B-3.12 Besluit B&W inzake voorontwerp bestemmingsplan Tolnegenweg-West d.d. 15-3-22.pdf
Tekst van het document
Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat.
5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Uit §4.2.1.2 Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.
Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
25
Tolnegenweg-West geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Het plangebied ligt in de maatwerkzone van de risicobronnen snelweg A1 en de spoorlijn Amersfoort-Deventer. Dit houdt in dat het groepsrisico onderzocht en verantwoord moet gaan worden. PM In het kader van de aanwezige propaantank op het perceel Tolnegenweg 1 zal uitgezocht moeten worden hoe de directe omgeving van deze tank ingedeeld mag worden. Overige plaatsgebonden risicocontouren zijn niet aanwezig in het plangebied. PM
26
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Beoordeling Binnen het plangebied worden geen geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Ook kunnen geen grote lawaaimakers zich op het bedrijventerrein vestigen. Het aspect geluid ten aanzien van milieuzonering is beschreven in § 5.11. Wel voorziet het plan in de aanleg van een nieuwe openbare weg. Het betreft een verbreding en een verlenging van de bestaande weg (parallel aan het spoor) naar de nieuwe werklocaties. Het gaat om een doodlopend stuk weg. De nieuw aan te leggen weg is uitsluitend bedoelt voor bestemmingsverkeer. PM
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Beoordeling "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
27
Tolnegenweg-West
De onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de geurnormenkaart die hoort bij de gemeentelijke geurverordening op grond van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied is gelegen in de blauw gemarkeerde zone. In deze zone geldt een geurnorm van 6 ouE.
Afbeelding 6: uitsnede geurnormenkaart
Rondom het plangebied liggen enkele agrarische bouwvlakken. Dit zijn: - Stroeërschoolweg 3: De veehouderij op de Stroeërschoolweg 3 gaat stoppen in verband met de ontwikkeling van woningbouwplan 'Het Wulperveld'. In het kader van deze ontwikkeling zijn afspraken gemaakt over de beëindiging van dit bedrijf en het wegbestemmen ervan. Daarom hoeft geen rekening te worden gehouden met de geurhinder vanuit dit bedrijf. - Ericaweg 22: Er is een oude milieuvergunning aanwezig die nu als melding kan worden aangemerkt. De voormalige paardenhouderij is echter niet meer in werking. Deze zal in het verband met de ontwikkeling van woningbouwplan 'Het Wulperveld' gesloopt worden en worden wegbestemd. Daarom hoeft geen rekening te worden gehouden met de geurhinder vanuit dit bedrijf. - Tolnegenweg 33: Dit bedrijf heeft een oude milieuvergunning (inmiddels melding) voor het houden van rundvee en varkens. Voor het rundvee gelden vaste afstanden tot aan geurgevoelige objecten. De rand van het bouwvlak van de veehouderij ligt op meer dan 150 meter afstand van de rand van het plangebied. De geurbelasting vanuit de varkens, 2070 ouE, is beperkt te noemen en levert gezien de afstand tot het plangebied geen belemmeringen op.
Ook dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met een voldoende goed woon- en leefklimaat wat betreft (agrarische) geurhinder. Uit een (verouderde) kaart van de achtergrondbelasting in de gemeente Barneveld blijkt dat hier sprake is van een achtergrondbelasting tussen de 10 - 14 ouE/m3. Deze achtergrondbelasting kan worden aangemerkt als een redelijk goed tot matig woon- en leefklimaat en wordt als aanvaardbaar beschouwd voor dit gebied. Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). 28
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West
Beoordeling Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen:
1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan ziet het onderhavige plan op de toevoeging van een lokaal bedrijventerrein van circa 2,5 tot 3 hectare in de milieucategorieën 1 t/m 3.2. Aangezien hiermee toevoeging van bedrijfsgebouwen aan de orde is, is er sprake van een stedelijke ontwikkeling.
