01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36_Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Datum:
4 februari 2026
Locatie:
Kapweg 34 en 36 in Kootwijkerbroek
Plannr:
TAMOP0029
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Inhoudsopgave
Motivering Hoofdstuk 1
5 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toetsing aan omgevingsplan
6 6 6
Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Voorgenomen ontwikkeling
8 8
Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
10 10 10 11 14 16 17
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Cultuurhistorie 5.4 Duurzaamheid en gezondheid 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Geur 5.8 Luchtkwaliteit 5.9 Milieuzonering 5.10 Natuur en landschap 5.11 Omgevingsveiligheid 5.12 Trilling 5.13 Verkeer 5.14 Weging van het waterbelang
22 22 22 22 24 25 31 32 34 35 36 38 39 40 40
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting functies
42 42 44
Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal
49 49
Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie 8.2 Zienswijzen
50 50 51
Bijlagen bij de motivering Bijlage 1
Bestaande situatie
Bijlage 2
Overzicht bestaande en nieuwe situatie
Bijlage 3
Overzicht deelgebieden
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek - Kapweg 34 Kootwijkerbroek
Bijlage 5
Quickscan Kapweg 34-36 te Kootwijkerbroek
2
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Bijlage 6
Soortgericht onderzoek huismus Kapweg 34-36 te Kootwijkerbroek
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek - Kapweg 34 en 36 Kootwijkerbroek
Bijlage 8
Watertoets
Bijlage 9
Stikstof, toelichting aanvraag
Bijlage 10
Stikstof, aanlegfase
Bijlage 11
Stikstof, toekomstige gebruiksfase
Bijlage 12
Stikstof, aanlegfase met gebruikfase
Bijlage 13
Stikstof, verschil ref - toekomstig gebruik met aanlegfase
Bijlage 14
Stikstof, verschil ref - toekomstig gebruik
Bijlage 15
Stikstof, akoestisch rapport
Bijlage 16
Stikstof, WNB besluit 2013
Bijlage 17
Participatieverslag
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
4
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Motivering Hoofdstuk 1
Inleiding
Voor adressen Kapweg 34 en 36 in Kootwijkerbroek is een verzoek ingediend om door middel van een functieverandering de functie 'Agrarisch' te wijzigen naar een reguliere woonfunctie en een niet-agrarische bedrijfsfunctie. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan 'Kapweg 34 en 36' opgesteld.
Afbeelding: planlocatie Kapweg 34 en 36, globale ligging Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie en toekomstambitie
Beschrijving huidige situatie
Het plangebied ligt aan de Kapweg in het landelijk gebied ten noorden van de kern Kootwijkerbroek. Het plangebied wordt gevormd door agrarische percelen en percelen met woonfuncties en niet-agrarische bedrijvenfuncties. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Kapweg. Aan de oost-, de zuid- en de westzijde vormen agrarische percelen de grens van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer, die overeenkomt met het agrarische bouwvlak.
Afbeelding: begrenzing plangebied
2.2
Toetsing aan omgevingsplan
2.2.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Het plangebied ligt in tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan ''Buitengebied 2012''. Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied functie 'Agrarisch' (voorheen de bestemming 'Agrarisch') met functieaanduiding 'intensieve veehouderij' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Ook heeft het de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'.
2.2.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan past niet binnen het omgevingsplan omdat de gevraagde functies niet passen binnen de geldende agrarische functie. In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk 6
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA) of een BOPA. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Hoofdstuk 3 3.1
Toekomstige situatie
Voorgenomen ontwikkeling
Het voorliggende plan betreft het omzetten van de functie 'Agrarisch' naar 'Wonen' en 'Bedrijf - Niet agrarisch'. Beide adressen, Kapweg 34 en Kapweg 36, kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie H hebben nu nog een agrarische functie. Bij Kapweg 34 wenst men een reguliere woonfunctie te realiseren waarbij een bijgebouw van 250 m2 wordt gerealiseerd. Bijgebouw 6A wordt verplaatst naar functievlak Wonen in nieuwe situatie op Kapweg 34. Vanwege deze verplaatsing in het kader van duurzaamheid zijn er afwijkende bouwhoogten voor het bijgebouw in de regels opgenomen. Bij Kapweg 36 wenst het Aannemingsbedrijf Van de Stroet B.V. zich te vestigen. Het bedrijf houdt zich bezig met infra-, grond en sloopprojecten. In de beoogde situatie worden de stallen 2, 4, 5 gesloopt en worden bijgebouwen 6 en 7 gehandhaafd. In het kader van het regionale functieveranderingsbeleid zijn er voor dit plan sloopmeters ingeleverd. Zie de afbeelding hieronder welke bijgebouwen dit betreffen:
Afbeelding overzicht slopen gebouwen
Er ontstaan twee losse kadastrale percelen. Op Kapweg 36 zullen er nieuwe inwoners de bedrijfswoning gaan bewonen die een functionele binding hebben met het niet-agrarische bedrijf op het perceel. De percelen Kapweg 34 en 36 zullen hun volledige verbintenis verbreken. Van de Stroet Beheer B.V. met haar werkmaatschappij voert projecten uit in de GWW sector. Dit houdt in dat het bedrijf bij cliënten cultuurtechnische loon-, grond- en sloopwerkzaamheden uitvoeren. 95% of meer van de activiteiten vindt plaats op de locatie van cliënten, meestal particulieren of agrarische bedrijven, en dus niet op locatie aan de Kapweg. Bij meerdaagse of meerweekse klussen blijft het materieel veelal op de locatie bij de cliënt staan en gaan medewerkers aan het begin en eind van de werkdag heen en terug. In de loods (nr. 6) aan Kapweg 36 vindt de resterende activiteit plaats: het stallen van machines als die niet op locatie bij de cliënten zijn, er ligt een kleine grijpvoorraad aan materialen en er is een koffiehoek waar aan het begin van de werkdag medewerkers verzamelen en vertrekken naar de werklocaties.
