01 Harskamperweg-Oosterbrinkweg, ph Bgb 2012_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie lage verwachting
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat voor de planlocatie Natuurcompensatieperceel grotendeels een lage archeologische verwachting geldt. Aangezien een deel van dit perceel binnen een terrein van archeologische waarde valt, is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit wordt beschreven in paragraaf 5.2.1.3.
26
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
5.2.1.2
Archeologie middelhoge verwachting
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen de planlocaties Harskamperweg 32 en Oosterbrinkweg 12-16 een middelhoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor wat betreft de planlocatie Harskamperweg 32 geldt dat hier de bodem al sterk is verstoord waardoor archeologisch onderzoek weinig zal toevoegen. De locatie voor de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing geldt dat deze is gesitueerd in een natte laagte waar geen archeologische resten worden verwacht. Voor wat betreft de planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 geldt eveneens dat deze in een lage natte dekzandvlakte is gelegen waar geen archeologische resten worden verwacht. Aangezien het hier zones betreft die van oudsher als nat kunnen worden beschouwd, is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De archeologische belangen worden bij de uitvoering van de plannen niet onevenredig aangetast.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.
5.2.1.3
Terreinen van archeologische waarde
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat het zuidoostlijke deel van de planlocatie Natuurcompensatieperceel binnen een terrein van archeologische waarde (AMK-terrein) valt. Zie onderstaande afbeelding voor een fragment van deze kaart, waarbij de planlocatie blauw omlijnd is.
Afbeelding: Fragment Archeologische waarden- en verwachtingenkaart
De planlocatie betreft de oude loop van de Houtbeek. Het terrein lijkt op de beleidskaart een lage "Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012 verwachting te hebben, maar dit moet genuanceerd worden. Ten zuiden en oosten van het plangebied zijn in het verleden veel vondsten gedaan uit allerlei perioden. Circa 150 meter naar het zuidoosten is zelfs een aantal jaar geleden een zeer bijzondere vindplaats aangetroffen. In 2008 werd daar een vindplaats van de Hamburgcultuur uit de vroege Steentijd aangetroffen. Dit waren jagers-verzamelaars die hier aan het einde van de laatste IJstijd (zo'n 12.000 jaar geleden) rondtrokken op jacht naar rendieren. Van deze cultuur zijn slechts vier andere vindplaatsen in Nederland bekend. Dit gebied is daarom aangewezen als terrein van archeologische waarde. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek is nodig bij bodemingrepen dieper dan 30 cm bij niet zichtbare terreinen. Bij zichtbare terreinen is altijd archeologisch onderzoek nodig. Het bureau ADC ArcheoProjecten heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (kenmerk 5128, d.d. 24 maart 2020), die is opgenomen als bijlage 9 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat de planlocatie sporen van verstoring direct onder de bouwvoor vertoont. Het gaat hier om een grootschalige verstoring die waarschijnlijk door diepploegen is ontstaan.
De planlocatie vertoont niet meer het oorspronkelijke reliëf zoals zichtbaar is ten oosten van de planlocatie op de AHN. In het oostelijke deel ligt het maaiveld enkele decimeters hoger dan in het westen, maar de bodemopbouw vertoont geen verschil. Sporen van bodemvorming zijn niet aangetroffen in het moedermateriaal. De verwachting voor archeologische resten kan derhalve bijgesteld worden naar een lage verwachting. De geplande verstoring blijft tevens binnen het reeds verstoorde pakket. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het bevoegd gezag (de gemeente Barneveld) stemt, gelet op het door de regioarcheoloog uitgebrachte advies, in met deze conclusie. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.
5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het hele plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n).