2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Er moet van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Tolnegenweg-West' kent thans een agrarische bestemming met één woonbestemming. Gronden met de agrarische bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de realisatie van een bedrijventerrein mogelijk. Op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen.
3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Gemeente Barneveld is voornemens een bedrijventerrein met een oppervlak van circa 2,5 hectare netto te ontwikkelen in de kern Stroe. Aanleiding hiervoor is dat bedrijven die in de kern Stroe zijn gevestigd via de lokale ondernemersvereniging De Stroese Ondernemersvereniging Stroot te kennen hebben ruimte te zoeken om hun bedrijfsactiviteiten verder te ontwikkelen. Gezien de binding die deze bedrijven hebben met de kern Stroe hebben zij de voorkeur voor een nieuwe bedrijfslocatie in Stroe. Een locatie op een regionaal bedrijventerrein in Barneveld of in een van de omliggende gemeenten is voor deze bedrijven niet passend. Al in 2017 is een onderzoek uitgevoerd naar de lokale behoefte aan bedrijventerrein in Stroe, zie bijlage 5. Daarbij is ervoor gekozen om het onderzoek te richten op de bedrijven die al in Stroe zijn gevestigd. De gemeente heeft per brief 181 bedrijven in Stroe geënquêteerd. Voor deze enquête is gebruik gemaakt van het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel. 68 bedrijven hebben deze enquête beantwoord. In tabel 1 zijn de resultaten van deze enquête weergegeven.
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
29
Tolnegenweg-West
Uit de enquête blijkt dat 24 bedrijven in Stroe behoefte hebben aan een nieuwe bedrijfskavel. De totale behoefte omvat 2,7 hectare. Met de ontwikkeling van een lokaal bedrijventerrein in Stroe komt circa 17.000 m² beschikbaar voor nieuwe functies, waarvan minimaal 15.000 m² voor woningbouw in de kern. De enquête geeft een momentopname van behoefte aan bedrijfsruimte. Met de positieve economische ontwikkeling de afgelopen jaren is de behoefte aan bedrijfsruimte alleen maar toegenomen. Met de ontwikkeling van een lokaal bedrijventerrein komt circa 1,5 hectare vrij voor de ontwikkeling van woningbouw in de kern van Stroe. De netto toename aan oppervlak bedrijventerrein bedraagt hiermee 1,5 tot 2 hectare. De Stroese Ondernemersvereniging De Stroot heeft naar aanleiding van de uitkomsten van de enquête besloten een kavel met een oppervlak van circa 3 hectare te verwerven. Deze kavel is nu in eigendom ondergebracht in de Stroese Ontwikkelings Groep B.V. en beslaat het grootste gedeelte van voorliggende plangebied. Gemeente Barneveld werkt samen in de regio FoodValley aan de actualisering van het Regionaal Programma Werklocaties FoodValley. Op 10 december 2021 is de Visie Werklocaties Foodvalley 2020-2030 en Regionaal Programma Werklocaties Foodvalley (RPW) 2021-2025 vastgesteld door het Algemeen Bestuur Regio Foodvalley.
Hierin is onder zachte plannen het bedrijventerrein in Stroe opgenomen met een oppervlak van 3,5 hectare. Deze ontwikkeling maakt onderdeel uit van het oppervlak van 120 hectare aan zachte plannen in de regio FoodValley. In de regio is in totaal een aanbod aan harde en zachte plannen van 178 hectare. De totale behoefte aan bedrijventerrein is in het RPW FoodValley 2021 – 2025 geraamd op 320 tot 350 hectare. Daarmee is het aanbod aan harde en zachte plannen kleiner dan de behoefte in de regio. Voordat het ontwerpbestemmingsplan zal worden gepubliceerd zal de gemeente - in overleg met de Stroese Ontwikkelings Groep B.V. - inventariseren welke specifieke bedrijven een optie willen nemen op een kavel in het voorliggende plangebied. Aansluitend zal een onderzoek worden gedaan naar de volgende aspecten: 30
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West De binding van het bedrijf aan de kern Stroe. De bedrijfseconomische noodzaak voor vestiging op een nieuwe bedrijfskavel. Indien sprake is van een verplaatsing naar de nieuwe bedrijfskavel het beoogde toekomstige gebruik van de huidige bedrijfskavel. Wanneer het bestemmingsplan onherroepelijk is zullen de kavels worden uitgegeven.
