Ontwerpbestemmingsplan Dierensteinweg
Tekst van het document
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
24
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
25
betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. Met dit programma laat de Provincie Zuid-Holland zien hoe ze, samen met haar partners, werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In het regionaal waterprogramma staat hoe de provincie uitwerking geeft aan de Europese richtlijnen over water en wordt ingegaan op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterrecreatie en vaarwegen. Omgevingsvisie en omgevingsverordening Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit.
5.1.3 Beleid waterbeheerder Waterschap Hollandse Delta – Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wilt bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planning- en controlcyclus bepaald. Keur waterschap Hollandse Delta Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur.
In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Waterschap. In de Legger van oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken voor waterschap Hollandse Delta zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
26
5.1.4 Gemeentelijk beleid Gemeentelijk waterplan Komen tot een goed, veilig, beheersbaar en aantrekkelijk watersysteem met gezond water en gevarieerde oevers, dat op de gewenste gebruiksfuncties is afgestemd’ is de doelstelling van het Waterplan Barendrecht. Het gemeentelijke waterplan is vastgesteld op 1 oktober 2004. In het Waterplan worden aan de hand van vier thema’s de doelstellingen en streefbeelden van het waterschap beschreven. Ook wordt een maatregelenpakket aan de hand van een aantal knelpunten gegeven. De thema’s betreffen: - voorkomen van wateroverlast; - verbeteren van waterkwaliteit en ecologie; - verbeteren belevingswaarde. 5.2
Onderzoek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Huidige situatie plangebied Het plangebied is gelegen op grondgebied van het waterschap Hollandse Delta. In het plangebied zijn drie sloten aanwezig. Het voornemen is om een van deze sloten te dempen. Dit betreft de sloot onder de huidige Lorentzweg, aangeduid als ‘T12635’ op afbeelding 5.1. De overige gronden in het plangebied zijn in de bestaande situatie vrijwel volledig onverhard. Een uitzondering hierop vormt de Lorentzweg, die door het plangebied loopt.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken (bron: Waterschap Hollandse Delta).
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico. Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
27
Waterkwantiteit In de toekomstige situatie wordt de Lorentzweg in zuidelijke richting verplaatst en zal als gevolg van realisatie van een bedrijfspand, parkeerplaatsen en een toegangsweg het terrein grotendeels verhard worden. Daarnaast wordt één van de drie watergangen gedempt. Tabel 5.1 toont een overzicht van de bestaande en toekomstige verharde oppervlakten in het projectgebied. De huidige bebouwing en terreinverhardingen beslaan gezamenlijk een oppervlak van circa 2.833 m2. In de toekomstige situatie vormt de nieuwe bedrijventerreinbestemming een verharding van 9.138 m2, en kent de bestemmingen ‘Verkeer-Verblijfsgebied’ een oppervlak van 6.362 m2. In totaal resulteert dit in een verharding van circa 15.500 m2. Dit betekent een toename van het verhard oppervlak met circa 12.667 m2 als gevolg van de ontwikkeling. Type verharding Projectgebied Water Groen Verkeer Verkeer-Verblijfsgebied Bedrijventerrein Totaal verharding Ontwikkeling verharding
Bestaande situatie
25.804 m2 1.427 m2 21.544 m2 2.833 m2 2.833 m2
Toekomstige situatie 25.804 m2 916 m2 9.388 m2 6.362 m2 9.138 m2 15.500 m2 +12.667 m2
Tabel 5.1 berekening verharding
Conform de beleidsregels van het waterschap Hollandse Delta dient vanaf een toename aan verharding van 500 m2 in stedelijk gebied compenserende waterberging gerealiseerd te worden. Daarbij hanteert het waterschap de vuistregel dat de compensatie een oppervlakte van 10% van de toename in verharding beslaat. Bij demping van bestaand water en watergangen geldt een compensatieplicht van 100%. Daarnaast mag demping van watergang(en) geen doodlopende einde veroorzaken in het watersysteem. Binnen het plangebied is sprake van een afname van 511 m2 bestaand water. Er is daarom een totale watercompensatie van 1.777,7 m2 benodigd (10% van 12.667 m2 plus 100% van 511 m2). De voorkeursvolgorde voor het realiseren van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatie) betreft: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename, nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied, nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. De benodigde watercompensatie zal geborgd worden door het toepassen van maatregelen binnen het plangebied zoals waterdoorlatende verharding. Daarnaast vindt watercompensatie plaats in het gebied rondom de schietvereniging ‘De Vrijheid Barendrecht’ aan de overzijde van het spoor, ten westen van het plangebied.
Binnen dit gebied ligt een bestaande watergang die uitgebreid kan worden om de benodigde watercompensatie te bergen. Aanvullende natuur/ecologische compensatiemaatregelen worden met het waterschap afgestemd. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, nietBestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
28
uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK-houdende materialen) zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer – DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Daarnaast wordt er een nieuw inzamelriool aangelegd. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan.
De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met de afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. In het kader van het vooroverleg is deze waterparagraaf voor advies aan het waterschap Hollandse Delta voorgelegd. Voor zover relevant zijn aanpassingen verwerkt in het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
29
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.
In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
6.2
Onderzoek
6.2.1 Archeologie In het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor deze aangewezen gebieden geldt dat ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 80 cm - mv onderzoeksplichtig zijn. Met deze ontwikkeling worden beide criteria overschreden. Beoordeling BOOR In het kader van de voorgenomen werkzaamheden voor de Dierensteinweg, heeft Archeologie Rotterdam (BOOR) archeologisch (voor)onderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 4. Aan de hand van de beoordeling is geconcludeerd dat archeologisch vooronderzoek niet benodigd is. Wel dienen eventuele ‘toevalsvondsten’ die opduiken tijdens de werkzaamheden op basis van de Erfgoedwet aan het BOOR geïnformeerd te worden. 6.2.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland blijkt dat er binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Zoals eerder besproken in paragraaf 3.2.1, maakt het plangebied ook geen deel uit van een van de gebiedsprofielen van de provinciale kwaliteitskaart. 6.3
Conclusie Zowel het aspect archeologie als cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
30
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage oftewel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling van één bedrijfspand is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomend in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (categorie 11.2). Hoewel de verschillende drempelwaardes (kolom 2) niet worden overschreden, dient hiervoor in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In dit hoofdstuk zullen de relevante milieuaspecten met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling zorgvuldig worden afgewogen.
7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
31
betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.3.2 Onderzoek Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. In het vigerende bestemmingsplan kennen de gronden waarop het bedrijfspand is voorzien de bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Water’. In het verleden is het plangebied in gebruik geweest als stortlocatie. Het plangebied bestaat momenteel volledig uit grasland. Op de locatie zijn enkele watergangen aanwezig, die behouden blijven. Op basis van de beschikbare informatie van de DCMR zijn ter plaatse en in de nabije omgeving van het plangebied diverse milieukundige bodemonderzoeken en saneringen uitgevoerd. Op basis van de resultaten blijkt dat de onderzoeken en sanering voldoende zijn uitgevoerd. Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente ligt het plangebied in de zone “BW06: Wonen”. Op basis van de bodemkwaliteitskaart is de verwachte kwaliteit van de boven- en ondergrond Achtergrondwaarde. De bodemfunctie betreft Wonen. Alvorens de ontmanteling van de stortlocatie, is in 2019 door Koenders & Partners adviseurs en procesmanagers bv een indicatief onderzoek uitgevoerd naar de milieuhygiënische kwaliteit van de locatie. De rapportage is terug te vinden in bijlage 5.
