Apeldoornsestraat e.a._Toelichting
Tekst van het document
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Door het uitvoeren van bovengenoemde maatregelen wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden en aan de zorgplicht wordt voldaan. Het terrein leent zich er uitstekend voor om een plus te creëren voor wat betreft het verbeteren van de biodiversiteit door middel van het aanbrengen van leefgebied, bloemenmengsels en nestgelegenheden. De quickscan is beoordeeld door de ecoloog van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden. Een nader onderzoek is niet nodig. Vanuit de ecoloog van de Omgevingsdienst is geadviseerd om (naast het uitvoeren voor een broedvogelcheck wanneer de werkzaamheden net voor of binnen het broedseizoen worden uitgevoerd) om - gezien er in en rondom het woonhuis mussen verblijven, gebouw 2b en gebouw 4 buiten het broedseizoen van de huismus (oktober t/m februari) te slopen. Dit omdat de werkzaamheden effect kunnen hebben op het broedsucces van de huismus. Daarnaast heeft de ecoloog benadrukt dat de andere maatregelen genoemd in de quickscan opgevolgd moeten worden. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht.
Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde, want er worden geen bomen gekapt. Dit geldt voor alle locaties, te weten: Apeldoornsestraat naast 113; Heetweg 8-01 en 8-02; Hunnenweg 5-7; Joostweg 6-8. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 48 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de EHS. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in de GNN of GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2. Conclusie Het aspect GNN en GO vormt geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 49
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Alleen bij de Apeldoornsestraat liggen overigens enkele propaantanks en er loopt een hoogspanningskabel. Echter lopen de contouren van de veiligheidszones niet over het perceel van Apeldoornsestraat naast 113. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie aan de Apeldoornsestraat is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Bij de overige locaties (Heetweg 8-01 en 8-02, Hunnenweg 5-7 en Joostweg 6-8) komt er geen geluidgevoelige bestemming bij. Hiervoor vormt het aspect geluid geen belemmering. Apeldoornsestraat naast 113: Er is op 12 oktober 2023 een akoestisch rapport naar wegverkeerslawaai ingediend, zie bijlage 3 van de toelichting. Dit rapport is beoordeeld door de geluidsspecialist van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden. Er is één dove gevel en een hogere waarde van 53 dB benodigd. De geluidsdeskundige heeft aangegeven dat het past binnen het geluidbeleid. Wel is er nog een gevelwering onderzoek nodig. Dit onderzoek zal nog aangeleverd moeten worden, maar dit kan bij de aanvraag omgevingsvergunning (en hoeft niet bij de planologische procedure). Uit het rapport volgt dat er hogere waarden moeten worden vastgesteld.
Dit heeft tot gevolg dat er een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder vastgesteld moet worden. Dit is een afzonderlijk besluit van het college. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering.
50 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Apeldoornsestraat naast 113: In de omgeving van Apeldoornsestraat 113 ligt één veehouderij, te weten aan de Apeldoornsestraat 121. De afstand van de grens van het nieuwe bestemmingsvlak voor de woning moet ten opzichte van het agrarische bedrijf (agrarisch bouwvlak) tenminste 200 meter zijn. Uit de inrichtingstekening blijkt dat aan die afstand voldaan is. Geur vormt daarom geen belemmering. Heetweg 8-01 en 8-02: De agrarische nevenactiviteit wordt bij Heetweg 8-01 en 8-02 van het bestemmingsvlak 'wonen' geschrapt. Dit heeft geen gevolgen voor het beschermingsniveau van de woningen qua geur; een woning bij een voormalige veehouderij (gestopt na 19 maart 2000) heeft hetzelfde beschermingsniveau als een woning bij een veehouderij.
Er komen geen gevoelige objecten bij. Vanuit geur / agrarische zonering is het plan akkoord. Hunnenweg 5-7 en Joostweg 6-8: Bij zowel de Hunnenweg 5-7 als Joostweg 6-8 wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar de bestemming 'Wonen'. Ook dit heeft geen gevolgen voor het beschermingsniveau van de woningen qua geur; een woning bij een voormalige veehouderij (gestopt na 19 maart 2000) heeft hetzelfde beschermingsniveau als een woning bij een veehouderij. Er komen geen gevoelige objecten bij. Vanuit geur / agrarische zonering is het plan akkoord. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 51
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De ontwikkeling van de bouw van één woning (en het afwaarderen van bestemmingen) valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor het plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld.