4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, moet de verantwoording in het ruimtelijk besluit een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gebied grenst echter direct aan de bestaande bebouwing in Stroe en het ligt ingesloten tussen de rijksweg A1 en de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn.
5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van een lokaal bedrijventerrein van circa 2,5 hectare netto door middel van inbreiding binnen de kern Stroe ligt niet voor de hand. Het bedrijventerrein is juist bedoeld om bedrijven uit de kern naartoe te verplaatsen en daarbij groeiruimte aan te bieden. Er is in de kern geen leegstand van bestaand vastgoed. De kern Stroe kan enkel worden uitgebreid buiten bestaand stedelijk gebied. Onderhavige locatie wordt daarbij als geschikt aangemerkt, aangezien het compact aansluit op de kern en in de nabijheid van de snelweg A1 ligt.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Binnen het plangebied bevindt zich een rioolpersleiding. Deze persleiding zal moeten worden verlegd zodat deze in openbaar gebied komt te liggen. Dit wordt meegenomen bij het bouwrijp maken van het plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied vallen niet binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van de ontwikkeling moet in beeld worden gebracht. "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
31
Tolnegenweg-West
PM
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin het te realiseren bedrijfsvloeroppervlakte 200.000 m² of meer is (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een bedrijventerrein van circa 2,5 tot 3 hectare. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. PM
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). PM
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van 32
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.
Beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein met bijbehorende infrastructuur. Hiermee wordt een milieubelastende bestemming gerealiseerd. Voor de locatie geldt dat het beoogde bedrijventerrein in nabijheid is gesitueerd van diverse bestemmingen, waaronder wonen en bedrijven, en grenst aan de hoofdinfrastructuur (een autosnelweg en spoorlijn). Voor het beoordelen van de milieuhinder is derhalve het uitgangspunt dat er sprake is van een zogenaamd “gemengd gebied”. In de VNG handreiking “Bedrijven en milieuzonering” staat dit omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. De richtafstanden kunnen daarom met een afstandstap verlaagd worden ten opzichte van de in bijlage 1 van de VNG handreiking opgenomen richtafstanden. Het opgestelde plan voorziet uitsluitend in milieubelastende functies (en niet in milieugevoelige functies). Binnen het plangebied wordt maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan, met uitzondering van het gedeelte aan de noordoostzijde binnen het plangebied waar maximaal milieucategorie 3.2 wordt toegestaan. Bij milieucategorie 3.1 geldt binnen het omgevingstype gemengd gebied een richtafstand van 30 meter tot gevoelige objecten. Er bevinden zich geen gevoelige objecten binnen deze contour.
