Ruimtelijke motivering Casa Limo
Tekst van het document
Onderzoek
Er is voor het reeds vastgestelde bestemmingsplan van ‘De Stationstuinen 1ste fase’ een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar weg- en railverkeerslawaai en lawaai vanwege bedrijven. Dit onderzoek is uitgevoerd door Antea (document: Akoestisch onderzoek De Stationstuinen 1e fase, projectnummer 0479738.100 ,13 oktober 2023).
17
Uit het onderzoek blijkt dat voor Casa Limo wordt voldaan aan de waarden
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels
alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aan-
van 48 dB (thans opgenomen in het Bkl). Uit deze onderzoeken blijkt dat
dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord wor-
dachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (ar-
er op voorhand geen belemmeringen zijn voor het toevoegen van wonin-
den onder de Omgevingswet.
tikel 5.51 Bkl). Een Rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en
gen binnen het plangebied. Met deze motivering zal het aantal woningen
streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloe-
toenemen, echter zullen de ruimtelijke mogelijkheden niet worden ver-
NIBM
groot. Zo blijven het bouwvlak, bouwhoogte en de beeldkwaliteitseisen ge-
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een acti-
lijk.
viteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreini-
Als besluiten binnen een aandachtsgebied leiden tot een verhoging van de
ging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10
concentraties van luchtverontreinigende stoffen, of als gemeenten activi-
4.3.3
Conclusie
den.
nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in bete-
teiten toestaan die betrekking hebben op wegen, vaarwegen of spoorwe-
Vanuit het milieuaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling
kende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concen-
gen en waarvoor luchtkwaliteitsregels gelden volgens het Bal, moet dit in
van functies aan locaties.
tratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omge-
overweging worden genomen.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgeno-
vingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project bin-
In sommige gevallen kan de achtergrondconcentratie van luchtverontreini-
nen de NIBM-grens blijft:
gende stoffen zo hoog zijn dat de invoering van een nieuw project toch
•
men in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
•
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een
leidt tot overschrijding van de landelijke omgevingswaarden. Dit kan ook
aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen
van toepassing zijn op activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied,
NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit
die de concentraties binnen dat gebied verhogen. Hierdoor moet een ge-
moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54
meente soms een planinitiatief toetsen aan de omgevingswaarden in een
van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar
nabijgelegen aandachtsgebied, zelfs als het initiatief buiten dat specifieke
niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog
gebied valt. Deze beoordeling is met name nodig bij activiteiten die aan-
via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens
zienlijke luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect
niet wordt overschreden.
hebben, zoals extra verkeer of bedrijfsemissies.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening vol-
4.4.2
Onderzoek
doende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een een-
In het MER voor De Stationstuinen is reeds onderzocht wat de effecten
voudige en snelle manier of een project in betekende mate bij-
zijn van het project op de luchtkwaliteit. Daarnaast is gekeken of sprake is
draagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen
van een goed woon- en leefklimaat. In de aanvulling op de MER wordt hier
nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
nog verder op ingegaan. Het volgende wordt geconcludeerd.
Aandachtsgebieden
In en rond het plangebied zijn enkele meetpunten inzichtelijk gemaakt.
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde
Voor fijn stof ligt de toename rond de 0,5 μg/m3. De toenames zijn het ge-
aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concen-
volg van de verkeerseffecten van de ontwikkeling met bijbehorend mobili-
traties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10
teitsbeleid zoals beschreven in het MER.
staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
18
De verkeersresultaten laten zien dat op de Spoorlaan, Zuideinde en de
lieuzaken, maar ook op stedenbouwkundige overwegingen. De term ‘acti-
Volgens de VNG-brochure behoren gebieden met een matige tot sterke
Gebroken Meeldijk de omvang van verkeer afneemt ten opzichte van de
viteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten
functiemenging tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieuzonering
berekeningen van het MER. De concentraties luchtverontreiniging in het
die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De
kan in eerste instantie op basis van de planologisch toegestane milieuca-
gebied zullen daardoor lager liggen dan de resultaten uit het MER. Bij de
term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activitei-
tegorie in beeld gebracht worden. In het bestemmingsplan ‘Bedrijventer-
wegen waar toename van verkeer berekend is, zijn geen gevoelige objec-
ten’.
