CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

PlanMER Windenergie Vaanplein 0.4 220711

commissie Ruimte 4 oktober 2022, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Windenergie Vaanplein22.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Soortenbescherming

Het plangebied is gelegen tussen de bebouwing van Rotterdam-Zuid en de A15 en betreft een bosrijk groen parklandschap dat bestaat uit het Vaanbos, Kooiwalbos en enkele omliggende waterrijke gebieden. Binnen het plangebied kunnen verschillende beschermde soorten voorkomen die een binding hebben met het gebied. Hieronder staat de beoordeling per soortgroep kort beschreven. Vogels Effectbeoordeling planMER

77

Windturbines Vaanplein PlanMER

De verschillende MER-alternatieven worden in hetzelfde landschapstype geprojecteerd. De alternatieven hebben verschillende ashoogten, rotordiameters en tiphoogten. De alternatieven ‘klein’ en ‘groot’ variëren in ashoogte , rotordiameter en tiphoogte. Deze verschillende afmetingen zorgen voor verschillen in rotoroppervlak, draaisnelheid en afstand van de grond tot de rotor. Dit kan van invloed zijn op de aanvaringskans en dus sterfte van vogelsoorten. Echter hebben studies hiervoor nog geen eenduidig effect gevonden (Barclay et al., 2007; Krijgsveld et al., 2009; Loss et al., 2013; Klop et al., 2014; Thomsen et al., 2017). De reden hiervoor kan zijn, dat de twee effecten (hoogte en diameter) in tegengestelde richting werken. Een grotere rotordiameter beslaat een groter oppervlak, waardoor de aanvaringskans voor vogels groter is (Buij, 2018). Tegelijkertijd draaien grotere rotorbladen met een lagere snelheid, wat de aanvaringskans voor vogels kleiner is. Verder is er meer ruimte tussen grotere windturbines in verhouding tot de ruimte tussen kleine windturbines. Hierdoor kunnen vogels makkelijker tussen de windturbines doorvliegen en hierbij de rotoren vermijden. Als laatste is het aanvaringsrisico afhankelijk van weersomstandigheden, de vlieghoogtes van soorten, het vlieggedrag, de seizoenen (broedperiode, niet-broedperiode, nestfase) (de Grijs, 2018).

Aangezien de uitkomsten van de verschillende wetenschappelijk onderzoeken niet eenduidig zijn, kan er geen zekerheid worden gegeven over het effect van aanvaringen bij een toenemende ashoogte en/of rotorhoogte. Vanwege de onzekerheid over het effect is het uitgangspunt dat er bij de beoordeling geen verschil in aanvaringsslachtoffers zijn bij de verschillende windturbinetypen. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde van 20 slachtoffers per turbine per jaar onder vogels. Dit getal is gebaseerd op verschillende slachtofferonderzoeken van bestaande windparken in Nederland en België in de afgelopen 15 jaar. Dit betekent dat voor alternatief ‘3x groot’ en ‘3x klein’ 60 slachtoffers vallen en voor alternatief ‘2x groot’ 40 slachtoffers per jaar. Echter zijn deze onderlinge verschillen gering, waardoor de inrichtingsalternatieven niet onderscheidend zijn. Binnen het projectgebied bevinden zich verschillende nesten van algemene zangvogels, maar ook jaarrond beschermde nesten van de buizerd, sperwer en boomvalk. Daarnaast ligt potentieel foerageergebied voor deze soorten binnen het plangebied. Bij de bouw van een windpark kunnen deze broed- en foerageerlocaties verloren gaan. Windturbines met een grotere rotordiameter geven een grotere overdraai, waardoor meer gebied wordt bezet. Het alternatief ‘3x groot’ is daarom het minst gunstig, gevolgd door alternatief ‘3x klein’.

Alternatief ‘2x groot’ scoort derhalve het gunstigste. Echter zijn de verschillen tussen de MER-alternatieven nihil en zal verder ecologisch onderzoek zal moeten uitwijzen of de beschermde nesten nog steeds in gebruik zijn. Daarnaast kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen om de effecten op vogels in de bouwfase te verminderen. Vleermuizen Het plangebied bestaat uit bosrijk gebied, met in het oosten en westen een halfopen landschap met bomenlanen, omliggende bebouwingen en water. Derhalve is de verwachting hoog dat het plangebied bestaat uit foerageergebied voor vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Daarnaast bevat het plangebied (oude) populieren die geschikt zijn als ver-