Bij milieucategorie 3.2 geldt binnen het omgevingstype gemengd gebied een richtafstand van 50 meter tot gevoelige objecten. Er bevinden zich geen gevoelige objecten binnen de contour. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Het plangebied ligt globaal achter de bestaande woningen en bedrijven aan de westzijde van de Tolnegenweg tussen de belangrijke spoorlijn Amersfoort – Apeldoorn en de snelweg A1. Voorheen behoorde dit gebied tot de Garderbroeksche Heide, een nat gebied dat in 1890 werd doorsneden door de nieuwe spoorlijn met een halte Stroe ter hoogte van de Tolnegenweg. Nu typeren we het gebied als een diffuus landschap, meer bepaald als een voormalig kampenlandschap. In de loop der tijd zijn de karakteristieke landschapselementen die horen bij dit landschapstype vertroebelt. De oostzijde loopt schuin weg langs de perceelsgrenzen met een bestaande houtstructuur op de aangrenzende gronden. Rondom het bedrijfsterrein liggen bestaande taluds van de snelweg en de spoorbaan met sloten en enige bomen. Aan de west- en oostzijde staan er bestaande houtopstanden langs de randen. De parelelle (groen)structuren die de ruimte begrenzen zijn vanuit het landschap dan ook de sturende structuren voor de ontwikkeling van het gebied. De ambitie is een hoogwaardig kleinschalig bedrijfsterrein te ontwikkelen met een groene uitstraling door groene daken en groene verticale gevels te stimuleren. De nieuwe kavelgrenzen parallel aan de snelweg bestaan voor minimaal 1/3 uit een drie meter breed "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
33
Tolnegenweg-West groenvak van meerstammige elzen (Alnus glutinosa) en berken (Betula pubescens) met een inheemse kruidenvegetatie als onderbeplanting. Dit principe geldt voor elke uitgegeven kavel. Dit principe bevordert de biodiversieteit en versterkt de aanwezig opbouw, parallelle structuren in het gebied.. De haakse groenzones (openbare ruimte) bevatten de wadi's ingezaaid met een inheemse kruidenvegetatie. (Indien de ruimte beschikbaar is (+5m breed) staan hier sporadisch ook boomvormers in). De erfgrenzen die aan deze zones liggen zullen worden begrensd door een 1 meter brede haag.
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.
Conclusie Het plangebied wordt ontsloten via de Tolnegenweg langs de spoorlijn. Aan de noordzijde (langs de snelweg) is een calamiteitenroute bedacht, waarvan het half verharde pad een breedte heeft van 3,5 meter. Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
De planlocatie Tolnegenweg-West wordt ontsloten via een op te waarderen toegangsweg langs de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn. Deze toegangsweg sluit aan op de Wolweg. Voor het kruispunt Tolnegenweg-Wolweg met de nieuwe toegangsweg is een reconstructie beoogd. De reconstructie van het kruispunt is noodzakelijk om de veiligheid rond de spoorwegovergang te borgen. Na de reconstructie wordt verkeer van en naar de Wolweg automatisch naar de planlocatie Tolnegenweg-West geleid. Hierdoor is er geen extra (vracht)verkeer op de Tolnegenweg te verwachten. De nieuwe toegangsweg en het plangebied worden ingericht met een 6,5 meter brede toegangsweg en een trottoir voor voetgangers, zodat voetgangers niet gemengd zijn met (zwaar) vrachtverkeer. Om in geval van een calamiteit op de nieuwe toegangsweg een alternatieve ontsluiting te hebben is een pad aan de noordzijde van het plangebied voorzien welke aansluit op de Tolnegenweg. Dit half verharde pad kan in geval van een calamiteit bereden worden door hulpdiensten of tijdelijk functioneren als ontsluiting. In de reguliere situatie zal het pad afgesloten zijn voor gemotoriseerd verkeer. Het plangebied zelf is ingedeeld met een lus-structuur. Hierdoor kan verkeer rondrijden en hoeft er niet gekeerd en gemanoeuvreerd te worden om het plangebied te verlaten.
