01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36_Motivering
Tekst van het document
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).
De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen het Gelders Natuurnetwerk (NNN) en/of de Groene Ontwikkelzone (GO). Het uitvoeren van de plannen zal geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN en de Groene Ontwikkelzone. Het betreft het slopen van een tweetal agrarische opstallen en een werktuigenloods. Er zal een bijgebouw teruggebouwd worden. Daarnaast zal het plangebied landschappelijk ingericht worden met gebiedseigen bomen en struiken, wat de biodiversiteit zal versterken. Zie hiervoor bijlage 5 van de regels. Een toetsing aan het NNN- of GO-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.
26
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
5.5.2
Soortenbescherming
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan / natuurtoets uitgevoerd.
Doorwerking plangebied Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000 gebied. De locatie is op ca. 3,11 km vanaf Natura 2000 gebied Veluwe gelegen. Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels aanwezig en kunnen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn van geluid, stof, trillingen en wellicht bemaling. Negatieve effecten als gevolg van geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid zijn uitgesloten wegens de ruime afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Er hoeven geen extra maatregelen genomen te worden voor de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden. De sloop van de bebouwing betreft relatief eenvoudige bebouwing en gezien de minimale uitstoot bij dit soort werkzaamheden worden geen significante effecten verwacht. De invloedsfeer van de uitvoering is plaatselijk en wordt uitgevoerd op al bestaande wegen en verharding.
Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid en stof waarneembaar buiten het perceel, deze effecten zijn naar verwachting incidenteel, kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten en rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied. Hieronder bevindt zich een samenvatting van de resultaten uit het onderzoek Quickscan Kapweg 34-36 te Kootwijkerbroek, die als bijlage 5 bij deze motivering is opgenomen:
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Beschermde soorten Er is al een verdiepend Soortgericht onderzoek huismus Kapweg 34-36 te Kootwijkerbroek uitgevoerd, die als bijlage 6 bij deze motivering is opgenomen. Dit om te zien waar de huismusnesten precies zitten in de woning(en) en of een effect van de werkzaamheden op de nesten van de huismus in de woning te verwachten is. Dit gezien korte afstand tussen de woning en meest zuidwestelijke te slopen schuur. Om het verstoren en/of beschadigen van nesten van algemene broedvogels tijdens de sloopwerkzaamheden te voorkomen, dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (circa 15 maart - 15 juli) uitgevoerd te worden. Om spontane kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen dienen er in het kader van de (specifieke) zorgplicht enkele maatregelen genomen te worden. Gedurende de ontwikkeling moet het terrein ongeschikt gehouden worden, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een puinbed, het voorkomen van puin en zandhopen, en het egaliseren van het terrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. In de voorjaars- en zomerperiode moet ervoor gezorgd worden dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden. In de najaar- en winterperiode moet overwintering van rugstreeppadden worden voorkomen.
Zanddepots, stenenstapels, houtstapels en andere vorstvrije structuren kunnen door de padden worden gebruikt voor overwintering. Als dit niet mogelijk is, moet het perceel ontoegankelijk gemaakt worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden, bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond voor de migratie- en voortplantingsperiode (april-september). Algemene soorten In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene veel voorkomende soorten is er in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied als ze aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten Door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van algemeen voorkomende vogelsoorten wordt voorkomen dat broedgevallen van broedvogels worden verstoord Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd, het gaat erom dat er geen broedende vogels worden verstoord. Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende het broedseizoen is alleen mogelijk wanneer door een ecoloog van tevoren is vastgesteld dat in het plangebied geen broedgevallen aanwezig zijn. Verlichting Veel algemene en beschermde diersoorten, zoals vleermuizen en uilen, zijn vooral actief tijdens de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien extra verlichting wordt gebruikt, moet deze worden afgewend van aanwezige bebouwing en groenstructuren om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Het is aan te raden de verlichting tot een minimum te beperken en alleen te plaatsen waar het echt noodzakelijk is. Gebruik naar beneden gerichte lichtbronnen om lichtverstrooiing in de omgeving te voorkomen. De initiatiefnemers houden hier rekening mee. Er is in de huidige situatie echter ook alleen sprake van overstek verlichting en geen algehele terreinverlichting.
5.5.3
Houtopstanden
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.