rein Barendrecht Noordoost’ (vastgesteld op 11 juni 2013) zijn via functie-
ten in de directe omgeving aanwezig. Op basis van deze resultaten is te
aanduidingen maximale milieucategorieën gekoppeld aan de bedrijfsbe-
concluderen dat de luchtkwaliteit in en rond het plangebied voldoet aan de
Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of min-
wettelijke grenswaarden.
dere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belas-
4.4.3
Conclusie
stemmingen.
tend kunnen zijn. Overeenkomstig het Bkl is in de handreiking ‘Activiteiten
In het bestemmingsplan ‘De Stationstuinen 1ste fase’ is vastgesteld dat het
en milieuzonering 2023’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
bouwblok van Casa Limo is gelegen buiten de richtafstanden van omlig-
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige
(VNG) alleen het wonen hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer
gende bedrijven (zie hiervoor paragraaf 5.4 van de toelichting van het be-
toedeling van functies aan locaties.
het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact
stemmingsplan).
4.5
Activiteiten en milieuzonering
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: •
Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;
•
Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. 4.5.1
Toetsingskader
Activiteiten met gebruiksruimte en bijbehorende regels Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De regels zijn niet alleen gericht op mi-
op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. 4.5.3
Conclusie
Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’
Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG biedt on-
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
der de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 4.5.2
Onderzoek
Het plangebied bevindt zich ten oosten van het treinstation van Barendrecht. In de huidige situatie is het gebied in gebruik als bedrijventerrein. In
4.6
Omgevingsveiligheid
4.6.1
Toetsingskader
Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In bijlage VI van het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: •
Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen)
•
Kwetsbaar (gebouwen en locaties)
•
Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)
de toekomst wordt De Stationstuinen een gemengd woon- en werkgebied.
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
19
Risicobronnen
artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. De aanwe-
tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voor-
Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII
zigheid van een landtunnel maakt dat het groepsrisico redelijkerwijs
bereid zijn heb je zelf in de hand”. Bij het sluiten van een huur-
van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het
niet berekend kan worden.
/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico’s
De hogedruk aardgastransportleidingen behoeven niet nader be-
gewezen worden.
gaat om de volgende soorten activiteiten: •
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;
•
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.
•
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieu-
•
•
schouwd te worden. •
Het groepsrisico van de A15 moet verantwoord worden in relatie tot
De beoogde afwijking voorziet wel in meer woningen, maar per saldo zal
artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes.
het aantal gebruikers van de ruimten niet aanzienlijk toenemen.
belastende activiteit in het Bal;
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico heeft de ge-
4.6.3
windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het
meente Barendrecht in het kader van de bestemmingsplanprocedure 1ste
Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een even-
Bal.
fase de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) in de gelegenheid
wichtige toedeling van functies aan locaties.
gesteld om advies uit te brengen. Hoe met dit advies wordt omgegaan Naast de eerder genoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-
staat hieronder beschreven:
schouwd, bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen: •
opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4).
In de verdere fase van planvorming wordt gekeken naar de nieuwe ener-
•
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afde-
giebronnen en onder andere de installatie hiervan en de daarbij beho-
ling 5.1.2.5).
rende veiligheidseisen. Te zijner tijd zal de VRR hierbij worden betrokken.
• •
exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5).
Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen is rekening gehouden met
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (af-
de volgende adviezen van de VRR:
deling 5.1.2.5 Bkl).
•
Draag zorg voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen op-
4.6.2
Onderzoek
treden.
Er is door AnteaGroup een quickscan externe veiligheid in het kader van
•
Bij het realiseren van parkeergarages wordt vermoedelijk de stal-
de bestemmingsplanprocedure 1e fase uitgevoerd. Dit onderzoek is als bij-
ling van elektrische voertuigen mogelijk gemaakt. Dit brengt veilig-
lage 12 bij de toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd. Ook is
heidsrisico’s met zich mee. Hou daar rekening mee.
een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De conclusie luidt als
•
Construeer gebouwen zodanig dat bij een toxische wolk de moge-
volgt. Uit de scan blijkt dat er meerdere risicovolle activiteiten plaatsvinden
lijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen worden verbeterd
in of nabij deze gebieden. Ten behoeve van de verdere besluitvorming is
(conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ra-
het volgende geconcludeerd:
men en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverver-
•
Het risico van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor dient na-
singssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt
der beschouwd te worden in relatie tot het explosiescenario, en ver-
om enkele uren in te schuilen.
antwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden in relatie tot
•
Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de in het
Conclusie
4.7
Trilling
4.7.1
Toetsingskader
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. 4.7.2
Onderzoek
Het planvoornemen maakt een trilling gevoelig gebouw mogelijk, namelijk een gebouw met een woonfunctie. Het is van belang dat de bewoners geen hinder ervaren van trilling door de omgeving. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan 1ste fase is er een onderzoek naar trillingshinder uitgevoerd, waaruit is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op 15 april 2025 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen ProRail en de gemeente Barendrecht welke door de gemeenteraad is be-
plangebied aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
20
krachtigd. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de ge-
Gebiedsbescherming
eel als in combinatie met andere plannen of projecten, te worden geïdenti-
meente een herstelbesluit neemt op het bestemmingsplan De Stationstui-
In Nederland zijn er specifieke gebieden van groot belang voor flora en
ficeerd en beoordeeld, zoals voorgeschreven in artikel 16.53, lid c, van de
nen 1e fase voor mogelijke trillinghinder. Met het opnemen van een extra
fauna, waaronder Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-ge-
Omgevingswet. Een activiteit die potentieel significante nadelige gevolgen
voorwaardelijke verplichting worden nieuwe bewoners aanvullend be-
bieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Deze ge-
kan hebben voor een Natura 2000-gebied wordt aangeduid als een Natura
schermd tegen mogelijke trillinghinder als gevolg van de nabijgelegen
bieden worden beschermd door verschillende wettelijke instrumenten.
2000-activiteit, zoals beschreven in bijlage A van de Omgevingswet. Na-
spoorwegen.
tura 2000-gebieden hebben externe effecten, wat betekent dat ook ingreIn artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet staat dat het verboden is om
pen buiten deze gebieden die verstoring kunnen veroorzaken, moeten
In het bestemmingsplannen 'De Stationstuinen 1e fase' (vastgesteld op 19
zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren.
worden geëvalueerd op hun impact op soorten en habitats.
december 2023) is aan artikel 4 (Gemengd) een voorwaardelijke verplich-
Daarnaast bepaalt lid 2 van hetzelfde artikel dat het eveneens verboden is
ting toegevoegd. Deze voorwaardelijke verplichting regelt dat de gebou-
om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voe-
Een ruimtelijk plan dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een Natura
wen waarin gevoelige functies worden gevestigd, binnen een afstand van
ren. Voor beide gevallen geldt dat afwijkende regelingen kunnen zijn op-
2000-gebied kan alleen worden goedgekeurd als uit een passende beoor-
100 meter van het spoor, alleen in gebruik kunnen worden genomen en
gesteld in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevings-
deling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal
worden gehouden, als de trillingsniveaus van deze gebouwen voldoen aan
verordening of een ministeriële regeling.
aantasten. Bij verkregen zekerheid kan vergunningverlening plaatsvinden,
de voorschriften uit de SBR richtlijn B: Hinder voor personen in gebouwen;
zoals bepaald in artikel 8.74, lid b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving
meet- en beoordelingsrichtlijn (augustus 2002). Bij de aanvraag omge-
Hoofdstuk 11 van het Bal behandelt de vergunningplicht voor Natura
(Bkl). Als er echter geen zekerheid is verkregen, kan het plan toch worden
vingsvergunning bouwen wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de ge-
2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. In dit hoofdstuk zijn tevens
goedgekeurd mits wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
stelde eisen.
de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijk-
1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
heden tot maatwerk. Indien geen vrijstelling van toepassing is, dient een
2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang,
omgevingsvergunning te worden aangevraagd, waarbij onderscheid wordt
met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling
gemaakt tussen enkelvoudige en meervoudige aanvragen, afhankelijk van
3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om
van functies aan locaties.
de aard van de activiteit (flora- en fauna-activiteit en/of Natura 2000-activi-
te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-net-
teit).
werk bewaard blijft.