Met de opzet van de planlocatie Tolnegenweg-West is rekening gehouden met een mogelijke verbreding van de A1 in de toekomst met 3,5 34
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West meter. Op basis van kengetallen is een verkeersmodelstudie uitgevoerd. Uit de verkeersmodelstudie blijkt dat de oriëntatie van de motorvoertuigen vrijwel gelijk is verdeeld op de Wolweg; in zowel de noordelijke als de zuidelijke richting komen er ongeveer 300 motorvoertuigen per etmaal bij. Het middelzware vrachtverkeer op de Wolweg neemt met name toe richting het noorden (snelweg A1). Het zware vrachtverkeer laat ook een iets sterkere groei richting het noorden zien dan naar het zuiden. De capaciteit van zowel de nieuwe weg in het plangebied als de Wolweg wordt verondersteld ruim voldoende te zijn voor het op een verkeersveilige wijze verwerken van de toename aan verkeersintensiteit. Parkeerplaatsen zullen op de nieuwe kavels moeten worden gerealiseerd conform de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Er worden geen openbare parkeerplaatsen aangelegd. Voor het maken van een nieuwe uitweg naar de weg is een omgevingsvergunning op grond van artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening nodig. In principe wordt maar één uitweg per kavel toegestaan met een breedte van maximaal 8 meter. Indien aangetoond wordt dat een tweede uitweg echt noodzakelijk is, kan een tweede uitweg in overleg wellicht mogelijk zijn.
Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen vanuit verkeer geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.15
Water
Aan de noordzijde van het plangebied blijft de oude bestaande sloot voorlopig liggen. Aan de noordwestzijde langs het bedrijventerrein is ruimte gereserveerd voor een toekomstige sloot of verbreding van de bestaande sloot. Binnen het plangebied is rondom de toekomstige bedrijfskavels ruimte gereserveerd voor wadi's. Daarnaast zal het uitgangspunt zijn dat de te vestigen bedrijven waterberging op eigen terrein realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van groene daken. In de fase van het ontwerpbestemmingsplan zal dit verder uitgewerkt zijn. PM
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
35
Tolnegenweg-West
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Juridische aspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.
Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.1.1 6.1.1.1
Inleidende regels Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. Het begrip 'Relatie' staat in artikel 1.57. Hierin staat beschreven dat het een op de verbeelding opgenomen aanduiding betreft die aangeeft welke bestemmingsvlakken met elkaar verbonden zijn en een eenheid vormen; Dit houdt in dat de aanduidingen die op beide verbonden bestemmingsvlakken staan niet zelfstandig gelezen moeten worden maar dat deze gelden als één geheel. Als bijvoorbeeld wordt aangegeven onder de bestemming Wonen I: 'de totale oppervlakte van buiten het bouwvlak gelegen bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20% van dat bouwperceel, met een maximum van 150 m2, [...].' 36
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West
wordt bedoeld dat de maximum oppervlakte die is aangegeven op de verbonden vlakken als één maximum voor beide vlakken geldt en niet voor beiden afzonderlijk. 6.1.1.2
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
6.1.2 6.1.2.1
Bestemmingsregels Bestemming 'Bedrijventerrein'
De bestemming 'Bedrijventerrein' wordt toegepast in gebieden waar meerdere bedrijven bij elkaar gevestigd zijn of waar zwaardere milieucategorieën mogelijk zijn. Via de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen is aangegeven welke milieucategorieën toelaatbaar zijn. Bij de bestemming 'Bedrijf' is een bedrijfswoning toegestaan, bij de bestemming 'Bedrijventerrein' niet, vanwege de zwaardere categorieën bedrijven die zijn toegestaan. Detailhandel dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de daarvoor bestemde kernwinkelgebieden. Dat is het beleid in gemeente Barneveld. Met detailhandel buiten de winkelgebieden gaat de gemeente terughoudend om. Het uitgangspunt is dat detailhandel niet is toegestaan op bedrijventerreinen (en binnen bedrijven) (uitgezonderd ondergeschikte productiegebonden detailhandel). Bij de beoordeling van de ondergeschiktheid moeten de aard, indeling en inrichting van het pand in aanmerking worden genomen en voorts, hoe frequent het bedrijf door particulieren wordt bezocht en hoeveel detailhandeltransacties ter plaatse hebben plaatsgevonden. Het percentage van de omzet kan niet als onderscheidend criterium worden gehanteerd. Als richtlijn kan detailhandel als ondergeschikt worden aangemerkt als de omzet van handel met particulieren minder dan 10 % van de totale omzet bedraagt.
