CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt tabel Verordening Jeugdhulp gemeente Barendrecht 2026.pdf

gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Herijking Verordening Jeugdhulp 202615.499 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

b. Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren hulpverlenende taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het handelsregister (conform artikel 5 handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

c. Personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 4 van de wet op de

3. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de

beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of SKJ-registratie als bedoeld in artikel 5.2.1 van het besluit jeugdwet, voor de uitoefening van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een andere persoon dan beschreven in het tweede lid onder a, b of c, is er sprake van informele hulp. 4. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp. 5. Indien de hulp wordt verleend door iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is alleen sprake van formele hulp indien wordt voldaan aan de onder de in het tweede lid, onder c genoemde voorwaarden en deze hulp leidt tot de benodigde jeugdhulp welke effectief en doelmatig is. 6. De volgende personen dienen een verklaring omtrent gedrag aan het college te geven die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning vanuit het pgb wordt ingezet: a. Bloed- of aanverwant in de 1 of 2 graad van de budgethouder;

budgethouder, is altijd sprake van informele hulp, omdat zij onderdeel uitmaken van het sociaal netwerk. 4. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a of b en/of lid 2, is sprake van informele hulp.

b. Personen als bedoeld in artikel 7.2 lid 2 sub a, tenzij zij aangesloten zijn bij een overkoepelende branchevereniging waar het afgeven van een verklaring omtrent gedrag een vereiste is; c. Personen als bedoeld in artikel 7.2 lid 2 sub b. Artikel 7.4 Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgbadministratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om te communiceren met de gemeenten, de SVB en de hulpverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen;

De door het VWS opgestelde 10 punten tot pgb-vaardigheid zijn hier opgenomen (https://open.overheid.nl/documenten /ronl-277e25d6-4c27-4356-89502f1e9f27e89b/pdf).

f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van hulpverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i.

in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de hulpverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

j. voldoende kennis te hebben over het werkof opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. Artikel 7.5 Kwaliteitseisen bij Pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG);

Ruimer uiteengezet in de nieuwe verordening (wat eerst deels werd genoemd in het originele artikel 7.1). In lijn met paragraaf 4.1 Jeugdwet.

b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouders; h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken; i. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouders voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij verlening van jeugdhulp aan het college;

l. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; m. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 7.3, eerste en tweede lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een hulpverleningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als de inzet van een formele jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is conform het

afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling zoals opgenomen in het Kwaliteitskader Jeugd. Artikel 7.3 Hoogte pgb

Artikel 7.6 Hoogte van het persoonsgebonden

1. De hoogte van het pgb wordt berekend aan de hand van het onderscheid tussen formele en informele hulp, en het aantal uren, dagdelen of etmalen dat de individuele voorziening nodig is vermenigvuldigd met een vast tarief per zorgvorm. De tarieven op basis waarvan de hoogte van het pgb berekend wordt staan in een bij nadere regeling door het college vast te stellen tarievenlijst.

1. De hoogte van het pgb wordt berekend aan de hand van het onderscheid tussen formele en informele hulp, en het aantal uren, dagdelen of etmalen dat de individuele voorziening nodig is vermenigvuldigd met een vast tarief per zorgvorm. De tarieven op basis waarvan de hoogte van het pgb berekend wordt staan in een door het college vast te stellen tarievenlijst.

2. De berekening is gebaseerd op regionaal gebruikelijk tarieven voor zorg in natura. Het formele tarief is 90% van het regionaal gebruikelijke tarief. 3. Een pgb mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal en vervoer. Het pgb mag niet anders besteed worden.

2. De berekening is gebaseerd op de tarieven voor zorg in natura. Het maximale formele tarief is 100% van het gebruikelijke tarief. 3. Een pgb mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal. Het pgb mag niet anders besteed worden.

4. De hoogte van het pgb voor het informele tarief is voor een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad 4. In afwijking van het door het college vast te stellen van de budgethouder het minimum uurloon, tarievenlijst kan een lager tarief worden inclusief vakantiebijslag zoals bedoeld in de Wet toegekend indien op basis van het door de minimumloon en minimumvakantiebijslag voor jeugdige en/of zijn ouder(s) ingediende zorg- en een persoon van 21 jaar of ouder. budgetplan passende en toereikende jeugdhulp 5. In afwijking van het genoemde in lid 4 geldt er in voor een lager tarief kan worden ingekocht. het geval van logeeropvang door een hulp uit het

Herzien. Formele tarief is aangepast van 90% naar een maximaal tarief van 100%. Het informele tarief wordt vereenvoudigd gehouden op het minimum uurloon. Hiervan wordt in lid 5 afgeweken met betrekking tot logeeropvang.

