CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ondertekende nota activabeleid gemeente Barendrecht.pdf

gemeenteraad 21 september 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Nota activabeleid Barendrecht 202111.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

GEM EENTEBARENDRECHT

Nota activabeleid Gemeente Barendrecht 2021 Investeren, activeren, waarderen en afschrijven

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING.................... 1.1 ALGEMEEN.................. 1.2 UITGANGSPUNTEN.......

1,3 LEESWIJZER .................

2. INVESTEREN ................................................................................................................

......._..1

2.1 WAT IS INVESTEREN...,..........................,...........,...,.....,...............................,............. 2.20NDERGRENSVOORHrT ArriVEREN VAN INVESTERINGEN .....,......................................... 2.31NVESTrRING OF ONDERHOUD? ,.................................................................................

3. ACriVEREN ...................................... 3.IDEFINITIE VAN ACrlVEREN.................,....................,.............................................................................

9

3.2 IMMATERIELEVASTEArrIVA..........,.....,............,...............................................,..........,..........,.............

9

3.2.1 Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio .... 9

3.2.2 Kostenvan onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief ......................................9 3.2.3 Bijdragen aan activa in eigendom van derden ................................................................. 10 3.3MATERIELE VASTEACTIVA.............................,....................................................................................

10

3.3.1 Investeringen met een economisch nut..,................................................................,....... 10

3.3.2 Investeringenmet een economischnut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een

heffing kanworden geheven.................................................,................................................... 11 3.3.3 Investeringenin de openbare ruimte met een maatschappelijk nut...............................11 3.3.4 Erfpacht....................................................................,..........,............,............................... 11 3.3.5 Bruto-nettoactiveren....................................................................................................... 11 3.3.6 Totaalbenadering of componentenbenadering ............................................................... 12 3.4 FINANCIELEVASTEACTIVA........................,....,..........................................................................,.........

4. WAARDEREN ............................................................ 4.1 ALGEMEEN.................................................,....................................................................................

12

,. 14 14

4.2 VERKRIJGINGSPRIJS........................................................................................................................... 14 4.3 VERVAARDIGINGSPRIJS...................................,.................................................................................. 14

4.4 OVERIGE WAARDERINGSVOORSCHRIFTEN ......................................................................,...................... 14 4.5 WAARDEVERMINDERING VAN VASTE ACTIVA .........................................................................................

14

4.6 WAARDERING FINANCIELEVASTEACTIVA..............................................................................................

15

4.7 WAARDERING VAST60ED MET EEN ECONOMISCHNUT....................................,.......................................

15

4.8 VERKOOP OF BUITENGEBRUIKSTELLING(DESINVESTERING) ..............................,.......................................

17

5. AFSCHRIJVEN..................... 5.1 ALGEMEEN...............................................................................................,......................................

18

5.2 AFSCHRIjVINGSBELEID..................................................,...,................................................................

18

5.3 METHODES VANAFSCHRIjVING ..........,................................................................................................ 18 5.3.1 Lineair..............................................................................,.............................,,................. 18 5.3.2 Annuïtair........................................,..............,..............................,....,...............................

18

5.4 STARTEN METAFSCHRIJV[N ....,...................,.................,..........................,................................,........ 18 5.5 AFSCHRIJVINGSTERMIjNEN PER (SUB)CATEGORIE ...................................,.,...,.........................................

19

5.5.1 Uitzonderingen..............,.....,......,...............,.............,..........,.....,...................................... 19 2

5.6 COMPONENTENBENADERING .............................................................................................................20 5.7 RESTWAARDE ....................................................................,.............................................................20 5.8 RENTETOEREKFNINGAAN VASTEACTIVA...............................................................................................

20

5.9 STELSELENSCHArrINGSWIJZIGINGEN .................................................................................................21 5.9.1 Stelselwijziging .........................................................,.......................................................21 5.9.2 Schattingswijziging ......................................................................,....................................21 6. ONDERHOUD.......................................................................................................................... 6.1 ALGEMEEN.................,.................................................................................,,.................................