Internet winkelen – een specifieke vorm van detailhandel – is de laatste jaren sterk toegenomen en de verwachting is dat deze trend doorzet. Wat is er tegen als webwinkels zich vestigen op een bedrijventerrein? Dat is afhankelijk van de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten. Bepaalde webwinkels hebben geen of een beperkte ruimtelijke uitstraling. Wij onderscheiden de volgende vormen: a. Webwinkel waar alleen een elektronische transactie tot stand komt Deze vorm heeft geen ruimtelijke uitstraling en is verenigbaar met de bestemming 'Bedrijventerrein', voor zover daar bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. Met het oog op de ontwikkelingsruimte van bedrijven die behoren tot de zwaardere milieucategorieën zijn webwinkels niet gewenst op gronden die zijn aangewezen voor dergelijke bedrijven. Wat dat betreft streven wij milieuzonering na. b. Webwinkel met opslag- en verzendfunctie Hier geldt hetzelfde als bij a). Ook deze vorm is te verenigen met de bedrijvenbestemming. De activiteiten hebben geen verkeersaantrekkende werking in die zin dat de kopers niet bij de webwinkel komen. De ruimtelijke uitstraling is beperkt. De laad- en losactiviteiten voor de bevoorrading dienen op eigen terrein plaats te vinden; daarvoor mag geen gebruik worden gemaakt van de openbare ruimte. c.
Webwinkel met (beperkte) afhaalmogelijkheid Nu aan deze vorm een (beperkte) afhaalmogelijkheid is verbonden, is wel sprake van verkeers- en publieksaantrekkende werking. Per geval zal moeten worden beoordeeld of een dergelijke webwinkel past. Om die reden is in de regels van de bedrijfsbestemmingen voor het college de bevoegdheid opgenomen om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bestemmingsomschrijving voor het gebruiken van gronden en bouwwerken voor zo een webwinkel. In het afwegingskader is de verkeersveiligheid een belangrijk aspect. d. Webwinkel met afhaalmogelijkheid en de mogelijkheid om de goederen ter plaatse te bekijken. Deze vorm van webwinkels heeft een toonzaal en heeft dezelfde ruimtelijke uitstraling als reguliere detailhandel. Deze vorm is onverenigbaar met de bestemming ''Bedrijventerrein'. De hiervoor onder a) en b) genoemde vormen van webwinkels hebben geen dan wel een beperkte ruimtelijke uitstraling. Met het oog op de goede ruimtelijke ordening is er geen bezwaar tegen dat dergelijke webwinkels zich vestigen op gronden met de genoemde bestemmingen. Deze webwinkels zijn toegevoegd aan de opsomming in de bestemmingsomschrijving. "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
37
Tolnegenweg-West
Voor de onder c) bedoelde webwinkels is in de regels van de bestemming 'Bedrijventerrein' een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, zoals hiervoor omschreven. In verband met de bereikbaarheid van objecten voor de hulpdiensten (met name de brandweer) is bepaald dat de onderlinge afstand van een bedrijfsgebouw tot een zijdelingse perceelsgrens en tussen bedrijfsgebouwen onderling niet minder dan 5 meter mag bedragen (Notitie Proactie Gemeentebrandweer Barneveld). In artikel 40 van de Wet geluidhinder is het volgende bepaald: “Indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, wordt daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.” Om te voorkomen dat een zone industrielawaai wordt vastgesteld, moeten in het algemeen geluidszoneringsplichtige inrichtingen worden uitgesloten. Welke bedrijven zoneringsplichtig zijn is aangegeven in Bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht. De maximale hoogte voor overige bouwwerken is drie meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven. Er kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels voor een hoogte van 4 meter.
In de bouwregels dan wel op de verbeelding is bepaald voor welk percentage de gronden buiten het bouwvlak mogen worden bebouwd. De bouwmogelijkheid geldt per bouwperceel. In artikel 1.26 is de omschrijving van het begrip 'Bouwperceel' opgenomen. Bij bedrijven betreft het doorgaans in principe het kadastrale perceel, waarbij er sprake is van bij elkaar behorende bebouwing.