Effectbeoordeling planMER

78

Windturbines Vaanplein PlanMER

blijfplaatsen voor verschillende vleermuizen. Indien de windturbines binnen 50 meter van deze bomen komen te staan en/of bomen moeten worden gekapt, kunnen negatieve effecten op vleermuizen optreden. Per MER-alternatief dient nader te worden onderzocht of er binnen het alternatief bomen voorkomen die als verblijfplaats dienen voor vleermuizen. Als mitigerende maatregel kunnen eventueel alternatieve verblijfplaatsen worden gebouwd. Net zoals bij vogels kunnen windturbines voor aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen zorgen. Vleermuizen maken voor vliegroutes gebruik van duidelijke vaste lijnstructuren, zoals bomenrijen, rivieren, kanalen etc. Aangezien elk MER-alternatief zich in overeenkomstig landschap bevindt, geldt over het algemeen dat er meer slachtoffers vallen bij een grotere hoeveelheid aan windturbines. Echter hebben de afmetingen van de windturbines ook een effect op het aantal aanvaringen. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat windturbines met een grotere ashoogte meer slachtoffers onder vleermuizen veroorzaken dan lagere windturbines (Barclay et al., 2007; Thaxter et al., 2017; de Grijs, 2018). Op basis hiervan scoort alternatief ‘3x groot’ het minst gunstig, opgevolgd door alternatief ‘2x groot’ en ‘3x klein’. Een te hoge sterfte door aanvaringen onder vleermuizen kan goed gemitigeerd worden door een stilstandvoorziening.

Overig beschermde soorten De aanwezigheid van de vlindersoort iepenpage is bekend in (voornamelijk) het oostelijke deel van het plangebied. De soort komt voor in (vochtige) loofbossen met iepen. Binnen het plangebied komen meerdere clusters iepen voor in het oostelijke gedeelte, rondom de oostelijke windturbine van alternatieven ‘3x klein’ en ‘2x groot’ en rondom de middelste windturbine van MER-alternatief ‘3x klein’. Nader onderzoek is noodzakelijk om de specifieke locaties vast te stellen. Daarnaast komen grote koekoekshommel en oranje zandoogje en bruin blauwtje (Rode Lijst) voor binnen een klein gedeelte van het plangebied. Binnen het plangebied is voor de steenmarter potentieel habitat aanwezig (ruigten en dichte ondergroei), waar eventuele rust- en verblijfplaatsen van steenmarters aanwezig kunnen zijn. Hierdoor kan de aanwezigheid van de steenmarter niet worden uitgesloten. Indien bij nader ecologisch onderzoek wordt aangetoond dat bovengenoemde soorten (steenmarter en iepenpage) voorkomen, kunnen negatieve effecten worden voorkomen door mitigerende maatregelen zoals vervangend leefgebied. Voor de soortgroep ‘grondgebonden zoogdieren’ is de aanwezigheid van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren niet bekend6. Voor de soortgroepen ‘vissen’ en ‘reptielen & amfibieën7’ is weinig tot geen geschikt habitat aanwezig binnen het plangebied van alle MER-alternatieven.

Voor wat betreft de soortgroep ‘flora’ is potentieel geschikt habitat aanwezig, echter betreft dit slechts kleine delen van het

6

Haas, konijn, wezel, hermelijn en bunzing kan aanwezig zijn, maar hiervoor geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. 7 De gewone pad kan aanwezig zijn, maar hiervoor geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen.

Effectbeoordeling planMER

79

Windturbines Vaanplein PlanMER

gehele plangebied in de nattere delen van het plangebied (slootranden, oeverzones en moerasachtige habitattypen).

7.8.4

Conclusie

De alternatieven scoren op basis van de criteria uit 7.8.1 en 7.8.2 als volgt: Tabel 48

Conclusie aspect ecologie Beschermde gebieden Bouwfase Natura 2000 Exploitatiefase Natura 2000 Beschermde soorten Bouwfase: vogels Bouwfase: vleermuizen Bouwfase: overige soorten Exploitatiefase: vogels Exploitatiefase: vleermuizen Exploitatiefase: overige soorten

7.9

3x klein 0 0

2x groot 0 0

3x groot 0 0

0 0

0 0

0 -0

Energieopbrengst en vermeden emissies

Wanneer windturbines elektriciteit produceren wordt op dat moment minder ‘grijze’ stroom door kolen- en (vooral) gascentrales geproduceerd, met bijbehorende vermindering van CO2-, fijnstof en emissies van verzurende stoffen. In het MER vindt een analyse plaats van het voorkomen van emissies elders.

7.9.1

Referentiesituatie

In de referentiesituatie is er op de locaties geen sprake van opwekkingen van elektriciteit met behulp van windenergie.

7.9.2

Beoordelingscriterium en effectbeoordeling

De elektriciteitsproductie per MER-alternatief is het beoordelingscriterium. Ter illustratie wordt deze productie ook uitgedrukt in vermeden emissies: in Nederland wordt per opgewekte GWh aan grijze stroom gemiddeld 557 ton CO2 uitgestoten8. De emissie-intensiteit van de totale elektriciteitsmix is 480 ton CO2/GWh. Deze uitstoot wordt met de opwekking van windenergie gemitigeerd. De vermindering van deze emissies is een direct gevolg van de energieopbrengst. Tabel 49

Beoordelingscriterium energieopbrengst en vermeden emissies Thema Beoordelingscriterium Energieopbrengst Elektriciteitsproductie

8

Methode Kwantitatief

Wielders en Nusselder, Emissiekentallen elektriciteit, CE Delft, januari 2020.