In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Alleen bij Apeldoornsestraat naast nummer 113 wordt in het plan een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Er is gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse. Een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse kan verkregen worden door te kijken naar de optredende achtergrondconcentraties van de voor luchtkwaliteit belangrijkste parameters, te weten: PM10, PM2,5 en NO2. In dit geval blijkt uit de monitoringstool dat de achtergrondconcentraties van deze stoffen ruim beneden de grenswaarden zijn gelegen. Een onderzoek luchtkwaliteit is dan ook niet nodig.
52 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 53
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing Besluit m.e.r. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De verandering is dermate klein dat deze ruim onder de drempelwaarden in kolom 2 blijft.
Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De bouw van één woning (Apeldoornsestraat naast nummer 113) én locaties waarbij de agrarische bestemming wordt gewijzigd naar een bestemming 'Wonen' dan wel de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit' wordt verwijderd, valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van één woning. De conclusie is dat het plan om één woning te bouwen (Apeldoornsestraat) niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). 54 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: Apeldoornsestraat naast 113: - Er is aan de Hunnenweg 16 een (voormalig) golfterrein gelegen. Deze locatie heeft de bestemming 'Sport'. - Daarnaast is er op de locatie Apeldoornsestraat 121 een agrarisch bedrijf gevestigd. Tussen de nieuwe woonbestemming (grens woonperceel) én de bestemming 'Sport' (met de aanduiding 'golfbaan' (perceel Hunnenweg 16)) geldt een richtafstand van 10 meter. Deze afstand (van 10 meter) mag met een stap worden verminderd naar 0 meter. Dit omdat het hier niet gaat om een gebied dat valt aan te merken als 'rustige woonwijk'. Verder moet de afstand van het plan en het agrarische bedrijf (agrarisch bouwvlak) aan de Apeldoornsestraat 121 tenminste 200 meter zijn. Uit de inrichtingstekening blijkt dat aan die afstand voldaan is.
Voor de locatie Apeldoornsestraat naast 113 zijn er geen belemmeringen vanuit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Heetweg 8-01 en 8-02: Er wordt hier geen nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. Milieuzonering is niet aan de orde. Enkel de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit' wordt op de verbeelding geschrapt met dit plan. Hunnenweg 5-7: - Er is aan de Hunnenweg 16 een (voormalig) golfterrein gelegen. Deze locatie heeft de bestemming 'Sport'. Dit ligt aan de overzijde van de weg. - Er is een detailhandelsbestemming gelegen aan de Apeldoornsestraat 105. Er wordt hier geen nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt (nu het een afwaarderingslocatie betreft). Milieuzonering is niet aan de orde. Joostweg 6-8: - Op Joostweg 12 is een groothandel in akkerbouwprodukten en veevoeders gevestigd. - Op Hulstweg 16 is een agrarisch loonbedrijf met buitenopslag gevestigd; - Op Hulstweg 20 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Er wordt hier geen nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. Milieuzonering is niet aan de orde. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter).
Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 11 december 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben wat betreft Heetweg 8-01 en 8-02 én Joostweg 6-8. Voor Apeldoornsestraat naast nummer 113 geldt er een beïnvloedingsgebied van een hoogspanningsverbinding. Voor Liander is het niet geheel duidelijk of dit over het plangebied ligt. Vanuit de specialist externe veiligheid van de Omgevingsdienst de Vallei is aangegeven dat de contouren van de "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 55
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 veiligheidszones niet over het perceel van Apeldoornsestraat naast 113. Zie paragraaf 5.4 van de toelichting. Dit vormt dan geen belemmering voor dit plan. Voor Hunnenweg 5-7 heeft Liander aangegeven dat deze ontwikkeling deels valt binnen de invloedsfeer van een schakelstation. Nu er geen sprake is van het toevoegen van nieuwe kwetsbare objecten, vormt dit geen belemmering. Er zijn in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Apeldoornsestraat naast 113 Met een voorwaardelijke verplichting in de planregels wordt ervoor gezorgd dat de landschappelijke inrichting wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Er wordt zowel aan de west- als oostzijde (gedeeltelijk) een houtsingel gerealiseerd. Ook komt er een haag (voorzijde en gedeeltelijk aan de oostzijde). Verder wordt er een solitaire boom (beuk) gepoot. In hoofdstuk 3 van de toelichting is nader ingegaan op het aspect natuur en landschap. Verwezen wordt daarom naar hoofdstuk 3 van de toelichting voor een beschrijving qua natuur en landschap. Heetweg 8-01 en 8-02 Het verzoek bij Heetweg 8-01 en 8-02 betreft een afwaarderingsplan waarbij de agrarische nevenactiviteit verdwijnt. De meest westelijke schuur wordt gesloopt. Binnen de zone waar de sloopwerkzaamheden plaatsvinden bevinden zich geen bomen. Een BEA of compensatie is dan ook niet nodig. Tijdens de sloopwerkzaamheden dienen wel bepaalde richtlijnen voor het werken rondom bomen te worden nageleefd. Dit is met name relevant voor de bomen op het terrein aan de noordzijde. Aan de zuidzijde van het terrein is een bomenrij aanwezig. Op het erf zijn enkele bomen en wat struiken aanwezig. Op dit terrein is ten aanzien van biodiversiteit nog wel wat winst te behalen.