4.7.3
Conclusie
4.8
Natuur en landschap
4.8.1
Toetsingskader
Natura 2000-gebieden
De criteria voor het beoordelen van de omgevingsvergunning voor Natura
Met ingang van 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in
De bescherming van Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de Europese
2000-activiteiten worden beschreven in afdeling 8.6 van het Besluit kwali-
de Omgevingswet. Binnen het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter be-
Vogel- en Habitatrichtlijn. De minister van Landbouw, Natuur en Voedsel-
teit leefomgeving (Bkl). Deze beoordelingsmaatstaven zijn vastgesteld bin-
scherming van de natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de
kwaliteit wijst deze gebieden aan via een aanwijzingsbesluit, zoals be-
nen het aanvullingsspoor Natuur.
huidige regelgeving in de Wet natuurbescherming. Het betreft met name
paald in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Bovendien stelt hij op basis
voorschriften voor de bescherming van aangewezen Natura 2000-gebie-
van artikel 2.43 van de Omgevingswet de instandhoudingsdoelstellingen
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
den, regels ter bescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels)
vast. Nederland beschikt over meer dan 160 Natura 2000-gebieden.
De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de
en voorschriften met betrekking tot de bescherming van houtopstanden.
Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet
De regelgeving met betrekking tot gebieds- en soortenbescherming vindt
Bij de voorbereiding van een omgevingsplan dienen mogelijke significante
en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Om-
haar oorsprong grotendeels in twee Europese richtlijnen, namelijk de Vo-
effecten als gevolg van projecten, plannen en activiteiten, zowel individu-
gevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en
gelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
21
instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, ge-
gelgeving tot concrete maatregelen die gericht zijn op het behouden, vesti-
Houtopstanden
naamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kern-
gen of uitbreiden van populaties van verschillende soorten. In overeen-
Bomen en bossen vallen onder ‘houtopstanden’ en vervullen belangrijke
gebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones
stemming met artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet rust de pri-
en unieke functies in de fysieke leefomgeving, zoals het invangen van fijn-
met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agra-
maire verantwoordelijkheid hiervoor doorgaans bij de provincies. Niettemin
stof, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water of het verminde-
risch gebieden te verbinden. Ook is het gericht op de bescherming, de in-
hebben ook decentrale overheden de mogelijkheid actief beleid te voeren,
ren van grote temperatuurschommelingen in stedelijk gebied, en het vor-
standhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instand-
bijvoorbeeld door het opstellen van programma's voor soortenbescher-
men van een belangrijk leefgebied voor tal van planten en diersoorten.
houding van aanwezige dier- en plantensoorten, typen natuurlijke habitats
ming.
Gezien de langdurige ontwikkelingstijd van bossen is hun bescherming
en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
van aanzienlijk belang. De bescherming van houtopstanden is daarom
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden maken del uit van het NNN.
Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrij-
vastgelegd in de Omgevingswet. De regelgeving omtrent de bescherming
Het NNN omvat niet alleen natuurgebieden op land, maar omvat ook alle
wel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden nagegaan of er
van houtopstanden is opgenomen in Afdeling 11.3 van het Besluit Activi-
grote wateren in Nederland, zoals de grote rivieren, het IJsselmeer en de
specifieke soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Zoals eerder
teiten Leefomgeving (Bal). Conform artikel 11.126 van het Bal is het kap-
Waddenzee. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-ge-
aangegeven, wordt in hoofdstuk 11 van het Bal bepaald wanneer een om-
pen van houtopstanden onderworpen aan een algemene meldplicht. Daar-
bieden aan.
gevingsvergunning vereist is.
naast geldt op basis van artikel 11.129 van het Bal een verplichting tot
Activiteiten in deze gebieden mogen alleen plaatsvinden indien ze geen
Stikstof
meer, evenals voor bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten
nadelige effecten hebben op de essentiële kenmerken of waarden van het
Stikstofemissie betreft de uitstoot van stikstof, afkomstig van bijvoorbeeld
de zogenaamde 'bebouwingscontour houtkap'. De bebouwingscontour
gebied, of als dergelijke effecten kunnen worden voorkomen of vermin-
verkeer, energiecentrales en industriële activiteiten. Stikstofdepositie is de
houtkap moet worden aangewezen in het omgevingsplan, zoals bepaald
derd door het implementeren van mitigerende maatregelen.
neerslag van stikstof op de grond. Met name voor de natuur vormt dit een
in artikel 5.165, lid b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Boven-
uitdaging, omdat het de bodem verrijkt met voedingsstoffen, wat nadelig is
dien is er een specifieke zorgplicht (artikel 11.116 van het Bal) van toepas-
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
voor de biodiversiteit in het betreffende gebied. Het behoud van alle plan-
sing op het kappen van houtopstanden, het herbeplanten van grond, of na
Naast de Natura 2000-gebieden heeft de minister van Landbouw, Natuur
ten- en diersoorten vereist zowel voedingsrijke als voedingsarme bodems.