28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Er hoeven geen maatregelen getroffen te worden voor de specifieke zorgplicht houtopstanden. Bij de voorgenomen werkzaamheden vindt er geen bomenkap plaats. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.
5.5.4
Algemene en specifieke zorgplichten
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht.
Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. Advies onderzoeken *Tijdens de werkzaamheden moet zorgvuldig worden omgegaan met alle aanwezige flora en fauna, in overeenstemming met de (specifieke) zorgplicht. Daarnaast moet dit onderzoek ter plaatse beschikbaar zijn, en dienen de in het rapport beschreven maatregelen te worden nageleefd. *Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Het advies vanuit de ecoloog is dat de sloop buiten het broedseizoen van de huismus uitgevoerd moet worden om effecten van de sloop op de broedende huismus te voorkomen. M.i. moet er, als in het huismus onderzoek bepaald is dat de huismus aanwezig is en effecten van de sloop ervaart, buiten het broedseizoen worden gewerkt en is daarop geen uitzondering. *Dieren die tijdens de werkzaamheden onverhoopt worden aangetroffen, krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een veilige schuilplaats buiten het werkgebied.
*Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct gestopt te worden en contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. *Door het uitvoeren van bovengenoemde maatregelen wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden en aan de zorgplicht wordt voldaan. *Natuur inclusief bouwen biedt met relatief simpele en goedkope oplossingen een plekje voor planten en dieren die het hard nodig hebben. Het plan ten aanzien van de biodiversiteit is geen onderdeel van deze QuickScan maar kan op aangeven van onze opdrachtgever, eventueel door ons uitgewerkt worden.
5.5.5
Conclusie
Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
5.6
Geluid
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan worden woningen naast een bedrijf mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid is, zoals door de gemeente Barneveld aangegeven, de methodiek volgens de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009” gehanteerd. Deze handreiking geeft o.a. richtafstanden en stappenplannen om te komen tot het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in de directe omgeving van gevoelige functies nabij bedrijven.
Voor het bedrijf moet op de richtafstand van 30 meter, die geldt voor geluid voor een milieucategorie 2bedrijf, voldaan worden aan: 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 65 dB(A), 60 dB(A) en 55 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Bovendien moet het plan voldoen aan het Omgevingsplan van Gemeente Barneveld. Doorwerking in plangebied Men heeft het voornemen om de bestaande agrarische bestemming aan de Kapweg 34-36 te wijzigen. Hierbij wordt de bestemming aan de Kapweg 36 omgezet naar een bedrijfsbestemming (aannemingsbedrijf) met een bedrijfswoning. De woning aan de Kapweg 34 wordt hierbij omgezet naar een reguliere woonbestemming. Het beoogde aannemingsbedrijf Van de Stroet is een milieucategorie 3.1 bedrijf. Door de gemeente is aangegeven dat voor het aannemersbedrijf moet worden aangetoond, dat deze in werking is als milieucategorie 2 bedrijf. Om aan te tonen dat het bedrijf blijft voldoen aan een milieucategorie 2 bedrijf, is een akoestisch onderzoek gedaan. Deze is als bijlage 7 bij deze motivering opgenomen. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidemissie van de activiteiten en deze te toetsen aan de richtwaarde van een milieucategorie 2 bedrijf (45 dB op 30 meter afstand).