80 Effectbeoordeling planMER

Windturbines Vaanplein PlanMER

De effectbepaling in dit MER wordt gegeven in de genoemde 5-punts schaal van ‘-‘ tot ‘+ +’. In onderstaande tabel wordt de specifieke invulling van deze schaal voor het milieuaspect ´energieopbrengst´ toegelicht. Tabel 50

Beoordelingstabel energieopbrengst/vermeden emissies. Elektriciteitsproductie – aantal windturbines -n.v.t.

n.v.t.

7.9.3

0 0 – 25 GWh/jaar

+ 25 – 50 GWh/jaar

++ > 50 GWh/jaar

Analyse

Uitgaande van de twee windturbinetypen (alternatief klein en alternatief groot) kan op basis van de gemiddelde windsnelheid op ashoogte een inschatting worden gemaakt van de jaarlijkse elektriciteitsproductie per windturbine. Deze jaaropbrengst hangt enerzijds af van hoe vaak het hoe hard waait, en anderzijds van hoeveel vermogen de windturbine levert bij verschillende windsnelheden. Het KNMI heeft voor heel Nederland informatie beschikbaar over het langjarig gemiddelde windaanbod. Fabrikanten van windturbines stellen gegevens beschikbaar over het vermogen van hun windturbines. Onderstaande grafiek toont de gegevens waarop de berekening van de verwachte jaarlijkse elektriciteitsproductie is gebaseerd. Figuur 39

Windsnelheidsverdeling op 87m ashoogte en het vermogen van het alternatief klein (rotordiameter 126 meter, vermogen 3,45 MW). 16%

7000 Windsnelheidsverdeling

14%

Energieopbrengst

5000

10%

4000

8% 3000

6%

2000

4%

Vermogen (kW)

Frequentie

12%

6000

1000

2% 0%

0

1

3

5

7

9

11

13

15

17

19

21

23

25

Windsnelheid op ashoogte (m/s)

Effectbeoordeling planMER

81

Windturbines Vaanplein PlanMER

Windsnelheidsverdeling op 165m ashoogte en het vermogen van de alternatieven ‘groot’ (rotordiameter 170 meter, vermogen 6,6 MW). 12%

7000

10%

6000 5000

8%

4000 6%

Windsnelheidsverdeling

4%

Energieopbrengst

3000

2000

2%

Vermogen (kW)

Frequentie

Figuur 40

1000

0%

0

1

3

5

7

9

11

13

15

17

19

21

23

25

Windsnelheid op ashoogte (m/s)

Combinatie van de gegevens uit bovenstaande figuur leidt tot een bruto-productie van het kleine type per windturbine van 10.770 MWh per jaar. Voor het grote type is de energieopbrengst 28.300 MWh per windturbine. Voor het planMER doen wij de aanname dat windturbines in de praktijk een nettoproductie hebben die ca. 13% lager ligt dan de bruto productie, i.v.m. zogeffecten en andere verliezen. Dit betekent een jaarlijkse netto-productie van 9.370 MWh voor het kleine alternatief en 24.621 MWh voor het grote alternatief per windturbine per jaar. Wanneer windturbines elektriciteit produceren wordt op dat moment minder uitstoot veroorzaakt van CO2, fijnstof en emissies van verzurende stoffen door fossiele alternatieven. De emissies per gemiddelde opgewekte MWh zijn in Nederland als volgt9,10: Tabel 51

Uitstoot per MWh (op basis van energiemix in NL). CO2 NOX Uitstoot per MWh 480 kg 0,71 kg

SO2 0,39 kg

De beoordeling op basis van het aantal windturbines wordt dan als volgt.

3x groot

Aantal windturbines

2x groot

Resultaten opbrengst en vermeden emissies per alternatief.

3x klein

Tabel 52

3

2

3

9

Voor de individuele emissies van NOx, SOx en fijnstof: Otten M. & Afman M., 2015. Emissiekentallen elektriciteit. CE Delft. 10 Voor de ketenemissies (gram CO2-eq./kWh): Wielders en Nusselder, Emissiekentallen elektriciteit, CE Delft, januari 2020.

Effectbeoordeling planMER

82

Windturbines Vaanplein PlanMER

Figuur 41

Energieopbrengst (GWh)

28

49

74

Vermeden uitstoot CO2 - kton Vermeden uitstoot NOx - ton Vermeden uitstoot SOx - ton

13 20 11

24 35 19

35 52 29

Energieproductie van de 3 MER-alternatieven, grafisch weergegeven.