het tenietgaan van een houtopstand op andere wijze.
den aan te wijzen, zoals vastgelegd in artikel 2.44, lid 2 van de Omge-
Wanneer een project zich nabij een Natura 2000-gebied bevindt en poten-
4.8.2
vingswet. Daarnaast kan de provincie in de omgevingsverordening speci-
tieel significante stikstofuitstoot en -depositie kan veroorzaken, is het ver-
Voor het bestemmingsplan ‘De Stationstuinen 1ste fase’ is een ecologisch
fieke provinciale natuurgebieden en landschappen als bijzonder aanwij-
plicht een stikstofberekening uit te voeren (voor de bouw- en/of gebruiks-
onderzoek verricht. Dit onderzoek is als bijlage 13 toegevoegd aan de toe-
zen, conform artikel 2.44, lid 5 van de Omgevingswet.
fase) met behulp van het rekeninstrument AERIUS. In artikel 4.15 van de
lichting van het bestemmingsplan. Het ecologisch onderzoek dateert van
Omgevingsregeling staat deze methode vermeld voor het berekenen van
10 februari 2023. In het onderzoek is gebleken dat voor de locatie Casa
Soortenbescherming
stikstofdepositie bij Natura 2000-activiteiten. Om het project te kunnen uit-
Limo geen vervolgonderzoeken nodig zijn in het kader van beschermde
Onder de Omgevingswet worden tal van dier- en plantensoorten be-
voeren, mogen de berekende resultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
soorten.
schermd, met aandacht voor soorten van Europees belang die vallen on-
Wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan, kunnen negatieve signifi-
der de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals bepaalde soor-
cante effecten op het betreffende Natura 2000-gebied op voorhand wor-
Voor de overige delen van het plangebied van ‘De Stationstuinen 1 ste fase’
ten van nationaal belang. De bescherming van soorten vindt zowel binnen
den uitgesloten, waardoor het project op basis daarvan kan worden voort-
is wel nader ecologisch onderzoek noodzakelijk ten aanzien van de vleer-
als buiten het NNN plaats. Deze bescherming kan variëren van wet- en re-
gezet.
muis en marterachtigen. Deze soorten zijn voor de locatie Casa Limo niet
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
22
herbeplanting voor houtopstanden met een oppervlakte van 10 are of
en Voedselkwaliteit de bevoegdheid om bijzondere nationale natuurgebieOnderzoek
relevant. Volledigheidshalve wordt vermeld dat het nader onderzoek in-
Het Bkl bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige ge-
van het initiatief op afvalwater, grondwater, oppervlaktewater, hemelwa-
middels is uitgevoerd en blijkens dit onderzoek een omgevingsvergunning
bouwen op bodemgevoelige locaties. Bij het bepalen van de waarden voor
ter/regenwater en drinkwater. De weging van het waterbelang zorgt er
flora- en fauna activiteit benodigd is voor de vleermuis. Deze omgevings-
de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventie-
voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en
vergunning is inmiddels ook verleend op 10 juli 2025.
waarden voor de verschillende stoffen in de bodem en neemt de ge-
een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvor-
meente de grenswaarden in acht (artikel 5.89i en 5.89j Bkl). Bij overschrij-
ming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl).
Onderzoek Stikstofdepositie
ding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door
Voor het bestemmingsplan ‘De Stationstuinen 1ste fase’ is een stikstofon-
de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maat-
Daarbij is het van belang dat waterbeheerders vroegtijdig worden betrok-
derzoek uitgevoerd. Aangezien dit onderzoek dateert van 2023 en de ont-
regelen worden getroffen (artikel 5.89k en 5.98ka Bkl).
ken bij de planvorming. Ook is het belangrijk dat er op een gestructu-
wikkelingen op het gebied van stikstof zijn gewijzigd is er een nieuwe stik-
reerde wijze afstemming tussen het waterschap en de gemeente plaats-
stofberekening uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd bij de
Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grond-
vindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang
ruimtelijke motivering. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS
verzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie in-
is.
Calculator voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen rekenre-
gedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie (artikel 5.89p
sultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habi-
Bkl). Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aan-
Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvor-
tats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daar-
gewezen (artikel 5.89o Bkl).
ming kunnen initiatiefnemers online middels de digitale watertoets nagaan
mee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. 4.8.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect natuur en landschap is er sprake van een even-
of hun project voldoende rekening houdt met de waterbelangen. Uit de di4.9.2
Onderzoek
het project en waarom. Aanvullend op dit advies dient in onderhavige
tie/activiteit wonen reeds toegestaan. Met de toevoeging van het aantal
ruimtelijke motivering verantwoording afgelegd te worden over de manier
woningen zal hierin geen functionele wijzigingen worden aangebracht.
waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders. Dit gebeurt
wichtige toedeling van functies aan locaties.
meestal in de ‘weging van het waterbelang’ van het ruimtelijke project. Dit 4.9.3
4.9
Bodem
4.9.1
Toetsingskader
Het meewegen van de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit is onderdeel
gitale watertoets volgt een advies welke wateraspecten relevant zijn voor
Op basis van het bestemmingsplan ‘De Stationstuinen 1ste fase’ is de func-
Conclusie
proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ (onder de oude
Vanuit het milieuaspect bodem is er sprake van een evenwichtige toede-
wetgeving bekend als de watertoets) een plaats bij het evenwichtig toede-
ling van functies aan locaties.
len van functies aan locaties.
van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie
4.10
Weging van het waterbelang
tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een omgevings-
4.10.1
Toetsingskader
plan bevat daarom in ieder geval waarden voor de toelaatbare kwaliteit
Het milieuaspect water vormt een integraal onderdeel van het omgevings-
van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een
beleid. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader
bodemgevoelige locatie. Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van
van het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.37, lid 1, een ‘weging van
een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per
het waterbelang’ uit te voeren bij ruimtelijke plannen, zoals nieuwbouwpro-
dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of
jecten. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de wa-
perceel maakt hier onderdeel van uit.
terhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Middels de
4.10.2
Onderzoek
Met onderhavige ontwikkelingen worden geen nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. Het gaat enkel om het toevoegen van extra woningen binnen de bestaande ruimtelijke mogelijkheden. 4.10.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect weging van het waterbelang is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
23
4.11
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
4.11.1
Toetsingskader
vinden in artikel 5.129 van het Bkl, waar een instructieregel is opgenomen Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om deze ele-
met betrekking tot het behoud van het uitzicht op de vrije horizon van de
De Omgevingswet streeft naar een evenwichtige benadering van het be-
menten te beschermen via hun omgevingsplannen. Een cruciale overwe-
zee. Een ander voorbeeld betreft de instructieregel over het cultureel erf-
nutten en beschermen van de fysieke leefomgeving, met specifieke aan-
ging hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed zich binnen hun
goed, waarbij onder andere de bescherming van cultuurlandschappen
dacht voor diverse belangen, waaronder cultureel erfgoed. Sinds 2016 is
grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke specifieke elementen
wordt benadrukt. Overheden dienen ook rekening te houden met land-
de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erf-
men wil (of moet) beschermen. Hierbij dienen de instructieregels in de arti-
schappelijke kwaliteit bij het toewijzen van functies aan locaties, zoals be-
goed ondergebracht in de Erfgoedwet. Deze wet, in combinatie met de
kelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de al-
paald in artikel 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet.
Omgevingswet, biedt een allesomvattende bescherming van het cultureel
gemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefom-
erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen re-
geving (Bal) (met betrekking tot rijksmonumenten en werelderfgoed) in
4.11.2
acht te worden genomen.
Met onderhavige ontwikkelingen worden geen nieuwe bouwmogelijkheden
kening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed, inclusief werelderfgoed. Dit vereist een grondige inventarisatie en analyse van het
Onderzoek
mogelijk gemaakt. Het gaat enkel om het toevoegen van extra woningen
erfgoed binnen hun grenzen, gevolgd door het opnemen van een passend
Provincies en gemeenten krijgen hierbij ondersteuning van specialisten
beschermingsregime in het omgevingsplan.
van zowel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als het ministe-
binnen de bestaande ruimtelijke mogelijkheden.
rie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries dra-
4.11.3
Conclusie
In het omgevingsplan van de gemeente Barendrecht is cultureel erfgoed in
gen bij aan de ontwikkeling van de wet en de daarbij behorende regels,
Vanuit het milieuaspect archeologie, cultuurhistorie en landschap is er
paragraaf 22.2.6 opgenomen. In artikel 22.22 wordt vermeld dat indien
zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
een activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2,
en leveren kennis en informatie voor andere overheidsinstanties.
de voorschriften voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek in het
De wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed
kader van een omgevingsvergunningaanvraag of de uitvoering van een
en archeologie in Nederland is vastgelegd in het Bkl, Bal, en de provinci-
werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing
ale/gemeentelijke omgevingsplannen. Op basis hiervan is het verplicht om
zijn. In artikel 22.28 worden inperkingen hierop gegeven. Ook wordt in arti-
bij de afweging van belangen de vijf elementen van cultureel erfgoed in
kel 22.286, lid 2 aangegeven dat bij een aanvraag om een omgevingsver-
overweging te nemen.
gunning een rapport verstrekt dient te worden waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
Voor de bescherming van het landschap in Nederland is het Europees landschapsverdrag van toepassing. Dit verdrag erkent de landschappen
Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen1:
als integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Volgens artikel 1.2,
•
Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed)
lid 1, sub g van de Omgevingswet worden ‘landschappen’ officieel aange-
•
Archeologische monumenten
merkt als onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het beleid met betrek-
•
Stads- en dorpsgezichten
king tot landschappen kan worden vastgelegd in een omgevingsvisie door
•
Cultuurlandschappen
het Rijk, de provincie of de gemeente. Sommige landschapswaarden zijn
•
Roerend en immaterieel erfgoed
ook verankerd in instructieregels van het Bkl. Een voorbeeld hiervan is te
1
https://www.cultureelerfgoed.nl/binaries/cultureelerfgoed/documenten/publicaties/2020/01/01/handreiking-begrippenkader-cultureel-erfgoed-onder-de-omgevingswet/Handreiking-Begrippenkader-cultureel-erfgoed-onder-Omgevingswet-2022.pdf
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
24
5
Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1
Voor onderhavige procedure is er sprake van het adviesrecht van de gemeenteraad, conform het raadsbesluit ‘Lijst van gevallen toepassing adviesrecht Omgevingswet’ omdat de ontwikkeling voorziet in meer dan 10 nieuwe woningen.
Financieel-economische haalbaarheid
Kostenverhaal houdt de verplichting voor de gemeente in om er in dat ge-
5.2.3
Bezwaar en beroep
val voor te zorgen dat de kosten, die zij maakt om deze ruimtelijke ontwik-
Na de besluitvorming bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om
keling mogelijk te maken, verhaald worden op de initiatiefnemer.
bezwaar aan te tekenen. Na het bezwaar is er nog de gelegenheid voor beroep en hoger beroep.
In artikel 13.13 van de Omgevingswet staat aangegeven dat bij de volgende planologische besluiten het kostenverhaal aan de orde kan zijn: •
Bij het wijzigen van het omgevingsplan
•
Bij een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omge-
vingsplanactiviteit Het kostenverhaal zal plaatsvinden via een anterieure overeenkomst.
5.2
Maatschappelijke verantwoording
5.2.1
Participatie en omgevingsdialoog
In het kader van de vaststelling van het ontwikkelkader en de bestemmingsplannen heeft er uitvoerig participatie plaatsgevonden. Voor de ontwikkeling van Casa Limo zal aanvullend participatie plaatsvinden. In oktober 2025 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarin de beoogde ontwikkeling wordt toegelicht waarbij betrokkenen om input worden gevraagd over diverse onderdelen van de ontwikkeling. Van deze bijeenkomst is een verslag gemaakt en als bijlage bij dit document toegevoegd.. 5.2.2
Vaststellingsprocedure
Voor de omgevingsvergunningaanvraag voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de reguliere procedure gevolgd. De beslistermijn begint te lopen zodra de aanvraag is ontvangen. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt.
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
25
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Parkeer- en verkeersonderzoek Goudappel Bijlage 2: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 3: Participatie Casa Limo
Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
26
Amsterdam Nachtwachtlaan 20 1058 EA Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ‘s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 Info.bro@movares.nl www.movares.com Ruimtelijke motivering Casa Limo (veld B1) Stationstuinen
27