De beoogde situatie is ook getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Het Aannemingsbedrijf Van de Stroet is tussen 6.30 – 18.00 uur in bedrijf. De werkzaamheden vinden vooral plaats op externe locaties. Het terrein wordt gebruikt voor de opslag van werktuigen en grind/zand. Het Aannemingsbedrijf Van de Stroet is in bezit van de volgende werktuigen: - 16 tons rupsgraafmachine (Takeuchi TB2150) - 13 tons shovel (Volvo L60H) - Dumper combinatie (Fendt 514) - 2 tons minishovel (Weidemann 280) - 2 tons minikraan (Takeuchi TB217) De werktuigen zijn voorzien van een achteruitrijsignalering met een ruisbron. In de vroege ochtend (vóór 07.00 uur) komen 3 werknemers met personenwagens naar het terrein. Na de dagopening vertrekken de werknemers (vóór 7.00 uur) naar de projectlocatie met 3 zware werktuigen. Aan het einde van de werkdag komen de werknemers in de dagperiode weer terug op het terrein, waarna er wordt uit- en ingeladen voor de volgende dag. Het laden van de voertuigen duurt ongeveer 5 minuten. Op sommige dagen moet er in de dagperiode ongeveer zes keer puin en zand worden geladen en gelost. De meeste leveringen bestaan uit zand. Voor de berekeningen is uitgegaan dat vier vrachten zand en twee vrachten puin worden geladen. De laad- en losactiviteiten duren ongeveer 5 minuten voor een totaal van 0,5 "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 uur in de dagperiode. Op sommige zaterdagen worden de werktuigen gedurende 4 uur schoongemaakt in de inpandige wasstraat. Gezien op zaterdag de bovenstaande activiteiten niet kunnen plaatsvinden en de wasplaats inpandig is, is de activiteit niet akoestisch relevant voor het akoestisch onderzoek. Eenmaal per twee weken komt een tankwagen brandstof (diesel) leveren. Tijdens het lossen van diesel staat de vrachtwagen gedurende 5 minuten stationair te draaien. Door Aannemingsbedrijf Van de Stroet zijn de hierna beschreven Beste Beschikbare Technieken (BBT) toegepast om de geluidemissie van het bedrijf zoveel mogelijk te beperken: De motoren van bedrijfswagens zijn tijdens het laden en lossen alleen in werking, als dit voor het laden en lossen noodzakelijk is. Bij terugkomt van een project worden de werktuigen voor de volgende dag meteen geladen, zodat dit niet hoeft plaatsvinden in de avond- en nachtperiode. Voor het laden en lossen van puin in de container wordt de container eerst gevuld met een laag zand, waardoor de maximale geluidniveaus (pieken) bij het laden en lossen worden beperkt. De rijroutes binnen het bedrijf zijn verhard en vlak afgewerkt. De weergegeven Beste Beschikbare Technieken (BBT) zijn meegenomen in het voorliggende onderzoek.
Uit de resultaten blijkt dat er in de onderzochte bedrijfssituatie op alle ontvangerpunten op 30 meter van de terreingrens wordt voldaan aan de richtwaarde van de VNG-publicatie. En dat in de onderzochte bedrijfssituatie in de omgeving wordt voldaan aan de eisen uit het omgevingsplan (bruidsschat) van de gemeente Barneveld. Het rapport is beoordeeld door de geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden. In het akoestisch onderzoek is de bedrijfsvoering op dusdanige wijze aangepast dat met name de pieken tijdens het laden van de containers wordt beperkt. Metingen aan deze wijze van laden laat zien dat de pieken beperkt blijven tot 115 dB(A) waardoor de geluidbelasting van de pieken op de woningen beperkt blijven tot 67 dB(A) in de dagperiode op de dichtstbijzijnde woning. Vanwege het vertrek in de vroege ochtend blijft het piekgeluidniveau beperkt tot 60 dB(A) in de nachtperiode. Hierdoor is een goed woon en leefklimaat bij de woningen geborgd. Uit de berekeningen op 30 m afstand van de inrichting blijkt dat het bedrijf op grond van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in werking is als een categorie 2 bedrijf. De geluidsdeskundige adviseert nog wel dat voor iedere container puin die wordt geladen, deze container eerst van een dusdanige laag zand wordt voorzien dat deze het piekgeluidniveau van deze activiteit beperkt.
Conclusie Voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de etmaalwaarde equivalente geluidniveaus vanwege de indirecte hinder, wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie en de eisen uit het omgevingsplan (bruidsschat) van de gemeente Barneveld. Voor de maximale geluidniveaus wordt op 30 meter van de terreingrens niet voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie. Echter is de bedrijfsvoering zodanig aangepast dat de pieken van de geluidbelasting beperkt blijven. Bij de woningen in de omgeving wordt voor de maximale geluidniveaus wel voldaan aan de eisen uit het omgevingsplan (bruidsschat) van de gemeente Barneveld. Op basis van het onderzoek wordt gesteld dat er, vanwege de activiteiten op het terrein, ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en daarmee een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Geur
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn 32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen. De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de omgevingswet.
Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Kapweg 49 - op 95 meter ten noordwesten van het plangebied Grote Buntweg 8 - op 120 meter ten zuidoosten van het plangebied Grote Buntweg 1 - op 145 meter ten noordoosten van het plangebied Ten zuidwesten is een Hippisch centrum aan de Kapweg 30 gelegen, op meer dan 100 meter afstand. Andere veehouderijen liggen op grotere afstand. Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.
In dit geval is er geen veehouderij op korte afstand gelegen die met name bepalend is voor de geurbelasting; er liggen meerdere veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting is naar verwachting bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De achtergrondbelasting is berekend op de hoekpunten van het plangebied. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het programma V-stacks gebied (V-2020) met de vergunde stalgegevens van de veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting ligt tussen de 18,5 en 21,3 ouE/m3. Er is sprake van een Matig tot Tamelijk slecht woon-en leefklimaat. Dit is aanvaardbaar voor het buitengebied van de gemeente Barneveld, in het landbouwontwikkelingsgebied. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 20,0 OuE/m3. Alle veehouderijen in de omgeving liggen op meer dan de vereiste 50 meter afstand, gemeten vanaf de rand van de boogde bestemmingen tot de rand van het bouwvlak van deze veehouderijen.
De te realiseren woningen betreffen ruimte- voor ruimte gevoelige objecten of geurgevoelige objecten met een voormalige functionele binding met een dierenverblijf. Daarvoor gelden alleen vaste afstanden tot aan dierenverblijven. Er hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Conclusie Omdat aan de vereiste afstand wordt voldaan vormt dit plan geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.
5.8
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Doorwerking plangebied Fijnstof vanuit veehouderijen Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen.
In de omgeving ligt binnen een straal van 500 meter een veehouderij met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar), aan de Grote Buntweg 8. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijn stof ter plaatse van de woning. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel. Resultaten fijnstofberekening
Er wordt aan de huidige en beoogde grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar. Fijnstof met betrekking tot gevoelige functie Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt een gevoelige functie toegevoegd, maar het is niet een aangewezen categorie. Echter van de verkeersaantrekkende werking kan wel gesteld worden dat deze de NIBM waarde niet zal overschrijden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
5.9
Milieuzonering
Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Woningen zijn gevoelige gebouwen. En andersom geldt ook, dat er geen woningen worden geplaatst nabij bedrijven/milieubelastende activiteiten waardoor bedrijven worden beperkt in hun bedrijvigheid. Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Daarnaast heeft de gemeente regels opgenomen in het Omgevingsplan die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels.
De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit.
5.9.1
Bedrijfsvoering op het perceel
In dit gebied zijn bedrijven toegestaan die zijn genoemd in Bijlage 3 Staat van Bedrijfsactiviteiten onder categorieën 1 en 2. Dit houdt in dat een aannemersbedrijf met een oppervlak van < 1.000 m2 zou een afstand van 30 m moeten hebben tot omwonenden. Hierbij is het noodzakelijk om te weten wat de activiteiten in de hal worden. Want als er veel voorbereidende handelingen zouden worden verricht is het bedrijf eerder aan te merken als een bouwbedrijf en worden de aan te houden afstanden 50 meter. Van de Stroet Beheer B.V. met haar werkmaatschappij voert projecten uit in de GWW sector. Dit houdt in dat het bedrijf bij cliënten cultuurtechnische loon-, grond- en sloopwerkzaamheden uitvoeren. 95% of meer van de activiteiten vindt plaats op de locatie van cliënten, meestal particulieren of agrarische bedrijven, en niet op de Kapweg. Bij meerdaagse of meerweekse klussen blijft het materieel veelal op de locatie bij de cliënt staan en gaan medewerkers aan het begin en eind van de werkdag heen en terug. In de loods (nr. 6) aan Kapweg 36 vinden de resterende activiteiten plaats: het stallen van machines als die niet op locatie bij de cliënten zijn. In de loods ligt een kleine grijpvoorraad aan materialen en er is een koffiehoek waar aan het begin van de werkdag medewerkers verzamelen en vertrekken naar de werklocaties.
