise Centra). De gemeente is in ieder geval een onmisbare partner in de integrale aanpak van mensenhandel. 4. De gemeente als verantwoordelijk voor de zorg en opvang van slachtoffers van mensenhandel. Gemeenten zijn financieel en organisatorisch verantwoordelijk voor de zorg voor en opvang van slachtoffers van mensenhandel. Dit is een wettelijk verankerde verplichting, die primair voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet. De taken en verantwoordelijkheden van gemeenten ten aanzien van de bescherming van slachtoffers zijn uitgebreid beschreven in een rapport van de VNG uit 2015 (commissie Lenferink).28
28
VNG, Commissie Lenferink. (2015). Gemeenten en de opvang van en zorg voor slachtoffers van mensenhandel.
30
Bijlage 2. (Inter)nationale wetgeving op het gebied van mensenhandel Er bestaat verscheidene internationale en nationale wetgeving op basis waarvan gemeenten een taak hebben in de aanpak van mensenhandel.
Internationaal Internationaal valt te denken aan: • Het Palermo Protocol, een VN-protocol inzake preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel uit 2000; • De Europese richtlijn, een richtlijn uit 2011 van het Europees parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers; • Verdrag van de Raad van Europa ter bestrijding van mensenhandel uit 2005; • Het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM); • Het Istanboel Protocol, over effectief onderzoek en documentatie van marteling en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straf, is de eerste verzameling internationale richtlijnen voor de documentatie van marteling en de gevolgen daarvan.
Nationaal In de Nederlandse grondwet staat opgenomen dat iedere Nederlander zelf mag kiezen wat voor werk hij wil doen en welke regels bestaan ter bescherming van mensen tijdens hun werk. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor de opvang en ondersteuning van burgers. Gemeenten hebben daarnaast een wettelijke taak in het reguleren van exploitatie van bedrijfsmatige prostitutie, door middel van het uitgeven van vergunningen voor seksbedrijven en het (laten) controleren daarvan. Andere kaders die bij mensenhandel een rol kunnen spelen zijn onder andere de Wet werk- en inkomen en de Huisvestingswet.
31
Bijlage 3. Algemene informatie over preventie Risicofactoren slachtofferschap en daderschap Er zijn risicofactoren die mensen kwetsbaar voor mensenhandel maken, zoals een zwakke economisch positie met weinig perspectief op verbetering, verminderde geestelijke weerbaarheid, een licht verstandelijke beperking, de afwezigheid van een sociaal netwerk, het ontbreken van een juridische (verblijf)status of het niet spreken van de taal. Voor minderjarigen/jongeren geldt dat zij door hun leeftijd altijd kwetsbaar zijn, los van andere risicofactoren. Ten slotte zijn sekswerkers kwetsbaar voor uitbuiting. Onder andere de rapporten van de Nationaal Rapporteur geven enig inzicht in de kenmerken van slachtoffers en daders. De jonge leeftijd van slachtoffers en daders van criminele en seksuele uitbuiting valt hierbij in negatieve zin op. De Nationaal Rapporteur beveelt daarom aan om, naast het voorkomen van slachtofferschap, gericht in te zetten op het voorkomen van daderschap van mensenhandel, specifiek onder jongeren. In onderstaande figuur wordt de leeftijdsverdeling van gemelde slachtoffers weergegeven. Hierin komt de jonge leeftijd van slachtoffers van (met name binnenlandse) seksuele uitbuiting en criminele uitbuiting naar voren. Daarnaast is echter goed te zien dat de leeftijd van slachtoffers per uitbuitingsvorm sterk kan verschillen (met name arbeidsuitbuiting).
Leeftijdsverdeling van de bij CoMensha gemelde slachtoffers. Bron: Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (2020). Slachtoffermonitor mensenhandel 2015-2019. Nationaal Rapporteur.
Preventiemogelijkheden Het scala aan preventiemogelijkheden, communicatiemiddelen en organisaties die zich hiermee bezig houden is erg breed. Ook kan sommige voorlichting worden ingezet/ gecombineerd voor verschillende thema’s en dus tegelijkertijd voor verschillende doeleinden worden ingezet. Een voorbeeld hiervan is het weerbaar maken van (LVB) jongeren tegen verscheidene invloeden van buitenaf en hen meegeven wat normale situaties/relaties zijn, wat niet en hoe hiermee om te gaan. De preventie moet doelgroepgericht worden ingezet om het juiste effect te bereiken.
32
Daarnaast zal inzet op preventie met de tijd mee moeten gaan. Een voorbeeld hiervan is dat in het huidige digitale tijdperk de werkwijze van ‘loverboys’ (en dus ook het inzetten van preventie hierop) enorm is veranderd. Waar een ‘loverboy’ vroeger tijd moest investeren in een meisje, kan hij nu via internet binnen vijftien minuten contact leggen met meerdere meisjes. Op internet kan de loverboy 2.0 sneller het vertrouwen winnen en een meisje bijvoorbeeld via de webcam dingen laten doen waarmee hij haar kan chanteren en kan uitbuiten. De risico’s van mobiele telefoons en het internet en hoe hiermee verantwoord om te gaan, is tegenwoordig een belangrijk onderdeel van preventie (van met name seksuele en criminele uitbuiting). Arbeidsuitbuiting Een groot deel van de slachtoffers van arbeidsuitbuiting is arbeidsmigrant, maar de Nationaal Rapporteur benadrukt: “Het gaat ook om autochtone kwetsbare mensen. Mensen in een afhankelijkheidsrelatie, of met een verstandelijke beperking, au pairs en ongedocumenteerden. Het gaat om mensen die op de een of andere manier op zoek zijn naar een beter bestaan en vaak zelf helemaal niet door hebben dat ze slachtoffer zijn.” Het is in de ogen van de Nationaal Rapporteur een overheidstaak om deze mensen te beschermen.
Het is belangrijk om te inventariseren welke werknemers en sectoren extra kwetsbaar zijn en waar dat is: per regio of gemeente kunnen daarin grote verschillen bestaan.
33