CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Putterweg IV_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Putterweg IV, Garderen.18.507 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Putterweg IV

maart 2021 bestemmingsplan Plannr. 1526

Putterweg IV

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

5 INLEIDING

5

Hoofdstuk 2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Begrenzing plangebied 2.2 Geldende bestemmingen 2.3 Ruimtelijke structuur

6 6 6 7

Hoofdstuk 3

9

PLANBESCHRIJVING

Hoofdstuk 4 BELEIDSKADER 4.1 Rijk 4.2 Provincie 4.3 Waterschap 4.4 Gemeente

12 12 14 17 17

Hoofdstuk 5 RANDVOORWAARDEN 5.1 Bodem 5.2 Cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.8 Leidingen 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Milieueffectrapportage 5.11 Milieuzonering 5.12 Natuur en landschap 5.13 Veiligheid 5.14 Verkeer 5.15 Water

22 22 22 25 28 29 30 30 31 31 31 33 34 35 37 37

Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Juridische aspecten 6.2 Handhaving

40 40 46

Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Grondexploitatie

47 47

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen

48 48 48 49

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Bodemonderzoek, Verhoeven, 28 juni 2019

Bijlage 2

Archeologisch inventariserend onderzoek, Laagland Archeologie, juli 2019

Bijlage 3

Archeologisch veldonderzoek, Laagland Archeologie, maart 2020

Bijlage 4

Onderzoek stikstof, Craeft, 24 oktober 2020

Bijlage 5

AERIUS berekening sloopfase

2

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

Bijlage 6

Quickscan ecologie, Arcadis, 25 april 2018

Bijlage 7

Soortgericht onderzoek, Arcadis, 28 november 2018

Bijlage 8

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, SPA WNP ingenieurs, 21 oktober 2020

Bijlage 9

Akoestisch onderzoek milieuzonering, SPA WNP ingenieurs, 3 november 2020

"Putterweg IV" (vastgesteld)

3

Putterweg IV

4

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

Toelichting Hoofdstuk 1

INLEIDING

In Garderen is een nieuw dorpshuis aan de Koningsweg gebouwd. De bedoeling is om op de oude locatie van het dorpshuis, op het perceel Putterweg 1 in Garderen, woningbouw te ontwikkelen én openbare parkeerruimte ten behoeve van bezoekers van het centrum. Aan de westzijde van het perceel Putterweg 1 bevindt zich een agrarisch bouwvlak met daarbinnen enkele stallen. Het is wenselijk dat dit agrarisch bouwvlak wordt wegbestemd en de stallen worden gesloopt. In samenwerking met Van de Kolk Ontwikkeling B.V. is een totaalplan opgesteld. De benodigde ruimte voor openbare parkeerplaatsen is gesitueerd aan de zuidoostkant van het plangebied. Aan de westkant daarvan zijn zes patiowoningen en een appartementengebouw met acht appartementen beoogd, en langs de Koudhoornseweg één vrijstaande woning. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Daarom is de voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

afbeelding 1: ligging planlocatie in Garderen

Voorliggend plan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit acht hoofdstukken. Na dit hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de bestaande situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op het beleidskader. Het vijfde hoofdstuk gaat in op de randvoorwaarden, waarna in het zesde hoofdstuk de juridische aspecten worden besproken. In hoofdstuk 7 is aandacht voor de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op de resultaten van de procedure ten behoeve van dit bestemmingsplan.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

5

Putterweg IV

Hoofdstuk 2 2.1

BESTAANDE SITUATIE

Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de Putterweg en de Koudhoornseweg in de kern Garderen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Koudhoornseweg en enkele woonpercelen aan deze weg. Aan de oostzijde vormt de Putterweg en een brink de grens van het plangebied. De grens aan de zuid- en westzijde wordt gevormd door agrarisch gebied. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.

afbeelding 2: begrenzing plangebied

2.2

Geldende bestemmingen

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Garderen" en heeft de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Agrarisch met waarden" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" met de aanduiding voor hoge verwachtingswaarde, zie afbeelding 3. Realisatie van de voorliggende ontwikkeling is binnen deze bestemmingen niet toegestaan.