7.9.4

Conclusie

De opstellingen scoren als volgt:

Tabel 53

Conclusie energieopbrengst

Energieopbrengst

Effectbeoordeling planMER

3x klein

2x groot

3x groot

+

+

++

83

Windturbines Vaanplein PlanMER

7.10

Overzichtstabel

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de scores van de verschillende planMER-alternatieven. Tabel 54 Thema Geluid

Gezondheid Slagschaduw

Overzichtstabel milieueffecten van locatiealternatieven. Beoordelingscriterium Aantal woningen binnen 37 dB Lden-contour Aantal woningen binnen 42 dB Lden-contour Aantal woningen binnen 47 dB Lden-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 37 dB Lden-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 42 dB Lden-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 47 dB Lden-contour Overige locaties met een max. geluidsbelasting van >47 dB Lden Toename cumulatieve GES-score Toename cumulatieve GES-score/GWh/jr Absoluut – aantal woningen binnen 1u-contour Absoluut – aantal woningen binnen 6u-contour Absoluut – aantal woningen binnen 10u-contour Relatief – aantal woningen binnen 1 u-contour per GWh/jr Relatief – aantal woningen binnen 6 u-contour per GWh/jr Relatief – aantal woningen binnen 10 u-contour per GWh/jr Slagschaduwbelasting bij nabijgelegen overige terreinen % stilstand om alle slagschaduw op woningen te voorkomen

3x klein ---

2x 3x groot groot ----0 ---

0 -

------

---------

Externe veiligheid Bebouwing Wegen Spoorwegen Industrie en inrichtingen Hoogspanningsinfrastructuur IJsafworp Bodem Bodemkwaliteit o.b.v. Bodematlas Zuid-Holland

0 0 0 0

0 0 0 0

0 0 0 -0

Water Archeologie Landschap

Ligging t.o.v. grondwaterbeschermingsgebieden/waterwingebieden Noodzaak tot archeologisch vervolgonderzoek Effect op de bestaande structuren Herkenbaarheid van de opstelling Visuele interferentie met andere windparken Ligging t.o.v. cultuurhistorisch waardevolle gebieden en objecten Beleving windturbines in het landschap Oppervlakte bomen

0 0 0 -

0 0 0 ---

0 0 0 --

Ecologie

Beschermde gebieden - Bouwfase Natura 2000 Beschermde gebieden - Exploitatiefase Natura 2000 Beschermde soorten - Bouwfase: vogels Beschermde soorten - Bouwfase: vleermuizen Beschermde soorten - Bouwfase: overige soorten Beschermde soorten - Exploitatiefase: vogels Beschermde soorten - Exploitatiefase: vleermuizen Beschermde soorten - Exploitatiefase: overige soorten

0 0 0 0

0 0 0 0

0 0 0 -0

+

+

++

Energieopbrengst Energieopbrengst

Effectbeoordeling planMER

84

Windturbines Vaanplein PlanMER

7.11

Kleinere windturbinetypes

Naar aanleiding van zienswijzen is op hoofdlijnen onderzocht in hoeverre kleinere windturbines (tiphoogte max. 100 meter) tot een realiseerbare opstelling zouden kunnen leiden. Figuur 42

Schematische weergave van de afmetingen van de MER-alternatieven ten opzichte van een type met een tiphoogte van 100 meter.

Hierbij moet voorop gesteld worden dat een dergelijke opstelling waarschijnlijk niet realiseerbaar is, om twee redenen: 1. Een opstelling bestaande uit dergelijke windturbines kan niet voldoen aan de provinciale eis om minimaal 9 MW windenergie te realiseren op de locatie Vaanplein. 2. De kostprijs van windenergie uit dergelijke windturbines is dermate hoog dat geen rendabel project mogelijk is. Desalniettemin beschouwen wij in deze paragraaf kort drie belangrijke milieuaspecten: geluid, slagschaduw en energieproductie van een opstelling bestaande uit 3 windturbines met hierboven beschreven afmetingen (en de posities van alternatief ‘3x klein’). Daarbij wordt ook de vergelijking gemaakt met de MER-alternatieven. Deze beschouwing volgt de onderzoeksmethode zoals opgenomen in paragrafen 7.2 (geluid), 7.4 (slagschaduw) en 7.9 (energieopbrengst). Zie aldaar voor een nadere toelichting.

7.11.1

Ruimtelijke overweging

Windturbines met een tiphoogte van 100 meter hebben een vermogen van maximaal zo’n 2,3 MW11. Een opstelling van 3 windturbines op de locatie Vaanplein zal

11

Er staan in Nederland 226 windturbines met een tiphoogte van 90-100 meter, met een gemiddeld vermogen van 1,4 MW per stuk. Dergelijke windturbines worden nauwelijks meer geleverd. Sinds 2018 zijn er in Nederland nog slechts 5 windturbines van deze afmetingen geplaatst. Bron: WindStats.nl.

Effectbeoordeling planMER

85

Windturbines Vaanplein PlanMER

dus niet kunnen voldoen aan de provinciale eis om op deze locatie tenminste 9 MW aan windvermogen te realiseren.