8
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Het parkeren wordt op het eigen perceel geregeld waarbij een rijcurvesimulatie en draaicirkels zijn toegepast. Het perceel wordt in de beoogde situatie landschappelijk ingepast en er wordt rekening gehouden met een spuitvrije zone. Zie voor de verdere invulling en toelichting in de paragrafen 5.5 Ecologie en 5.18 Verkeer.
Afbeelding: Beoogd plan locatie Conclusie Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan beleid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteiten en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doorwerking in plangebied Door de geringe omvang van dit plan is het niet in strijd met de vier prioriteiten van de NOVI. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
4.2.2
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt. 10
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.14).
4.2.3
Instructieregels Rijk (AMvB's)
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Deze instructieregels gaan over; voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen; lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool; bebouwingcontour jacht; bebouwingcontour houtkap. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Doorwerking in plangebied In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Het plangebied ligt binnen de volgende (thema)kaarten vanuit de omgevingsvisie: Kaart 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Kaart 2: Themakaart Ruimtelijk beleid Doorwerking in plangebied Het plan past binnen de uitgangspunten van de omgevingsvisie Gaaf Gelderland omdat het aansluit op de ambitie om woontypen en woonmilieus passend te maken bij de diversiteit aan woningaanvraag. Met dit plan worden geen zonneparken of windmolens geplaatst, deze kaarten zijn daarom niet relevant voor dit plan. Conclusie Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 4.3.1.2
Omgevingsverordening
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij Omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen: algemene instructieregels (Afdeling 5.1) instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2) instructieregels over landschap (Afdeling 5.3) instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4) instructieregels over milieu (Afdeling 5.5) instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6) instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7) Natuur en Landschap Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale Omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a.
per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen; b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Het plan ligt binnen de streek Ze Vallei (deelgebied Barneveldse beken). Het gebied is een halfopen coulisselandschap. De locatie heeft al lange tijd een open karakter omgeven door groenstructuren. Ontwikkelingen in dit gebied dienen nieuwe kwaliteiten toe te voegen aan het landschap en dragen bij aan 12
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 de ontwikkeling van een robuust landschappelijk raamwerk. Oude landschappelijke structuren dienen behouden/ versterkt te worden. Binnen dit initiatief wordt de groene kamerstructuur benadrukt door het toevoegen van beplanting op de perceelsgrenzen. De beplanting draagt bij aan het versterken van de kernkwaliteiten van het landschap. Zie voor meer informatie bijlage 3 van deze motivering met het overzicht van de deelgebieden. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. Per saldo wordt bij deze ontwikkeling het aandeel groen op de locatie verhoogd en wordt voorzien in waterbergingsmogelijkheden. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.
Gebiedsaanwijzingen De volgende gebiedsaanwijzingen gelden: aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe Gelderse streek Gelderse Vallei glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Wat betreft 'aandachtsgebied windturbines'. Het plan voorziet niet in het realiseren van een windturbine. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie binnen de 'Gelderse streek Gelderse Vallei' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Het plan voldoet hier aan. Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw. Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende. Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken. Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen.
Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan. Doorwerking in plangebied Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
4.3.2
Omgevingswaarde(n)
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld: Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening). Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt. Doorwerking in het plangebied De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.
4.3.3
Voorbereidingsbesluit stikstof
Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet. Conclusie Het plan ligt niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.5.1.
4.4
Regio
4.4.1
Regionaal waterprogramma 2021-2027
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn: Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen. Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water. Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden: 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid.
We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren. 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per
14
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf 5.14.
4.4.2
Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio Foodvalley, regio Amersfoort
Op 3 juli 2024 is het 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024, regio Foodvalley regio Amersfoort' vastgesteld. Hierin is vastgelegd hoe de deelnemende gemeenten om willen gaan met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het beleid stelt agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze (gedeeltelijk) te beëindigen. Het wijzigen van de agrarische functie in een andere functie, zoals een woon- of werkfunctie, is de daadwerkelijke functieverandering. Dit leidt op verschillende manieren tot kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Door de sloopverplichting van overtollige bebouwing, landschappelijke inpassing bij hergebruik/nieuwbouw voor nieuwe woon- of werkfuncties, en natuurontwikkeling of landschapsverbetering in de wijdere omgeving. Op de slooplocatie kent de overtollige agrarische bebouwing een waarde. Dit zijn sloopmeters. Nieuwe functies, zoals wonen, werken, het vergroten van de woninginhoud of oppervlakte aan bijgebouwen worden door de inzet van sloopmeters mogelijk gemaakt. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen wordt gewerkt met een omrekening van de sloopmeters. Dit betekent dat de vrijkomende sloopmeters niet één op één ingezet kunnen worden voor een nieuwe functie. Dit is de afroming.
De sloopmeters zijn door de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid tussen de deelnemende gemeenten uitwisselbaar. Door op interregionale schaal afspraken te maken is er een kader waardoor op een gelijke wijze gewerkt wordt met sloopmeters, groencompensatie, voorwaarden voor herbestemming en kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Het is aan de gemeente om een ruimtelijke afweging te maken welke functies in welk gebied gewenst zijn. Hiervoor geeft het kader handvatten om tot een gemeentelijke uitwerking te komen. Functieveranderingsbeleid in Barneveld Op 23 oktober 2024 is 'Functieveranderingsbeleid in Barneveld' vastgesteld. Deze lokale aanvulling vormt samen met het regionale functieveranderingsbeleid het functieveranderingsbeleid voor de gemeente Barneveld. Dit beleid is van toepassing op locaties in het landelijk gebied. De stedelijke gebieden vallen hierbuiten. In sommige gevallen is het onduidelijk wanneer dit beleid van toepassing is. Dit kan zowel geografisch (bijvoorbeeld de dorpsranden) zijn, als procedureel (grotere stedelijke ontwikkeling met grondexploitatie). Onderstaande schema geeft aan in welke gevallen het functieveranderingsbeleid van toepassing is.
Deze lokale aanvulling gaat op hoofdlijnen in op de volgende onderdelen:
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 Verbrede toepassing van de sloopmetersystematiek voor de gebruiksfuncties niet-agrarische bedrijvigheid, (bedrijfs)woningen en vakantieparken; Verbrede toepassingsmogelijkheden voor de functieveranderingen naar woon- en werkfuncties en gedeeltelijke functieverandering; Aanvullende voorwaarden voor de sloopmetersystematiek Ontwikkelingsfonds platteland Het Ontwikkelingsfonds Platteland is er voor projecten die bijdragen aan een duurzame omgevingskwaliteit in het landelijk gebied. Zo blijven het buitengebied en de kleine kernen aantrekkelijk voor boeren, bewoners en bezoekers. Er geldt een aantal voorwaarden voor een bijdrage uit het fonds. De projecten moeten: leiden tot verbeteringen van het buitengebied en de kleine kernen; vallen binnen de thema's landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie, sociaal economische vitalisering; vernieuwend zijn of leiden tot een verbetering van het platteland; voor een deel afhankelijk zijn van de inbreng van personen of organisaties naast de gemeente; passen binnen het gemeentelijk beleid. Het fonds een zogenaamd uitvoeringsprogramma. Elk jaar wordt er een voortgangsrapportage geschreven die inzicht geeft in de projecten en het bestede geld. Het fonds wordt gevuld door een jaarlijkse storting van de gemeente en bijdragen van initiatiefnemers.
Dit zijn particulieren of bedrijven die op basis van een verevening bijdragen. Vanuit de bijbehorende regeling worden initiatieven in het buitengebied en de kleine kernen ondersteund. Denk hierbij aan de ontwikkeling van natuur en landschap, het bijdragen aan recreatieve routes of bijdragen aan waterberging.
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in paragraaf 5.14.
4.5.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. 16
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in paragraaf 5.14.
4.6
Gemeente
4.6.1
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Materialen In het ontwerp van het plangebied is gekozen voor een verplaatsing van een bijgebouw.
Daarnaast blijft gebouw nummer 5 gehandhaafd en zal bij de nieuwe bedrijfsfunctie als bedrijfsruimte fungeren. Hierdoor wordt de hoeveelheid materialen zoveel mogelijk beperkt. Voor de toekomst is het goed om te kijken naar de losmaakbaarheid van de onderdelen en het leveren van een materialenpaspoort. Zo kunnen materialen beter hergebruikt worden. Duurzaamheid op eigen terrein Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf 5.14.
4.6.2
Omgevingsvisie Barneveld 2040
In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken. De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij op de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van onze gemeente en onze dorpen zijn. De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente de stad. De raad heeft op 16 juli 2025 de Omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd. 1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen.
Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu. 2. Prettig leven in vitale dorpen Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom. 3. Ruimte voor ondernemerschap Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra. 4. Waardevol landelijk gebied Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt uiteraard voor de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor onze agrarische sector, met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot. 5. Bereikbaar nu en in de toekomst Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast.
Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken). Vijf gebieden en negen dorpen De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.
18
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Afbeelding Visiekaart Gemeente Barneveld (met legenda)
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Het plangebied ligt in het deelgebied deelgebied Oostelijk buitengebied. Van oorsprong bestaat het oostelijk buitengebied uit een gevarieerd landschap van beekdalen, broek- en heideontginningen en es-complexen aan de oostkant van het gebied. De karakteristieke beken van de gemeente Barneveld droegen bij aan dit kleinschalige landschap. In het gebied liggen de kernen Kootwijkerbroek en Stroe. De buurtschappen Essen en Esveld behoren tot Kootwijkerbroek. Het oostelijk buitengebied kenmerkt zich door een ondernemend karakter. In dit deel van gemeente Barneveld komt ondernemerschap in al zijn facetten het meest tot uiting. Het ondernemerschap bepaalt hier in belangrijke mate de identiteit van het gebied. Deze dynamiek in het gebied willen we behouden voor de toekomst. Daarom ondersteunen we hier het agrarisch ondernemerschap waar mogelijk. Daarbij houdt de gemeente Barneveld oog voor behoud en versterking van de dragers van het cultuurlandschap, zoals de beken die dit gebied doorstromen. Bij dit gebied hoort bovendien een forse woonambitie voor de kernen. Doorwerking in plangebied Het voorliggende plan is in lijn met de Omgevingsvisie.
4.6.3
Toetsingskader landelijk gebied
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023. Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijk opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011: 1. 2. 3. 4.
Agrarisch kampen- en slagenlandschap en landgoederen; Stedelijke zone en groene bufferzones; Agrarisch bedrijvenlandschap; Veluws natuurgebied, agrarische enclaves en overgangszone.
Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten: 1. Bestaande situaties en rechten worden door gemeente gerespecteerd op basis van wat bij recht is toegestaan in het Omgevingsplan. 2. Toetsing nieuwe ontwikkelingen altijd in samenhang met de ontwikkelingsrichting per deelgebied. 3. Alle nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het versterken van het natuurlijk systeem en het cultuurlandschap. 4. De beoordeling van een ontwikkeling wordt altijd integraal per locatie afgewogen. Naast het toetsingskader zijn alle andere beleidsstukken, programma's en verordeningen van toepassing. 5. Agrarische bedrijven worden niet gehinderd in de doorontwikkeling door gevoelige functies. 6. Er vindt geen aantasting van de milieu- en gezondheidssituatie plaats. 7. Toetsingskader is bedoeld voor zowel hoofdactiviteiten als nevenactiviteiten. Doorwerking plangebied De locatie ligt in het deelgebied agrarisch bedrijvenlandschap. Landbouw is in dit deelgebied de belangrijkste gebruiksfunctie. We streven naar herstructurering en passende schaalvergroting voor bedrijven gericht op innoveren. In dit agrarische productiegebied laten we in principe geen gevoelige functies toe. Deze functies horen thuis in de kernen. Eventuele uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven is alleen onder strenge voorwaarden toegestaan.
Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk. Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden zullen we beschermen. Het plan waarin niets nieuws wordt gebouwd is in lijn met het Toetsingskader.
20
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
4.6.4
Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.14.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Hoofdstuk 5 5.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
5.2
Bodem
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie en is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde Verkennend bodemonderzoek - Kapweg 34 Kootwijkerbroek (zie bijlage 4 van deze motivering) geeft een globaal beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie (lees terreingedeelte waar sloop- en nieuwbouw zal gaan plaatsvinden). Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de plaatselijk zwak (sporen) baksteen en cementhoudende bovengrond een licht verhoogd gehalte aan zink is aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters gemeten.
Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan arseen. Ter plaatse van/in de directe nabijheid van de onderzochte (voormalige) bovengrondse brandstoftanks is zintuiglijk en analytisch in de bodem geen verontreiniging met oliecomponenten aangetoond. De beoordeling is op basis van het bodemonderzoek dat is ingediend. Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname. De gemeente is daarom niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: 22
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.3.1
Archeologie
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen. Archeologische waarden- en verwachtingenkaart De nieuwe archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Barneveld is in 2018 vastgesteld. Deze kaart geeft binnen het plangebied (blauwe contour) het volgende aan: Groen: lage archeologische verwachting, dekzandvlakte en lage dekzandvlakte of laatglaciaal terras.
Afbeelding: Uitsnede nieuwe beleidskaart Aanvullende informatie Het plan betreft het wijzigen van de bestemming naar een woonbestemming en bedrijfsbestemming op de Kapweg 34 en 36 in Kootwijkerbroek. Het gaat om een zogenaamd XXS-plan (afwaarderingsplan van de bestemming 'Agrarisch' naar de functie 'Wonen' en 'Bedrijf - Landelijk niet-agrarische bedrijven'. Op dit moment heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch' met een aanduiding 'Intensieve Veehouderij'.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36
Afbeelding: De huidige (links) en de gewenste (rechts) situatie
De ontwikkelingen binnen het plangebied bevinden zich binnen een zone waar volgens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart sprake is van een lage archeologische verwachting. Daarbij horen de volgende vrijstellingsgrenzen: 10.000 m2 en 30 cm onder maaiveld. De plannen hebben betrekking op de sloop van gebouwen; er is geen sprake van nieuwbouw. Er is geen archeologisch onderzoek nodig. Wel geldt de volgende dubbelbestemming: De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een lage verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 10.000 m2).
5.3.2
Cultuurlandschappelijke waarden
Het plan ligt in een gebied dat op de cultuurlandschappelijke waardenkaart van Barneveld wordt aangeduid met waarde 1 (vochtige kampontginning). Conclusie De aspecten archeologie en cultuurlandschappelijke waarden vormen geen belemmering voor dit plan.
5.4
Duurzaamheid en gezondheid
Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, 24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 zie paragraaf Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen.
De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderij(en). Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5
Ecologie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
5.5.1 5.5.1.1
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied
De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt op ongeveer 3 km van Natura 2000-gebied. Op deze afstand zal alleen het effect van "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36" (vastgesteld)
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Kapweg 34 en 36 stikstofdepositie een rol kunnen spelen. Eventuele effecten van stikstofdepositie zijn gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de omvang van de werkzaamheden en vooral het beoogde gebruik niet op voorhand uit te sluiten. De beoogde bedrijfsfunctie zal o.a. gepaard gaan met het gebruik van mobiele werktuigen op de locatie en een verkeer aantrekkende werking (o.a. zwaar verkeer voor aan- en afvoer van bouwmaterialen) incl. stationair draaien (laden/lossen). Om de effecten van stikstof te bepalen diende een stikstofberekening met toelichting te worden gemaakt. Aerius Calculator is daarvoor een verplicht rekeninstrument (artikel 4.15 Or). Op 1 oktober 2024 is Aerius Calculator geactualiseerd. Er wordt niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat in alle lopende processen waarbij op het moment van invoeren van de nieuwe calculator nog geen besluit is genomen er in principe nieuwe stikstofberekeningen moeten worden aangeleverd. Stikstof Het plangebied ligt in de nabijheid van een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.
Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie, die als bijlagen 9 tot en met 16 bij deze motivering zijn opgenomen. De realisatiefase en gebruiksfase zijn berekend. Het rapport is juist opgesteld en de berekeningen zijn juist uitgevoerd. De uitgangspunten zijn reëel en aannemelijk. Op basis van deze uitgangspunten is er wel depositie berekend in de beoogde situatie. Intern salderen is toegepast, en daaruit blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Er wordt verwacht de huidige natuurvergunning aangepast kan worden door de provincie. Om de activiteiten te starten is de natuurvergunning nodig. Deze vergunning is door de initiatiefnemer bij de provincie aangevraagd. De provincie zal deze aanvraag verder behandelen. Voor het besluit is vooral de toelichting en de verschilberekening met toekomstig gebruik, inclusief de aanlegfase (berekening B4) relevant. Dit omdat de aanlegfase ca. 50 werkdagen duurt en er dus sprake is van zowel realisatie als gebruik binnen een maatgevend jaar. 5.5.1.2