6

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

afbeelding 3: uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Garderen"

In het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken, bijvoorbeeld door wijziging of afwijken met een omgevingsvergunning. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

2.3

Ruimtelijke structuur

Garderen ligt op de flank van de stuwwal. Hier ontwikkelde zich een esdorp. De eerste bebouwing concentreerde zich op de brink, waar 's avonds schapen werden verzameld. Vanaf de centrale brink waaierden de wegen in de zogenaamde spinnenwebstructuur uit in het buitengebied, de Putterweg is één van deze wegen. Het onderhavige plangebied grenst aan deze weg. De Putterweg ontsluit de kern in westelijke richting. Het buitengebied kenmerkt zich als een relatief open gebied omgeven door de bossen op de stuwwal. De openheid rondom het dorp met zicht op de bosgebieden van de Veluwe is beschermd. Het onderhavige plangebied ligt in de dorpskern, op de grens tussen het bebouwd gebied en het buitengebied. Binnen de kern zijn diverse groene plekken aanwezig. Karakteristiek groenelement is onder meer de Brink aan de Dorpsstraat. Aan deze brink grenst het plangebied. Op de onderstaande luchtfoto is de huidige situatie te zien binnen het plangebied alsmede de aanwezige bebouwing.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

7

Putterweg IV

afbeelding 4: luchtfoto 2019

8

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

Hoofdstuk 3

PLANBESCHRIJVING

Voorliggend bestemmingsplan beoogt om op de oude locatie van het dorpshuis in Garderen, op het perceel Putterweg 1, een openbaar parkeerterrein en acht gestapelde woningen, zes patiowoningen en één vrijstaande woning planologisch mogelijk te maken.

Stedenbouwkundige opzet Het dorpshuis van Garderen is recent verplaatst. Naast het oude dorpshuis is er in de huidige situatie op deze locatie een parkeervoorziening aanwezig ten behoeve van meerdere voorzieningen in de dorpskern. De verplaatsing van het dorpshuis biedt ruimte voor woningbouw, waar veel behoefte aan is in Garderen. Daarnaast kan het parkeren beter worden ingepast zodat beide functies elkaar niet frustreren. Het parkeren komt aan de rand van het plangebied zodat hier een onbebouwde ruimte met verzichten over het landschap ontstaat. Om de verharding zoveel mogelijk te beperken en een zachte overgang met het landschap te maken wordt het parkeerterrein met halfverharding en hagen ingericht. Het verplaatsen van het dorpshuis is tevens de aanleiding om het aangrenzende perceel meer ruimtelijke kwaliteit te geven door het slopen van de voormalige agrarische opstallen die niet meer in gebruik zijn. Ook hier komt woningbouw voor terug, in gestapelde vorm. Er is bewust voor gekozen om alleen op de locatie van de opstallen een bouwwerk te situeren die in het landschap wordt gesneden. De ruimte daaromheen blijft een open ruimte die niet verder wordt ingedeeld in afzonderlijke tuinen. De open weide sluit aan bij het ruimtegebruik en de inrichting in de omgeving.

afbeelding 5: situatieschets

"Putterweg IV" (vastgesteld)

9

Putterweg IV

De erfgrenzen worden met groen vormgegeven, de bomen bij de entree worden gehandhaafd net als de beeldbepalende boom tussen het appartementengebouw en het parkeerterrein in. Deze elementen zorgen voor groene uitstraling van het totaal, wat past bij het dorpse karakter van Garderen. De parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen worden ruimtelijk duidelijk gescheiden van het grotere openbare parkeerterrein, zodat het voor bezoekers duidelijk is van welke parkeerplaatsen ze gebruik mogen maken.

Openbaar parkeerterrein Doordat er in Garderen een tekort aan parkeerplaatsen is bij voorzieningen in het centrum, worden de parkeerplaatsen bij het oude dorpshuis in de huidige situatie gebruikt door bezoekers van het centrum. In het opgestelde plan is rekening gehouden met het terugbrengen van de bestaande 40 parkeerplaatsen op deze locatie, ondanks dat het dorpshuis is verplaatst. Er komen in totaal 40 openbare parkeerplaatsen. Ook wordt er ter hoogte van de Putterweg rekening gehouden met het realiseren van een openbare fietsparkeerplaats ten behoeve van centrumbezoekers.