7.11.2

Financiële overwegingen kleine windturbines

Er is een trend gaande waarbij afmetingen van windturbines, zowel ashoogte als rotordiameter, toenemen. Dit heeft te maken met technologische ontwikkelingen zoals innovaties in materialen voor productie van rotorbladen. Mede hierdoor is de productie per windturbine gegroeid en daarmee de kostprijs van windenergie verlaagd. De Rijksoverheid speelt hier met de jaarlijks dalende SDE++ subsidieregeling ook op in. Vanwege deze snelle ontwikkelingen zijn windturbines met een tiphoogte van 150 meter al nauwelijks rendabel te exploiteren, laat staan nog kleinere windturbines: de overheid wil zo veel mogelijk opgewekte elektriciteit per euro subsidie. Veel van de kosten van een windpark schalen met het vermogen van een windpark (aantal MW), terwijl de opbrengsten voornamelijk bepaald worden door de energieproductie (MWh/jr). De hoeveelheid energie die een windpark jaarlijks per MW opgesteld vermogen produceert is daarom een maatstaf voor de rentabiliteit van een windpark. Onderstaande figuur toont deze relatie voor de 3 MER-alternatieven en een opstelling van 3 windturbines met tiphoogte 100m. Figuur 43

Hoeveelheid jaarlijks opgewekte elektriciteit per MW opgesteld vermogen. Deze verhouding (MWh/jaar gedeeld door MW) wordt ook wel ‘vollasturen’ genoemd. Ter vergelijking: het gemiddelde aantal vollasturen van alle windturbines in Nederland is 242012 (oranje lijn).

Energieproductie per MW opgesteld vermogen (MWh/MW)

4000

3500 3000 2500

2000 1500 1000

500 0

3x klein

7.11.3

2x groot

3x groot

3x 100m tip

Milieuaspecten kleine windturbines

Op basis van de Enercon E-70 2,3MW (met een ashoogte van 65 meter) zijn hieronder 3 milieueffecten getoond: geluid, slagschaduw en energieopbrengst.

12

Bron: WindStats.nl

86 Effectbeoordeling planMER

Windturbines Vaanplein PlanMER

7.11.3.1 Energieopbrengst

Door de gegevens van de windturbine en het jaargemiddelde windaanbod op locatie (en ashoogte 65 meter) te combineren (op de manier zoals verder toegelicht in paragraaf 7.9) kan de verwachte jaarlijkse energieproductie worden berekend. Zie onderstaande figuur voor een vergelijking van de energieproductie van 3 windturbines met een tiphoogte van 100 meter met de opbrengst van de MER-alternatieven. Figuur 44

Vergelijking van de energieproductie van de drie MER-alternatieven met een opstelling bestaande uit 3 windturbines met een tiphoogte van 100m. Zie paragraaf 7.9 voor een toelichting op de berekening.

Jaarproductie windpark (GWh/jr)

80

74

70 60 49

50

40 30

28

20 10

10 0

3x klein

2x groot

3x groot

3x 100m tip

7.11.3.2 Geluid

Voor het onderzochte type (Enercon E-70 2,3 MW) is een geluidsberekening uitgevoerd. Onderstaande figuur toont de geluidscontouren:

Effectbeoordeling planMER

87

Windturbines Vaanplein PlanMER

Figuur 45

Geluidscontouren van een opstelling van 3 windturbines met een tiphoogte van 100 meter.

Er liggen geen woningen binnen de 47 dB Lden contour, 119 woningen binnen de 42 dB Lden-contour en 3384 woningen binnen de 37 dB Lden-contour.

7.11.3.3 Slagschaduw

Voor het onderzochte type (Enercon E-70 2,3 MW) is een slagschaduwberekening uitgevoerd. Onderstaande figuur toont de slagschaduwcontouren:

Effectbeoordeling planMER

88

Windturbines Vaanplein PlanMER

Figuur 46

Slagschaduwcontouren van een opstelling van 3 windturbines met een tiphoogte van 100 meter.

Er liggen 768 woningen binnen de 1-uurcontour, 2 woningen binnen de 6-uurcontour en 0 woningen binnen de 10-uurcontour. 7.11.3.4 Beoordeling Geluid Aantal woningen binnen 37 dB Lden-contour Aantal woningen binnen 42 dB Lden-contour Aantal woningen binnen 47 dB Lden-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 37 dB Lden-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 42 dB Lden-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 47 dB Lden-contour Slagschaduw Aantal woningen binnen 1 uur-contour Aantal woningen binnen 6 uur-contour Aantal woningen binnen 10 uur-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 1 uur-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 6 uur-contour Aantal woningen/GWh/jr binnen 10 uur-contour Energieopbrengst Jaaropbrengst in GWh/jr

Effectbeoordeling planMER

3x 100m 0 0 0 -0 0 0 0 0 0 0 0

89

Windturbines Vaanplein PlanMER

7.11.4

Conclusie kleine windturbines

De milieueffecten van een windpark bestaande uit kleine windturbines (tiphoogte 100m) zijn geringer dan de drie MER-alternatieven. Ruimtelijke en fininciële belemmeringen zorgen er echter voor dat een dergelijke opstelling niet realiseerbaar is.

Effectbeoordeling planMER

90

Windturbines Vaanplein PlanMER

Hoofdstuk 8 M itigerende maatregelen

Mitigerende maatregelen

91

Windturbines Vaanplein PlanMER

8.1

Inleiding

Een milieueffectrapport kan ook gebruikt worden om inzicht te bieden in de mogelijkheden van het toepassen van mitigerende maatregelen: manieren waarop de milieueffecten verminderd of voorkomen kunnen worden. Op de locatie Vaanplein zijn met name mitigerende maatregelen op het gebied van slagschaduw en geluid relevant. De beschouwing van mitigerende maatregelen op deze onderwerpen hangt samen met het feit dat gemeenten lokale normen mogen opstellen voor geluid en slagschaduw (mits afdoende onderbouwd). Strenge geluid- en slagschaduwnormen verlagen de milieuimpact, maar zorgen ook voor een lagere energieopbrengst. Dit hoofdstuk brengt de positieve en negatieve effecten van mogelijke lokale normen in beeld.