In dit geval heeft de initiatiefnemer aangegeven dat deze qua biodiversiteit in plaats van mais, luzerne op het achterliggende perceel verbouwt. Dit is een vlinderbloemige plant. Alle huidige beplanting blijft. Hier zitten ook ruige stukjes grasland en dood hout bij. Kasten voor mussen en zwaluwen worden toegepast. Dit alles draagt bij aan de biodiversiteit. Hunnenweg 5-7 Door de grote hoeveelheid aanwezige bomen is het terrein al goed landschappelijk ingepast. Op de locatie kan nog winst behaald worden ten aanzien van biodiversiteit door bijvoorbeeld: - de aanwezige graslanden ecologisch te beheren en in te zaaien met een kruidenrijk/bloemrijk mengsel; - langs de randen van de houtsingels inheemse struweelvormers aan te planten. Dit is een advies dat meegegeven is. Op de inrichtingstekening d.d. 3 mei 2023 is de nieuwe situatie weergegeven en is akkoord vanuit landschap. Verder wordt er een bestaande groenstructuur bestemd als 'Groen' in deze partiële herziening. Joostweg 6-8 Aan de voorzijde van het erf bevinden zich enkele bomen. Om deze duurzaam te behouden moeten specifieke richtlijnen voor het werken rondom bomen worden nageleefd. Er wordt nieuw groen aangeplant. Andere mogelijkheden die passen bij het landschap zijn: - beplanten perceelsgrenzen; - de weides/graslanden inzaaien met een bloemrijk/kruidenrijk zaadmengsel en ecologisch beheren.
Dit is ten aanzien van biodiversiteit waardevol. Dit is een advies dat meegegeven is. Zie bijlage 4 van de toelichting voor de nieuwe, gewenste situatie en is akkoord vanuit landschap. Conclusie Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor dit plan.
56 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat locaties Apeldoornsestraat naast nummer 113, Heetweg 8-01 en 8-02, Hunnenweg 5-7 en Joostweg 6-8 niet verdacht zijn van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. Conclusie Er is geen aanvullend onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog nodig. Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor deze partiële herziening. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.
De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 57
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Alleen op de locatie Apeldoornsestraat naast nummer 113 wordt een nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. Op de andere locaties (Heetweg 8-01 en 8-02, Hunnenweg 5-7 en Joostweg 6-8) in het plangebied niet. Het plangebied (alle vier de locaties) bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderijen.
5.15
Verkeer
Apeldoornsestraat naast 113: De Apeldoornsestraat is een gemeentelijk weg (een 80 km/uur-weg), en geen provinciale weg. Hoewel het ontsluiten van dit perceel op een 80 km/uur-weg niet de voorkeur heeft (vanwege de doorstromingsfunctie en verkeersveiligheid), is er hier geen redelijk alternatief om op een andere wijze te ontsluiten. Bovendien is er al sprake van een bestaande uitweg naar het agrarische perceel zelf (daar wordt gebruik van gemaakt in de nieuwe situatie). Er komt geen extra uitweg bij. Daarnaast worden er drie goed bereikbare parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt de uitweg (maximum) 4 meter breed. Er is een positief advies vanuit het aspect verkeer, op voorwaarde dat de uitweg goed herkenbaar wordt gemaakt en maximum 4 meter breed wordt. Op de inrichtingstekening is dat ook specifiek aangegeven. Heetweg 8-01 en 8-02: Het slopen van een schuur en het verwijderen van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit' heeft geen invloed op de verkeersgeneratie en parkeervraag. Vanuit het aspect verkeer zijn er geen belemmeringen. Hunnenweg 5-7: Het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch' (met bouwvlak) naar een woonbestemming heeft geen invloed op de verkeersgeneratie en parkeervraag. Vanuit het aspect verkeer zijn er geen belemmeringen.