Woningbouwplan De beoogde zes patiowoningen op de plek waar het oude dorpshuis staat, zijn beperkt in hoogte en massa en sluiten daarmee aan op de kleinschalige omgeving. De patiowoningen bestaan elk gedeeltelijk uit twee bouwlagen en gedeeltelijk uit één bouwlaag, en hebben een plat dak. Aan de zuidwestzijde van de patiowoningen zijn acht gestapelde woningen bedacht. Het appartementengebouw bestaat uit twee bouwlagen met daaronder een parkeerkelder. De bouwmassa heeft tevens een plat dak. Door het toepassen van veel glas zal het erg transparant ogen en zal daardoor goed worden opgenomen in het landschap. Een impressie van de bebouwing is te zien in afbeelding 6. De beoogde vrijstaande woning langs de Koudhoornseweg betreft een verplaatsing van het huidige recht om binnen het agrarisch bouwvlak één (bedrijfs)woning te realiseren. Deze woning wordt slechts één laag met kap en voegt zich daarmee goed in zijn omgeving. De bestaande structuur met een hoger gelegen houtwal bepaald de kavelgrenzen van dit perceel. Deze vrijstaande woning maakt onderdeel uit van hetzelfde plangebied maar heeft een hele andere oriëntatie dan de patiowoningen. Naast een lager maaiveldniveau is het georiënteerd op en maakt het onderdeel uit van het straatbeeld de Koudhoornseweg. Om deze reden krijgt deze woning een hele andere architectonische uitstraling dan de patiowoningen.

De vrijstaande woning krijgt een eigen architectuur die zich goed voegt in de Koudhoornseweg. Het woningbouwplan betreft een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van Garderen. Alle woningen zullen in de duurdere sector worden gerealiseerd.

10

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

afbeelding 6: impressies woningbouwplan

"Putterweg IV" (vastgesteld)

11

Putterweg IV

Hoofdstuk 4

BELEIDSKADER

4.1

Rijk

4.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Ruimte. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden. De SVIR vervangt verschillende nota's, waaronder ook de Nota Ruimte en geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Met de SVIR zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. De SVIR geeft invulling aan het streven van het kabinet naar deregulering en decentralisatie van de ruimtelijke ordening. Het Rijk heeft gekozen voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan de andere overheden goed door hen worden behartigd.

Het Rijk heeft drie doelen gekozen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De 13 nationale belangen zijn: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang3) Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6) Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te

waarborgen (nationaal belang 7) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13) Doorwerking in plangebied In dit geval is er geen sprake van één van deze 13 nationale belangen. De SVIR vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 12

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

4.1.2

Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de aspecten van het ruimtelijk beleid die daartoe behoren. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Daarnaast wordt ingezet op een verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder beschrijft het Nationaal Waterplan dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht en dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. De vijfde ambitie bestaat er uit dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen.

Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.1.3

Crisis- en herstelwet

Op 1 januari 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet geeft regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. Op 25 april 2013 is de Crisis- en herstelwet via een wijzigingswet permanent gemaakt en zijn verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht doorgevoerd (zie kamerstukken 33.135). De Chw omvat twee categorieën maatregelen: tijdelijke maatregelen voor afgebakende lijsten met projecten en bevoegdheden; wijzigingen van bijzondere wetten. In Bijlage I van de Chw worden onder meer de volgende ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waarop de wet van toepassing is: zeer diverse projecten op het gebied van duurzame energie; gebiedsontwikkeling en werken van lokaal of regionaal belang, onderverdeeld in: 1. een bestemmingsplan voor de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied, of de herstructurering van woon- en werkgebieden; 2. een bestemmingsplan voor de aanleg of wijziging van wegen; 3. projecten ten behoeve van de inpassing in het landschap, natuurontwikkeling of recreatiedoeleinden, waar deze samenhangen met projecten ten aanzien van de in bijlage I bedoelde projecten ten aanzien van wegen. Doorwerking in plangebied In dit geval is de Crisis- en herstelwet van toepassing, want het plan voorziet in het mogelijk maken van meer dan 11 woningen.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

13

Putterweg IV

4.2

Provincie

4.2.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de aankomende Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Vanaf 2019 actualiseert de provincie de Omgevingsverordening opnieuw, zodat deze verder in lijn wordt gebracht met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en anticipeert op de eisen van de Omgevingswet.

4.2.1.1

Omgevingsvisie

De provincie streeft naar een hoge kwaliteit van de gelderse leefomgeving. Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving, te weten: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van hun taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Woon- en leefklimaat Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen.

In de groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. En de provincie gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan aan de randen van steden of dorpen worden uitgebreid. Woonwensen veranderen door de tijd en met de leeftijd. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. De dynamiek op de woningmarkt is groot, ook als gevolg van ontwikkelingen in de Randstad. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Soms zijn zelfs tijdelijke woonvormen nodig willen we snel in kunnen spelen op de vraag. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen.

De provincie heeft zorg en aandacht voor de woonbehoeften van alle Gelderlanders en maakt hier met haar partners afspraken over. 14

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is van belang, zeker met het oog op de gezondheid van inwoners.