8.2

Geluid

In de beoordeling in het akoestisch onderzoek is geen rekening gehouden met mitigerende maatregelen of normstelling die de immissie op omliggende woningen verlaagt. Om inzicht te krijgen in dergelijke mogelijkheden beschouwt dit MER een aantal mogelijke normgrenzen voor geluid. Windturbines zullen een gedeelte van de tijd in een stillere geluidsmodus moeten draaien om aan dergelijke normgrenzen te voldoen. Daarbij wordt per MER-alternatief steeds een mitigatieschema geformuleerd waarbij aan de betreffende normgrens kan worden voldaan.

8.2.1

Normgrenzen

De omgeving van de windturbines is zeer stedelijk en kent al een hoog achtergrondgeluidsniveau. Het MER onderzoekt voor geluid de mogelijke lokale normgrenzen van 43, 45 en 47 dB Lden. ➢ 47 dB Lden: de waarde waarbij het hinderpercentage ongeveer overeenkomt met dat voor rail- en wegverkeerslawaai (zie Figuur 47). ➢ 45 dB Lden: norm die aansluit bij de voorwaardelijke aanbeveling van de wereldgezondheidsorganisatie13 om een hogere milieubescherming te bieden. ➢ 43 dB Lden: zeer strenge norm om de haalbaarheid te toetsen van een windpark dat qua geluid een minimale toevoeging doet aan het hoge cumulatieve achtergrondgeluidniveau.

13

Environmental Noise Guidelines for the European Union, WHO, 2018.

92 Mitigerende maatregelen

Windturbines Vaanplein PlanMER

8.2.1.1

Dosismaat Lden14

Volgens richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement dient omgevingsgeluid in alle lidstaten op dezelfde wijze behandeld te worden. De geluidbelasting dient daarbij in decibel (dB) Lden of dB Lnight te worden uitgedrukt. De geluidbelasting in dB Lden wordt ook wel de dag-avond-nachtgeluidsbelastingsindicator genoemd. Lden is een berekend gewogen jaargemiddelde van de geluidsbelasting tijdens de dag-, de avond- en de nachtperiode. De avond- en nachtperiode krijgen een opslag van respectievelijk +5 en +10 omdat in deze periode geluid hinderlijker wordt ervaren en deze periodes worden derhalve zwaarder meegewogen. Voor bijzondere geluidbelasting situaties zijn aanvullende indicatoren tevens mogelijk. Redenen hiervoor kunnen bijvoorbeeld zijn: ➢ Combinatie van geluid uit verschillende bronnen; ➢ Relatief stille zones in het buitengebied; ➢ De lage frequentiecomponent (LFG) van het geluid is sterk; Windturbinegeluid is, ten opzichte van andere geluidbronnen, relatief constant van karakter. De maximale optredende geluidniveaus die door een windturbine worden veroorzaakt zijn circa 2-4 dB(A) hoger dan het optredende jaargemiddelde geluidniveau van een windturbine15 . Bij een geluidbelasting van 47 dB Lden op een punt is het daadwerkelijk ervaren gemiddelde geluidniveau16 op de gevel (bij hoge windsnelheden op ashoogte) circa 43-45 dB(A).

De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van het geluidsbronvermogen van de windturbine. Het geluid van een windturbine kan desgewenst worden beperkt door toepassing van een voorziening op de bladen of door het vermogen te reduceren. Dit leidt tot verlies van energieproductie. De hoeveelheid geluid heeft tevens een rechtstreeks verband heeft met de optredende windsnelheid. Tot een bepaalde windsnelheid neemt de geluidsproductie toe, vanaf deze specifieke windsnelheid blijft de geluidsproductie gelijk. De windsnelheid is door het KNMI voor geheel Nederland op ashoogtes tussen 10 en 260 meter boven het maaiveld de windverdelingen beschikbaar gesteld. Met deze verdelingen kan een goede voorspelling per beoordelingsperiode worden gegeven van de te verwachten geluidbelasting op de omgeving. Gezien het constante karakter van windturbinegeluid (de verschillen tussen dag-, avond- en nachtperiode zijn beperkt) is er op zichzelf geen aanleiding een Lnight normering te stellen aanvullend op een Ldennormering. Bij constante geluidniveaus bedraagt het verschil tussen de geluidbelasting in dB Lden en dB Lnight circa 6 dB en biedt een aparte norm voor Lnight geen extra bescherming, tenzij deze 7 dB of meer lager is dan de Lden-normering.