5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocaties Harskamperweg 32 en Oosterbrinkweg 12-16 liggen in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige landbouwontginningen met een neutrale waarde. De planlocatie Natuurcompensatieperceel wordt aangeduid als beekbegeleidende broek met een zeer hoge waarde. In de toelichting staat het volgende vermeld: Bij Stroe loopt de laagte van de Houtbeek door op het Veluwemassief. Direct ten oosten van de provinciale weg wordt de laagte ingenomen door een door bos omgeven akker. Vroeger was dit een door houtwallen omgeven grasland te midden van heide. Ook het gebied ten oosten hiervan, op de Stroesche Heide, is tot deze eenheid gerekend. In de prehistorie voerde de Houtbeek hier waarschijnlijk nog water en konden zich hier mensen vestigen. In de loop der eeuwen is de laagte dichtgegroeid met veen, waarbij soms ook stuifzand werd ingestoven. Op negentiende-eeuwse kaarten is het gebiedje te zien als een moerassige laagte op de heide, met enkele watertjes, die mogelijk zijn ontstaan door turfwinning. In het kader van de natuurontwikkeling is dit gebiedje in 2005 vergraven. De nieuwe laagte komt ongeveer overeen met de vroegere laagte van de Houtbeek.
Tot deze eenheid hoort ook een op hoogtebeelden zichtbare en enigszins meanderende vochtige laagte die over de Stroesche Heide naar het zuiden loopt. Dit is gebied is op de cultuurlandschappelijke waardenkaart geselecteerd als gebied dat een dubbelbestemming krijgt in het bestemmingsplan. Uitgangspunt van de planregels is dat ontwikkelingen 28
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012 geen negatief effect op de aanwezige cultuurlandschappelijke waarden mogen hebben. De aanplant van bos heeft dat wel, omdat het hier de oude beekloop betreft waar niet tot nauwelijks bomen zullen hebben gestaan. Op historische kaarten is dit altijd een open gebied geweest, dus bomen passen niet in dit beeld en zijn strijdig met de cultuurlandschappelijke waarde. Geadviseerd wordt daarom om geen bomen aan te planten, maar om voor inrichting en beplanting te kiezen die het open landschap in tact houden en recht doen aan de oude beekloop. Dit advies is meegenomen in de uitwerking van het perceel. In overleg met de provincie is voor de invulling van de boscompensatie gekozen voor het aanplanten van een mantelzoom (planten en struiken) aan de zuidzijde van het perceel in plaats van het aanplanten van een bos. Hiermee wordt voldaan aan de boscompensatie-eis en blijft tevens de openheid van het perceel gehandhaafd.
Conclusie Realisatie van de plannen schaadt deze waardering niet en daardoor is dit bestemmingsplan niet strijdig met deze waardering.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wnb bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied ligt deels in een Natura 2000-gebied. Dit geldt voor het Natuurcompensatieperceel, die de bovenste planlocatie vormt op onderstaande afbeelding. De andere twee planlocaties maken geen onderdeel uit van het Natura 2000-gebied 'Veluwe'.
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Planlocaties ten opzichte van Natura 2000-gebied
Om de drie planlocaties te beoordelen, zijn deze bezocht door een flora- en faunacontroleur. Vanwege de ligging van de planlocatie Harskamperweg 32 tegenover de 'Veluwe', is onderzoek nodig naar de mogelijk negatieve effecten op dit gebied. Dit wordt onderstaand beschreven. De planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 ligt op meer dan een kilometer afstand van de 'Veluwe', waardoor de bestemmingswijziging van dit perceel geen negatief effect op dit gebied zal hebben. Hoewel het bij de planlocatie Natuurcompensatieperceel niet direct te verwachten is, maar op voorhand niet uit te sluiten is dat de ecologische waarden geschaad zullen worden, is een quickscan/natuurtoets op het gebied van soort- en gebiedsbeschermingswetgeving nodig. Dit wordt eveneens onderstaand beschreven.