Joostweg 6-8: Het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch' (met bouwvlak) naar twee woonbestemmingen heeft geen invloed op de verkeersgeneratie en parkeervraag. Vanuit het aspect verkeer zijn er geen belemmeringen.
5.16
Water
Waterparagraaf algemeen Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is wettelijk verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee krijgt water een evenwichtige plaats in het ruimtelijk planproces. Uiteindelijk vormt de waterparagraaf in het bestemmingsplan het resultaat van de watertoets. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterparagraaf specifiek voor Apeldoornsestraat naast 113 Huidige situatie: het perceel aan de Apeldoornsestraat 113 te Voorthuizen heeft een agrarische bestemming. Het perceel is nu grasland zonder enige bebouwing. Langs het perceel en de Apeldoornsestraat loop een C- watergang. Verder ligt er drukriool in de straat. Toekomstige situatie: in de toekomstige situatie wordt er een woning gebouwd aan de Apeldoornsestraat 113.
Voor deze uitbreiding is compenserende waterberging nodig met een minimum van 30 mm per vierkante meter verharding die wordt gebouwd. Het te bergen regenwater wordt opgevangen door middel van het toepassen van infiltratiekratten. Het totaal verhard oppervlak is 500 m2 er wordt totaal 15 m3 waterberging gerealiseerd met de infiltratiekratten. De overloop van de infiltratiekratten gaat naar de 58 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 C-watergang. Deze uitlaat wordt voorzien van een taludbescherming. Het vuilwater kan wordt aangesloten op het vuilwaterriool (drukriool) in de Apeldoornsestraat. Hiervoor dient een aanvraag te worden ingediend bij de gemeente voor een aansluiting. Waterparagraaf Heetweg 8-01 en 8-02 Huidige en toekomstige situatie: op het perceel Heetweg 8-01 en 8-02 wordt het bestemmingsplan aangepast. Hier betreft het enkel een functieverandering (verwijdering van een aanduiding voor de agrarische nevenactiviteit) en er wordt enkel bebouwing gesloopt of huidige bebouwing gehandhaafd. In de toekomstige situatie wordt er enkel bebouwing gehandhaafd of gesloopt. Er is geen sprake van nieuwbouw of aanbouw. Verder verandert er niets aan de werkelijke situatie. Wanneer er wel gebouwd gaat worden, moet er worden voldaan aan het vigerende beleidskader van zowel de Gemeente Barneveld als het Waterschap Vallei en Veluwe. Dit geldt ook voor aanpassingen aan watergangen en kunstwerken (duikers, stuwen etc.). De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap. Waterparagraaf Hunnenweg 5-7 en Joostweg 6-8 De locaties Hunnenweg 5-7 en Joostweg 6-8 liggen in het buitengebied van Barneveld. Hier is sprake van drukriolering.
Er wordt agrarische bebouwing gesloopt, de woonvoorziening blijft in stand. Het (afstromend) verhard oppervlak neemt af. Bij neerslag treedt een langzamere afstroming van het hemelwater naar eventueel aanwezige watergangen op. Dit is een positieve ontwikkeling. Het hemelwater dat op het resterende verharde oppervlak valt, wordt net als in de huidige situatie op eigen terrein geborgen en/of geïnfiltreerd. Het mag niet op de drukriolering worden aangesloten. De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door deze partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012".
"Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 59
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is.
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. De regels van hoofdstuk twee worden niet (partieel) herzien. De regels van de bestemmingen ''Agrarisch', 'Groen' en 'Wonen' van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien. Wel wordt er een voorwaardelijke verplichting toegevoegd voor het deelgebied Apeldoornsestraat, ten oosten van nummer 113, zie paragraaf 6.4 van de toelichting. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012".