Doorwerking in plangebied Voorliggend plan past binnen de ambitie van de provincie om een duurzaam en divers woon- en leefklimaat te realiseren, met een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag. Het woningbouwplan betreft een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van Garderen en voorziet zowel in grondgebonden als gestapelde woningen. De woningen zijn gesitueerd ter plaatse van bestaand bebouwd gebied, in de kernrandzone. In het plan is rekening gehouden met het behoud van bestaand groen en het behoud van open groene ruimte. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan niet in strijd is met de omgevingsvisie.

4.2.1.2

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is het voorliggende plangebied opgenomen op de kaarten: Kaart 2: Regels Landbouw; plussenbeleid Kaart 3: Regels Glastuinbouw; tijdelijk verbod voor uitbreiding, hervestiging en nieuwvestiging van glastuinbouw Kaart 5: Regels Landschap; Nationaal landschap buiten GNN, GO en NHW Kaart 6: Regels Water en Milieu; intrekgebied

afbeelding 7: uitsnede Kaart 5 Regels Landschap

"Putterweg IV" (vastgesteld)

15

Putterweg IV

Doorwerking in plangebied Een deel van het plangebied (zie afbeelding 6) ligt op grond van kaart 5 van de Omgevingsverordening binnen een beschermd landschap. Het bepaalde in artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap) is hierop van toepassing. In dit artikel is bepaald dat ter plaatse alleen bestemmingen mogelijk zijn die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, zoals bedoeld in bijlage 6 van de verordening, niet aantasten. Het betreffende landschap betreft in dit geval het 'Veluwemassief'. In december 2017 en in maart 2018 is het voorliggende plan in een vroeg stadium voorbesproken met de provincie. De provincie kan instemmen met het plan, doordat sprake is van een grote landschappelijke verbetering. In het voorliggende plan is zorgvuldig omgegaan met de landschappelijke kernkwaliteiten. Ook is sprake van een 'erfbeleving'. De transparantie in het plan is duidelijk. Naar aanleiding van opmerkingen van de provincie is de bouwmassa van het appartementengebouw verlaagd van drie naar twee bouwlagen, zie de onderstaande afbeelding. De bouwmassa heeft een plat dak, maar zal door de natuurlijke materialen en het toepassen van veel glas erg transparant ogen en zal daardoor goed worden opgenomen in het landschap.

afbeelding 8: verlaging bouwmassa conform advies provincie

Het plan is in overeenstemming met de verordening.

16

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

4.3

Waterschap

Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2016 is het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Partnerschap als watermerk' van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt in het waterbeheerprogramma dat de huidige wateropgaven zo complex zijn, dat alleen een aanpak samen met partnerorganisaties en inwoners zorgt voor de gewenste resultaten en de beste oplossingen. Daarom kan en wil het waterschap niet alleen opereren in het behalen van zijn doelen en hecht daarom groot belang aan de samenwerking met zijn partners in de regio. Samen met inwoners, ondernemers en andere organisaties wil het waterschap werken aan een duurzame waterzuivering van afvalwater en toekomstgericht beheer van onze dijken en waterwegen zodat iedereen tegen aanvaardbare kosten veilig kan wonen, werken en recreëren. Daarbij wil Waterschap Vallei en Veluwe de goede waterhuishoudkundige voorwaarden scheppen voor zowel inwoners, bedrijven, natuur en landbouw. Een belangrijke ontwikkeling waar het waterschap op anticipeert, is het veranderende klimaat. Deze verandering zal leiden tot meer extreme weersituaties: perioden van veel neerslag met kans op wateroverlast en perioden van droogte met kans op watertekorten.

Om goed voorbereid te zijn, wil het waterschap het watersysteem robuuster maken door meer ruimte voor wateren te reserveren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. Het waterschap wil de effecten van klimaatverandering beperken door het vasthouden van water, het inrichten en beheren van robuuste watersystemen en het inrichten van een beperkt aantal waterbergingsgebieden. Afkoppelen van relatief schoon hemelwater van het riool is een belangrijke maatregel om overbelasting van het riool en een te snelle afvoer te voorkomen. Daarnaast wil het waterschap negatieve effecten op de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en bodem voorkomen, evenals negatieve effecten op beschermde flora en fauna.

Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.4

Gemeente

4.4.1

Structuurvisie Kernen Barneveld 2022

De gemeenteraad heeft op 22 november 2011 de "Structuurvisie Kernen Barneveld 2022" vastgesteld. De structuurvisie legt de gemeentelijke visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het eigen grondgebied vast. Het bestemmingsplan zal hier binnen moeten passen. De structuurvisie bevat een uitvoeringsprogramma. Hierin laat de gemeente zien hoe het voorgenomen beleid gerealiseerd zal worden. In de structuurvisie is een groot aantal ruimtelijke projecten opgenomen, waarvoor investeringen in de openbare ruimte noodzakelijk zijn. Ook is er een groot aantal lopende en potentiële bouwmogelijkheden.

Doorwerking in plangebied De onderhavige planlocatie ligt aan de rand van het bestaand bebouwd gebied van Garderen. De kern Garderen ligt binnen het Centraal Veluws Natuurgebied en wordt omgeven door gebieden die door de provincie zijn gekwalificeerd als 'Nationaal landschap'. De belangrijkste opgaven voor Garderen zijn: Het behoud van een herkenbare historische structuur en zichtlijnen. Het versterken van het dorpshart. De directe omgeving bestaat uit kleinschalige coulissen afgewisseld met oude akkers, die juist een open karakter hebben. Deze afwisseling is kenmerkend en waardevol. Aandachtspunt is dat door inbreidingen het losse karakter van de lintbebouwing niet verloren mag gaan. Onder inbreiding wordt verstaan: intensiveren: de ruimte wordt intensiever benut; combineren: de ruimte wordt voor verschillende functies ingericht en gebruikt; revitaliseren: het opknappen en/of opnieuw inrichten van verouderde woongebieden of bedrijventerreinen. "Putterweg IV" (vastgesteld)

17

Putterweg IV

De gemeente zal de komende jaren blijven werken aan inbreidingslocaties. Dit is een voortzetting van het huidige beleid. Bij inbreiding gaat aandacht uit naar het realiseren van woningen voor ouderen. Het bouwen op inbreidingslocaties is van belang voor een kwalitatieve ontwikkeling van de kernen. Door de groeiende bevolking kan woningbouw een motor zijn achter lastige herstructureringen. In de tweede plaats liggen meerdere inbreidingslocaties gunstig ten opzichte van voorzieningen, waarmee door woningbouw een belangrijke doelgroep kan worden bediend. Tenslotte kan de herinvulling van inbreidingslocaties bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van de dorpse structuur. Het voorliggende plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de structuurvisie. De nieuwbouw is zorgvuldig gepositioneerd, zodat waardevolle zichtlijnen in het gebied behouden blijven en het losse karakter van de lintbebouwing niet wordt aangetast. Daarnaast wordt het dorpshart versterkt met het openbaar parkeerterrein voor auto's en fietsers (centrumbezoekers).

4.4.2 Woonvisie Barneveld 2017-2021en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld In december 2016 heeft de raad de Woonvisie 2017-2021 'Samen werken aan Wonen' met doorkijk tot 2025 en verder, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 400 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen (met een bandbreedte van 360 tot 440 woningen), waarvan gemiddeld 30% ten behoeve van goedkope woningen (sociale huur en goedkope koop tot € 200.000), 32,5% middendure woningen (midden dure huur tot € 950 en koop tot € 300.000) en 37,5 % duurdere woningen vanaf € 300.000. In regio FoodValley zijn in 2017 onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2017-2027 maximaal zo'n 3.500 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. In Barneveld is vooral in het eerste tijdvak (2017 t/m 2021) sprake van een grotere woningbehoefte dan in de tweede 5-jaarsperiode, als gevolg van natuurlijke groei en migratie.

Door middel van het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2017 t/m 2020 is een programma van ruim 2.300 woningen voorzien. De ervaring leert dat hiervan circa 75% daadwerkelijk in de genoemde periode wordt gerealiseerd, gemiddeld betekent dit zo'n 435 woningen per jaar. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, goedkope koopwoningen (prijsgrens € 200.000 in 2019) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 950,- in 2018).

In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (10 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (10 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en goedkope koopwoningen ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 50.000, voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang (in 2018 is dit € 41.056). Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening.