De conclusies van dit onderzoek worden hieronder besproken. De stortlocatie is aan de buitenzijde afgewerkt met een laag schone (licht bruine) kleigrond van crica 0,85 meter. Daaronder bevindt zich een zwarte plastic folielaag met sterk verontreinigd afwijkend stortmateriaal. De indicatieve bodemkwaliteit van de afdeklaag is vastgesteld op klasse ‘Achtergrondwaarde’ en heeft een volume van circa 850 m³. Bij het vrijkomen van deze afdekgrond kan deze (schone) grond mogelijk worden hergebruikt op basis van de bodemkwaliteitskaart. De dikte van stortlaag vanaf de bovenzijde bedraagt minimaal 2,7 meter en bestaat voor circa 40% uit bodemvreemde materialen en voor circa 60% uit grond. Het totale volume van het stortmateriaal is in 2002 ingeschat op circa 2.500 m³. Indien wordt besloten om het depot te ontmantelen wordt het volgende geadviseerd: •
• •
•
Een beperkt Plan van aanpak met V&G-plan ontwerpfase op te laten stellen waarin o.a. de uit te voeren werkzaamheden zijn omschreven alsmede de te nemen controlemonsters na verwijdering van de HDPE-folie onder het depot. Na afloop kan de eindsituatie worden omschreven in een beknopt evaluatierapport; Vervolgwerkzaamheden met sterk verontreinigd (stort)materiaal dienen onder veiligheidsklasse uit te voeren met ‘Rood, vluchtig’ van de CROW 400; Ter waarborging van de kwaliteit en te nemen veiligheidsmaatregelen vervolgwerkzaamheden uit te laten voeren door een BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemer onder milieukundige begeleiding van een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf; Tijdens vervolgwerkzaamheden alert zijn op eventuele onvoorziene (bodem)verontreiniging.
Uit dit onderzoek is gebleken dat voor de bodem 3.000 ton vervuilde grond afgevoerd moet worden. Er is daarnaast in het onderzoek aangegeven daarnaast bij het omleggen van wegen nader bepaald moet worden of de grond onder de nieuwe tracés voorbelast moet worden.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
32
7.3.3 Conclusie Naar aanleiding van de conclusies uit het onderzoek uit 2019 wordt nader bodemonderzoek uitgevoerd. Zodra de resultaten van dit onderzoek bekend zijn zullen de conclusies worden opgenomen in dit bestemmingsplan. 7.4
Akoestische aspecten
7.4.1 Kader Wet geluidhinder De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. 7.4.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden geen geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt, waardoor een toetsing aan de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Wel kunnen de bedrijfsactiviteiten zorgen voor geluidsoverlast op het naastgelegen restaurant de Beren Barendrecht. Dit aspect wordt nader toegelicht onder het kopje ‘bedrijven en milieuzonering’. 7.4.3 Conclusie Gezien bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
33
Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Op basis van de toename van de verkeersaantrekkende werking wordt met de NIBM-tool de toename van de jaargemiddelde concentraties van de luchtverontreinigende stoffen NO2 en PM10 berekend. De verkeersaantrekkende werking is in paragraaf 2.2.3 berekend. Uit de NIMB-tool, weergegeven in tabel 7.5.2, is naar voren gekomen dat de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) is aan te merken. Onderzoek is daarom niet benodigd.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
64
Aandeel vrachtverkeer
25,0%
NO2 in μg/m
3
0,21
PM10 in μg/m
3
0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Tabel 7.1: Berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie.
7.5.3 Conclusie Gezien bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.6.2 Onderzoek Ten noorden en zuiden van het plangebied bevindt zich de bestemming ‘Verkeer’: in het noorden de A15 en in het zuiden de Dierensteinweg. Ten westen van het plangebied loopt de spoorlijn en bevindt zich een bestemming ‘Verkeer – Railverkeer’. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
34
bestemming ‘Horeca’ waar het restaurant de Beren Barendrecht zich bevindt. In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse bedrijven en bestemmingen. Het gebied kan daarom worden aangemerkt als een gemengd gebied. De bedrijven die binnen het plangebied worden gerealiseerd vallen maximaal onder milieucategorie 4.1. Binnen een gemengd gebied moet rekening worden gehouden met een richtafstand van 100 meter. Binnen deze richtafstand zijn geen gevoelige functies aanwezig. Wel bevindt het restaurant de Beren Barendrecht zich binnen deze richtafstand. Een verdere afweging van de milieuaspecten is daarom niet benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet wel rekening gehouden worden met geurhinder vanwege de spuiterij voor het restaurant. Aangezien bedrijven zullen moeten voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit voor geurhinder zal het restaurant geen geurhinder van de spuiterij ondervinden. 7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
35
In 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. In dit onderzoek is op deze wetgeving voorgesorteerd. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter, in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d.
Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. 7.7.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de nieuwe ontwikkeling worden geen kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Wel neemt het aantal aanwezigen op de locatie toe met de komst van de bedrijven.
Op basis van de risicokaart zijn er risicobronnen in de omgeving van de locatie aanwezig, te weten: • Vervoer gevaarlijke stoffen over de A15 en de spoorlijn Breda – Rotterdam; • Aardgasleidingen Gasunie A-559 / A-517 • LPG-tankstation Dierenstein (Shell) Transportroutes gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een invloedsgebied aanwezig. Over de A15 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor de A15 geldt dat de veiligheidszone ter hoogte van het plangebied 80 meter bedraagt, gemeten vanaf het midden van de weg. Voor de weg geldt tevens een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de rand van de rijbaan. Het plangebied ligt binnen de veiligheidszone van de weg. Over de spoorverbinding Rotterdam-Breda vindt eveneens vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied bevindt zich binnen het verantwoordingsgebied van de spoorlijn. Voor beide bronnen dient een groepsrisicoberekening te worden uitgevoerd. Leidingen Daarnaast liggen binnen / nabij het plangebied twee hogedruk-aardgastransportleidingen. Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
36
Aan de Dierensteinweg 13 is een lpg-tankstation gevestigd. Het tankstation heeft een vergunde jaardoorzet van 1.000 m³ lpg per jaar. De PR 10-6-contour bedraagt 45 m. Het plangebied ligt hier buiten. Ook ligt het plangebied buiten het invloedsgebied voor het groepsrisico (150 m). Een nadere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing is inzicht in de externe veiligheidsrisico’s nodig. Door Aviv is onderzoek naar het aspect externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6. De resultaten van het onderzoek worden hieronder beknopt omschreven. Er is onderzoek gedaan naar de volgende de spoorlijnen ‘Barendrecht vork 2 –Rotterdam Lombardijen’, ‘Barendrecht – Waalhaven Zuid West’ en ‘Kijfhoek – Barendrecht’ (De spoorlijnen zijn respectievelijk als routes 30, 201 en 203 onderdeel van het Basisnet), de Rijksweg A15 en de hogedruk aardgasleidingen. Uit het onderzoek is gebleken dat het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied van de risicobronnen geen belemmering vormt voor het plangebied. Ook ligt het plangebied buiten de belemmeringenstrook van de hogedruk aardgasleidingen. Uit figuur 7.1 blijkt dat het groepsrisico van de spoorlijnen ‘route 30 – 203’ gelijk blijft en de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Hierdoor is een verdere verantwoording van het groepsrisico voor dit traject niet nodig.
Uit figuur 7.1 blijkt dat het groepsrisico van route ‘201 – 203’ gelijk blijft, maar de oriëntatiewaarde in zowel de huidige als toekomstige situatie overschrijdt.
Figuur 7.1: Groepsrisico route 30-203.
Uit figuur 7.2. blijkt dat het groepsrisico van de A15 door de toekomstige ontwikkeling niet toeneemt, maar de oriëntatiewaarde overschrijdt. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Figuur 7.2: Groepsrisico A12.
Uit figuur 7.3. blijkt dat het groepsrisico van de hogedruk-aardgasleidingen door de toekomstige ontwikkeling niet toeneemt, maar de oriëntatiewaarde overschrijdt. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Figuur 7.3: Groepsrisico route 30-203.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
37
Beschrijving zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Uit het onderzoek externe veiligheid is gebleken dat het groepsrisico voor de gewenste ontwikkeling vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) verantwoord dient te worden. Deze verantwoording is opgesteld door Aviv en opgenomen als bijlage 7. De conclusies van de verantwoording worden hieronder omschreven. De toekomstige ontwikkeling leidt tot een toename van het aantal aanwezigen nabij meerdere risicobronnen ten opzichte van de huidige situatie, echter leidt deze toename niet tot hogere groepsrisico’s. Ongevallen op transportassen en met aardgasbuisleidingen zijn zeer divers, waardoor bij een ongeval slechts een klein deel van de risicobronnen leidt tot dodelijke slachtoffers binnen het plangebied. Aanvullende maatregelen zijn hierdoor mogelijk, echter wegen de baten in het algemeen niet op tegen de lasten. Voor het aanpassen van het plangebied zijn de groepsrisico’s beschouwd.