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet worden herzien. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Schakelbepaling
In Artikel 5 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er in de regels en op de verbeelding verandert. Dit is ook in paragraaf 6.3 van de toelichting van dit plan toegelicht. De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt gewijzigd. De volgende aanpassingen 60 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 vinden plaats: Deelgebied Apeldoornsestraat, ten oosten van nummer 113 Er is één bestemmingsvlak 'Wonen' (met bouwvlak) toegevoegd waar ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' vervalt. Daarnaast is de maatvoeringsaanduiding 'maximum volume (m3)' toegevoegd, met het getal 350. Hierdoor mag de inhoud van de woning 350 m3 bedragen. Ook is de gebiedsaanduiding 'overige zone voorwaardelijke verplichting 1' aan dit hele deelgebied toegekend. Deelgebied Heetweg 8-01 en 8-02 Hier wordt de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit' van de verbeelding verwijderd. Deelgebied Hunnenweg 5-7 Het gehele agrarische bouwvlak en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' vervalt. Er wordt één bestemmingsvlak 'Wonen' toegevoegd ter plaatse van de aanwezige (voormalige bedrijfs)woning waar de bestemming 'Agrarisch' vervalt. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt een bestemmingsvlak 'Groen' toegevoegd waar ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' vervalt. Ook wordt de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' toegevoegd (bij het bestemmingsvlak 'Wonen'), waarbij deze oppervlakte dan 198 m2 wordt. Standaard bedraagt de oppervlakte aan bijgebouwen per woning niet meer dan 80 m2.
Door deze aanduiding op te nemen mag het maximum oppervlakte aan bijgebouwen bij Hunnenweg 7 daardoor 198 m2 bedragen nu dit specifiek is aangeduid op de verbeelding. Deelgebied Joostweg 6-8 Het gehele agrarische bouwvlak en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' vervallen. Er worden twee bestemmingsvlakken 'Wonen' toegevoegd ter plaatse van de aanwezige (voormalige bedrijfs)woningen waar de bestemming 'Agrarisch' vervalt. Verder wordt de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' toegevoegd (bij het bestemmingsvlak 'Wonen'), waarbij Joostweg 6 een oppervlakte krijgt van 88 m2 en Joostweg 8 een oppervlakte krijgt van 400 m2. Hiermee mag de maximum oppervlakte aan bijgebouwen niet meer bedragen dan 88 m2 bij Joostweg 6 en mag het maximum oppervlakte aan bijgebouwen bij Joostweg 8 niet meer bedragen dan 400 m2. 6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting'. 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de landschappelijke inpassing en verplichte erfinrichting op de locatie Apeldoornsestraat, ten oosten van nummer 113.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
"Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 61
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
62 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu deze partiële herziening de bouw van een hoofdgebouw (de bouw van een woning ten oosten van Apeldoornsestraat 113, een bouwplan zoals dat in artikel 6.2.1 Bro is opgenomen) mogelijk maakt, is dit aan de orde. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
"Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld) 63
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 7 december 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven relevant en trede 1 (meeweten/informeren) van de participatieladder. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Dat is in dit geval wel van toepassing. In dit geval is trede 1 gebruikt. Er heeft overleg met omwonenden plaatsgevonden. Er is geen participatieverslag toegevoegd bij de toelichting van het bestemmingsplan. Hieronder is een korte weergave van de participatie vermeld. Hieronder is per adres weergegeven wat er qua participatie is gedaan. Apeldoornsestraat naast 113: er heeft overleg met omwonenden plaatsgevonden, waarbij zij op de hoogte zijn gebracht van het plan. Aangegeven is vanuit de adviseur dat de buren positief tegenover het plan staan. Heetweg 8-01 en 8-02: er is overleg geweest met de omgeving. Aangezien het plan een zogenaamd afwaarderingsplan (zonder nieuwbouw) is, heeft de initiatiefnemer uitsluitend direct aanwonenden geïnformeerd. Hunnenweg 5 en 7: Aangezien het plan een zogenaamd afwaarderingsplan (zonder nieuwbouw) is, hoeven uitsluitend direct aanwonenden geïnformeerd te worden. In dit geval is er overleg geweest met de eigenaar/bewoner van Hunnenweg 7.
Het plan sluit aan bij de overige woonbebouwing in de omgeving en kan ook in dat kader als gunstig worden ervaren door omwonenden. Joostweg 6 en 8: er is overleg geweest met de omgeving. Aangezien het plan een zogenaamd 64 "Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Apeldoornsestraat en afwaarderingslocaties, partiële herziening Buitengebied 2012 afwaarderingsplan (zonder nieuwbouw) is, heeft de initiatiefnemer uitsluitend direct aanwonenden geïnformeerd. Dit voorstel wordt gezien als een verbetering. Het ontwerpbestemmingsplan ligt, zoals gebruikelijk, van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage, zie paragraaf 8.4. Dit komt overigens overeen met trede 2 (meedenken/raadplegen) uit de participatieladder. Dit heeft geleid tot geen enkele reactie.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Dit plan is gebaseerd op het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016 en voldoet daar ook aan. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval.