CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Putterweg IV_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Putterweg IV, Garderen.18.507 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder 28

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist.

Beoordeling De nieuwe woonfuncties die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemmingen. Nabij het plangebied liggen enkele drukke wegen. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Het akoestisch onderzoeksrapport is opgenomen onder bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen op de nieuwe woningen vanwege het verkeer op de Koudhoornseweg, alleen bij de schuurwoning hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar ruim lager dan de maximale toelaatbare geluidbelasting. De geluidbelastingen vanwege het verkeer op de overige gezoneerde wegen Putterweg en de Speulderweg is op alle woningen lager dan de voorkeurswaarde. Om de schuurwoning te kunnen realiseren, moet een hogere waarde van 54 dB worden vastgelegd vanwege het wegverkeerslawaai van de Koudhoornseweg. Hierbij wordt opgemerkt dat er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid ten aanzien van de geluidluwe gevel en buitenruimte. Bij het ontwerp van de nieuwe schuurwoning moet bij de indeling van de woning rekening gehouden worden met de voorwaarde dat tenminste één slaapkamer gelegen is aan de geluidluwe zijde.

Deze voorwaarde wordt opgenomen in het besluit vaststelling hogere waarde Wet geluidhinder. De geluidbelastingen op de nieuwe woningen vanwege de niet-gezoneerde weg Putterweg (30 km/uur-weg) zal hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, maar ruim lager dan de maximale ontheffing, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Vanwege het verkeer op de overige 30 km/uur-wegen Speulderweg en Harderwijkerweg zal de geluidbelasting ruim lager zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat de geluidbelastingen vanwege het verkeer op de 30 km/uur-wegen aanvaardbaar zijn. Omdat 30 km/uur-wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan voor de geluidbelasting van deze wegen geen hogere "Putterweg IV" (vastgesteld)

29

Putterweg IV waarde worden verleend. De procedure tot het vaststellen van een hogere waarde voor de woning aan de Koudhoornseweg loopt gelijktijdig met de procedure tot bestemmingsplanherziening.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Beoordeling Op het westelijk deel van het plangebied staan nog enkele oude stallen waarop ooit een milieuvergunning voor dieren heeft gerust. In 2012 is geconstateerd dat deze dieren al lang niet meer werden gehouden. Er rust geen milieuvergunning voor dieren op dit perceel. In het voorliggende plan wordt het agrarisch bouwvlak ter plaatse weggehaald en er komt woningbouw voor in de plaats. Met het toestaan van nieuwe woningen worden met dit bestemmingsplan nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Daarom is het aspect agrarische geur onderzocht. Op de locatie Hoge Boeschoterweg 32-34 is een vleeskalverenhouderij gevestigd. Uit de geurberekening blijkt dat in de bestaande situatie op bestaande omliggende woningen reeds een aanzienlijke overbelaste situatie is, namelijk zo'n 17 odeur units waar dit op grond van de gemeentelijke geurverordening maar 3 odeur units mag zijn. Ook ter plaatse van het beoogde appartementengebouw zou de geurbelasting met zo'n 7,4 odeur units hoger zijn dan de norm. Omdat meerdere bestaande geurgevoelige objecten reeds zwaarder belast worden door het agrarisch bedrijf geeft dit bestemmingsplan geen belemmering voor de exploitatie van het bedrijf. Tevens is de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied berekend. Hieruit volgt dat er binnen het plangebied sprake is van een voldoende goed woon- en leefklimaat op dit aspect.

Geconcludeerd wordt dat het aspect agrarische geur geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt:

30

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).

Beoordeling De realisatie van 15 woningen, waarvan 8 koopappartementen en 6 grondgebonden patiowoningen op een functiewijzigingslocatie, nabij het centrum van Garderen, past binnen de regionale behoefte aan meer levensloopbestendige woningen (zie § 4.4.2). Het betreft een binnenstedelijke locatie en heeft daarmee de voorkeur van de provincie ten opzichte van realisatie op uitleglocaties. De locatie ligt redelijk goed ontsloten nabij openbaar vervoer (busvervoer) alsook provinciale wegen en is daarmee redelijk goed ontsloten. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit "Putterweg IV" (vastgesteld)

31

Putterweg IV milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is.

Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht.

Toetsing Onderdeel D 11.2 (een stedelijk ontwikkelingsproject) is hier niet van toepassing en, wanneer er toch geconstateerd zou moeten worden dat het project wel onder onderdeel D 11.2 valt, wordt geconcludeerd dat er geen effecten zijn en dat er geen plan-m.e.r.-plicht dan wel een besluit-m.e.r.-plicht geldt. Het betreft het toevoegen van 15 woningen alsmede de realisatie van parkeerplaatsen ten behoeve van het centrum. Er is hier sprake van een 'sloop-nieuwbouw' situatie. Er verdwijnt een dorpshuis (met de nodige verkeersbewegingen) en het bestaande aantal (openbare) parkeerplaatsen blijft nagenoeg gelijk. De schaalgrootte van het project kan beperkt worden genoemd. Het project is om die reden niet op één lijn te stellen met een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Er geldt derhalve voor het project geen plicht tot het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Het milieubelang is in deze aanvraag zorgvuldig afgewogen in de ruimtelijke onderbouwing. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in deze aanvraag besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten voor het milieu te verwachten zijn.

Daarnaast hebben de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria niet uitgewezen dat er sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r.-beoordeling achterwege kan blijven.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, 32

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.

Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.

Beoordeling In dit kader zijn voor dit bestemmingsplan de volgende bedrijven en aspecten van belang: bedrijfsbestemming aan de Dorpsstraat 19 bedrijfsbestemming aan de Dorpsstraat 23-25 het nieuw te realiseren openbaar parkeerterrein Op basis van de beoogde invulling van het plangebied, wordt verwacht dat voor de genoemde bedrijven in de omgeving voldaan kan worden aan de VNG-richtafstanden ten opzichte van de nieuwe woningen in het plangebied. Voor de Dorpsstraat 23-25 kan op basis van gemengd gebied een afstand van 10 meter aangehouden worden. Voor nummer 19 geldt functiemenging categorie A (toelaatbaar aanpandig aan woningen) of B (toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen). Voor het parkeerterrein in het plangebied kan op basis van gemengd gebied een afstand van 10 meter worden aangehouden tot woningen. Deze afstand wordt in dit geval niet overal gehaald. Door middel van een gedetailleerd akoestisch onderzoek is in beeld gebracht welke geluidniveaus optreden bij de nieuwe en bestaande woningen in de directe omgeving van het parkeerterrein.

Akoestisch onderzoek Het uitgevoerde akoestisch onderzoek in het kader van milieuzonering is opgenomen onder bijlage 9. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting bij de nieuwe en bestaande woningen in de omgeving vanwege het openbare parkeerterrein. Voor het beoordelen van de geluidkwaliteit ter plaatse van de woningen wordt gebruik gemaakt van het toetsingskader geluid uit hoofdstuk 5 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Uit het onderzoek blijkt, dat de etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting die wordt veroorzaakt door het verkeer van en naar de openbare parkeervakken, bij: 2 nieuwe woningen respectievelijk 53 dB(A) en 51 dB bedraagt. Dit is hoger dan de richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie; 2 bestaande woningen respectievelijk 52 dB(A) en 51 dB(A) bedraagt. Dit is hoger dan de richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie; de overige nieuwe en bestaande woningen gelijk is aan of lager is dan 50 dB(A), waarmee voldaan "Putterweg IV" (vastgesteld)

33

Putterweg IV wordt aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Indien de maximale geluidniveaus, veroorzaakt door de activiteiten op de openbare parkeervakken, binnen de bestaande en nieuwe woningen niet hoger zijn dan 55 dB(A) (etmaalwaarde), is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dit betekent dat de geluidwering van de: nieuwe woningen minimaal 23 dB(A) moet bedragen. Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoen aan een geluideis van Rq;a = 0 dB) voldaan aan een karakteristieke geluidwering van 23 dB tot 25 dB; bestaande woningen minimaal 17 dB(A) moet bedragen. Met standaard bouwmaterialen wordt voldaan aan deze geluideis (Eis Bouwbesluit geluidwering groter dan 20 dB). Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er geen reële maatregelen mogelijk om de equivalente en maximale geluidniveaus bij de nieuwe en bestaande woningen te reduceren tot de richtwaarden uit de VNG-publicatie die gelden voor de equivalente en maximale geluidniveaus. Een overschrijding van de richtwaarde is acceptabel, als in ieder geval de etmaalwaarden van de equivalente en maximale geluidniveaus binnen de woningen niet hoger worden dan 35 dB(A) c.q. 55 dB(A). De nieuwe woningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit. Aan de eisen kan worden voldaan met toepassing van geluidwerende voorzieningen.

De bestaande woningen moeten een geluidwering van minimaal 17 dB(A) hebben. Met standaard bouwmaterialen wordt voldaan aan deze geluideis (Eis Bouwbesluit geluidwering groter dan 20 dB). De equivalente en maximale geluidniveaus, veroorzaakt door het rijden en parkeren van de personenwagens, zullen daarmee bij de nieuwe en bestaande woningen niet hoger zijn dan 35 dB(A) c.q. 55 dB(A) (etmaalwaarde). Met andere woorden in de nieuwe en bestaande woningen is, vanwege het rijden en parkeren van de personenwagens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van de optredende equivalente en maximale geluidniveaus.

Conclusie Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat in de bestaande en nieuwe woningen sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

5.12

Natuur en landschap

Garderen ligt op de flank van de stuwwal. Hier ontwikkelde zich een esdorp. De eerste bebouwing concentreerde zich op de brink, waar 's avonds schapen werden verzameld. Vanaf de centrale brink waaierden de wegen in de zogenaamde spinnenwebstructuur uit in het buitengebied. Het buitengebied kenmerkt zich als een relatief open gebied omgeven door de bossen op de stuwwal. De openheid rondom het dorp met zicht op de bosgebieden van de Veluwe is beschermd. Binnen de kern zijn diverse groene plekken aanwezig. Karakteristiek groenelement is onder meer de Brink aan de Dorpsstraat. Aan deze brink grenst het plangebied. De Brink, die een beschermde status heeft, is omzoomd met beuken. Hier tegenaan ligt het voormalige dorpshuis en sporthal De Koepel inclusief parkeerplaatsen. Aangrenzend aan dit gebied ligt een terrein met daarop enkele (vervallen) schuren en een (paarde)weide grenzend aan de Koudhoornseweg. Het plangebied ligt op de rand van beschermd landschap. Een deel van het plangebied ligt binnen een gebied dat door de provincie is gekwalificeerd als 'Nationaal landschap'. De kernkwaliteiten van dit landschap mogen niet worden aangetast.

Doorwerking in plangebied In de huidige situatie zijn ter plaatse vanwege de bestaande bebouwing weinig doorzichten het open gebied in. Met het voorliggende plan is ingezet op meer transparantie, waarbij het westelijk deel van het perceel open wordt gehouden. De uitgangspunten voor de ontwikkeling zijn: behoud van bestaand groen behoud van openheid naar buitengebied behoud en versterken van historische hoogteverschillen en daarbij behorende singelbeplanting. 34

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

Om de voorliggende ontwikkeling goed landschappelijk in te passen is een landschapsplan opgesteld met een daarbij behorend beplantingsplan. Het landschapsplan is gericht op het behoud van openheid aan de westzijde van het plangebied en op versterking van bestaande groenstructuren, zie afbeelding 13. Daarnaast worden de nieuwe woonkavels voorzien van een groene afscheiding in de vorm van hagen. Ten behoeve van de realisatie en instandhouding ervan is in de regels van dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In het inrichtingsplan zijn diverse klimaatadaptieve maatregelen opgenomen zoals waterpasserende verharding, wadi’s en biodiverse jaarrond interessante beplanting.

afbeelding 13: schets landschapsplan

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn "Putterweg IV" (vastgesteld)

35

Putterweg IV de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.

Beoordeling Bereikbaarheid Voor een goede bereikbaarheid van de nieuwe woningen dient de infrastructuur vanaf de Putterweg tot de ingang van de woningen te voldoen aan de specifieke kenmerken van brandweervoertuigen, te weten: een vrije breedte van minimaal 3,5 meter, waarvan minimaal 3 meter verhard; een vrije hoogte van minimaal 4,2 meter; een binnenbochtstraal van 5,5 meter (R=5,5) en een buitenbochtstraal van 10 meter (R=10); een aslast van 10 ton en een totale last van 30 ton; het verharde gedeelte ter plaatse voor de parkeerplaatsen bij het appartementencomplex moet geschikt zijn voor brandweervoertuigen om te keren, aangezien de toegangsweg tussen de Putterweg en de nieuw te realiseren woningen een doodlopende weg is; voor een overzicht van de eisen en voorwaarden wordt verwezen naar de genoemde handreiking. Deze voorwaarden worden in acht genomen bij de verdere uitwerking van het plan (bestektekeningen).

Opkomsttijd De maximale opkomsttijd is gerelateerd aan de gebruiksfunctie. De opkomstnorm voor een woonfunctie is maximaal 8 minuten. De werkelijke opkomsttijd voor de Putterweg 1 te Garderen bedraagt minder dan 8 minuten. De werkelijke opkomsttijd van de brandweer valt in dit geval binnen de norm zoals die in het Besluit veiligheidsregio’s is vastgelegd. Daarom zijn er geen aanvullende voorwaarden noodzakelijk.

Bluswatervoorziening Voor een adequate brandbestrijding dient de brandweer tijdig over voldoende bluswater te kunnen beschikken. Ook hiervoor zijn voorwaarden gesteld. Voor dit plan betekent dat, dat het brandweervoertuig de hoofdtoegang van de eengezinswoningen tot maximaal 40 meter moet kunnen naderen en de toegang van het appartementencomplex tot maximaal 10 meter (opstelplaats). Vervolgens dient de brandweer binnen een afstand van maximaal 100 meter vanaf de opstelplaats over een primaire bluswatervoorziening (brandkraan) met een capaciteit van minimaal 30 m³ per uur te kunnen beschikken. In dit plan bevindt de dichtstbijzijnde primaire bluswatervoorziening, in de vorm van een ondergrondse brandkraan met een capaciteit van ongeveer 60 m³ per uur, zich op een afstand van ongeveer 120 meter. De primaire bluswatervoorziening voldoet niet volledig aan de voorwaarden zoals opgenomen in de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, maar is gezien de aard en bouwjaar van de toekomstige bebouwing voldoende. Om die reden zijn er geen aanvullende voorwaarden nodig. Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

36

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

5.14

Verkeer

Bereikbaarheid en verkeersveiligheid Het plangebied is bereikbaar via de Putterweg, via dezelfde aansluiting als in de huidige situatie. Voor zo ver mogelijk wordt het zicht op de Putterweg verbeterd door het toepassen van lage beplanting op de hoek van de aansluiting op de Putterweg. Via een rijbaan het plangebied in worden de verschillende functies ontsloten. Door middel van een andere soort verharding wordt de overgang naar de mandelige terreinen duidelijk gemaakt.

Parkeren Uitgangspunt is dat er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen. In het plan wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de verschillende functies. Voor de appartementen is parkeergelegenheid voorzien in een parkeerkelder en voor bezoekers een aantal parkeerplaatsen voor het complex. De zes patiowoningen krijgen elk één parkeerplaats op eigen terrein. Ook kunnen er een aantal auto's worden geparkeerd op het pleintje aan de achterzijde van deze woningen. Bezoekers kunnen gebruik maken van de openbare parkeerplaatsen die ook een functie hebben voor het centrum. Hoewel het dorpshuis binnen het plangebied verdwijnt wordt de parkeergelegenheid die hierbij hoort deels gehandhaafd. In het plan wordt voorzien in 40 openbare parkeerplaatsen waarvan één voor mindervaliden, voor kortdurend parkeren. Ook wordt er ter hoogte van de Putterweg rekening gehouden met het realiseren van een openbare fietsparkeerplaats ten behoeve van centrumbezoekers. De woning aan de Koudhoornseweg voorziet in parkeergelegenheid op eigen terrein.

Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen vanuit verkeer geen belemmeringen voor dit plan.

5.15

Water

Voor het plangebied is een geohydrologisch onderzoek verricht, zie bijlage 1. De notitie beschrijft de bodemopbouw, het grondwater en de waterdoorlatendheid van de bodem.

Gebiedsinventarisatie In de eerste 70 meter onder maaiveld is sprake van een gestuwd complex (variabele bodemopbouw, niet horizontaal gelaagd) in relatie tot de bij Garderen gelegen stuwwallen. Uit de verrichte grondboringen blijkt dat er in de eerste 4 meter onder maaiveld geen sprake is van waterscheidende lagen. Uit de boorprofielen blijkt ook dat de bovenste laag tot ca. 0.5 meter onder maaiveld bestaat uit zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus en soms zwak grindhoudend. Daaronder bestaat de laag tot 4 meter onder maaiveld vooral uit zand, matig fijn en zwak siltig. De grondwaterstand ligt op ruim 20 meter onder maaiveld. Op één locatie in het plangebied zijn op verschillende dieptes tot 2 meter onder maaiveld waterdoorlatendheidsproeven gehouden. De waterdoorlatendheid is vastgesteld op minstens 10 meter/dag. Op dit moment wordt het hemelwater van het dak van het oude dorpshuis, samen met het afvalwater van het gebouw, afgevoerd naar het gemengd riool in de Putterweg. Dit geldt ook voor het water dat op het verharde terrein rondom het gebouw of op de parkeerplaatsen nabij de Putterweg valt. Het water van het parkeerterrein stroomt af naar een verlaging in de naastgelegen groenstrook. In de Putterweg liggen naast het gemengd riool nog twee hemelwaterinfiltratieriolen.

Een van deze hemelwaterinfiltratieriolen heeft een overloopmogelijkheid naar het gemengd riool stroomafwaarts in de Putterweg, het andere riool heeft een overloopmogelijkheid op maaiveldniveau in de Koudhoornseweg.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

37

Putterweg IV

In Garderen heeft het gemengd riool geen overstortmogelijkheden naar oppervlaktewater. In en rondom het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.

Hemelwater De planontwikkeling wordt beschouwd als een nieuwbouwlocaties. Alle gebouwen en verhardingen worden gesloopt of verwijderd. Het toekomstig verhard oppervlak bedraagt circa 4.000 m². Halfverharding wordt daar niet bijgerekend. Er wordt een bergingseis van 60 mm (statische en dynamische berging) over het verhard oppervlak gehanteerd. Dit komt overeen met de lozingsnorm die het Waterschap Vallei en Veluwe hanteert bij nieuwbouwplannen. Bij het ontwerp voor de waterhuishouding zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: "houd de druppel daar waar deze valt"; voorkomen wateroverlast in het plangebied; geen afwenteling van het water naar buiten het plangebied. Vanwege de uitstekende waterdoorlatendheid van de bodem en de positieve ervaringen met infiltratie in het plangebied wordt voor de waterhuishouding maximaal ingezet op infiltratie van hemelwater. Het hemelwater dat op de rijbanen valt, komt via waterpasserende verharding in het waterbergend pakket daaronder terecht. Vanuit dit pakket kan het water infiltreren in de bodem. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in een halfverharding waardoor het water direct kan infiltreren in de bodem. Bij zeer stevige buien kan het water over de rijbanen en parkeerplaatsen overlopen naar (beplante) wadi's, verlaagde bermen of via enkele kolken naar het hemelwaterinfiltratieriool in de Putterweg.

Er worden geen hemelwaterriolen aangelegd. Iedere woning heeft een waterberging op eigen terrein (infiltratiekratten, 1 m3) en een regenton van 250 liter. De regenton loopt over in het infiltratiekrat, de infiltratiekrat loopt over in de tuin. In de ruime tuin van het appartementengebouw wordt een wadi als waterberging (20 mm ten opzichte van verhard oppervlak eigen terrein) gerealiseerd. Deze heeft een overloopmogelijkheid naar de tuin. In de overeenkomst met de ontwikkelaar zijn de infiltratievoorzieningen vastgelegd. Daarin is tevens opgenomen dat maximaal 50% van de tuin van de grondgebonden woningen mag worden verhard. Voor het appartementengebouw geldt een maximum percentage van 10. Voor de bergingsberekening is uitgegaan van een verhard oppervlak van 4.000 m2. Er is een infiltrerend oppervlak aanwezig van 1.240 m2 bij de wadi's en een deel van de waterpasserende verharding. Hieruit volgt een bergingseis van 113 m3. Deze wordt ingevuld door de berging bij de grondgebonden woningen (6 m3), het appartementengebouw (31 m3), de wadi's in de openbare ruimte (48 m3) en het waterbergend pakket onder de waterpasserende verharding (126 m3). Voor het vloerpeil is het uitgangspunt dat deze 0,3 meter boven straatpeil komen te liggen. Daarbij moet echter ook rekening worden gehouden met de eisen uit het Handboek toegankelijkheid.

Huishoudelijk afvalwater Het vuilwater dat in het plangebied vrijkomt, wordt onder vrij verval ingezameld. Het stelsel heeft één aansluiting op het gemengd riool in de Putterweg.

Bouwmaterialen In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen.

Conclusie De planontwikkeling levert een goede bijdrage aan de doelen op het gebied van waterhuishouding en 38

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV klimaatadaptatie.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

39

Putterweg IV

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.

Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.1.1 6.1.1.1

Inleidende regels Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. Als bijvoorbeeld wordt aangegeven onder de bestemming "Wonen-1": 'de totale oppervlakte van buiten het bouwvlak gelegen bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20% van dat bouwperceel, met een maximum van 150 m2, [...].' wordt bedoeld dat de maximum oppervlakte die is aangegeven op de verbonden vlakken als één maximum voor beide vlakken geldt en niet voor beiden afzonderlijk.

40

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

6.1.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

6.1.2 6.1.2.1

Bestemmingsregels Bestemming 'Agrarisch met waarden'

Binnen deze bestemming is agrarisch gebruik toegestaan. Daarnaast is ook het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden van belang. Hier is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden aan gekoppeld.

6.1.2.2

Bestemming 'Groen'

Het structureel groen krijgt de bestemming 'Groen'. Onder structureel groen worden wijkparken, grotere groenelementen op buurt- of blokniveau, groen om wegen en waterlopen en wadi's verstaan. Binnen deze bestemming zijn ook speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en paden toegestaan. De bestemming 'Groen' wordt alleen toegepast op openbare gronden, niet op particuliere terreinen. In de omschrijving van de bestemming 'Groen' staat dat de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (et cetera) 'met daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen'. Het is de bedoeling van de raad dat een relatief klein gedeelte van de gronden kan worden gebruikt als parkeervoorziening: om en nabij 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak. De raad beschouwt de parkeervoorzieningen dan als ondergeschikt. Die 10% is geen harde norm. De regeling is bewust flexibel geformuleerd. Als de parkeervoorzieningen meer dan de helft van de oppervlakte van het bestemmingsvlak beslaan, dan is in elk geval geen sprake van ondergeschiktheid. Wanneer sprake is van landschappelijke waarden wordt aan de hand van de geldende bestemming en de eigendomssituatie bepaald welke bestemming wordt toegekend. Bij gemeentelijk eigendom kan het hierbij gaan om diverse bestemmingen, zoals 'Groen' en 'Verkeer' in combinatie met de dubbelbestemming 'Waarde-Landschap.

Bij particulier eigendom kan het gaan om de bestemming 'Tuin', met de aanduiding 'groen'. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor de aanleg van in- en uitritten. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Groen' in 'Tuin' te wijzigen. Deze wijzigingsbevoegdheid kan toegepast worden wanneer de gemeente grond verkoopt aan particulieren ter uitbreiding van tuinen.

6.1.2.3

Bestemming 'Tuin'

De bestemming 'Tuin' is gelegen bij andere bestemmingen zoals 'Wonen-1' en 'Bedrijf'. De bestemming wordt alleen toegepast op terreinen van particulier eigendom. Dit deel van het perceel mag beperkt bebouwd worden. De bedrijvenbestemming wordt toegepast bij bedrijven in een woonomgeving. Omdat de woonfunctie dominant is, dienen andere functies hierbij aan te sluiten. Bij bedrijven is, net als bij woningen, sprake van een tuinbestemming tussen het bedrijf en de weg. In een tuinbestemming mag verharding worden gerealiseerd. Het is ook mogelijk om binnen een tuinbestemming te parkeren. De grens tussen de bestemming 'Wonen-1' en de bestemming 'Tuin' verspringt. Buiten het bouwvlak is tot 1 meter achter de voorgevelrooilijn geen bebouwing toegestaan. Zo is gewaarborgd dat hoofdgebouwen hun prominente positie behouden. Dit is wenselijk vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Bebouwing buiten het bouwvlak is ondergeschikt.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

41

Putterweg IV

Wanneer de aanduiding 'groen' is aangegeven, is de grond alleen bestemd voor groen. Bouwwerken en verharding zijn niet toegestaan.

Situering van bijbehorende bouwwerken in de voortuin van woningen Het begrip 'bijbehorende bouwwerken' geeft het al aan, deze dienen ruimtelijk ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. De bouwmassa's op een perceel kennen een hiërarchie waarbij het woonhuis het hoofdgebouw is en het bijbehorende bouwwerk of eventueel de bijbehorende bouwwerken ondergeschikt aan zijn. Deze hiërarchie vertaalt zich ruimtelijk enerzijds in de massa van de gebouwen, het hoofdgebouw, het woonhuis is groter dan het bijbehorende bouwwerk. Anderzijds is dit terug te zien in de positionering van de massa's, de bijbehorende bouwwerken staan achter het hoofdgebouw. De regel is dat het bijbehorende bouwwerk minimaal 1 meter achter de voorgevel van het woonhuis staat. Indien dit niet wordt nageleefd is het bijgebouw te dominant aanwezig en verstoord het de hierboven omschreven hiërarchische opbouw van de bouwmassa's. Naast een heldere hiërarchische opbouw moet verrommeling van het straatbeeld zoveel mogelijk worden voorkomen. Als in het bestemmingsplan er bewust voor is gekozen om geen bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel toe te staan dan dient hieraan vastgehouden te worden. Latere toevoegingen van bijbehorende bouwwerken, die voor de voorgevel van het woonhuis staan, geven een rommelig beeld en leveren daarmee een negatieve uitstraling op het totale straatbeeld.