22 22

6.2 KADERS ENBEHEERPLANNEN .............................................................................................................. 22 6.3 SOORÏEN ONDERHOUD ..................................................................................................................... 22 6.3.1 Kleinonderhoud............................................................................................................... 22 6.3.2Groot onderhoud.............................................,................................................................ 22 6.3.3Achterstalligonderhoud................................................................................................... 22 7. iNVESTERiNGSBUDGETrEN .....................................................................................................24 7.1 ALGEMENE KADERS ..........................................................................................................................24 7.2 AANVRAGEN EN VASTLEGGEN VAN INVESTERINGSBUDGEtrEN ..................................................................

24

7.3 REALISTISCH PLANNEN VAN INVESTERINGEN EN DOORSCHUIVEN VAN INVESTERINGSBUDGEtrEN....................

25

8. INWERKINGTREDING ENONDERTEKENING.............................................................................. 26 BIJLAGE A: STELLIGE UITSPRAKEN VAN DE COMMISSIE BBV.........................................................

27

BiJLAGE B: RELEVANTEWETSARTiKELENUiT Hrr BESLUiTBEGROTiNG EN VERANTWOORDiNG

PROVINCIES ENGEMEENTEN (BBV)............................................................................................. 28 BIJLAGEC: AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN PERCATEGORIE..........................................................

BIJLAGED: WIJZIGINGENTENOPZICHTE VAN VORIGENOTA................................................... D.1 VERGELIJKING UITGANGSPUNTEN .....,.................................................................................................35 D.2 WIJZIGINGEN AFSCHRIJVINGSTABEL.....................................................................................................

37

1. Inleiding 1,1 Algemeen Voor u ligt de nota activabeleidgemeente Barendrecht.De doelstelling van deze nota is het formuleren van beleid en vastlegging van uniforme regels ten aanzien van investeren, activeren,

waarderen en afschrijven. Dezenota stelt hiervoor de kadersen beoogt daarmee het volgen van een bestendige gedragslijn.

Op basisvan de gemeentewet art 212 stelt de raad een financiële verordening vast. In de financiële verordening van Barendrecht is in artikel 9 opgenomendat het beleid en de uitgangspuntenvoor waarderen en afschrijven in een separate nota activabeleid zijn uitgewerkt. Door vernieuwingen van het Besluit Begroting en Verantwoording (hierna te noemen BBV) is het wenselijk om het beleid omtrent investeringen met enige regelmaat te herzien. De laatste nota activabeleid (2016) is eind 2015 vastgesteld. Door wijzigingen in het BBV en aanverwante regelgeving is een herziening noodzakelijk geworden.

Aan deze nota ligt het meest recente BBV(geldend vanaf 1 juli 2019) en de notitie Materiële Vaste Activa van de commissie BBVd.d. januari 2020 ten grondslag.

1.2 Uitgangspunten De uitgangspunten zijn zoveel mogelijk onveranderd gebleven ten opzichte van de vorige nota, mits het actuele BBVen de notitie materiële vaste activa van de commissie BBVgeen aanleiding geven tot een wijziging. De belangrijkste 'eigen’ wijziging is het stellen van de ondergrens voor activering op € 25.000, tenzij

de raad in voorkomende gevallen anders besluit. In de oude nota werd nog onderscheidgemaakt in investeringen met een economisch nut (ondergrens€ 10.000) en met een maatschappelijk nut (ondergrens€ 25.000).Tot 2017 stond het BBVde keuze toe om investeringen met een maatschappelijk nut wel of niet te activeren. Vanaf 2017 is deze keuze niet meer van toepassing; alle investeringen moeten worden geactiveerd en op dezelfde wijze worden behandeld. De ondergrens voor activering voor beide typen investeringen stellen wij derhalve gelijk. In de financiële

verordening is in artikel 6 opgenomen dat afwijkingen groter dan € 25.000 van het oorspronkelijke budget op productniveauof per investering dienen te worden toegelicht in de tussentijdse rapportages. Deondergrensvan € 25.000 1igtin lijn met dit artikel. De uitgangspunten en afschrijvingstabel uit deze nota zijn van toepassing op de nieuw te voteren investeringen vanaf het begrotingsjaar 2022. Voor bestaande activa of reeds gevoteerde investeringen blijven de oude uitgangspunten en afschrijvingstermijnen gelden

De uitgangspunten genoemd in deze nota hebben wij hieronder samenvattend weergegeven. 1. 2.

De ondergrens voor activering is gesteld op € 25.000, tenzij de raad in voorkomende

gevallenandersbesluit. Investeringen in gronden, terreinen en financiële vaste activa worden altijd geactiveerd, onafhankelijkvan het bedrag.

3.

Er is sprake van onderhoud wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief. Deze mogen niet worden geactiveerd.

4.

Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio activeren wij alleen als de raad hier expliciet toe besluit.

5.

Bijdragen aan activa in eigendom van derden activeren wij alleen als de raad hier expliciet toe besluit.

6.

Bijdragen van derden die in directe relatie tot een vast actief staan worden op het investeringsbedrag in mindering gebracht.

7,

Wij passen de componentenbenadering toe, tenzij anders aangegeven in de bijgevoegde tabel met afschrijvingstermijnen

8.

Kosten welke rechtstreeks aan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs kunnen worden toegerekend, moeten worden geactiveerd. Daaronder vallen ook de interne en externe salarislasten.

9.

Kosten van overhead worden geactiveerd middels een opslag voor indirecte kosten op het

10.

geldende uurtarief. Rentekostenworden niet separaat geactiveerd. Jaarlijkstoetsen wij bij het opstellen van de jaarrekening de waarde van het vastgoed met

11.

12.

een economische functie aan de hand van de indirecte opbrengstwaarde. Wij passen standaard de lineaire afschrijvingsmethode toe. Bij uitzondering kan, middels een expliciet raadsbesluit, gekozen worden voor toepassing van de annuïtaire methode. De afschrijving start vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed

gereed komt/verworven wordt of in gebruik wordt genomen. 13.

14.

De afschrijvingsmethoden en -termijnen zijn vastgelegd in de bij deze nota bijgevoegde afschrijvingstabel met een indeling in (sub)categorieën. Indien er bij een voorgenomen investering sprake is van een nieuwe (sub)categorie en/of afwijkende afschrijvingstermijn

wordt dit in het betreffende raadsvoorstelexpliciet benoemd en gemotiveerd. De restwaarde van het vaste actief wordt op nihil gesteld.

15

Het omslagpercentage ten behoeve van het toerekenen van rente aan de taakvelden, wordt voor het nieuwe begrotingsjaar bepaald bij de vaststelling van de begroting.

16.

De raad autoriseert bij de vaststelling van de begroting de budgetten voor de investeringen van het begrotingsjaar. Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn

17.

opgenomen, legt het college een voorstel voor het vaststellen van een investeringsbudget aan de raad voor.

18.

Investeringsbudgetten waarvan de uitvoering met een jaar is opgeschoven kunnen, na toestemming van de raad, eenmalig worden verschoven naar een volgend jaar

5

1.3 Leeswijzer De nota is vrijwel volledig herschreven en daardoor anders van opzet dan de vorige nota. In de

hoofdstukken 2 tot en met 5 gaanwe in op de kaders rondom de relevante begrippen met betrekking tot de levensloop van een vast actief: investeren, activeren, waarderen en afschrijven. In

hoofdstuk 6 bestedenwe aandachtaan het begrip onderhoud. In hoofdstuk 7 komt het proces rondom aanvraag en verwerking van investeringsbudgetten aan de orde. In bijlage A zijn de stellige uitspraken van de commissie BBV uit de notitie materiële vaste activa (2020) opgenomen. In bijlage B vindt u de relevante artikelen van het BBV. Als bijlage C is een

overzicht van de afschrijvingstermijnen –methode per (sub)categorieopgenomen. In bijlage D zijn de uitgangspunten uit deze nota vergeleken met de vorige nota. In deze bijlage is ook een overzicht van de gewijzigde afschrijvingstermijnen opgenomen.

2. Investeren 2.1 Wat is investeren Eengangbare definitie van het begrip investeren is: Het vastleggenvan vermogen in objecten waarvan het nut zich over meer dan een jaar uitstrekt. In de meeste gevallengaat het om kapitaalgoederen, zoalsgebouwen, wegen of machinesen installaties. Het is echter ook mogelijk vermogen vast te leggenin onstoffelijke (immateríële) of financiële objecten. Ook hiervoor gebruiken we in deze nota de term investeren.