18

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

Doorwerking in plangebied Voorliggend plan ziet op het mogelijk maken van zes geschakelde woningen, een vrijstaande woning en een appartementengebouw bestaande uit acht appartementen, alle in de duurdere sector (> €300.000,-). Op verschillende locaties binnen de gemeente worden de komende jaren woningbouwontwikkelingen gerealiseerd, maar het nieuwbouwaanbod in Garderen is sinds enige tijd beperkt, ook in relatie tot de vraag. In de kern Garderen wonen relatief veel ouderen, vaak in grote (vrijstaande) koopwoningen. De toevoeging van zes patiowoningen voor senioren en acht gelijkvloerse appartementen zal gezien de bevolkingssamenstelling van Garderen op voldoende potentiële vraag mogen rekenen en zal voor doorstroming binnen deze gemeenschap zorgen. De vrijstaande woning zal voor huishoudens die naar een comfortabele, energiezuinige woning willen verhuizen, een interessant aanbod vormen. De planlocatie leent zich bij uitstek voor deze wat meer extensieve ontwikkeling. Dit impliceert ook een wat duurder woningaanbod. Het betekent een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van Garderen. Voor starters en middenleeftijdsgroepen zullen er op andere locaties in de kern Garderen de komende jaren nog mogelijkheden komen om naar een passende woning te verhuizen. Verder zal de doorstroming van onder andere ouderen naar deze locatie ook een aantal bestaande woningen vrijmaken.

De ontwikkeling is in het meerjarenperspectief woningbouw voor Barneveld voorzien en is als zodanig ook in het project 'Faseren en doseren woningmarkt Barneveld' opgenomen. Gezien de typologie en prijsklassen van de 15 woningen, is de doelgroepenverordening niet van toepassing. Realisatie van dit duurdere programma past binnen de totale woningbouwprogrammering van gemeente Barneveld en de afspraken daaromtrent in regio FoodValley.

4.4.3

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Ook moet de gemeentelijke overheid in opdracht van de rijksoverheid uiterlijk in 2021 een warmteplan opstellen, dat de basis gaat vormen voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving in 2020 en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. De gemeente is medio 2018 een verkenning gestart naar hoe een aardgasvrije gemeente vorm zou kunnen krijgen. Naar aanleiding van de uitkomsten hiervan kunnen keuzes voor de energievoorziening voor nieuw te bouwen woningen en/of bedrijven in de toekomst beïnvloed worden.

Bijvoorbeeld waar het gaat om mogelijkheden om aan te sluiten bij een collectieve warmtevoorziening of een wijkgerichte aanpak voor het verduurzamen van woningen (Wijk van de Toekomst). Wet Voortgang EnergieTransitie (VET) voor aardgasvrij bouwen Per 1 juli 2018 krijgen nieuwbouwwoningen en andere gebouwen met een kleinverbruikaansluiting geen aardgasaansluiting meer. Dit staat in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). De Wet VET is een stap in de overgang van fossiele naar duurzame energie. Het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving wordt uitgefaseerd. In dit plan wordt rekening gehouden met aardgasvrij bouwen. Er zal bodemwarmte worden toegepast als alternatief. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) "Putterweg IV" (vastgesteld)

19

Putterweg IV Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. Zonnepanelen Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van de bebouwing. Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen – gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Laadpalen Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen. Optioneel zullen laadpalen bij de nieuw te bouwen woningen/appartementen worden aangeboden. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting.

Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. In het voorliggende plan is de oppervlakte aan verharding voor het openbaar parkeerterrein zo laag mogelijk gehouden. De materialisering van de openbare parkeerplaatsen is gericht op infiltratie en zal bestaan uit waterpasserende verharding. Bij hevige hoosbuien kan het hemelwater afstromen naar wadi's. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020.

Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. In het voorliggende plan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met klimaatadapatie. De oppervlakte aan verharding is laag gehouden, bestaand opgaand groen blijft behouden, er wordt gebruikt gemaakt van waterdoorlatende verharding en er worden wadi's gerealiseerd. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15).

20

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

4.4.4

Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.

Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering.

Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.15).

4.4.5

Bestemmingsplannen globaal en flexibel

Op 6 mei 2014 heeft de raad de kaderstellende notitie 'Bestemmingsplannen globaal en flexibel' vastgesteld. Met deze notitie geeft de raad voor met name grote(re) uitleggebieden kaders aan om bestemmingsplannen globaal en flexibel te maken, om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke en marktontwikkelingen. Daarmee ontstaat enige ruimte om een plan te kunnen wijzigen, maar zonder significant verlies van kwaliteit in de openbare ruimte, beeldkwaliteit en rechtszekerheid. Globaal en flexibel zijn twee naast elkaar staande begrippen. Een globaal bestemmingsplan is een bestemmingsplan waarbij de belangrijkste uitgangspunten voor een gebied zijn vastgelegd. In een globaal bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden niet vastgelegd of gebonden aan een concreet perceel. Het tegenovergestelde van globaal bestemmen is gedetailleerd bestemmen, want een gedetailleerd bestemmingsplan legt juist wel een eindbeeld vast. Naast het begrip globaal, kennen we ook nog de begrippen star en flexibel. We spreken van een star bestemmingsplan als het niet of nauwelijks mogelijk is om van een bestemmingsplan af te wijken. Flexibel bestemmen is het tegenovergestelde. Flexibel bestemmen laat meer ruimte om in te spelen op initiatieven die niet direct zijn geregeld.