6.1.2.2
Bestemming 'Groen'
Het structureel groen krijgt de bestemming 'Groen'. Onder structureel groen worden wijkparken, grotere groenelementen op buurt- of blokniveau, groen om wegen en waterlopen en wadi's verstaan. Binnen deze bestemming zijn ook speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en paden toegestaan. De bestemming 'Groen' wordt alleen toegepast op openbare gronden, niet op particuliere terreinen. In de omschrijving van de bestemming 'Groen' staat dat de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (et cetera) 'met daaraan ondergeschikt verhardingen'. Ter plaatse van de aanduiding 'groen' is echter geen verharding toegestaan. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor de aanleg van in- en uitritten.
6.1.2.3
Bestemming 'Verkeer'
De bestemming 'Verkeer' wordt opgenomen voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden. Daarnaast zijn parkeer-, groen- en speelvoorzieningen mogelijk. Evenals waterhuishoudkundige doeleinden en bermen. Wanneer de aanduiding 'pad' is aangegeven, is de grond alleen voor pad bestemd. Hiermee wordt voorkomen dat auto's gebruik kunnen maken van het pad.
6.1.2.4
Bestemming 'Water'
Alleen wanneer het water een belangrijk element vormt in zijn omgeving dan wel van groot belang is voor de waterhuishouding, wordt de bestemming 'Water' toegekend. Ook kan de bestemming 'Waterstaat-waterlopen' toegepast worden indien het bijvoorbeeld gaat om een waterloop welke ondergronds of via een overkluisd gedeelte loopt. In de andere gevallen valt water onder de bestemming 'Groen'.
38
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West
6.1.2.5
Dubbelbestemming 'Leiding - Riool'
Met deze dubbelbestemming wordt een regeling getroffen ter bescherming van de rioolleiding die op deze plek aanwezig is. Op de gronden met deze dubbelbestemming mogen alleen bouwwerken ten behoeve van het leidingbeheer worden opgericht. Uitzonderingen op het bouwverbod worden alleen gemaakt na schriftelijke instemming van de leidingbeheerder. Het uitvoeren van een werk of werkzaamheden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning is verboden. De dubbelbestemming beslaat een afstand van X meter aan weerszijden van de leiding.
6.1.3 6.1.3.1
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
6.1.3.2
Algemene bouwregels
In artikel 8.1 is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. De regeling houdt in dat ondergronds bouwen is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan, tenzij anders is aangegeven.
6.1.3.3
Algemene gebruiksregels
Ter verduidelijking van het plan wordt aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen. Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten.
6.1.3.4
Algemene aanduidingsregels
De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend.
6.1.3.5
Algemene afwijkingsregels
Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Het is niet de bedoeling dat deze algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Een voorbeeld: de maximale goothoogte voor een woning is 6 meter. Bij de bestemming 'Wonen-1' is de bevoegdheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en die goothoogte te vergroten met maximaal 3 meter. Het is niet de bedoeling dat dan nog eens toepassing wordt gegeven aan de algemene afwijkingsbevoegdheid met een vergroting van nog eens 10% tot gevolg. Het is toegestaan om af te wijken van de goot- en bouwhoogte en inhoud en buiten het bouwvlak te bouwen wanneer de bestaande en eventueel bij te bouwen nieuwe bebouwing op het bouwperceel wordt geïsoleerd. De uitbreiding is uitsluitend bedoeld wanneer de isolatiemaatregelen een grotere omvang van de bebouwing vragen om eenzelfde oppervlakte te krijgen als wanneer er geen of een beperkter "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
39
Tolnegenweg-West isolatiepakket zou worden gehanteerd dat alleen aan de eisen uit het Bouwbesluit voldoet. Het gaat hier dus bijvoorbeeld om dikkere muren en/of een hoger dak.