Door het doen van investeringen ontstaan meerjarige bezittingen, oftewel vaste activa. De waarde van deze vaste activa worden bepaald (waarderen) en opgenomen op de gemeentelijke balans (activeren). De lasten die als gevolg van deze investeringen ontstaan, zoals bijvoorbeeld kapitaallasten (afschrijvingen en toegerekende rente) en onderhoudslasten, behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten.

2.2 Ondergrens voor het activeren van investeringen In artikel 59 van het BBVis opgenomen dat: “Alle investeringen worden geactiveerd” (uitgezonderd kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde). De CommissieBBVbeveelt gemeenten daarbij aan uit het oogpunt van efficiency en het in de hand houden van de administratieve lasten een ondergrens voor het activeren van investeringente hanteren. Bij het hanteren van een activeringsgrensmoet de verplichting tot het activeren van investeringen in acht worden genomen. Het is niet toegestaan om de activeringsgrenszodanig hoog te stellen dat hierdoor (bepaalde typen) activa individueel of als verzameling in totaal van materiële omvang buiten de balansworden

gehouden. Het is ook niet toegestaan deze grens aan te passen met het oog op financieel evenwicht. Elke wijziging van de grens wordt beschouwd als een stelselwijziging en heeft tot gevolg dat vergelijkende cijfers moeten worden opgesteld. De ondergrens voor activering stellen wij in deze nota vast op € 25.000. Uitgaven met een lager bedrag worden ten laste van de exploitatie geraamd en verantwoord, tenzij de raad in voorkomende gevallen anders besluit. Een uitzondering op deze beleidsregel vormen aankopen welke als losstaand actief weliswaar onder de ondergrens blijven, maar wel in grotere aantallen worden aangeschaft en daardoor deze

ondergrens overstijgen, zoals bijvoorbeeld computers of meubilair, maar ook lantaarnpalenen SP

A n\ 1+A rbr+ n IInn

\ /a niii i+ h h+ \• gA++ rb Iii l/ A l/ n rJ nbr slnbrnub nhn n nt 1/ rIA

investeringen in gronden, terreinen en

financiële vaste activa een uitzondering. Deze worden altijd geactiveerd, onafhankelijk van het bedrag.

2.3 Investering of onderhoud? Van een investering is sprake als het nut zichover meerderejaren uitstrekt en wordt geactiveerd conform de wettelijke (BBV)en beleidsmatige (deze nota) kaders.Kostenvan onderhoud worden gemaakt om het actief in goede, of oorspronkelijke staat te houden en zijn dus niet van invloed op de vooraf bepaaldegebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object. DeCommissieBBVheeft de stellige uitspraak gedaan dat kosten voor onderhoud niet levensduur verlengendzijn. Deze onderhoudskosten mogen niet worden geactiveerd. Investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en expliciet leiden tot een

substantiële kwaliteitsverbetering en/of levensduurverlengingvan betreffend actief moeten wel worden geactiveerd. Bijvoorbeeld, het renoveren (; vernieuwen naar de huidige maatstavenen normen) van een gebouw. Dit geldt ook voor aanpassingen om te voldoen aan wet- en regelgeving 7

(bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriftendie invloed hebben op de waarde en de levensduur). De verschillen tussen onderhoud of substantiële kwaliteitsverbetering en/of levensduurverlenging

lijken redelijk ondoorzichtig. Degrondregel is dat, wanneer uitgavenworden gedaanten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief, er sprake is van onderhoud.

3. Activeren 3,1 Definitie van activeren De Commissie BBVgeeft de volgende definitie van het boekhoudkundige begrip activering: Het op de

balanspresenteren van de financiële waarde van het aangeschafteof vervaardigde bezit/kapitaalgoed met meerjarig nut dat vanaf dat moment als bezitting kan worden beschouwd. Dit houdt in dat het bedrag onder de [vaste] activa op de balans geplaatst wordt, en jaarlijks afgeschreven wordt, in plaats van het direct volledig als kosten op te nemen. De vaste activa worden op basis van artikel 33 van het BBV op de balans ingedeeld in immateriële,

materiële en financiële vaste activa. Dezecategorieën lichten wij hieronder toe,

3.2 Immateriële vaste activa Immateriële vaste activa zijn niet stoffelijk of financieel van aard, maar hebben wel betrekking op uitgaven met een meerjarig nut. Het BBVstaat activering van immateriële vaste activa in beperkte mate toe. Daarbij is activering van immateriële vaste activa niet verplicht.

Het BBVonderscheidt in artikel 34, limitatief, welke immateriële investeringen uitsluitend mogen worden geactiveerd:

a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningenen het saldovan agio en disagio; b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; c. bijdragen aan activa in eigendom van derden.

3,2.1 Kostenverbondenaan het sluiten van geldleningenen het saldo van agio en disagio Het BBVbiedt de mogelijkheid om deze kosten van meerjarige geldleningen,gedurendede looptijd van de lening, af te schrijven. Het BBVbeveelt echter aan deze kosten niet af te schrijven,maar direct als last in de exploitatie te nemen. Wij volgen dit advies en activeren deze lasten alleen, na een

raadsbesluit,bij uitzondering. 3.2.2 Kostenvan onderzoeken ontwikkeling voor een bepaald actief Artikel 60 van het BBVgeeft aan onder welke voorwaarde de kosten van onderzoek en ontwikkeling geactiveerd mogen worden: a. het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen; b. de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;

c. het actief in de toekomst economischof maatschappelijk nut zalgenereren en; d. de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.

Volgens deze voorwaarden is er al sprakevan een redelijk omlijnd en technisch uitvoerbaar plan tot investering en dat deze investering zelf ook activeerbaar is. Voor het overige laat dit artikel de spelregels redelijk open. Wel is duidelijk dat activering niet is toegestaan als nog niet duidelijk is wat er gerealiseerd gaat worden. Ook de voorbereiding van vervangingsinvesteringen behoort niet tot deze categorie; deze lasten moeten worden geactiveerd als onderdeel van het materieel vast actief. Als de investering tot stand komt, worden de kosten van onderzoek en ontwikkeling, zoals voorgeschreven in het BBV, in maximaal vijf jaren afgeschreven. Wordt besloten de investering niet uit te voeren, dan worden de reeds geactiveerde uitgaven afgeboekt en ten laste van de exploitatie van het lopende begrotingsjaar gebracht. Voor deze uitgaven dient dan dekking te worden gezocht. Het onderscheid tussen kosten van onderzoek en ontwikkeling en kosten van voorbereiding van een

investering is niet nader omschreven.Als scheidsltjn stelt Deloitte Accountantsvoor het moment van 9

besteksgereed maken en aanbesteden. Alles wat daarvoor ligt zien wij als kosten van onderzoek en ontwikkeling en mogen worden geactiveerd onder de immateriële vaste activa. Alles daarna, en daarmee na een positieve investeringsbeslissing, wordt gezien als voorbereidingskosten die rechtstreeks aan de vervaardiging van het actief kunnen worden toegerekend en moeten als onderdeel van de vervaardigingsprijs worden geactiveerd onder de materïële vaste activa. 3.2.3 Bijdragen aan activa in eigendom van derden

Bijdragenin activa in eigendomvan derden kunnen volgens artikel 61 van het BBVworden geactiveerd, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

er sprake is van een investering door een derde;

b.

de investering bijdraagt aan de publieke taak;. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is

c.

d.

overeengekomen en; de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.

Het activeren van deze bedragen draagt niet altijd bij aan een correct inzicht in de vermogensposïtie van de gemeente. De gemeente Barendrecht activeert daarom alleen, na een raadsbesluit, bij uitzondering. Het BBVschrijft voor dat de afschrijvingstermijn maximaal gelijk wordt gesteld aan de afschrijvingsduur die door de betreffende derde wordt gehanteerd voor dit activum. In geval de

termijn waarop de gemeente een dergelijke investering zelf zou afschrijven korter is, kiezenwe voor de afschrijvingsduur zoals genoemd in bijlage C

3.3 Materiële vaste activa Het grootste deel van de investeringen betreft materiële vaste activa. Dezezijn altijd fysiek van aard De uitzondering hierop is software, wat in feite onstoffelijk (immaterieel) is, maar niet is opgenomen in de limitatieve lijst van immateriële vaste activa genoemd in BBVartikel 34. Op grond hiervan doet de Commissie BBVde stellige uitspraak dat software of licenties op software voor onbepaalde duur,

die in één keer in rekeningworden gebracht, dienen te worden opgenomen onder de materiële vaste activa

Volgensartikel 35 BBVworden investeringen in materiële vaste activa alsvolgt op de balans opgenomen: a.

investeringen met een economisch nut;

b.

investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing

c.

kan worden geheven; investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.

3.3.1 Investeringen met een economisch nut Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of kunnen bijdragen aan

het genereren van middelen. Met andere woorden: de investering kan worden verkocht en er is een markt voor. Voorbeelden hiervan zijn bedrijfswagens, inventarissen of gebouwen.

Ook software behoort tot deze categorie,waarbij wel een uitzondering wordt gemaakt voor cloudtoepassingen (Software as a Service, ofwel SaaS).De gemeente sluit daarbij een overeenkomst of abonnement met de dienstverlener en schaft de software zelf niet aan. De gemeente beschikt dan

niet over het juridisch of economischeigendom. De kosten van deze overeenkomst mogen daarom 10

niet worden geactiveerd, maar moeten worden opgenomen alsexploitatielast. Dat geldt ook voor de bijbehorende implementatielasten. Er is immers geen sprake van een verkrijgingsprijs, waardoor deze lasten niet kunnen worden gekwalificeerd als bijkomende kosten.

3.3.2 Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven

Dezeinvesteringen zijn feitelijk identiek aan bovenstaandecategorie met de toevoeging dat een (publiekrechtelijke) bestemmingsheffing kan worden geheven ter bestrijding van de kosten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan investeringen ten behoeve van de afvalinzameling,een begraafplaatsof ten behoevevan de weekmarkt. De categorie is in het leven geroepen om de kostentoerekening aan gemeentelijke taken waarvoor een gebonden heffing kan worden gevraagd, zoals de afvalstoffenheffing, inzichtelijk te houden. Onjuiste onderbouwing van deze kostentoerekening kan juridische consequenties hebben. De bedoelde heffing betreft ook rechten die op grond van artikel 229 lid la en b van de Gemeentewet geheven kunnen worden. Dit zijn rechten die maximaal kostendekkend mogen zijn, alleen besteed mogen worden aan het doel waarvoor de rechten zijn geheven en die ook een spaarbedrag voor vervanging van de betrokken activa mogen bevatten. 3.3.3 Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut

Voor deze investeringen geldt dat er geen markt voor is en ze dus niet of nauwelijks verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn wegen, fietspaden of bruggen. In artikel 59 lid 1 van het BBV is bepaald dat alle investeringen worden geactiveerd. Dit artikel is op

deze wijze pas vanaf 2017 van toepassing. Voor investeringen met een maatschappelijk nut van voor 2017 gelden de 'oude’ regels. De Commissie BBV schrijft voor dat in het verloopoverzicht in de toelichting op de balans aangeven dient te worden welk bedrag volgens de nieuwe systematiek is verantwoord en welk deel volgens de oude systematiek.

3.3.4 Erfpacht In lid 2 van artikel 35 BBVis opgenomen dat (afzonderlijk) wordt aangegevenwelke materiële vaste activa in erfpacht zijn uitgegeven. Dit moet tot uitdrukking worden gebracht en toegelicht in de balans. Deze materiële vaste activa staan niet meer volledig ter beschikking van de gemeente; door de vestiging van een zakelijk recht zijn deze (grotendeels) vervreemd.

DeCommissieBBVconstateert dat in toenemende mate ook met betrekking tot gebouwen (opstallen) zakelijke rechten (zoals erfpacht) worden gevestigd. Ook in deze gevallen is artikel 35 lid 2 van toepassing. 3.3.5 Bruto-netto activeren In artikel 62 BBV is beschreven op welke wijze de bedragen van de investeringen moeten worden geactiveerd . Alle investeringen worden op basis van het volledige investeringsbedrag (excl. compensabele of

verrekenbare btw) geactiveerd (bruto-methode). Daaropworden de bijdragenvan derden die in directe relatIe tot dit vaste actief staan op het investeringsbedrag in mindering gebracht (netto-

methode). Eendoor de raad ingestelde bestemmingsreservekan niet in mindering worden gebracht op de investering, maar wordt gebruikt ter dekking van de jaarlijkse, met de investering verband houdende afschrijvingslasten.

11

De wettelijke mogelijkheid bestaat om via de riool- of afvalstoffenheffing bedragen op te nemen voor toekomstige vervanging5investeringen. Dezebedragen moeten op grond van artikel 44 lid 1d BBV aan een voorziening worden toegevoegd. Op deze bedragen rust een verplichting en zij staan niet ter

vrije beschikkingvan de raad.In het jaar dat de daadwerkelijke vervangingsinvesteringplaatsvindt, wordt de investering geactiveerd en de vervangingsbijdrage uit de voorziening direct in mindering gebracht op de vervangingsinvestering (artikel 62 lid 3 BBV). 3.3.6 Totaalbenadering of componentenbenadering Het BBVgeeft gemeentes de mogelijkheid om bij het activeren van complexe, samengestelde

investeringen te kiezenvoor de totaalbenadering of de componentenbenadering. Bij een investering in vastgoed bestaat het activum uit meerdere onderdelen, zoals de grond, het gebouw, de inventaris en de inrichting. Elk onderdeel heeft een eigen economische of technische levensduur. Als gekozen wordt voor de totaalbenadering wordt het actief als één geheel geactiveerd

op de balansen geldt één afschrijvingstermijn.Grond vormt hierop een uitzondering. Omdat hierop niet mag worden afgeschreven, wordt grond buiten de totaalbenadering gelaten en apart geactiveerd . Activeren volgens de totaalbenadering leidt ertoe dat sommige onderdelen langer worden afgeschreven dan de geschatte levensduur. De onderdelen die een kortere gebruiksduur hebben dan

de vooraf bepaaldegebruiksduur van het gehele actief, en dus eerder vervangen moeten worden, vallen onder het groot onderhoud. Via het vormen van een onderhoudsvoorzieningkunnen de kosten van toekomstig groot onderhoud gelijkmatig gespreid worden in de tijd. In Barendrecht kiezen we voor de componentenbenadering, tenzij anders aangegeven in de

bijgevoegdetabel met afschrijvingstermijnen.De componentenbenadering houdt in dat de verschillende samenstellende delen afzonderlijk worden geactiveerd en afgeschreven conform de

levensduurvan het betreffende activum. Dezemethode leidt er wel toe dat het aantal activa in de administratie toeneemt. Om deze toename beheersbaarte houden, kiezenwe ervoor om de opsplitsing in componenten te bepalen aan de hand van de tabel met afschrijvingstermijnen die als bijlage bij deze nota is opgenomen. De Commissie BBVheeft in de notitie materiële vaste activa bepaald dat een gemeente die de

componentenbenaderingvoor een bepaaldecategorie kapïtaalgoederenwiI (gaan)gebruiken dit consequent voor deze categorie moet toepassen en de keuze (en ingangsdatum) vastlegt in de financiële verordening. In de vigerende financiële verordening van de gemeente Barendrecht verwijzen we naar deze nota activabeleid.

3.4 Financiële vaste actIva Financiële vaste activa hebben betrekking op financiële kapitaalgoederen zoals deelnemingen in andere ondernemingen, effecten, verstrekte langlopende leningen, en vorderingen die op lange

termijn aan derdenter beschikkingzijn gesteld. Het BBVneemt in artikel 36 een lange lijst op met de verplichte indeling, welke in hoofdlijnen neerkomt op: a. kapitaalverstrekkingen; b. langlopende leningen (langer dan een jaar);

c. uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer. Elk onderdeel kent nog een eigen nadere, verplichte specificatie, bijvoorbeeld leningen verstrekt aan

deelnemingen, verbonden partijen, woningbouwcorporaties,etc. 12

Het onderscheid tussen een kapitaalverstrekking of een verstrekte lening is in het BBV niet nader

gedefinieerd. Het verstrekken van kapitaal aan een verbonden partij kan in theorie zowel beschouwd worden als een kapitaalverstrekkingen als een lening. In het laatste gevalgaan we er echter van uit dat er sprake is van een vooraf vastgesteld aflossingsschema. Anders dan voor de immateriële en materiële vaste activa geldt, worden financiële vaste activa altijd geactiveerd. Hierbij hanteren we geen ondergrens.

