Was-wordt tabel Verordening Jeugdhulp gemeente Barendrecht 2026.pdf
Tekst van het document
Was
Wordt
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Definities
Artikel 1.1 Definities
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die vrij en rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand (diepgaand) onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
a. algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die vrij en rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand (diepgaand) onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, zoals op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, zoals op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
c. arrangement: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) gericht aanbod van jeugdhulp dat is opgebouwd uit een geheel van resultaatgebieden en/of ondersteuningselementen;
c. budgethouder: de persoon die een persoonsgeboden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet;
d. budgethouder: de persoon die een persoonsgeboden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet;
e. familiegroepsplan: een hulpverleningsplan of plan van aanpak, opgesteld door de ouders en jeugdige, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;
e. zorg- en budgetplan: een bij de aanvraag voor het pgb in te dienen plan, zoals nader omschreven in artikel 7.1 lid 2 van deze verordening;
d. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht;
Toelichting
De volgende begrippen en definities zijn toegevoegd: ‘gecertificeerde instelling’, ‘onafhankelijke cliëntondersteuner’ en ‘wet’. De volgende begrippen en definities zijn verwijderd omdat ze niet meer in de verordening voorkomen of de definitie al voldoende voortvloeit uit de Jeugdwet: ‘arrangement’, ‘jeugdige en/of zijn ouder(s)’, ‘hoofdaannemer’, ‘gebruikelijke hulp’, ‘onderaannemer’, ‘ondersteuningsplan’ en ‘(openbare) geestelijke gezondheidszorg (O)GGZ’. Definitie ‘familiegroepsplan’ aangepast. Definitie ‘individuele voorziening’ gecomprimeerd. Bij de definitie van ‘onderzoeksrapport’ is ‘de daaraan verbonden conclusies’ verwijderd. Bij de definitie van ‘persoonsgebonden budget’ is ‘bij derden’ weggehaald.
f. jeugdige en/of zijn ouder(s): jeugdige en/of zijn ouder(s) als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, zijnde de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp; g. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht/Albrandswaard; h. gebruikelijke hulp: hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders; i. hoofdaannemer: de jeugdhulpaanbieder die een individuele voorziening levert en hiervoor een andere jeugdhulpaannemer betrekt om het doel vastgelegd in het onderzoeksrapport te behalen; j. hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; k. individuele voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de jeugdwet die toegankelijk is na voorafgaand onderzoek naar de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s). De voorziening wordt door het
f. gecertificeerde Instelling: de instelling die bevoegd is een jeugdbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel uit te voeren; g. hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; h. individuele voorziening: de op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij persoonsgebonden budget wordt verstrekt; i. onafhankelijke cliëntondersteuner: een onafhankelijk vertrouwenspersoon, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die ouders en jeugdigen kan ondersteunen bij vragen, klachten over en/of problemen met hun rechtspositie en over de (toeleiding naar) jeugdhulp; j. onderzoeksrapport: een schriftelijke weergave van het gesprek en het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 4.2; k. ouder: gezaghebbende ouder, adoptieouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;
Definitie ‘wijkteam’ is gecomprimeerd. Lid 2 is overgeheveld naar de toelichting.
college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt; l. onderaannemer: een door de hoofdaannemer ingezette jeugdhulpaanbieder die specifieke onderdelen van de jeugdhulpverlener op zich neemt in opdracht van de hoofdaannemer; m. ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van het gesprek en de daaraan verbonden conclusies na een melding als bedoeld in artikel 4.1 en het verhelderen van de hulpvraag; n. onderzoeksrapport: een schriftelijke weergave van het gesprek, het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3; o. familiegroepsplan: Het familiegroepsplan is een plan dat is opgesteld door een persoon met haar/zijn familie, vrienden, kennissen, buren en evt. betrokken professionals, kortom mensen die belangrijk zijn in het leven van die persoon, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; p. ouder: gezaghebbende ouder, adoptieouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; q. persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige
l. persoonsgebonden budget (pgb): het door het college verstrekte budget dat een jeugdige en/of zijn ouder(s) in staat stelt een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet in te kopen, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; m. sociaal netwerk: familieleden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) tot en met bloed- en/of aanverwantschap in de derde graad en andere betrokkenen bij het gezin, niet zijnde een jeugdhulpverlener als genoemd in de Jeugdwet; n. spoedeisende- en crisishulp: hulp waarbij onmiddellijke uitvoering van taken geboden is door een onverwachte en ingrijpende gebeurtenis; o. voorziening: algemene voorziening of individuele voorziening; p. wet: de Jeugdwet; q. wijkteam: een team bestaande uit professionals die ondersteuning bieden in de vorm van algemene voorzieningen en gemandateerde professionals die namens het college besluiten nemen met betrekking tot individuele voorzieningen; r. zorg- en budgetplan: een bij de aanvraag voor het pgb in te dienen plan, zoals nader omschreven in artikel 7.1 lid 2 van deze
en/of zijn ouder(s) in staat stelt een individuele voorziening op grond van de jeugdwet bij derden in te kopen, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; persoonsgebonden budget (pgb) r. sociaal netwerk: familieleden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) tot en met bloed- en/of aanverwantschap in de derde graad en andere betrokkenen bij het gezin, niet zijnde een jeugdhulpverlener als genoemd in de Jeugdwet; s. spoedeisende- en crisishulp: Hulp waarbij onmiddellijke uitvoering van taken geboden is door een onverwachte en ingrijpende gebeurtenis; t. voorziening: algemene voorziening of individuele voorziening; u. wijkteam: een team van professionals die zijn opgenomen in een beroepsregister. Er zijn enerzijds professionals in het kader van indicatiestellen gemandateerd om namens het college besluiten te nemen voor het toekennen of weigeren van individuele voorzieningen, en er zijn anderzijds professionals die in het kader van hulpverlenen de vraag verhelderen en/of hulp en ondersteuning aan jeugdige en hun ouder(s) bieden die (tijdelijk) problemen ondervinden met opvoeden, opgroeien, hun
verordening.
zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; v. (Openbare) geestelijke gezondheidszorg (O)GGZ: alle activiteiten op het terrein van geestelijke volksgezondheid die op basis van een individuele hulpvraag worden uitgevoerd; (Openbare) geestelijke gezondheidszorg (O)GGZ). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 1.2 Reikwijdte verordening
Artikel 1.2 Reikwijdte verordening
De voorzieningen die worden geregeld in deze verordening zijn toegankelijk voor jeugdigen en ouders die conform de jeugdwet hun woonplaats hebben in Barendrecht/Albrandswaard.
Vervallen. Inhoud valt af te leiden uit de Jeugdwet.
Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp
Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Algemene voorzieningen
Artikel 2.1 Algemene voorzieningen
1. De volgende vormen van algemene (preventieve) voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
Basishulp:
a.
informatie, trainingen en (opvoed)advies;
Een onderscheid gemaakt tussen de algemene voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn en niet door het wijkteam worden geboden (wat eerst stond onder ‘niet zijnde basishulp’), en
a. Het bieden van informatie, advies en consultatie bij opgroei- en opvoedvragen;
b.
jongerencoaching en participatiebevordering;
b. Ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of zijn ouder(s), waaronder vormen van vrij
c.
onafhankelijke cliëntondersteuning;
d.
online hulpverlening.
c. toegankelijke hulp, gericht op het creëren van een stabiele opvoed- en opgroeisituatie; d. Jeugd- en opvoedhulp;
2. De algemene voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn en worden geboden door het wijkteam staan in artikel. 2.2, tweede lid.
e. ondersteuning van jeugdigen; f. gezinscoaching; g. gezinsondersteuning;
die wel door het wijkteam worden geboden (wat eerst stond onder ‘basishulp’). De termen ‘basishulp’ en ‘niet zijnde basishulp’ zijn verwijderd. Om duidelijk te maken welke voorzieningen door het wijkteam worden geboden, wordt er volledigheidshalve verwezen naar artikel 2.2, waar alles staat over het wijkteam.
h. jongerentrajecten. 2. Overige algemene voorzieningen, niet zijnde basishulp: a. informatie, trainingen en (opvoed)advies; b. jongerencoaching en participatiebevordering; c. online hulpverlening. Artikel 2.2 Individuele voorzieningen
Artikel 2.3 Individuele voorzieningen
De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
1. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
a. Crisisopvang;
a. crisisopvang;
b. Forensische hulp;
b. dagprogramma's;
c. Gesloten jeugdhulp;
c. dyslexiezorg;
d. Kortdurende basis-GGZ;
d. forensische hulp; e. gesloten jeugdhulp;
De lijst is aangepast aan de hand van de actuele individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn. De specificaties van dyslexiezorg zijn volledigheidshalve verplaats naar het artikel over dyslexiezorg (artikel 5.3).