Flexibiliteit is in het bestemmingsplan in te bouwen door te werken met afwijkingsregels, wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten. De notitie richt zich op toekomstige ontwikkelingen in de kernen, waarbij met name is gekeken naar de bestemmingen voor wonen en bedrijven.

Doorwerking in plangebied In voorliggend bestemmingsplan zijn de gebruikelijke binnenplanse afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Voor het overige is geen toepassing gegeven aan de kaders uit de notitie, omdat het bestemmingsplan een postzegelplan betreft.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

21

Putterweg IV

Hoofdstuk 5

RANDVOORWAARDEN

5.1

Bodem

5.1.1

Bodemkwaliteit

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygienische bodemkwaliteit vindt plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (BKK) en het bodembeheerplan (BBP). Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Het plangebied van dit bestemmingsplan is een verdachte locatie. De oude opstallen zullen gesloopt worden, waarvoor eerst een asbestinventarisatie zal worden uitgevoerd. In het kader van de nieuwe ontwikkelingen is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (kenmerk B19.7431B d.d. 28 juni 2019) is bijgevoegd als bijlage 1. Uit dit onderzoek volgt dat er een nader asbestonderzoek moet worden uitgevoerd nadat de bestaande bebouwing gesloopt is, zodat er gelijk een beeld ontstaat van de definitieve bodemkwaliteit voorafgaande aan de herontwikkeling van het terrein. Afhankelijk van de bevindingen na de sloopwerkzaamheden is mogelijk aanvullend onderzoek onder de gesloopte bebouwing nodig.

Dit staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologie hoge verwachting

Er moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor het maken van een weloverwogen belangenafweging is minimaal een archeologisch bureauonderzoek nodig. Voor de gehele gemeente is een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, welke gezien kan worden als een beknopt bureauonderzoek. Uit de 'archeologische waarden- en verwachtingskaart' van de gemeente, zie afbeelding 9, blijkt dat voor het onderhavige plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. Dit komt vanwege de ligging op een dekzandrug en stuwwalvlakte.

22

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

afbeelding 9: uitsnede archeologische beleidskaart (blauwe contour is plangebied)

afbeelding 10: plangebied (blauwe contour) op de geomorfologische kaart

"Putterweg IV" (vastgesteld)

23

Putterweg IV

Op de bovenstaande geomorfologische kaart is te zien dat het plangebied op een landduin (geel) ligt. De Beumelerberg, waar een vroegmiddeleeuws grafveld ligt, is op dezelfde eenheid gelegen. Het grafveld is op de kaart herkenbaar als groene cirkel. Om de landduin heen liggen stuwwallen (rood) en droogdalen (groen). Het plangebied zal deels verstoord zijn door de huidige bebouwing. Daarbuiten kunnen nog archeologische resten aanwezig zijn. Daarom is een archeologisch onderzoek nodig. In 2019 is voor het gehele plangebied een bureau- en booronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Tijdens het veldonderzoek is een deels intact bodemprofiel aangetroffen in een groot deel van het plangebied. Geadviseerd werd voor dat deel karterende boringen uit te voeren, de rest behoefde geen onderzoek meer en werd vrijgegeven. De contour van het plangebied werd gewijzigd, waarna in februari 2020 een karterend booronderzoek in het centrale deel van het plangebied werd uitgevoerd. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen, waardoor dit deel ook kon worden vrijgegeven. Het onderzoeksrapport d.d. maart 2020 is bijgevoegd onder bijlage 3. Aan de westzijde van het plangebied is het gebied binnen de groene contour - zie onderstaande afbeelding - niet onderzocht en heeft dit nog steeds een hoge verwachting.

Dit gebied met groene contour valt echter buiten de plangrens voor voorliggend bestemmingsplan.

afbeelding 11: resultaten onderzoek ten behoeve van ontwikkeling

Conclusie Het plangebied is voldoende onderzocht, er is geen archeologisch vervolgonderzoek nodig. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.

24

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV

5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde.