Bovenstaande handelingen behoren niet tot grote bouwactiviteiten waardoor een afstand van 30 meter kan worden aangehouden tot andere gevoelige functies. Hier wordt aan voldaan. Er zijn verder enkele woningen in de buurt in het buitengebied en een enkel agrarisch bedrijf (waaronder op >100 m een manege van Aerus-college op nr. 30) aanwezig. Er moet wel nog een melding voor de juiste milieubelastende activiteit van de niet-agrarisch activiteit worden ingediend.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Afbeelding bedrijven in de buurt van plangebied
5.9.2
Spuitzonering
In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Vanuit jurisprudentie geldt dat als vuistregel een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Voor de nieuwe functies, de reguliere woonfunctie (nr 34) en de niet-agrarsche bedrijfsfunctie op (nr 36), in het plan wordt een 50 meter spuitvrije zone opgenomen. Rond de bestaande bedrijfswoning op nummer 36 is ervoor gekozen om geen spuitvrije zone op te nemen omdat dit al een bestaande situatie betreft.
Omdat het bedrijfsgedeelte achter op het perceel op nummer 36 een nieuwe bedrijfsinrichting betreft, wordt hier wel een spuitvrije zone opgenomen. Voor de reguliere woonfunctie op nummer 34 is wel gekozen om een spuitvrije zone op te nemen. Conclusie Er ontstaan geen belemmeringen in het voorliggende plan.
5.10
Natuur en landschap
Het plan is in zijn geheel landschappelijk ingepast en akkoord bevonden. Onderstaande afbeelding geeft aan hoe dit is gebeurd.
36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Afbeeldingen landschappelijke inpassing Conclusie Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
5.11
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij functies de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
5.11.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit.
Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar 38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
5.11.2 Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
5.11.3 Te treffen maatregelen Er zullen altijd (veiligheids-)maatregelen getroffen moeten worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie.
Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
5.11.4 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Er zijn geen bronnen in de buurt. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.12
Trilling
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
5.13
Verkeer
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. Voor de woningen zijn er geen probleem vanwege een ongewijzigde situatie. De hoeveelheid parkeerplaatsen zijn ingetekend op basis van het bedrijf en is is daarbij rekening gehouden met de nota parkeernormen 2020. Voor de parkeernorm 'werken' is een bezoekers-/arbeidsextensief: 1,1 per 100 m2 BVO 490 x 1,1 = 5,39 +> 6 parkeerplaatsen getekend. Ook is er een rijcurvesimulatie toegepast, gezien de draaicirkels. Dit moet inzichtelijk maken of het op- en afrijden van het vrachtverkeer met de huidige breedte/inrichting van de toegangsweg voldoende is en moet duidelijk worden dat de vrachtwagens met de neus vooruit het terrein af kunnen rijden. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
5.14
Weging van het waterbelang
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Watertoets Dit wateradvies is een onderdeel van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is wettelijk verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee krijgt water een evenwichtige plaats in het ruimtelijk planproces. Uiteindelijk vormt de waterparagraaf in het bestemmingsplan het resultaat van de watertoets. Dit wateradvies is, als onderdeel van de watertoets, niet vrijblijvend. Voor de initiatiefnemer is dit advies bindend, tenzij er goede argumenten voor alternatieven worden aangevoerd.
De initiatiefnemer dient tekstueel en/of op een inrichtingstekening aan te geven hoe dit advies in het plan is verwerkt. Dit vormt de input voor de waterparagraaf. Planontwikkeling en toetsing De ontwikkeling aan de kapweg betreft een functiewijziging en het slopen van wat agrarische opstal. Daarnaast wordt er ook nieuwe verharding toegevoegd. Het plan is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. Hemelwater Volgens het klimaatadaptatieplan dient het hemelwater op eigen terrein geborgen te worden met een minimale capaciteit van 60mm per vierkante meter verhard oppervlak. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden dat enkel verhard oppervlak dat noodzakelijk is verhard wordt waarbij de voorkeursvolgorde is, groene verharding, waterdoorlatende verharding, gesloten verharding. Waterberging kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in de vorm van ondergrondse berging (denk aan 40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 infiltratiekratten, grindkoffers, buffer blokken, geperforeerde leidingen) of bovengrondse berging (denk aan wadi, laagte in tuin/landschap, bergingsvijver, zinksloot). Een combinatie van maatregelen is daarbij ook een mogelijkheid (bijvoorbeeld, een bergingsvijver met overstort naar infiltratiekratten). Indien een groen dak inclusief berging of halfverharding (vb. grind, split) wordt toegepast, gelden deze oppervlakken niet als verhard oppervlak en hoeft hiervoor geen extra berging gerealiseerd te worden. Initiatiefnemer heeft de wijze van hemelwaterverwerking, vuilwaterafvoer, en de type(n) voorziening(en) op de inrichtingstekening aangegeven. Grondwater Om grondwateroverlast (in kruipruimte, kelder, etc.) te voorkomen, dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Het advies aan de initiatiefnemer is om een goed beeld te krijgen van de plaatselijke grondwaterstanden. Er wordt geadviseerd om een minimale ontwatering te hebben van 30cm bij woningen zonder kruipruimte en 70cm bij woningen met kruipruimte. Zo nodig kan het terrein worden opgehoogd. Het structureel onttrekken van grondwater wordt niet gezien als duurzaam en is niet toegestaan indien goede argumenten waarom het nodig is. Oppervlaktewater Om de percelen liggen enkele C-watergangen.