5. De omvang van het pgb bedraagt nooit meer dan de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening. 6. De hoogte van het pgb voor het informele tarief is: a. Voor een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van tweeëntwintig jaar of ouder met een zesendertigurige werkweek; en b. Voor een formele hulpverlener zoals opgenomen in artikel 7.1 lid 2 sub a en b of een informele hulpverlener (niet zijnde een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder) het door het college vast te stellen tarievenlijst. 7. In afwijking van lid 6 kan de hoogte van het pgb voor informele hulp gelijk zijn aan: a. Het college kan in voorkomende gevallen de tarieven voor informele jeugdhulp verhogen tot hetgeen in lid 5 is opgenomen; of b. de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8a van de Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het zorg- en budgetplan van de jeugdige

sociaal netwerk, als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet, een tegemoetkoming van € 60,- per etmaal, met een maximum van € 141,per kalendermaand.

en/of zijn ouder(s) kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming; of c. de tegemoetkoming per kalendermaand voor een schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de richtbedragen van het Nibud. Artikel 7.7 Kosten die zijn uitgesloten De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor coördinatie; c. kosten voor crisishulp/crisisopvang; d. kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding; e. kosten voor het voeren van een pgbadministratie; f. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; g. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; h. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

Uit oud artikel 7.1 (regels voor pgb). Aangevuld in lijn met VNG en werkwijze.

i. kosten voor vervoer of reiskosten van de zorgverlener; j. zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt; k. zorg en ondersteuning (door aanbieders) buiten EER-landen. Hoofdstuk 8 Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Hoofdstuk 9 Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik

Artikel 8.1 Opschorten betaling uit het pgb

Artikel 9.1 Opschorten betaling uit het pgb

1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste van dertien weken als uit het pgb voor ten hoogste van 13 weken als er er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een vermoeden is gerezen dat sprake is verstrekt een vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4 van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4 eerste lid, onder a, d of e van de Jeugdwet. eerste lid, onder a, d of e van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank 2. Indien de jeugdige langer dan 2 maanden verblijft gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de uit het pgb voor de duur van de opname als Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken sprake is van een omstandigheid als bedoeld in te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke artikel 14, derde lid onder d van de Jeugdwet. opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname. 3.

Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Dit hoofdstuk is omgedraaid met het hoofdstuk over afstemming met andere voorzieningen. Het hoofdstuk over afstemmingen met andere voorzieningen is nu hoofdstuk 8, en het hoofdstuk over opschorten, herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik is nu hoofdstuk 9. Lid 2 is uitgebreider beschreven ter verduidelijking.

3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel 8.2 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 9.2 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een individuele voorziening.

1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een individuele voorziening.

2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuelevoorziening herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

c. de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

d. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb;

d. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb;

e. de jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of

e. de jeugdige langer dan 12 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of

f. de jeugdige en/of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

f. de jeugdige en/of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onderdeel a of f heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.

3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onderdeel a of f heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.

Artikel 8.3 Voorkoming en bestrijding ten onrechte Artikel 9.3 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

1. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Lid 4 is aangepast, gezien er geen nadere regels zijn. Het is aangepast naar een handhavingskader dat het college kan stellen.

2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet dan wel deze verordening.

2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet dan wel deze verordening.

3. De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossier.

3. De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossier.

4. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de toezichthouder en kan kaders stellen voor zijn werkwijze.

4. Het college kan kaders stellen voor zijn werkwijze middels een handhavingskader.

5. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

5. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Hoofdstuk 9 Afstemming met andere voorzieningen

Hoofdstuk 8 Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 9.1 Overgang naar volwassenheid

Artikel 8.1 Overgang naar volwassenheid

1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van achttien jaar bereiken en ook na hun achttiende jaar een ondersteuningsvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn.

1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken en ook na hun 18e jaar een hulpvraag hebben tijdig, in principe vanaf 16,5 jaar, doch uiterlijk 6 maanden voor hun 18e verjaardag afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn. 2. Voor verlengde jeugdhulp geldt dat:

Herzien. Aansluiting gevonden bij Wmo verordering wat betreft het benoemen van de leeftijd van 16,5 jaar. Uiteengezet wanneer er sprake is van verlengde jeugdhulp.

2. In geval er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming ten behoeve van een andere voorziening tijdig plaats.

a. dit alleen van toepassing is als er geen vergelijkbare voorziening beschikbaar is onder een andere wet;

3. Het college zorgt ervoor dat jeugdige zoals bedoeld in lid 1 gewezen wordt op de consequenties dat deze zorg vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

b. de hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien er binnen een half jaar na de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn; c. (individuele) begeleiding na het 18e levensjaar behoort tot de Wmo 2015, behalve: ▪

als het gaat om hulp die voor 2015 onder de Wet op de jeugdzorg viel, bijvoorbeeld pedagogische gezinsbegeleiding, opvoedondersteuning of vaardigheidstrainingen.

▪

bij (individuele) begeleiding die samenvalt met verblijf vanuit de wet.

3. Het college zorgt ervoor dat jeugdige en zijn ouders zoals bedoeld in lid 1 gewezen worden op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

4. Voor pleegzorg en verblijf in een gezinshuis geldt dat dit verblijf, zolang de jeugdige dit wenst, kan worden voortgezet tot in ieder geval het 21e levensjaar. Hierna wordt een aanvraag beoordeeld middels de criteria uit lid 2. Artikel 9.2 Afstemming gezondheidszorg

Artikel 8.2 Afstemming gezondheidszorg

1. Het college draagt zorg dat het besluit voldoet aan 1. Het college draagt zorg dat indien een besluit de eisen die gesteld worden door de wordt genomen over de inzet van zorg die vanaf zorgverzekeraars indien een besluit wordt de 18e verjaardag valt onder het basispakket van genomen over de inzet van zorg die vanaf de de Zorgverzekeringswet en er de reële achttiende verjaardag valt onder het basispakket verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de Zorgverzekeringswet en er de reële van de jeugdige door zal lopen, het besluit verwachting is dat deze zorg na de achttiende voldoet aan de eisen die gesteld worden door de verjaardag van de jeugdige door zal lopen. zorgverzekeraars. 2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) gewezen wordt op de consequenties dat de zorg als bedoeld in lid 1 vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) gewezen wordt op de consequenties dat de zorg als bedoeld in lid 1 vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, waarbij het college zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 9.3 Afstemming langdurige zorg

Artikel 8.3 Afstemming langdurige zorg

1. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteuning krijgt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen

1. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) ondersteuning krijgt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen

zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

2. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

2. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

Artikel 9.4 Afstemming voorschoolse voorziening en onderwijs

Artikel 8.4 Afstemming voorschoolse voorziening en onderwijs

1. Het college maakt afspraken met het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen over de toegang tot jeugdhulp.

1. Er is een wettelijke afstemmingsverplichting voor onderwijs en jeugdhulp om de plannen op elkaar af te stemmen. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en ondersteuning tijdens onderwijs worden vastgelegd in het onderzoeksrapport van de jeugdige en zijn ouders.

2. Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijke verplichte op overeenstemming gericht overleg (OOGO’s). De Jeugdwet en de Wet op passend onderwijs verplicht gemeentebestuurders binnen een regio minimaal eenmaal per vier jaar een OOGO te voeren. In het OOGO passend onderwijs bespreekt het samenwerkingsverband zijn ondersteuningsplan met de gemeente. In het OOGO jeugd bespreekt de gemeente haar jeugdplannen met de samenwerkingsverbanden.

2. Voor ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, kan geen individuele voorziening worden verstrekt. 3. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de wet of de Wet passend onderwijs, dan rust op het college de verplichting om in samenwerking met het

Artikel uitgebreid om meer handvatten te geven voor het snijvlak van jeugdhulp en onderwijs, waaronder de wettelijke afstemmingsverplichting en het ontwikkelperspectiefplan (OPP). Specifieke uitwerking van OOGO uit lid 2 is verplaatst naar de toelichting.

Deze overleggen kunnen ook worden gecombineerd.

onderwijs met behulp van het onderzoeksrapport en het ontwikkelperspectiefplan (OPP) tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. 4. Zonder aanwezigheid van een OPP kan er door het college (nog) geen besluit genomen worden over het bieden van jeugdhulp in het onderwijs. 5. Het college stemt de samenwerking van onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijke verplichte op overeenstemming gericht overleg (OOGO).

Artikel 9.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning

Artikel 8.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning

1. Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de Wmo.

1. Het college zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de Wmo.

2. Het college zorgt dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voorgezet moet worden onder de Wmo de contiuniteit gewaarborgd wordt.

2. Het college zorgt dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het 18e jaar voortgezet moet worden onder de Wmo de continuïteit gewaarborgd wordt.

Artikel 9.6 Afstemming werk en inkomen

Artikel 8.6 Afstemming werk en inkomen

1. Het college draagt zorg dat het wijkteam, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het

1. Het college draagt zorg dat het wijkteam, de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het

slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig de jeugdige en/of zijn ouder(s) helpen met de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig de jeugdige en/of zijn ouder(s) helpen met de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, armoedevoorzieningen, en het kindpakket – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

Hoofdstuk 10 Kwaliteit jeugdhulpaanbieders

Hoofdstuk 10 Kwaliteit jeugdhulpaanbieders

Artikel 10.1 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders

Artikel 10.1 Kwaliteitseisen jeugdhulpaanbieders

1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de jeugdhulpaanbieders.

1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de jeugdhulpaanbieders.

2. Als de jeugdhulpaanbieder gebruik maakt van een onderaannemer is de hoofdaannemer er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.

2. De jeugdhulpaanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.

3. De jeugdhulpaanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.

3. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

4. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

Lid 2 is vervallen, gezien dit niet relevant is voor de verordening.

Artikel 10.2 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Artikel 10.2 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:

1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functies; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieder waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 2. Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van jeugdhulp korten met maximaal het

a. kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden); b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering. 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

Het artikel is aangepast, in lijn met VNG over de verhouding prijs en kwaliteit.

bedrag waarmee bezoldering en uitgekeerde ontslagvergoedingen aan al dan niet ingehuurde (deeltijd) medewerkers, bestuurders en toezichthouders over dat jaar (naar rato) meer bedragen dan de normen, zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering bezoldering topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. 4. Het college waarborgt dat bij de inkoop van jeugdhulp rekening wordt gehouden met zorgvuldigheidseisen die de continuïteit en beschikbaarheid van zorg ten goede komen.

Artikel 10.3 Incidenten, calamiteiten en geweld

Artikel 10.3 Incidenten, calamiteiten en geweld

1. De jeugdhulpaanbieder dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor:

1. De jeugdhulpaanbieder dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor:

a. De verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

a. de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

b. Het samenwerkingsinstrument SISA, Verwijsindex risico’s jeugdigen RotterdamRijnmond.

b. het gebruik van Multisignaal; en

2. Jeugdhulpaanbieders rapporteren periodiek incidenten volgens de afspraken in het Incidentenprotocol en het bepaalde in artikel 4.18 lid 2 van de Jeugdwet.

c. de door de overheid aangewezen verantwoordingsmethode van besteding van specifieke uitkeringen. 2. Jeugdhulpaanbieders rapporteren periodiek incidenten volgens de afspraken in het

Lid 1 sub b is vervallen, omdat er in de toekomst niet meer gewerkt gaat worden met SISA. Lid 1 sub b en c zijn toegevoegd.

Incidentenprotocol en het bepaalde in artikel 4.1.8 lid 2 van de wet. Hoofdstuk 11 klachten, inspraak en medezeggenschap

Hoofdstuk 11 Klachten, inspraak en medezeggenschap

Artikel 11.1 Klachtenregeling

Artikel 11.1 Klachtenregeling

1. Het college behandelt klachten overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Awb.

1. Het college behandelt klachten overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Awb.

2. Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de Jeugdwet.

2. Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wet.

3. Het college heeft de bevoegdheid om op verzoek van de betrokkene in aanvulling op de klachtenregeling van de jeugdhulpaanbieder een klacht te behandelen.

3. Het college heeft de bevoegdheid om op verzoek van de betrokkene in aanvulling op de klachtenregeling van de jeugdhulpaanbieder een klacht te behandelen.

Artikel 11.2 Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

Artikel 11.2 Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

2. Het college stelt de jeugdige en/of zijn ouder(s), waaronder in ieder geval cliënten of hun

2. Het college stelt de jeugdige en/of zijn ouder(s), waaronder in ieder geval cliënten of hun

vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordening en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel 11.3 Medezeggenschap

Artikel 11.3 Medezeggenschap

1. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4 van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet.

1. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4 van de wet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de wet.

2. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie 2. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en voor zijn voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en voor zijn organisatie. organisatie. Hoofdstuk 12 Slot- en overgangsbepalingen

Hoofdstuk 12 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 12.1 Indexering

Artikel X Indexering

1. Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening berustende nadere regels geldende bedragen verhogen of verlagen.

Dit artikel is vervallen.

Artikel 12.2 Hardheidsclausule

Artikel 12.1 Hardheidsclausule

1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 12.3 Overgangsbepaling

Artikel 12.2 Overgangsbepaling

1. Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

1. Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

2. De rechten en verplichtingen die bij op het tijdstip 2. De rechten en verplichtingen die bij op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening van de inwerkingtreding van deze verordening gelden met betrekking tot een individuele gelden met betrekking tot een individuele voorziening waarvoor reeds een besluit of voorziening waarvoor reeds een besluit of verwijzing is afgegeven, blijven gelden gedurende verwijzing is afgegeven, blijven gelden gedurende de looptijd van het besluit dan wel tot het moment de looptijd van het besluit dan wel tot het moment dat op basis van een gewijzigde dat op basis van een gewijzigde

ondersteuningsbehoefte een nieuw besluit wordt afgegeven.

ondersteuningsbehoefte een nieuw besluit wordt afgegeven.

Artikel 12.4 Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 12.3 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022, onder gelijktijdige intrekking van de verordening jeugdhulp Barendrecht/Albrandswaard 2019.

1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie, onder gelijktijdige intrekking van de verordening jeugdhulp Barendrecht 2022.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: verordening jeugdhulp Barendrecht/Albrandswaard 2022.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Barendrecht/Albrandswaard 2026.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16404239/1