5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als een droge kampontginning met een middelhoge waardering. Een gedeelte langs de Putterweg, sterk veranderd bebouwd gebied, heeft een lage waardering. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied aan de Putterweg 1 ligt niet in een Natura 2000-gebied, zie afbeelding 12. De afstand van het plangebied tot aan het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied 'Veluwe' bedraagt zo'n 600 meter. Er is een onderzoek uitgevoerd ter beoordeling van de stikstofdepositie op onder meer het Natura 2000-gebied Veluwe, zie bijlage 4. Het onderzoek staat stil bij de uitgangspunten voor de Aerius-berekeningen, van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Uit de bijgevoegde Aerius-berekeningen blijkt dat er geen depositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt.

Aanvullend is ook een Aerius-berekening uitgevoerd voor de sloopfase (zie bijlage 5). Uit deze berekening blijkt dat het sloopproject geen depositie boven de 0,0 mol/ha/jr genereert. De sloopwerkzaamheden vallen echter onder de reikwijdte van een sloopmelding. Er is dan ook per definitie geen sprake van significant negatieve effecten en een nadere (passende en/of ecologische) beoordeling op grond van artikel 2.7:1 jo. 2.8:1 Wnb is dan ook niet aan de orde.

"Putterweg IV" (vastgesteld)

25

Putterweg IV

afbeelding 12: ligging planlocatie t.o.v. beschermde natuurgebieden (Bron: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland)

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Binnen het plangebied zal de bestaande bebouwing gesloopt worden. In en om de gebouwen kunnen diverse vogelsoorten voorkomen. Om te beoordelen of beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het rapport van de quickscan is opgenomen onder bijlage 6. Hieruit volgt dat de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen niet kan worden uitgesloten, aangezien in de bomen en het struweel broedende vogels verwacht worden. Daarnaast kan de aanwezigheid van steenuilen in de voormalige agrarische schuren niet worden uitgesloten. Er wordt geen aanwezigheid van beschermde (niet vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren verwacht. De aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied kan niet worden uitgesloten. Gelet op de uitkomsten van de quickscan is een soortgericht onderzoek nodig naar de steenuil en naar vleermuizen.

Het uitgevoerde soortgericht ondezoek is opgenomen onder bijlage 7, betreffende een vleermuizenonderzoek en een steenuilenonderzoek. Er zijn geen vleermuizenverblijven aangetroffen, maar er zijn wel enkele foeragerende dwergvleermuizen waargenomen die waarschijnlijk een verblijfplaats hebben in de omgeving van de locatie. Ook is geen verblijfplaats van de steenuil aangetroffen. De steenuil is wel waargenomen in het projectgebied en ook in de directe omgeving. De steenuil is waargenomen op de vervallen schuurtjes direct aangrenzend aan het dorpshuis, hier lagen ook verschillende braakballen wat duidt op een rustplaats van de soort. De steenuil is tevens waargenomen op een schuurtje helemaal in het zuiden aan de Hoge Boeschoterweg. Het is aannemelijk dat de steenuil een permanente verblijfplaats heeft in de boerderij aan 26

"Putterweg IV" (vastgesteld)

Putterweg IV de zuidwestkant van het projectgebied. Steenuilen hebben een leefgebied met een straal van 250 meter rond hun nest. Door het verwijderen van het dorpshuis en omliggend gebied gaat er maximaal 4.7% van het territorium van de steenuil verloren. Dit is een zeer klein oppervlakte van het leefgebied van de steenuil en zal de functionaliteit van diens territorium niet aantasten. Daarnaast zijn er in de omgeving voldoende alternatieve geschikte foerageergebieden aanwezig voor de steenuil. Door de voorgenomen werkzaamheden gaat tevens een rustplaats van de steenuil verloren. In de omgeving zijn echter voldoende geschikte alternatieve rustplaatsen aanwezig. Door het verdwijnen van de rustplaats tijdens de werkzaamheden gaat de functionaliteit van het foerageergebied rondom deze rustplaats niet verloren. Het voldoet derhalve om mitigerende en compenserende maatregelen te treffen: het plaatsen van een nestkast in de directe omgeving van de verloren rustplek, zorgen voor voldoende zit- en uitkijkposten, bijvoorbeeld door het aanbrengen van paaltjes. Binnen het plangebied zijn inmiddels drie uilenkasten opgehangen in bestaande bomen, waar ze tijdens de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden kunnen blijven hangen.

Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Een herplantplicht is met dit plan niet aan de orde. Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat.

5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit § 4.2.1.2 Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt (zie ook afbeelding "Putterweg IV" (vastgesteld)

27

Putterweg IV 8). Derhalve is er voor wat betreft dit aspect geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5a610733-6772-4fe2-b813-4c6f8e9275d4