Daarnaast kan er op basis van onderzoeken nog geen conclusie worden getrokken over de samenhang tussen geluid van windturbines en slaapverstoring17. De WHO geeft in haar rapport van 2018 dan ook geen advies over een Lnight-norm voor windturbines. 14

Deze tekst is gebaseerd op een paragraaf uit ‘Onderzoek milieunormen windenergie Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding’, Pondera, 2021. 15 Nederlandse geluidsnormen in internationaal perspectief, E. Koppen, Arcadis, Windnieuws nr. 4 2015. 16 De daadwerkelijk ervaren geluidsniveaus zijn lager dan het gewogen Lden gemiddelde omdat de Lden-waarde straffactoren bevat voor geluid in de avond en de nacht. 17 Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM, augustus 2021.

Mitigerende maatregelen

93

Windturbines Vaanplein PlanMER

8.2.1.2

Dosis-effectrelatie

Een dosis-effectrelatie (ook wel dosis-hinderrelatie genoemd) is een verband tussen de hoogte van de geluidsbelasting van een bepaalde bron en het bijbehorende percentage ernstig gehinderden. Verschillende soorten geluid kennen een verschillende dosis-effectrelatie, zoals geillustreerd in onderstaande figuur. Hoe sneller lijn in deze grafiek stijgt, des te hinderlijker wordt het geluid van de bijbehorende bron ervaren. Zoals uit de grafiek blijkt is windturbinegeluid hinderlijker dan weg- en railverkeersgeluid. Dat is ook de reden dat windturbinegeluid doorgaans een lagere normgrens kent. De hinderlijkheid van windturbinegeluid wordt o.a. veroorzaakt door het kenmerkende ritmische karakter van het geluid van de wieken die de mast passeren, de zogenaamde amplitudemodulatie. Figuur 47

Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden (binnenshuis) bij verschillende bronnen (Verheijen, et al., 2009). De normen voor railverkeer (68 dB Lden) en wegverkeer (58 dB Lden) zijn met rode cirkels weergegeven en liggen rond de 9-10%. Voor windturbinegeluid ligt een vergelijkbaar hinderpercentage ronde de 47 dB Lden.

Als onderdeel van de effectbeoordeling voor geluid is in het geluidsonderzoek voor woningen in de wijde omtrek van het windpark de geluidsbelasting a.g.v. de windturbines berekend. De dosis-effectrelatie voor windturbinegeluid (blauwe lijn in bovenstaande figuur) kan vervolgens gebruikt worden om te berekenen hoe groot het verwachte percentage ernstig gehinderden is binnen elk van deze woningen. Daarbij zijn alle woningen betrokken met een geluidsbelasting van tenminste 37 dB Lden en. Door vervolgens dit percentage te vermenigvuldigen met het (geschatte) aantal bewoners per pand krijgen wij het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden per MER-alternatief. Zie Bijlage A voor een toelichting op deze berekening.

Mitigerende maatregelen

94

Windturbines Vaanplein PlanMER

8.2.1.3

Aantal gehinderden zonder mitigatie/normstelling

Onderstaande tabel toont het verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de MER-alternatieven voor wat betreft geluid, wanneer geen beperkende geluidsnorm wordt opgenomen. Tabel 55

Verwacht aantal ernstig gehinderden a.g.v. windturbinegeluid op basis van de dosis-effectrelatie. Aantal ernstig gehinderden (statistische verwachting) 3x klein 299 2x groot 432 3x groot 849

Wanneer geen beperkende geluidsnorm wordt opgenomen zou het aantal ernstig gehinderden als gevolg van het windturbinegeluid van windturbines bij Vaanplein dus naar verwachting liggen tussen de ca. 299 en 849.

8.2.2

Geluidsreducerende modi

Een lokale norm van (bijvoorbeeld) 45 dB Lden betekent dat de jaargemiddelde geluidsbelasting bij alle omliggende gevoelige objecten (waaronder woningen, maar ook onderwijs- en gezondheidsintellingen) niet hoger mag zijn dan 45 dB Lden. Om aan dergelijke normen te moeten voldoen dienen windturbines in sommige gevallen ‘teruggeregeld’ te worden. Het akoestisch onderzoek bevat per scenario (d.w.z. de combinatie van een MERalternatief met een normgrens) een voorbeeld van een mitigatieschema, waarmee aan de betreffende normgrens kan worden voldaan.

8.2.3

Rekenresultaten geluid

Door toepassing van mitigatie (doordat windturbines in een stillere modus draaien of gedurende een bepaalde tijd van elk etmaal stilstaan) maken de MER-alternatieven minder geluid. Dat is ook te zien aan de geluidscontouren. Ter illustratie is hieronder voor de onderzochte norm van 45 dB Lden de geluidscontour weergegeven voor elk van de 3 MER-alternatieven, samen met de 45 dB-geluidscontour zonder toepassing van een lokale norm. De figuren van de andere onderzochte normgrenzen (43 en 47 dB Lden) zijn vergelijkbaar en omwille van de leesbaarheid niet opgenomen.

Mitigerende maatregelen

95

Windturbines Vaanplein PlanMER

Figuur 48

Alternatief 3x klein – 45 dB Lden-contour met en zonder mitigatie.