6.1.3.6
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein. Ook wordt hier aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om, onder voorwaarden het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - Standplaats' wordt toegevoegd aan de gronden.
6.1.3.7
Algemene procedureregels
Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.
6.1.4 6.1.4.1
Overgangs- en slotregels Overgangsregels
Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
6.1.4.2
Slotregel
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
6.2
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), 40
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.
Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
41
Tolnegenweg-West
Hoofdstuk 7 7.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Kostenverhaal en zekerstellingen
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het plan de bouw van bedrijfsgebouwen mogelijk maakt, is dit aan de orde. Het kostenverhaal zal anderszins zijn verzekerd middels een grondexploitatie voor zover het (toekomstige) gemeentelijke bezittingen betreft. Door de gronduitgifte is het kostenverhaal verzekerd. Met de overige eigenaren (niet zijnde de gemeente) in het gebied worden (anterieure) overeenkomsten gesloten waarmee het kostenverhaal ook voor deze delen van de ontwikkeling verzekerd is. PM
42
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Tolnegenweg-West
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 17 maart 2022 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van het voornemen om het voorliggende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).
8.1
Participatie
De gemeente heeft overleg gevoerd met buren en belanghebbenden. Vervolgens is op 29 november 2021 een digitale informatieavond gehouden, waarbij belanghebbenden zijn geïnformeerd over het schetsplan en de planning.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader hiervan wordt het bestemmingsplan voor overleg aan onderstaande instanties toegezonden: Rijkswaterstaat Provincie Gelderland Waterschap Vallei en Veluwe ProRail Liander Belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over een voorontwerp betreffende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 18 maart tot en met 1 april 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid om een reactie over het plan naar voren te "Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
43
Tolnegenweg-West brengen.
44
"Tolnegenweg-West" (voorontwerp)
Verkennend bodemonderzoek; Tolnegenweg 1 te Stroe (Bedrijventerrein Westzijde) Opdrachtgever: Gemeente Barneveld Contactpersoon: De heer E. Koedam Datum: 19 februari 2019 Projectnummer: P18M0142
Colofon Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. Valkseweg 62 - 3771 RG Barneveld Postbus 99
- 3770 AB Barneveld
tel. 0342 - 406 406 e-mail milieu@vink.nl www.vink.nl
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ..................................................................................................................................... 1
2.
VOORONDERZOEK ..................................................................................................................... 3 2.1. Algemeen ....................................................................................................................................... 3 2.2. Actuele situatie en toekomstig gebruik .......................................................................................... 3 2.3. Voormalig bodemgebruik en voorgaande bodemonderzoeken..................................................... 6 2.4. Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................. 8 2.5. Conclusie vooronderzoek .............................................................................................................. 8
3.
VERKENNEND ONDERZOEK - OPZET EN UITVOERING ....................................................... 10 3.1. Onderzoeksstrategie .................................................................................................................... 10 3.2. Veldwerkprogramma.................................................................................................................... 11 3.3. Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................... 12
4.
VERKENNEND ONDERZOEK - INTERPRETATIE EN TOETSING .......................................... 14 4.1. Toetsingskader ............................................................................................................................ 14 4.2. Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................. 14 4.3. Analyseresultaten grond en grondwater ...................................................................................... 15
5.
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................... 24 5.1. Conclusie deellocatie 1 weiland .................................................................................................. 24 5.2. Conclusie deellocatie 2a erf......................................................................................................... 24 5.3. Conclusie deellocatie 2b wasplaats ............................................................................................. 25 5.4. Conclusie deellocatie 2c opslag .................................................................................................. 25 5.5. Conclusie deellocatie 3a toekomstige weg.................................................................................. 26 5.6. Conclusie deellocatie 3b toekomstige sloot................................................................................. 26 5.7. Aanbevelingen ............................................................................................................................. 26