e. Langdurige specialistische GGZ bij complexe problematiek; f. Langdurige specialistische begeleiding en/of behandeling van jeugdigen met een beperking, gezinnen g. met meervoudige problematiek en situaties van jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; h. Medische kinderdagbehandeling; i. Pleegzorg; j. Residentiele hulp; k. Specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe problematiek; l. Specialistische (dag)behandeling in combinatie met verzorging van jeugdigen met een beperking; m. Verblijf, al dien niet in combinatie met behandeling van de jeugdige met een beperking; n. Zorgverlening aan jeugdigen binnen het sociaal netwerk. Het college stelt dyslexiezorg beschikbaar, bestaande uit:
f. kortdurende basis-GGZ; g. langdurige specialistische GGZ bij complexe problematiek; h. langdurige specialistische begeleiding en/of behandeling van jeugdigen met een beperking, gezinnen met meervoudige problematiek en situaties van jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; i. medische kinderdagbehandeling; j. pleegzorg; k. residentiele hulp; l. specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe problematiek; m. specialistische (dag)behandeling in combinatie met verzorging van jeugdigen met een beperking; n. verblijf, al dien niet in combinatie met behandeling van de jeugdige met een beperking; o. vervoersvoorziening.
– Diagnostiek bij een onderbouwd vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie; – Behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie. Artikel 2.3 Wijkteams
Artikel 2.2 Wijkteams
1. Er is een dekkend aanbod van lokale wijkteams in de gemeente Barendrecht/Albrandswaard.
1. Er is een dekkend aanbod van lokale wijkteams in de gemeente Barendrecht.
2. De wijkteams voeren in het kader van hulpverlenen de volgende taken rond opvoeden en opgroeien:
2. De wijkteams voeren in het kader van hulpverlenen de volgende taken uit rond opvoeden en opgroeien:
Volgorde van hoofdstuk 2 is veranderd zodat dit gelijk loopt aan de werkwijze in de praktijk. Eerst algemene voorzieningen, dan het wijkteam en daarna de individuele voorzieningen. ‘Het inzetten van een intensief vrijwillig hulpverleningstraject’ is overgeheveld vanuit de nadere regels.
a. Op preventie gerichte informatie en activiteiten;
i.
op preventie gerichte informatie en activiteiten;
b. Opstellen van een ondersteuningsplan in samenspraak met jeugdige en/of zijn ouder(s);
ii.
opstellen van een ondersteuningsplan in samenspraak met jeugdige en/of zijn ouder(s); Om duidelijk te maken dat gemandateerde professionals namens deskundig advies aan personen die het college besluiten kunnen nemen is beroepsmatig met jeugdigen werken; dit taalkundig aangepast in plaats van ‘college’ te benoemen. vraagverheldering bij hulpvragen van de jeugdige en/of zijn ouder(s); Lid 4 is overgeheveld naar de
c. Deskundig advies aan personen die beroepsmatig met jeugdigen werken; d. Vraagverheldering bij hulpvragen van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
iii. iv. v.
e. Kortdurende hulp bestaande uit opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding en basiszorg bij f. psychische klachten en problemen; g. Coördinatie van zorg wanneer hulpverlening voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt ingezet. 3. Het college neemt in het kader van indicatiestellen besluiten met betrekking tot het toekennen van individuele voorzieningen. 4. Het wijkteam in de gemeente is er ook voor huishoudens met of zonder kinderen waar sprake
kortdurende hulp bestaande uit opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding en basiszorg bij psychische klachten en problemen;
vi.
coördinatie van zorg wanneer hulpverlening voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt ingezet en ouders aangeven dit niet zelf te kunnen;
vii.
het inzetten van een intensief vrijwillig hulpverleningstraject.
3. De daartoe gemandateerde professional van het wijkteam neemt namens het college besluiten met betrekking tot het toekennen van individuele voorzieningen.
toelichting.
Lid 5 is vervallen omdat dit niet in de verordening hoeft.
is van meervoudige, domein overstijgende problematiek. 5. Het wijkteam biedt ondersteuning en zorg aan jeugdigen en volwassen door professionals uit de verschillende leefdomeinen in een gezamenlijke aanpak samen te brengen. Hoofdstuk 3 Toeleiding naar jeugdhulp anders dan Hoofdstuk 3 Toegang jeugdhulp anders dan via de via de gemeente gemeente Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
2. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking.
2. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een
1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een
Lid 2 is vervallen.
kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
2. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking. Hoofdstuk 4 Toegang jeugdhulp via gemeente
Hoofdstuk 4 Toegang jeugdhulp via gemeente
Artikel 4.1 Melding hulpvraag
Artikel 4.1 Melding hulpvraag
1. Indien een jeugdige en/of zijn ouder(s) behoefte hebben aan jeugdhulp kunnen zij een melding doen. Het college geeft de jeugdige en/of zijn ouder(s) vervolgens informatie en advies over de vormen van jeugdhulp zoals bedoeld in hoofdstuk 2.
Melding van een hulpvraag en het ondersteuningsplan dat volgt op de melding van de hulpvraag zijn uit de verordening gehaald. Dit voorkomt verwarring over wanneer er juridisch gezien sprake is van een aanvraag. De melding en het ondersteuningsplan is de werkwijze in de praktijk, maar hoeft daarmee niet in de verordening te staan, omdat het niet om een aanvraag gaat. In de toelichting is deze werkwijze wel opgenomen.
2. Het college kan ondersteuning bieden bij het verkennen of het verhelderen van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. Artikel 4.2 Ondersteuningsplan
Artikel 4.2 Ondersteuningsplan
1. Na een melding als bedoeld in artikel 4.1 en het verhelderen van de hulpvraag leggen het college, de jeugdige en/of zijn ouder(s) het gesprek en de daaraan verbonden conclusies vast in het ondersteuningsplan.
Zie toelichting hierboven (het originele artikel 4.1 melding hulpvraag).
2. Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat gebruik kan worden gemaakt van een algemene voorziening vanuit het wijkteam, dient de jeugdige en/of zijn ouder(s) het ondersteuningsplan te ondertekenen alvorens de jeugdhulp door het wijkteam wordt geboden. Artikel 4.3 Aanvraag jeugdhulpvoorziening
Artikel 4.1 Aanvraag individuele voorziening
1. Het college kan na een melding als bedoeld in artikel 4.1 de jeugdige en/of zijn ouder(s) verwijzen om een aanvraag jeugdhulpvoorziening in de zin van de Awb in te dienen, wanneer de melding aanleiding geeft tot onderzoek als bedoeld in artikel 4.4.
1. De jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier.
2. Jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt in beginsel ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 3. Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag schriftelijk.
2. Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, schriftelijk. 3. Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp stemt het college af met andere voorzieningen. 4. In spoedeisende gevallen beslist het college onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) of vraagt het college
Herzien. Het artikel is vereenvoudigd omdat de melding bij het wijkteam niet meer benoemd hoeft te worden. Lid 5 is overgeheveld naar artikel 6.1 (inhoud beschikking).
4. In spoedeisende gevallen beslist het college na een melding in de zin van artikel 4.1 lid 1 of een aanvraag in de zin van artikel 4.3 lid 2 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.
een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.
5. De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum melden bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. 6. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening. Artikel 4.4 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Artikel 4.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
1. Het college doet na de aanvraag zoals bedoeld in artikel 4.3 een onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren.
1. Het college onderzoekt, na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk na ontvangst:
2. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich te legitimeren. De jeugdige en/of zijn ouder(s) geven daartoe in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is;
Herzien. De vier stappen van de CRvB 1 mei 2017 zijn hier opgenomen, zodat een zorgvuldige procedure gewaarborgd wordt.
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de hulpvraag: a. De hulpvraag, de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; b. of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja: 1°. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om,rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de personen die tot het sociale netwerk behoren
b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen. 2. Als er sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dan onderzoekt het college achtereenvolgens: a. welke problemen of stoornissen dat zijn; b. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; c. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden;
toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; c. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouder(s); d. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; e. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijk bewoording wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het
d. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; e. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouder(s); f. indien van toepassing de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; g. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijk bewoording wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Dit houdt in ieder geval in dat het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) wijst op:
onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking 5. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Dit houdt in ieder geval in dat het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) wijst op: a. de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; en b. de mogelijkheid om bij de aanvraag of binnen twee weken na een aanvraag een familiegroepsplan op te stellen. 6. Het college ondersteunt de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het opstellen van het familiegroepsplan, indien zij hierom verzoeken. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek.
a. de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; en b. de mogelijkheid om bij de aanvraag of binnen 2 weken na een aanvraag een familiegroepsplan op te stellen. 4. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 5. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 6. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich te legitimeren. De jeugdige en/of zijn ouder(s) geven daartoe in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
Artikel 4.5 Onderzoeksrapport
Artikel 4.3 Onderzoeksrapport
1. Het college legt na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.3 het gesprek, het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies vast in het onderzoeksrapport.
1. Het college legt na een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, het gesprek en de stappen uit het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2 vast in het onderzoeksrapport.
Tekst uit de nadere regels over het onderzoeksrapport overgeheveld naar dit lid.
2. De inhoud van het onderzoeksrapport wordt gebruikt als uitgangspunt voor het opstellen van de beschikking. 3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het onderzoeksrapport.
2. Binnen 5 werkdagen na het ontvangen van het onderzoekrapport door de jeugdige en/of ouders, kunnen zij opmerkingen en/of aanvullingen geven op het onderzoeksrapport. 3. Indien de jeugdige en/of ouder(s) gebruik maakt van de mogelijkheid zoals bedoeld in lid 2 worden de aanvullingen toegevoegd als bijlage aan het onderzoeksrapport. 4. De inhoud van het onderzoeksrapport wordt gebruikt als onderbouwing voor het opstellen van de beschikking.
Hoofdstuk 5 Beschikking
Hoofdstuk 6 Beschikking
Artikel 5.1 Inhoud beschikking
Artikel 6.1 Inhoud beschikking
1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.
1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.
2. Bij het toewijzen van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
2. Bij het toewijzen van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. Welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang is om het beoogde resultaat te behalen;
a. wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
b. Wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is.
b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is;
Het hoofdstuk over de beschikking is omgedraaid met het hoofdstuk over de (voorwaarden) individuele voorzieningen jeugdhulp, om de werkwijze in de praktijk te volgen. De verordening bevat nu eerst de voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp (hoofdstuk 5) en daarna pas het hoofdstuk over de beschikking (hoofdstuk 6). Ter volledigheid van dit artikel toevoegingen in lijn met VNG.
3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. Welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang is om het beoogde resultaat te behalen; b. Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. Welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; d. Wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking is. 4. De inhoud van het onderzoeksrapport wordt als uitgangspunt gebruikt voor het opstellen van de beschikking. 5. Bij de beschikking wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de Jeugdwet, de verordening en de nadere regels.
c. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking; en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. De inhoud van het onderzoeksrapport wordt als uitgangspunt gebruikt voor het opstellen van de beschikking. 5. Bij de beschikking wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of zijn ouder(s) op grond van de wet en de verordening. 6. Het college kan besluiten het besluit in te trekken als de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet binnen
Lid 6 is toegevoegd uit oud artikel 4.3, gezien dit hier logischerwijs beter past.
3 maanden na de besluitdatum melden bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen 3 maanden inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Hoofdstuk 6 Individuele voorzieningen jeugdhulp
Hoofdstuk 5 Voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp
Artikel 6.1 Verlenen individuele voorziening
Artikel X Verlenen individuele voorziening
1. Het college verleent een individuele voorziening binnen een of meer van de volgende resultaatgebieden: a. Steunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; b. Herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige; c. Opvoeding, versterken mogelijkheden ouder(s). 2. Het college zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: a. Vervangende opvoeding kind; b. Dagbehandeling of dagbesteding; c. Respijtzorg, al dan niet met verblijf. 3. Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een
Dit artikel is vervallen. De nodige informatie uit dit artikel is samengevoegd met het artikel over de criteria individuele voorziening. De resultaatgebieden zijn vervallen
vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid. 4. Het college stelt de omvang van de onder lid 1 bedoelde voorziening vast, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 5. Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van individuele voorzieningen. De voorwaarden en verplichten kunnen in ieder geval betrekking hebben op het naleven van leef- en gedragsregels bij het gebruik van een voorziening. Artikel 6.2 Criteria individuele voorziening
Artikel 5.1 Criteria individuele voorziening
1. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen slechts in 1. Een jeugdige of ouders kunnen binnen de kaders aanmerking komen voor een individuele van de Jeugdwet en deze verordening in voorziening na een aanvraag en voor zover zij geen aanmerking komen voor een individuele oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag als voorziening wanneer door het college of een het college van oordeel is dat: andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat: a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen; en b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend
a. een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag; b. de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn sociaal netwerk, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;
Herzien. Samenvoeging van het oude artikel 6.1 en 6.2. Dit artikel vindt aansluiting bij het stappenplan van 1 mei 2017 CRvB uit artikel 4.3 (onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren).
is, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat er sprake is van: i. gebruikelijke hulp van ouder(s) en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. c. gebruikmaking van een andere wettelijke voorliggende voorziening of algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college passende hulpverlening. 3. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) kosten voor jeugdhulp hebben gemaakt voorafgaand aan de aanvraag, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken vanaf de datum van de aanvraag indien: i.
ii.
Op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, waarvoor hulp is ingezet; en Het college het volgende kan beoordelen:
c. een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag; d. de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag volledig te beantwoorden. 2. De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of diens ouders. 3. Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid. 4. Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van de voorziening naar oordeel van het college doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn geldt in ieder geval dat: a. de in te zetten voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag; b. de in te zetten voorziening behoudens het bepaalde in artikel 2.4 tweede lid sub b van de wet – waar beschikbaar – een bewezen effectieve interventie is;
• of de jeugdhulpverlening noodzakelijk en passend is; • wat de gemaakte kosten zijn. 4. Het derde lid is niet van toepassing als de ingezette individuele voorziening tot stand is gekomen door een verwijzing zoals bedoeld in hoofdstuk 3. 5. Het college kan nadere regels stellen ter uitwerking van dit artikel.
c. de in te zetten voorziening nooit een bewezen niet effectieve interventie is. 5. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de interventies zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 6. Indien er meerdere adequate voorzieningen zijn, verstrekt het college de goedkoopst en tijdig beschikbare voorziening.
Artikel 6.3 Gebruikelijke hulp
Artikel 5.2 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
1. Het college kan beslissen geen voorziening te treffen als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet wanneer sprake is van gebruikelijke hulp.
1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere of algemene voorzieningen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
2. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot situaties waarin van de ouder(s) gebruikelijke hulp wordt verwacht.
Er is gekozen om, in lijn met VNG, niet meer te spreken van ‘gebruikelijk en boven gebruikelijke hulp’, maar over de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Naar aanleiding van de uitspraak van 29 mei 2024 van de Centrale Raad van Beroep, dient in de verordening gedefinieerd te worden – op grond van
2. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen – ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen – allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. 3. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; of b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 4. Ouders moeten beschikbaar zijn om hun kinderen te ondersteunen en op te voeden. Als het gaat om de eigen mogelijkheden en het
art. 2.9 en 2.3 Jeugdwet – wat het college verstaat onder ‘de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’. In dit artikel is uiteengezet wat de gemeente verwacht van ouder(s).
probleemoplossend vermogen wordt in ieder geval verwacht dat: a. ouders opvang en toezicht van hun kind realiseren, op de volgende momenten: I.
gedurende de dag tot 4 jaar;
II.
buiten schooltijden vanaf 4 jaar (het kind volgt dan onderwijs);
III.
tijdens de nacht, en;
IV.
gedurende het weekend
b. ouders opvang en toezicht realiseren wanneer hun kind (nog) niet volledig naar school gaat, buiten de momenten dat hun kind noodzakelijke jeugdhulp ontvangt; c. ouders hun kind begeleiden bij artsenbezoek, het deelnemen aan sociaal-recreatieve activiteiten zoals een (sport)vereniging, zwemles of buitenspelen; d. ouders de benodigde ondersteuning zelf bieden als de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ (en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 1 van deze verordening); e. ouders de eigen aanvullende zorgverzekering aanspreken indien deze is afgesloten.
5. Er wordt van ouders verwacht dat zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen versterken, zoals genoemd in situaties onder lid 3 sub a t/m c, door: a. oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen; b. het belang van hun kind voor het belang van de (werk)carrière te stellen; c. zorgverlof en andere soorten verlof in te zetten; d. werktijden en aantal werkuren aan te passen; e. het volgen van voorliggend beschikbare trainingen en/of cursussen om opvoedvaardigheden, in relatie tot de problematiek van de jeugdige, te vergroten; f. gebruik te maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; g. het sociaal netwerk in te zetten en te werken aan het vergroten van het sociaal netwerk; h. de jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs te laten volgen; i. de eigen problematiek te verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van
begeleiding of behandel trajecten vanuit het preventief aanbod, Wmo en/of Zorgverzekeringswet. 6. Op het moment dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders (tijdelijk) niet toereikend is kan er een voorziening op basis van de wet worden getroffen voor dit deel van de hulpvraag. Dit is het geval als: a. het college, bij twijfel, door inzet van een gevalideerd instrument en/of een daartoe bevoegd deskundige vaststelt dat ouders overbelast zijn of dreigen te raken; b. er voor een jeugdige van 5 jaar en ouder 24 uur per dag toezicht nodig is ter voorkoming van ernstig nadeel en er (nog) geen aanspraak gemaakt kan worden op een andere voorziening, waaronder de Wlz. Artikel 6.4 toegang dyslexiezorg
Artikel 5.3 Dyslexiezorg
1. Het college kan een individuele voorziening toekennen voor dyslexiezorg op grond van een controle van de checklist vergoede diagnostiek/behandeling ernstige enkelvoudige dyslexie en het leerling-dossier van de basisschool.
1. Het college stelt dyslexiezorg beschikbaar, bestaande uit: a. diagnostiek bij een onderbouwd vermoeden van ernstige dyslexie; b. behandeling van ernstige dyslexie.
2. Het college kan voor het uitoefenen van het eerste 2. Het college kent een individuele voorziening toe voor dyslexiezorg op grond van een controle van lid een poortwachter mandateren. de checklist vergoede diagnostiek/behandeling
Uit rechtspraak en de parlementaire geschiedenis volgt dat dyslexiezorg, waar sprake is van de diagnose ED, onder de Jeugdwet valt. Verduidelijkt dat het college een poortwachter mandateert. Aangepast dat nu het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling
3. Een jeugdige komt in aanmerking voor dyslexiezorg, indien: a. De jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van dertien jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) zit; en b. De basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in de landelijke protocollen leesproblemen en Dyslexie en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige enkelvoudige dyslexie. 4. De individuele voorziening wordt vastgelegd in een beschikking. 5. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de werkwijze van de poortwachter dyslexiezorg en de eisen waaraan het leerlingdossier dient te voldoen.
ernstige dyslexie en het leerling-dossier van de basisschool. 3. Het college mandateert voor het uitoefenen van het tweede lid een poortwachter. 4. Een jeugdige komt in aanmerking voor dyslexiezorg, indien: a. de jeugdige 7 jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) zit; en b. de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie en daarbij is voldaan aan de criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige dyslexie.
Artikel 6.5 Vervoersvoorziening
Artikel 5.4 Vervoer
1. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
1. Het college beoordeelt de eigen mogelijkheden van jeugdige en ouders conform de afwegingsfactoren genoemd in artikel 5.2.
2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
2. Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het
3. Het toekennen van een vervoersvoorziening geschiedt alleen aan de jeugdige wanneer
van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie wordt gebruikt.
Herzien en waar mogelijk vereenvoudigd. In dit artikel wordt teruggegrepen naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, omdat ouders in principe verantwoordelijk zijn voor het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.
aantoonbaar is gemaakt dat er een noodzaak bestaat tot het inzetten van deze voorziening en dat bij gebrek aan deze voorziening de toegang tot jeugdhulp wordt onthouden. De noodzaak van een vervoersvoorziening wordt aannemelijk gemaakt indien: a. sprake is van een vervoersprobleem; en
vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed. 3. Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:
b. aantoonbaar is gebleken dat op eigen kracht of met hulp van de ouder(s) of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor het vervoersprobleem kan worden gevonden; en
a. de jeugdige kan niet reizen met eigen vervoer of het openbaar vervoer, ook niet onder begeleiding van een volwassene, en ouders beschikken niet over passend vervoer om de jeugdige naar de jeugdhulp locatie te vervoeren; en
c. geen oplossing gevonden kan worden voor het vervoersprobleem door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening.
b. er is door ouders aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer; en
4. Daarnaast dient er sprake te zijn van een situatie waarin:
c. de afstand naar de jeugdhulplocatie is meer dan 6 kilometer, gemeten over de weg met behulp van de ANWB-routeplanner met de optie de kortste route per auto.
a. sprake is van een medische noodzaak, omdat de jeugdige indien gebruik gemaakt van het openbaar vervoer of eigen vervoer, een beperking heeft met lopen, instappen of staan of indien er sprake is van desoriëntatie; of b. sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid, omdat: i. de leeftijd van de jeugdige het niet toe laat zelfstandig te reizen met openbaar vervoer,
4. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege beïnvloedbare werkverplichtingen; b. ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl
Waar mogelijk is aansluiting gevonden bij de verordening leerlingenvervoer.
nadat is aangetoond dat de ouder(s) of andere personen in de naaste omgeving niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor begeleiding; of ii. sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken; of iii. andere redenen van niet-medische aard, die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken. Door een deskundige die de beperking en/of de beperkende omstandigheden zoals bedoeld in lid 4 van deze regeling vaststelt. 5. De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in artikel 3 en 4 van dit artikel, wordt uitgevoerd door het college of de Gecertificeerde Instelling in het kader van reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel. 6. De adressen en tijden, die door de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden aangegeven tijdens het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.4 van de verordening ten behoeve van het vervoer worden gebruikt voor de planning van het vervoer. Incidentele wijzigingen van deze adressen en tijden zijn in principe niet mogelijk, onder incidentele wijzigingen worden verstaan: eenmalig vervoer van of naar een andere locatie
een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is; c. de jeugdige is in staat is om zelfstandig met eigen vervoer of met het openbaar vervoer te reizen; d. ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend; e. ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten. 5. Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een individuele voorziening waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 6. De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in lid 2 en 3 van dit artikel, wordt uitgevoerd door het college of de Gecertificeerde Instelling in het kader van reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel.
of eenmalig andere vervoerstijden; in deze gevallen zorgt de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf voor een andere oplossing. 7. De duur van de vervoersvoorziening is gelijk aan de duur die in de beschikking is vermeld of korter indien de betreffende individuele voorziening eerder eindigt. 8. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot dit artikel. Hoofdstuk 7 pgb
Hoofdstuk 7 Aanvullende regels PGB
Artikel 7.1 regels voor pgb
Artikel 7.1 Het persoonsgebonden budget
1. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening en zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder niet passend achten, kunnen zij een pgb aanvragen.
1. Indien de jeugdige of zijn ouders zich in het gesprek zoals bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die het college via de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beschikbaar stelt niet passend achten en een pgb wensen, dan dienen zij hiertoe in aanvulling op het onderzoeksrapport een zorg- en budgetplan op te stellen.
2. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dienen hiertoe in aanvulling een zorg- en budgetplan op te stellen waarin in elk geval is opgenomen: a. Waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
2. In het plan zoals genoemd in het vorige lid is in ieder geval opgenomen: a. de motivatie waarom zorg in natura niet passend en een persoonsgebonden budget gewenst is;
Herzien. Oud artikel 7.1 is opgesplitst in nieuw artikel 7.1 (het persoonsgebonden budget) en nieuw artikel 7.2 (verstrekken van het persoonsgebonden budget). Dit artikel is inleidend en gaat in op het zorg- en budgetplan. Lid 3 is, in lijn met VNG, verplaatst naar een los artikel (artikel 7.7, kosten die zijn uitgesloten).
c. Op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; d. De kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal uur en bijbehorend tarief. 3. Het pgb wordt uitsluitend aangewend voor kosten waarvoor de jeugdhulp is toegekend in de beschikking. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:
b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
a. Kosten voor bemiddeling;
d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
b. Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
e. de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering;
c. Kosten voor het voeren van een pgbadministratie;
f. de motivatie ten aanzien van de pgbvaardigheid aan de hand van de tien punten van de rijksoverheid.
d. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. Kosten voor feestdagenuitkering en/of een eindejaarsuitkering; f. Kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegeld van de zorgverlener; g. Kosten voor overlijdensuitkering; h. Kosten voor reizen. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp van een persoon die behoort tot de informele hulp betrekken onder de volgende voorwaarden:
3. Het college beoordeelt of de in te kopen individuele voorziening die de jeugdige of zijn ouders met een pgb wensen in te kopen van goede kwaliteit, en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is.
a. Als vaststaat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze; b. Indien de ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze jeugdhulp verleent; c. Als er op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb is uitgeoefend bij diens besluitvorming; d. Voor zover de geboden jeugdhulp niet leidt tot onveilige situaties; e. Als het niet gaat om het door het college bij nadere regeling aan te wijzen specialistische begeleiding en/of specialistische behandeling. 5. Het college verstrekt geen pgb als het gaat om spoedeisende- of crisishulp. 6. Het pgb wordt besteed conform het onderzoeksrapport en de beschikking. 7. Een pgb is niet mogelijk voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college en de bestemming noodzakelijk is om gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
8. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 7.2 Verstrekken van persoonsgebonden budget 1. Het college verstrekt een pgb als:
Criteria voor verstrekken a. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op persoonsgebonden budget en weigeringsgronden in één artikel het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door samengevoegd. Deels uit oud artikel 7.1. Verdere aanvullingen in lijn met het college gecontracteerde aanbieder, niet VNG en de Jeugdwet. passend achten; b. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 7.4 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c. naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 7.5 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het onderzoeksrapport opgenomen beoogde resultaat.
2. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de 5 jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd. 3. Het college weigert een persoonsgebonden budget conform artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet als: a. de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura; of b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan de gronden opgenomen in artikel 9.2 tweede lid, onder a, d of f. 4. Een pgb is niet mogelijk voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij
hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college en de bestemming noodzakelijk is om gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp van een persoon die behoort tot de informele hulp betrekken onder de volgende voorwaarden: a. als vaststaat dat deze hulpverlener in staat is tot het verrichten van de zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze; b. indien de ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze jeugdhulp verleent; c. als er op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb is uitgeoefend bij diens besluitvorming; d. voor zover de geboden jeugdhulp niet leidt tot onveilige situaties; e. als het niet gaat om het door het college bij nadere regeling aan te wijzen specialistische begeleiding en/of specialistische behandeling. Artikel 7.2 Onderscheid formele en informele hulp Artikel 7.3 Onderscheid formele en informele hulp
1. Bij het vaststellen van de soort hulp die benodigd is, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als het aantoonbaar is dat de jeugdige professionele jeugdhulp nodig heeft en deze hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder: a. Personen die werkzaam zijn bij een hulpverlenende instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:
Lid 1 is vervallen. Lid 2 sub c, is veranderd in een lid (lid 2).
Wanneer er sprake is van informele a. personen die werkzaam zijn bij een instelling hulp is verkort uitgelegd. die ten aanzien van de voor het pgb uit te Lid 6 is vervallen. voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.