In overweging nemende dat: • de vaststelling van het plan leidt tot een toename van het aantal personen in de nabijheid van meerdere risicobronnen; • de vaststelling van het plan niet leidt tot een toename van de groepsrisico’s van de verantwoorde risicobronnen ten opzichte van de huidige situatie; • de vaststelling van het plan de interventiemogelijkheden van de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aanwezigen niet negatief beïnvloedt; wordt aangenomen dat het groepsrisico aanvaardbaar is. 7.7.3 Conclusie Gezien bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. De Gasunie en het bestuur van de veiligheidsregio zijn in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen. Voor zover relevant zijn aanpassingen doorgevoerd in het bestemmingsplan. Overige aanbevelingen worden meegegeven bij de aanvraag omgevingsvergunning. 7.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Binnen het plangebied lopen een aantal kabels en leidingen. Deze kabels en leidingen zijn echter niet planologisch relevant. In een eerder stadium is in een ruimtelijke inventarisatie een Klic-melding opgenomen waarin inzichtelijk is geworden welke kabels en leidingen, inclusief hun beheerders, door het gebied lopen. Hoewel de kabels en leidingen niet planologisch relevant zijn is de inpassing rondom en boven de aardgasleiding en zakelijk rechtstrook Gasunie hierin wel een aandachtspunt. Bij de bouw van de bedrijfspanden worden de kabels expliciet vermeden.
7.9 Duurzaamheid 7.9.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
38
broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw.
De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1.
de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). Gelijktijdig met en in aanvulling op de BENG-eisen is de nieuwe indicator TOjuli ingevoerd. Om het risico op oververhitting gedurende de zomer bij nieuwbouwwoningen te beperken wordt aan deze indicator een grenswaarde gesteld. Deze grootheid geeft een indicatie van het risico op temperatuuroverschrijding en wordt bepaald aan de hand van de berekende koelbehoefte over de maand juli in de BENG-berekening volgens NTA 8800. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid Holland (2018) In oktober 2018 heeft een groot aantal partijen in Zuid-Holland het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend, waaronder provincie, gemeenten, waterschappen, bouwbedrijven, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Met het convenant is de ambitie vastgelegd dat nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland zoveel mogelijk klimaatadaptief worden gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. De Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
39
urgentie hiervan is ingegeven door het Deltaprogramma in combinatie met de grote bouwopgave in Zuid-Holland. Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat daarnaast voor een grote woningbouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. De procesafspraken uit het convenant zijn vervolgens vertaald in een ‘Minimaal Programma van Eisen’, dat op 13 september 2019 aan de Deltacommissaris is overhandigd. Dit programma dient als voorlopige maatregel, totdat een instrumentarium ontwikkeld is waarmee de klimaatbestendigheid van nieuwbouwprojecten kan worden beoordeeld. Het programma biedt praktische en concrete eisen die partijen in Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn nieuwbouwplannen klimaatbestendig te ontwikkelen. Het is bedoeld om vooraf ruimtelijke plannen en ontwerpen aan te toetsen. De eisen zijn ingedeeld in zes thema’s: - Wateroverlast; - Droogte; - Hitte; - Bodemdaling; - Biodiversiteit; - Overstromingen. Hierbij is eveneens een Leidraad klimaatadaptief bouwen opgesteld. Dit dient als hulpmiddel ter ondersteuning bij het concretiseren van de klimaatambities en het beoordelen van de gebiedsontwikkeling op de zes klimaatthema’s. In de leidraad worden de thema’s inhoudelijk uitgewerkt. De thema’s zijn verbonden door de vaste stappen in het proces.