Voortuinen vormen een overgang van de bebouwde ruimte naar de verharde straten. Hiermee hebben ze een belangrijke functie en bepalen voor een groot deel de uitstraling en beleving van een straat. Door een bijbehorende bouwwerken in de voortuin te situeren wordt de (groene) openheid beperkt en wordt lucht en ruimte uit de straat ontnomen. Vanuit bovenstaande argumenten moet een bijbehorende bouwwerk minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw staan, waarbij carports ook onder de noemer bijbehorende bouwwerk vallen en erkers zijn uitgezonderd.

6.1.2.4

Bestemming 'Verkeer'

De bestemming 'Verkeer' wordt opgenomen voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden. Daarnaast zijn parkeer-, groen- en speelvoorzieningen mogelijk. Evenals waterhuishoudkundige doeleinden en bermen. Wanneer de aanduiding 'pad' is aangegeven, is de grond alleen voor pad bestemd. Hiermee wordt voorkomen dat auto's gebruik kunnen maken van het pad. Dit is van belang als het fiets- of voetpad twee wijken verbindt.

Gevelzitplaatsen We willen een beperkte overlap van horeca en detailhandel mogelijk maken. Dit kan een bijdrage zijn aan de aantrekkelijkheid van het winkelen in een dorpskern, dat in toenemende mate ook een recreatieve component kent. De overlap dient echter wel zodanig beperkt te zijn, dat er geen semi-horeca gebruik in de winkel gaat ontstaan, dan wel dat feitelijk sprake is van een zelfstandig horecagebruik, of anders gezegd: dat het doel om de winkel te bezoeken primair komt te liggen in het ter plekke nuttigen van een beperkt aantal soorten dranken en/of etenswaren. Gevelzitplaatsen zijn toegestaan binnen de bestemmingen 'Verkeer', 'Centrum', 'Detailhandel' en 'Dienstverlening' mits dit voldoet aan hetgeen is aangegeven in artikel V van de Nadere regels artikel 14 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg is in strijd met de functie van de weg. Indien dit beleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met die wijziging.

Terrassen en terrasoverkappingen

42

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV Terrassen ten behoeve van horecainrichtingen waarvoor een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Barneveld is verleend zijn binnen de bestemming 'Verkeer' toegestaan. Er zijn stedebouwkundige richtlijnen voor terrasoverkappingen en serres. Er bestaat een mogelijkheid dat horecainrichtingen een terras voorzien van een overkapping. Terrasoverkappingen kunnen een grote invloed hebben op de uitstraling en het gebruik van de openbare ruimte. Een terrasoverkapping mag geen negatief effect hebben op het straatbeeld en de ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte.

6.1.2.5

Bestemming 'Wonen-1'

De bestemming 'Wonen-1' wordt opgenomen voor het woonperceel (met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken). Het gedeelte van het perceel tussen de woning en de weg krijgt de bestemming 'Tuin'. Bij de bestemming 'Wonen-1' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is een regeling opgenomen waarbij de toegelaten oppervlakte is gekoppeld aan de omvang van het bouwperceel met een maximum van 150m2. In uitzonderingsgevallen is er een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding weergegeven. Omdat aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten zowel in de woning als in de aan- en uitbouwen onder voorwaarden zijn toegestaan, is gekozen voor een algemene gebruiksbepaling in een apart artikel. Kleinschalige bedrijven, zoals schilders, stukadoors en elektriciens vallen onder de noemer 'hiermee gelijk te stellen gebied'. Dit zijn bedrijfjes waarbij aan huis hoofdzakelijk administratie-/kantoorwerkzaamheden plaats vinden, er beperkte opslag plaatsvindt en de hoofdwerkzaamheden elders (op locatie) plaats vinden. In de specifieke gebruiksregels staat dat er geen detailhandel mag plaatsvinden.

Internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheid beschouwt de raad niet als detailhandel. Dergelijke internetwinkels zijn wel toelaatbaar onder de daar genoemde voorwaarden. Het gaat om internetwinkels waarbij de klant op geen enkele manier fysiek in contact staat met de internetwinkel. Alle klantcontacten en verzending van goederen gebeurt uitsluitend digitaal of per post. Van enige consument aantrekkende werking is geen sprake. Deze internetwinkels passen als ondergeschikte functie in de woonbestemming. Als de opslag, logistiek en/of administratie de hoofdfunctie is, is een bestemming als bedrijf of kantoor van toepassing. In artikel 3.1, eerste lid van de Wro is vastgelegd dat de gemeenteraad de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen grond aanwijst en met het oog op de bestemming regels geeft. De regels kunnen strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied. Op basis van de genoemde bepaling is in de regels opgenomen welk aandeel van het totale aantal woningen in het plangebied sociale huurwoningen, sociale koopwoningen dan wel door particulier opdrachtgeverschap te verwezenlijken woningen dient te zijn.

Binnen woningen is het mogelijk af te wijken van de gebruiksregels voor een bed & breakfast. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Tevens wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.

6.1.2.6

Bestemming 'Wonen-2'

De bestemming 'Wonen-2' wordt opgenomen wanneer sprake is van gestapelde woningen. Bij de bestemming 'Wonen-2' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder "Putterweg IV" (vastgesteld)

43

Putterweg IV meer is toegestaan. Omdat aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten zowel in de woning als in de aan- en uitbouwen onder voorwaarden zijn toegestaan, is gekozen voor een algemene gebruiksbepaling in een apart artikel. In artikel 3.1, eerste lid van de Wro is vastgelegd dat de gemeenteraad de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen grond aanwijst en met het oog op de bestemming regels geeft. De regels kunnen strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied. Op basis van de genoemde bepaling is in de regels opgenomen welk aandeel van het totale aantal woningen in het plangebied sociale huurwoningen, sociale koopwoningen dan wel door particulier opdrachtgeverschap te verwezenlijken woningen dient te zijn.

6.1.3 6.1.3.1

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

6.1.3.2

Algemene bouwregels

In artikel 10.1 Ondergronds bouwwerk is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. De regeling houdt in dat ondergronds bouwen is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan, tenzij anders is aangegeven.

6.1.3.3

Algemene gebruiksregels

Ter verduidelijking van het plan wordt aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming. Ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen wordt in deze regels aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn conform de nota parkeernormen. Hierbij wordt het vergroten van een woning uitgesloten.

6.1.3.4

Algemene aanduidingsregels

De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soort gebiedsaanduiding is toegepast: voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichtingis opgenomen om afspraken vast te leggen met betrekking tot de aanplant en instandhouding van landschappelijke inpassing. In de gemeente Barneveld zijn op diverse locaties in de openbare ruimte standplaatsen voor ambulante handel aanwezig. Deze standplaatsen worden gedurende één of meer dagdelen per week ingenomen door kramen of wagens van waaruit producten (zoals vis, snacks, bloemen en groente en fruit) worden verkocht. Een standplaats is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel standplaats'.

44

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

6.1.3.5

Algemene afwijkingsregels

Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Het is niet de bedoeling dat deze algemene bevoegdheid wordt toegepast in combinatie met het afwijken zoals dat bij een specifieke bestemming is genoemd. Met andere woorden: cumulatie van deze bevoegdheden is uitgesloten. Een voorbeeld: de maximale goothoogte voor een woning is 6 meter. Bij de bestemming 'Wonen-1' is de bevoegdheid opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels en die goothoogte te vergroten met maximaal 3 meter. Het is niet de bedoeling dat dan nog eens toepassing wordt gegeven aan de algemene afwijkingsbevoegdheid met een vergroting van nog eens 10% tot gevolg. Het is toegestaan om af te wijken van de goot- en bouwhoogte en inhoud en buiten het bouwvlak te bouwen wanneer de bestaande en eventueel bij te bouwen nieuwe bebouwing op het bouwperceel wordt geïsoleerd.

De uitbreiding is uitsluitend bedoeld wanneer de isolatiemaatregelen een grotere omvang van de bebouwing vragen om eenzelfde oppervlakte te krijgen als wanneer er geen of een beperkter isolatiepakket zou worden gehanteerd dat alleen aan de eisen uit het Bouwbesluit voldoet. Het gaat hier dus bijvoorbeeld om dikkere muren en/of een hoger dak.

6.1.3.6

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein. Ook wordt hier aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om, onder voorwaarden het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - Standplaats' wordt toegevoegd aan de gronden.

6.1.3.7

Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging. Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.

6.1.4 6.1.4.1

Overgangs- en slotregels Overgangsregels

Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.1.4.2

Slotregel

Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

45

Putterweg IV

6.2

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5a610733-6772-4fe2-b813-4c6f8e9275d4