Planlocatie Harskamperweg 32 Het bureau Ecogroen heeft onderzoek uitgevoerd naar deze planlocatie (kenmerk 20-179, d.d. 18 september 2020), die is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de 'Veluwe' zijn uitgesloten. Dit vanwege de ligging, de aard van het voornemen en de bestaande verstoring in het plangebied, percelen rond het plangebied en tussenliggende N310. Geconcludeerd wordt dan ook dat vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland niet aan de orde zijn en geen belemmering vormen voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Het bureau Van Westreenen heeft de AERIUS-berekeningen en de toelichting daarop (kenmerk LB/POL/5135, d.d. 19 mei 2019) ten aanzien van deze planlocatie opgesteld. Deze stukken zijn opgenomen als bijlagen 11 t/m 14 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de berekeningen blijkt dat zowel bij de bouwfase als bij de gebruiksfase géén sprake is van een toename van stikstofdepositie (0,0 mol N/ha/jaar) op voor stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van het aspect stikstof zijn daarmee niet nodig.
Planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 Het bureau Van Westreenen heeft de AERIUS-berekening ten aanzien van deze planlocatie opgesteld. De 30
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012 berekening is opgenomen als bijlage 15 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de berekening blijkt dat bij de bouwfase géén sprake is van een toename van stikstofdepositie (0,0 mol N/ha/jaar) op voor stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van het aspect stikstof zijn daarmee niet nodig.
Planlocatie Natuurcompensatieperceel Zoals in paragraaf 4.3.1.2 al is beschreven, heeft Ecogroen onderzoek uitgevoerd naar deze planlocatie. Hieruit blijkt dat de aangewezen habitattypen, habitatsoorten en broedvogels van de 'Veluwe' niet gebonden zijn aan agrarische landschappen zoals de planlocatie. Binnen de planlocatie ontbreken dan ook beschermde habitattypen en leefgebieden, waardoor negatieve effecten door habitatverlies en habitatverandering hierop dan ook zijn uitgesloten. Ten aanzien van het aspect stikstof laat de AERIUS-berekening uit dit onderzoek zien dat voor de uitvoeringsfase geldt dat géén sprake is van een toename van stikstofdepositie (0,0 mol N/ha/jaar) op voor stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van het aspect stikstof zijn daarmee niet nodig.
5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wnb beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om de drie planlocaties te beoordelen, zijn deze bezocht door een flora- en faunacontroleur. Geadviseerd is om voor de planlocaties Harskamperweg 32 en Natuurcompensatieperceel onderzoek uit te voeren. Dit wordt onderstaand beschreven. Voor de planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 is geen onderzoek nodig aangezien de kassen al gesloopt zijn en de grond omgevormd is tot grasland, waar geen faunawaarden worden verwacht. Op een klein gedeelte van het grasland wordt de te verplaatsen woning gerealiseerd waardoor hier een woonerf zal ontstaan. De rest van het perceel wordt niet omgevormd.
Planlocatie Harskamperweg 32 Het bureau Ecogroen heeft onderzoek uitgevoerd naar deze planlocatie en hiervoor een notitie opgesteld (kenmerk 20-179, d.d. 18 september 2020). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat: op de planlocatie potentiële verblijfplaatsen en foerageergebied van wezel zijn aangetroffen, maar dat geen exemplaren of sporen aangetroffen; door aanwezigheid van beplanting is geschikt foerageergebied van vleermuizen aanwezig, maar dat de werkzaamheden niet leiden tot aantasting van onmisbare foerageergebieden. Van een onmisbare vliegroutes is geen sprake; (potentiële) nestlocaties van vogels met jaarrond beschermd nesten niet aanwezig of te verwachten zijn. Wel zijn (nesten van) enkele algemene vogels van bos en tuinen aangetroffen en te verwachten; overige beschermde soorten niet worden verwacht op de planlocatie. Bij de geplande ingrepen kunnen wel enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan.
Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wnb, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is; vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland niet aan de orde zijn en geen belemmering vormen voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Verder wordt het volgende geadviseerd. In het bosje ten zuiden van de planlocatie zijn (jonge) groeilocaties van Japanse duizendknoop aangetroffen. Dit is een invasieve exoot die zo sterk is dat deze in staat is met haar meterslange wortels schade aan te richten aan funderingen of ondergrondse leidingen. De plant kan zich in hoog tempo uitbreiden waardoor schade al op korte termijn kan ontstaan. Geadviseerd wordt om de plant op de groeilocatie volledig te verwijderen en het afval af te voeren naar een gecertificeerd verwerker van groenafval afkomstig van invasieve exoten. "Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Planlocatie Natuurcompensatieperceel Zoals in paragraaf 4.3.1.2 al is beschreven, heeft Ecogroen onderzoek uitgevoerd naar deze planlocatie. Hieruit blijkt dat de Wnb voor het onderdeel soorten vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat, mits de in het onderzoek beschreven maatregelen worden getroffen. Hiermee kunnen overtredingen worden vermeden en wordt tevens invulling gegeven aan de zorgplicht. Voor een goede borging moeten deze maatregelen worden opgenomen als voorschrift in de omgevingsvergunning. In de regels van dit bestemmingsplan is hiervoor in artikel 9.1.2 een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Met inachtneming van de maatregelen is een ontheffingsaanvraag Wnb dan niet nodig.
Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wnb heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Op de planlocatie Harskamperweg 32 is sprake van het kappen van houtopstand ten behoeve van onder andere de realisering van bedrijfsbebouwing en manoeuvreerruimte. Hiervoor is boscompensatie van 4.000 m2 nodig. Deze wordt aangeplant op de planlocatie Natuurcompensatieperceel. Zoals in bovenstaande paragraaf 5.3.1.1 beschreven is, heeft het bureau Ecogroen onderzoek uitgevoerd naar de planlocatie Harskamperweg 32. Hierin is onder andere de kap van houtopstand beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat de planlocatie buiten de begrenzing bebouwde kom houtopstanden ligt, waardoor het beschermingsregime van de Wnb geldt. De te kappen bomen maken onderdeel uit van een bos dat voldoet aan de criteria voor een ‘houtopstand’ en heeft daarmee een beschermde status. Voor het kappen van het bosje geldt een meldings- en herplantplicht.
Minimaal 6 weken vooraf de werkzaamheden moet een kapmelding bij de provincie gedaan worden. Zodra de compensatie op het Natuurcompensatieperceel uitgevoerd is, is voldaan aan de herplantplicht. Het onderdeel houtopstanden vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat de Wnb uitvoering van het voorliggende plan niet in de weg staat.
5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt deels binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. 32
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het GNN en de GO. Het plangebied ligt deels in het GNN ter plaatse van de planlocatie Natuurcompensatieperceel. De andere twee planlocaties liggen niet in het GNN of de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2.
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.
Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een "Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012 acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid van de drie planlocaties aanwezig zijn. Externe veiligheid is dan ook geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wgh aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom moet de geluidbelasting vanwege het wegverkeer worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wgh in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009".
Planlocatie Harskamperweg 32 Het bureau TecMaP heeft ook akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluiduitstraling van de voorgenomen activiteiten (kenmerk 20200111-1, d.d. 15 september 2021). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 16 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Voor het onderzoek is een rekenmodel opgesteld. Met dit model is de geluidbijdrage ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen bepaald. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende: Directe hinder: op de planlocatie potentiële verblijfplaatsen en foerageergebied van wezel zijn aangetroffen, maar dat geen exemplaren of sporen aangetroffen; het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van woningen minder dan 45 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt voldaan aan stap 2 uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering; er wordt ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ruimschoots voldaan aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit; het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van woningen maximaal 70 dB(A) in de dagperiode. De aanbevolen grenswaarden behorende bij stap 2 uit de VNG publicatie (gemengd gebied) worden gerespecteerd; er wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Indirecte hinder:
34
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012 De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van woningen beduidend minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt. Uit bovenstaande blijkt dat de voorgenomen wijziging niet zal resulteren in een aantasting van het woonen leefklimaat bij de geluidgevoelige objecten. Ook blijkt dat het bedrijf in de nieuwe situatie kan voldoen aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit.
Planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 Het bureau TecMaP heeft ook akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuw te realiseren woning (kenmerk 20200111-2, d.d. 7 april 2020). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 17 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer over de N800 (Kootwijkerbroekerweg), de Harskamperweg en de Oosterbrinkweg na aftrek minder dan 48 dB Lden bedraagt. Dit betekent dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Ten aanzien van de eisen uit het Bouwbesluit 2012 wordt geconcludeerd dat in de woonvertrekken van de te verplaatsen woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Planlocatie Natuurcompensatieperceel. Voor de omzetting van dit perceel is geen akoestisch onderzoek nodig.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Planlocatie Harskamperweg 32 In de omgeving van deze planlocatie liggen twee agrarische bedrijven. Het gaat om het perceel Topperweg 60 aan de westzijde en het perceel Oude Garderenseweg 22 aan de zuidzijde. De afstand tussen het agrarische bouwvlak Topperweg 60 en het niet-agrarische bedrijfsbestemmingsvlak Harskamperweg 32 is in de huidige situatie al minder dan 50 meter. Echter, het agrarische bedrijf wordt al eerder belemmerd door aanwezige niet-agrarische bedrijfsgebouwen van de planlocatie en het ten noorden liggende perceel Harskamperweg 30. Daarbij komt dat het te realiseren bedrijfsgebouw op meer dan 50 meter van het "Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012 bouwvlak gerealiseerd wordt. De afstand tussen het agrarische bouwvlak Oude Garderenseweg 22 en het niet-agrarische bedrijfsbestemmingsvlak Harskamperweg 32 is in de huidige situatie al meer dan 50 meter. Daarmee wordt aan de afstandsnorm voldaan.
Planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 In de omgeving van deze planlocatie liggen verschillende agrarische bedrijven. Deze worden echter eerder belemmerd door dichterbij liggende woningen dan dat de toe te voegen woning zal gaan doen. Bovendien wordt de nieuwe woning op meer dan 50 afstand van een agrarisch bouwvlak gerealiseerd. Daarmee levert de woning geen belemmeringen op voor de agrarische bedrijven en omgekeerd.
Planlocatie Natuurcompensatieperceel. De omzetting van dit perceel levert geen agrarische geurhinder op.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Bro is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Zie paragraaf 4.3.1.2 onder het kopje 'Artikel 2.12 Solitaire bedrijvigheid' voor een onderbouwing van de beoogde uitbreiding.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van onderhavig bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegrouters vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
36
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wm en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht.
Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wm maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wnb gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in kolom 1 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen aangewezen als activiteit. Van belang voor de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Onderdeel D 11.2 is hier niet van toepassing en dat, wanneer geconstateerd zou moeten worden dat het project wel onder onderdeel D 11.2 valt, dat er geen effecten zijn en dat er geen plan-m.e.r-plicht dan wel een besluit-m.e.r.-plicht geldt.
De omvang van het voorliggend plan (aan de Harskamperweg 32) is zo ver onder de drempel gelegen dat gesteld kan worden dat de milieueffecten van deze bestemmingsplanherziening zodanig verwaarloosbaar zullen zijn dat geen sprake kan zijn van een plan-m.e.r.-plicht. Immers de omvang van het project is vrij gering, de oppervlakte blijft ruimschoots onder de drempelwaarde 'bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer' zoals genoemd in kolom 2 van de activiteit als bedoeld in D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Het milieubelang is in deze aanvraag zorgvuldig afgewogen in de ruimtelijke onderbouwing van dit bestemmingsplan. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in deze aanvraag besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten voor het milieu zijn te verwachten. De aanvraag is niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast hebben de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria niet uitgewezen dat er sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r.-beoordeling achterwege kan blijven.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wm juncto artikel 2.8, eerste lid Wnb). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wnb is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wm). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
38
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.
Planlocatie Harskamperweg 32 Het niet-agrarische bedrijf op de planlocatie is aangeduid als een 'groothandel in hout- en bouwmaterialen, algemeen: b.o. > 2.000 m2'. De bijbehorende milieucategorie is 3.1 met een richtafstand van 50 meter. Voorliggende partiële herziening wijzigt de bestemming en de aanduiding van het bedrijf niet. Het bureau TecMaP heeft akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluiduitstraling van de voorgenomen activiteiten. Zie hiervoor paragraaf 5.5. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorgenomen wijziging niet zal resulteren in een aantasting van het woon- en leefklimaat bij de geluidgevoelige objecten. Ook blijkt dat het bedrijf in de nieuwe situatie kan voldoen aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit.
Planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 In de omgeving van de te realiseren woning liggen meerdere agrarische bedrijven en een niet-agrarisch bedrijf. De agrarische bedrijven zijn al beschreven in paragraaf 5.6, waaruit is gebleken dat de woning geen belemmeringen oplevert voor de agrarische bedrijven en omgekeerd. Ten oosten van de te realiseren woning is op het perceel Oosterbrinkweg 22 een niet-agrarisch bedrijf gevestigd met de aanduiding 'groothandel in zand en grind, algemeen: b.o. > 200 m2'. De bijbehorende milieucategorie is 3.2 met richtafstand van 100 meter. De te realiseren woning vormt geen grotere belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Direct naast het bedrijf zijn al woningen aanwezig die of direct grenzen aan het bestemmingsvlak van het bedrijf of dichterbij liggen dan de te realiseren woning. Het bedrijf wordt al door deze woningen belemmerd in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.
Planlocatie Natuurcompensatieperceel De omzetting van dit perceel heeft geen invloed op het aspect milieuzonering.
Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het voorliggende plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 16 april 2021 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.
Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
5.12
Natuur en landschap
Planlocatie Harskamperweg 32 In de huidige situatie is aan de zuidzijde van deze planlocatie een houtopstand aanwezig. In de toekomstige situatie wordt hiervan 2.500 m2 gekapt om de beoogde bedrijfsbebouwing en buitenterrein mogelijk te maken. Naast de boscompensatie op het Natuurcompensatieperceel en de sloop van het kassencomplex op de planlocatie Oosterbrinkweg 12-16, wordt de bestaande groenstrook langs de Oude Garderenseweg aangevuld met enkele bomen en onderbegroeiing in de vorm van onder andere Gewone liguster, Hazelaar en Gelderse roos. Dit komt de kwaliteit van de groenstrook ten goede en belemmert dit gelijk het zicht op het bedrijf vanaf deze weg. Verder wordt het buitenterrein aan de oost- en zuidoostzijde landschappelijk ingepast met een circa 2,5 meter hoge haag. Hierdoor is ervan af de Harskamperweg minder zicht op het bedrijf. Zie onderstaande afbeelding en bijlage 1 van de regels voor de inrichting van deze planlocatie:
Afbeelding: Toekomstige inrichting Harskamperweg 32
Planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 Tot de sloop van het kassencomplex werd deze planlocatie gekenmerkt door 5.118 m2 aan kassen en onbebouwde agrarisch gebruikte grond. In de huidige en toekomste sitautie is hier geen kassencomplex meer, maar wordt de planlocatie ingevuld met een nieuw woonbestemmingsvlak en meer onbebouwde agrarische grond. De bestaande woonbestemmingsvlakken houden hun eigen erfinrichting, terwijl bij het nieuwe vlak verschillende (fruit)bomen en een haag wordt aangeplant. Zie onderstaande afbeelding en bijlage 2 van de regels voor de inrichting van deze planlocatie:
40
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Toekomstige inrichting Oosterbrinkweg 12-16
Planlocatie Natuurcompensatieperceel In de huidige situatie wordt het perceel agrarisch gebruikt. In de toekomstige situatie wordt een toplaag van circa 40 centimeter in een klein gedeelte van het noordoosten van het perceel afgegraven en op de zuidzijde van het perceel verwerkt. Op deze grond wordt ook de mantelzoom ter grootte van 4.000 m2 aangeplant als overgang tussen het omliggende bos en het op te houden perceel. Deze mantelzoom vormt de benodigde boscompensatie voor de ontwikkeling op de planlocatie Harskamperweg 32. Verder worden de hekwerken aan drie zijden verwijderd zodat het perceel aan kan sluiten aan de omliggende bossen en het heideveld. Aan de westzijde wordt een zandpad aangelegd/doorgetrokken. Zie onderstaande afbeelding en bijlage 3 van de regels voor de inrichting van deze planlocatie:
Afbeelding: Toekomstige inrichting Natuurcompensatieperceel
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
5.13
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.
Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.14
Verkeer
Planlocatie Harskamperweg 32 Op deze planlocatie is de ruimte waar in de bestaande situatie nog buitenopslag van goederen is nu ingetekend als extra parkeerruimte. Een uitbreiding van het bedrijf met 1.450 m2 zorgt voor een theoretische toename van de parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen (uitgaande van een parkeernorm voor opslag/transportbedrijf van 1,1 ppl/100 m2 komt dit op 1450 * 1,1/100 m2 BVO = 16 ppl). De extra parkeerruimte die is ingetekend biedt plaats voor 15 auto's. Een deel van de plaatsen is extra lang voor het parkeren met aanhangers. Daarnaast is nog ruimte om te manoeuvreren op het perceel. Deze ruimte is voldoende om de theoretische toename in parkeerdruk op te kunnen vangen.
Planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 Op deze planlocatie wordt een bestaande uitrit verplaatst. Bij het perceel Oosterbrinkweg 12-16 zijn twee uitritten aanwezig, waar één hiervan wordt verplaatst ten behoeve van de te verplaatsen woning. Dit is vanuit verkeer gezien akkoord.
Planlocatie Natuurcompensatieperceel De omzetting van dit perceel heeft geen negatieve invloed op het aspect verkeer.
5.15
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces.
42
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan.
Huidige situatie Op de planlocatie Harskamperweg 32 staat een bedrijfspand inclusief grote parkeerplaats en locaties voor opslag van snellopende producten en laad- en los locaties voor vrachtwagens. Omliggend hierbij liggen diverse c-watergangen.
Toekomstige situatie Bij het bedrijf wordt een nieuwe bedrijfsruimte gerealiseerd (1.450 m2). Daarnaast wordt buitenopslag en verharding buiten bestemmingsvlak (600 m2) gelegaliseerd. In totaal neemt het afvoerend verhard oppervlak toe met ca. 2050 m2. Het hemelwater dat vrijkomt wordt afgevoerd naar de c-watergang langs de Oude Garderenseweg. Er is geen extra waterberging noodzakelijk voor de realisering van het project. Dit komt omdat op de planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 meer wordt gesloopt (circa 5.118 m2) en de grond grotendeels wordt teruggebracht tot agrarisch gebruik. Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen op de planlocatie Oosterbrinkweg 12-16 worden uit duurzaamheidsoogpunt geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. De aanpassingen op het Natuurcompensatieperceel hebben geen invloed op de waterhuishouding aangezien het hier gaat om kleinschalig grondverzet en de aanleg van een halfverharding.
Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
43
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van deze partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van deze partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemming 'Bedrijf - Niet agrarisch' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Verder wordt de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de drie planlocaties gewijzigd. Op het perceel Harskamperweg 32 wordt o.a. de niet-agrarische bedrijfsbestemming vergroot, de natuurbestemming verkleind en een grotere vloeroppervlakte aan bedrijfsbebouwing toegestaan. Op het perceel Oosterbrinkweg 12-16 wordt o.a. het agrarische bouwvlak verwijderd waarbij de twee bestaande woningen en de hiernaartoe te verplaatsen woning een woonbestemming krijgen. Op het Natuurcompensatieperceel wordt de agrarische bestemming omgezet naar een natuurbestemming.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Bro is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen.
44
"Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Harskamperweg-Oosterbrinkweg, partiële herziening Buitengebied 2012
6.4.1
Schakelbepaling
Er is in artikel 7 van de regels een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er op de verbeelding en in de regels verandert. Dit is in paragraaf 6.3 van de toelichting van deze partiële herziening ook toegelicht.
6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soort gebiedsaanduiding is toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met landschappelijke inpassing van de verschillende planlocaties.