De leidraad bestaat uit twee delen. Het eerste deel beschrijft per thema welke stappen genomen moeten worden om de ambities vast te leggen in eisen en te beoordelen. Het tweede geeft meer context aan en toelichting op het geheel. Strategie Klimaatadaptatie 2022-2026 Op 24 september 2019 is ‘’Klimaatopgave Barendrecht, visiedocument’’ door de gemeenteraad van Barendrecht vastgesteld. Hierin is de inzet van Barendrecht in de wereldwijde klimaatopgave omschreven. In dit plan is aangestuurd op een klimaatadaptatieplan; deze is 22 februari 2022 door de gemeenteraad vastgesteld in de vorm van ‘’Strategie klimaatadaptatie 2022-2026’’. De hoofddoelen van deze strategie zijn als volgt: 1. we zijn waterrobuust en klimaatbestendig; 2. we hebben een leefbare en gezonde leefomgeving. Om deze hoofddoelen te realiseren zijn de volgende handelingsperspectieven bepaald: - werken aan een waterrobuuste omgeving: hierin wordt aangestuurd op het beperken van overstromingsrisico, dijkversterkingen en een hogere zelfredzaamheid van bewoners als het fout gaat; - een natuurlijkere waterkringloop: de waterkringloop, die door verstening van het omliggende oppervlak is verstoord, zal in samenwerking met waterschap Hollandse Delta zoveel mogelijk worden hersteld. Zo kan overlast door extreme buien worden beperkt; - alle nieuwbouw klimaatadaptief: er is een grote woningbouwopgave binnen Barendrecht.
De doelstelling is om de woningen waar mogelijk en gewenst zowel klimaatadaptief als energieneutraal op te leveren; - klimaatadaptief inrichten van stedelijk gebied: de openbare ruimte wordt klimaatadaptief ingericht, tevens worden beheerders van bedrijventerreinen en burgers gestimuleerd om hun terreinen klimaatadaptief in te richten;
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
40
- een klimaatbestendig landelijk gebied; er wordt meer ruimte voor activiteiten in het groen gecreëerd, hier kunnen inwoners in koelte recreëren. Tevens zullen deze plekken benut worden om de biodiversiteit te vergroten; - werken aan een gezonde leefomgeving: het is van belang om te leren gaan met hittestress, daarvoor zal een lokaal hitteplan ontwikkeld worden. Daarnaast wordt onderzocht hoe om te gaan met andere negatieve effecten die zijn ontstaan door klimaatverandering. 7.9.2 Onderzoek Met het nieuwe bedrijfspand wordt in ieder geval toepassing gegeven aan de huidige wettelijke vereisten en de gestelde kaders op het gebied van duurzaamheid en energie. Zo zal in de uitwerking van de bouwplannen rekening worden gehouden met het programma van eisen, als onderdeel van het Convenant klimaatadaptief bouwen. 7.9.3 Conclusie Op het gebied van duurzaamheid wordt in ieder geval voldaan aan de huidige wettelijke vereisten. Ook wordt in de uitwerking van de bouwplannen aangesloten bij het Convenant klimaatadaptief bouwen.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
41
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is het onder de Wet ruimtelijke ordening verplicht dat indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de uit te werken woonbestemming uit het moederplan. Er wordt een bedrijfspand gerealiseerd voor bedrijven die zich op dit moment bevinden binnen het beoogde ontwikkelgebied de Stationstuin waar het voornemen is om woningen te realiseren. De verplaatsing van deze bedrijven voorziet daarin in het vrijmaken van grond voor deze woningen. Hiermee wordt ingespeeld op de actuele grote woningbehoefte en bevolkingsontwikkeling. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak voor de ontwikkeling is. Bovendien wordt in de planprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook de volgende paragraaf). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd geacht.
8.3
Procedure
8.3.1 Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan de procedure van een bestemmingsplan, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. De volgende instanties hebben een overlegreactite ingediend: - Provincie Zuid- Holland - Waterschap Hollandse Delta - Gasunie - Veiligheidsregio Rotterdam- Rijnmond De aanpassingen die volgden uit de ontvangen overlegreacties zijn verwerkt in het bestemmingsplan. 8.3.2 Ontwerpfase Na afronding van de voorbereiding wordt de formele planprocedure gestart. De eventuele aanpassingen volgend uit de overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, evenals mogelijke ambtshalve aanpassingen.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
42
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Binnen deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Eventueel ontvangen zienswijzen worden te zijner tijd in een Nota zienswijzen samengevat en beantwoord. 8.3.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging neemt het college van burgemeester en wethouders een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 8.4
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.
Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.-
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
43
Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.
Bestemmingsplan Dierensteinweg Toelichting Ontwerp – Oktober 2023
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1:
idverde Bomendienst (4 oktober 2023) Bomen Effect Analyse Dierensteinweg
Bomen Effect Analyse Dierensteinweg Barendrecht
COLOFON Bomen Effect Analyse Dierensteinweg Barendrecht OPDRACHTNEMER
idverde Bomendienst Postbus 177 7300 AD Apeldoorn T 055 5 999 444 E bomendienst@idverde.nl
OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR
Anne Lenters Justin Barendregt | European Tree Technician
OPDRACHTGEVER
Dhr. Bijl Curieweg 19 2508 BZ Alphen aan de Rijn Nederland
PROJECTNUMMER KENMERK
728230418 BD23246
VERSIE DATUM
1 4 oktober 2023
Copyright 2023 idverde. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van idverde. idverde is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan bij gebruik van gegevens uit dit rapport.
2
BD23246 ● Boom Effect Analyse Dierensteinweg Barendrecht
INHOUDSOPGAVE COLOFON ........................................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING ............................................................................................................................. 4 1.1 Uitgangspunten project 1.2 Voorgenomen werkzaamheden
2.
WERKWIJZE .......................................................................................................................... 7 2.1 Werkwijze bovengrondse beoordeling 2.2 Werkwijze ondergronds onderzoek
3.
7 8
RESULTATEN ......................................................................................................................... 9 3.1 Resultaten bovengrondse beoordeling 3.2 Resultaten ondergronds onderzoek
4.
4 6
9 10
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................ 11 4.1 Eindoordeel effecten 4.2 Impact uitvoering 4.3 Randvoorwaarden boombescherming 4.4 Alternatieven behoud bomen
11 12 13 14
BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 15 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
3
Bomenposter werken rond bomen Bodemprofielen Boomgegevens Kaarten
BD23246 ● Boom Effect Analyse Dierensteinweg Barendrecht
15 16 21 22
1. Inleiding Het projectgebied bevindt zich aan de Lorentzweg te Barendrecht. Het betreft de kavel ten zuiden van de A15 naast het bedrijf De Beren en heeft een kaveloppervlakte van circa 9000m2 (afbeelding 1.1). Hier zijn voornemens om een nieuw bedrijventerrein te plaatsen. ABO- Mileuconsult stelt derhalve als eis dat er voorafgaand aan de civiele werkzaamheden een Bomen Effect Analyse (BEA) wordt uitgevoerd. Bomen Effect Analyse (BEA) Een BEA beantwoordt de vraag of een boom/bomen in de huidige verschijningsvorm en huidige standplaats duurzaam behouden kan/kunnen blijven in relatie tot de voorgenomen werkzaamheden en welke maatregelen en randvoorwaarden hiervoor nodig zijn. Hiervoor worden de volgende onderdelen nader uitgewerkt: Wat is de conditie en kwaliteit van de bomen? Hoe is de bodemopbouw en bewortelingssituatie van de aanwezige bomen? Wat zijn de (mogelijke) negatieve effecten van de geplande werkzaamheden, zowel op korte als op lange termijn? Welke maatregelen zijn nodig om mogelijk negatieve effecten te voorkomen dan wel te beperken? Het onderzoek is op 19 en 20 september 2023 uitgevoerd door Anne Lenters, Boom Technisch Adviseur werkzaam bij idverde Bomendienst B.V.
1.1 Uitgangspunten project Locatie Het project is gelegen tussen de A15 en de Dierensteinweg. De kavel ligt naast het bedrijf de beren. De oppervlakte bestaat grotendeels uit een gazon en een verhoging te midden van het terrein. Langs het kavelterrein ligt de spoorweg tracé Rotterdam Dordrecht en de Lorentzweg