Figuur 49

Alternatief 2x groot – 45 dB Lden-contour met en zonder mitigatie.

Mitigerende maatregelen

96

Windturbines Vaanplein PlanMER

Figuur 50

Alternatief 3x groot – 45 dB Lden-contour met en zonder mitigatie.

8.2.3.1

Aantal ernstig gehinderden cf. dosis-effectrelatie

Op basis van de dosis-effectrelatie is per normgrens en per MER-alternatief berekend hoeveel ernstig gehinderden kunnen optreden, zoals beschreven in paragraaf 8.2.1.2. Tabel 56

Aantal ernstig gehinderden conform de dosis-effectrelatie voor windturbinegeluid. MER-aternatief Geen norm 47 dB Lden 45 dB Lden 43 dB Lden 3x klein 299 186 111 85 2x groot 432 279 190 127 3x groot 849 580 275 129

8.2.3.2

Opbrengstderving

Reductiemodi die windturbines stiller laten draaien hebben doorgaans een lager vermogen. Wanneer, als gevolg van een mitigatieschema, een windturbine gedurende een bepaalde periode dagelijks stil moet staan is de opbrengst van die windturbine logischerwijs nog lager. Deze paragraaf berekent hoeveel minder elektriciteit de MER-alternatieven opbrengen wanneer moet worden teruggeregeld tot de drie onderzochte normgrenzen.

Mitigerende maatregelen

97

Windturbines Vaanplein PlanMER

Tabel 57

Opbrengstderving bij toepassing mitigerende maatregelen. Productie (GWh/jr) geen norm 47 dB Lden 45 dB Lden 3x klein Netto parkproductie 28 27 26 Opbrengstderving 1 2 Opbrengstderving (%) 3% 9% 2x groot Netto parkproductie 49 48 42 Opbrengstderving 1 7 Opbrengstderving (%) 3% 15% 3x groot Netto parkproductie 74 72 67 Opbrengstderving 2 7 Opbrengstderving (%) 3% 9%

8.2.3.3

43 dB Lden 25 3 11% 38 11 23% 56 18 24%

Beoordeling cf. MER-beoordelingskader

De scenario’s met lokale normen leiden ook tot een kleinere toename van de cumulatieve geluidsbelasting: Figuur 51

Grafische weergave van het effect van verschillende geluidsnormen op de toename van het cumulatieve geluid, uitgedrukt als de totale toename van de GES-scores van bijna 25.000 woningen in de omgeving.

Uit de analyse blijkt: ➢ dat strengere geluidsnormen leiden tot een kleinere toename van de cumulatieve GES-score; ➢ dat bij een norm van 45 dB Lden het aantal woningen met een GES-score van 6 of hoger niet toeneemt; ➢ dat bij een norm van 43 dB Lden het aantal woningen met een GES-score van 5 of hoger niet toeneemt. Zie Bijlage A voor de kwantitatieve onderbouwing van deze stellingen. Mitigerende maatregelen

98

Windturbines Vaanplein PlanMER

De berekende toename van de cumulatieve GES-scores en de energieopbrengst bij de verschillende normgrenzen kunnen ook gebruikt worden om te onderzoeken hoe de MER-beoordelingscriteria voor het milieuthema gezondheid veranderen: Tabel 58

Beoordelingscriterium ‘toename cumulatieve GES-score’ bij verschillende normgrenzen. Gezondheid 3x klein 2x groot 3x groot Toename cumulatieve GES-score (geen norm) -Toename cumulatieve GES-score (norm 47 dB Lden) 0 -Toename cumulatieve GES-score (norm 45 dB Lden) 0 0 Toename cumulatieve GES-score (norm 43 dB Lden) 0 0 0

Tabel 59

Beoordelingscriterium ‘toename cumulatieve GES-score/GWh/jr’ bij verschillende normgrenzen. Gezondheid Toename cumulatieve GES-score/GWh/jr (geen norm) -Toename cumulatieve GES-score/GWh/jr (norm 47 dB Lden) Toename cumulatieve GES-score/GWh/jr (norm 45 dB Lden) 0 0 Toename cumulatieve GES-score/GWh/jr (norm 43 dB Lden) 0 0 0

8.2.4

Samenvatting

Voor drie mogelijke normgrenzen (43, 45 en 47 dB Lden) is berekend wat de afname in hinder is, en de hoeveelheid energie die de windturbines minder produceren wanneer zij aan deze normen moeten voldoen. Onderstaande figuren laten beide effecten zien: de rode lijn schetst de afname van het aantal ernstig gehinderden bij toepassing van de onderzochte geluidsnormen (zoals ook getalsmatig opgenomen in Tabel 56); de groene balken geven het een schatting van het productieverlies (zie ook Tabel 57). Figuur 52

Gevoeligheidsanalyse geluidsnormen bij MER-alternatief 3x klein: aantal ernstig gehinderden o.b.v. dosis-effectrelatie (rode lijn) en productieverlies als gevolg van terugregelen/afschakelen van windturbines om aan de norm te voldoen.

Mitigerende maatregelen

99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11882663/1