Indien hier werkzaamheden aan gedaan moeten worden (graven/dempen/duikers/etc.) dient hiervoor afstemming te zijn met het waterschap. Het kan zijn dat enkele onderdelen vergunningsplichtig zijn. Bouwmaterialen In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde waterkwaliteit wordt geadviseerd geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) te gebruiken. Enkel functieverandering Op het perceel Kapweg 34 en 36 wordt een ontwikkeling zonder bebouwing mogelijk gemaakt. Het betreft hier enkel een functieverandering en er wordt enkel bebouwing gesloopt of huidige bebouwing gehandhaafd. In de toekomstige situatie wordt er enkel bebouwing gehandhaafd of gesloopt. Er is geen sprake van nieuwbouw of aanbouw, verder verandert er niets aan de werkelijke situatie. Wanneer er wel gebouwd gaat worden, moet er worden voldaan aan het vigerende beleidskader van zowel de gemeente Barneveld als het Waterschap Vallei en Veluwe. Dit geldt ook voor aanpassingen aan watergangen en kunstwerken (duikers, stuwen etcetera). Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruiken. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Hoofdstuk 6
Juridische aspecten
6.1
Wijziging omgevingsplan
6.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
6.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
42
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
6.1.3
Werkingsgebied
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Kapweg 34 en 36 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen. De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de Kapweg 34 en 36, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMOP0029 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
6.2
Artikelsgewijze toelichting functies
6.2.1
Terugkerende thema's
6.2.1.1
Functieverandering
De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Bij functieverandering naar werken is een onderscheid gemaakt voor 'gebiedspassende bedrijven' en 'gebiedsgebonden bedrijven'. Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in de (delen van) het buitengebied. Gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van hun bedrijfsvoering in beginsel geplaatst kunnen worden in (bepaalde delen van) het buitengebied, dan wel die vanouds aan het buitengebied gerelateerd worden. Deze bedrijven hebben naar hun aard een zekere relatie met het buitengebied en/of vanuit de historie een plek gevonden in het buitengebied. Onder deze categorie schaart de regio ook agrarische verwante bedrijven (ook wel landelijke bedrijven genoemd). Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat.
Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland. Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst. 6.2.1.2
Mantelzorg
In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). Mantelzorg is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3. 6.2.1.3
Voormalige bedrijfswoning
De aanduiding 'specifieke vorm van wonen- voormalige bedrijfswoning' die is toegekend aan een woning die eerder functioneel verbonden was met het nabijgelegen bedrijf. Deze voormalige bedrijfswoning is niet meer in gebruik als bedrijfswoning. Voor deze woning zijn de waarden in het omgevingsplan voor geluid, geur en trillingen vanuit de activiteiten van het voormalige verbonden bedrijf niet van toepassing. In dit geval is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfswoning' hier toegepast omdat een deel van het eigen (agrarische) bedrijf blijft bestaan. 6.2.1.4
Zonnepanelen
Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnepanelen op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnepanelen op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnepanelen op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnepanelen te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnepanelen op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnepanelen als de landschappelijke inpassing van deze zonnepanelen. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Wat betreft de bouwregels worden zonnepanelen beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnepanelen buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog 44