13

4. Waarderen 4.1 Algemeen De waarderingsgrondslagen zijn de basis voor het bepalen van de balanswaarde van de bezittingen. Aan de hand van deze waarderingsgrondslagen wordt het bedrag waarover wordt afgeschreven

vastgesteld. In artikel 63 BBVzijn de voorschriften omtrent het waarderen van activa en passiva opgenomen. Voor (vaste} activa is de hoofdregel dat deze worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.

4.2 Verkrijgingsprijs Het begrip verkrijgingsprijs is in artikel 63 lid 2 van het BBVgedefinieerd als de inkoopprijs (exclusief compensabele BTW) en de bijkomende kosten. De toevoeging 'bijkomende kosten’ is in het BBV niet verder uitgewerkt, maar in de notitie materiële vaste activa heeft de Commissie BBV wel opgenomen

dat kosten die noodzakelijkzijn om het actief in gebruik te kunnen nemen (zowel van externen als eigen medewerkers) zijn te kwalificeren als bijkomende kosten en moeten worden geactiveerd. Een

voorbeeld hiervan zijn de implementatiekosten van aangeschaftesoftware (niet-SaaS)of hardware; zonder deze implementatie kan het activum niet in gebruik worden genomen.

4.3 Vervaardigingsprijs In lid 3 van artikel 63 BBV is bepaald dat de vervaardigingsprijs de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten bevat, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Onder de overige kosten worden ook de salariskosten (intern en extern) bedoeld die direct aan een actief zijn toe te rekenen. Deze kosten moeten worden geactiveerd . De Commissie BBVvoegt hier de keuze aan toe dat in de vervaardigingsprijs tevens een redelijk deel

van de indirecte kosten, zoalsoverhead en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend, mogen worden opgenomen. Als sprake is van activering van rente wordt dat vermeldt in de toelichting op de balans. De gemeente Barendrecht hanteert de richtlijn dat kosten van overhead worden geactiveerd middels een opslag voor indirecte kosten op het geldende

uurtarief. Rentekostenworden niet separaatgeactiveerd.

4.4 Overige waarderingsvoorschriften In artikel 63 BBVzijn naast de waarderingop basisvan de verkrijgings- of vervaardigingsprijsnog een tweetal bijzondere bepalingenopgenomenin de volgende leden: 4.

Voor in erfpacht uitgegevengronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als

5.

verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.

Bij de toepassingvan lid 4 dient te worden opgemerkt dat voor eeuwigdurend in erfpacht uitgegeven gronden waarvoor canon wordt ontvangen, geldt dat deze economische waarde behouden, ondanks

het feit dat het economischeigendom is overgedragen, en gewaardeerdworden tegen uitgifte- of verkrijgingsprijs.. Waardering tegen de (lagere) registratiewaarde vindt alleen plaats bij afgekochte eeuwigdurende erfpacht.

4.5 Waardevermindering van vaste activa Het BBVbepaalt in artikel 65 lid 1 dat naar verwachting duurzame waardeverminderingenvan vaste activa onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen. 14

De waarde van een vast actief kan in de loop van de tijd veranderd zijn ten opzichte van de boekwaarde op de balans. Herwaardering naar een hogere waarde is niet toegestaan; boekwinsten

op activa mogen pas worden genomen bij het moment van realisatie,bijvoorbeeld verkoop. Waardering van vaste activa geschiedtconform artikel 63 BBVtegen de verkrijgings-of vervaardigingsprijs, waardoor artikel 65 lid 1 BBV moet worden gezien als de uitzondering op die regel: Onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden zijn waardeverminderingen toegestaan of verplicht. Daarbij is de toevoeging 'naar verwachting duurzaam’ ( = blijvend) een belangrijke toevoeging.

Duurzamewaardeverminderingen alsgevolg van bijvoorbeeld schadeof milieuvervuiling en wijziging van de bestemming van het actief moeten worden verwerkt in de balans. Dit is mogelijk via een

tijdelijke voorziening waardevermindering, zodat waardeherstel mogelijk blijft. Wanneer de duurzame waardevermindering definitief genomen is middels een extra afschrijving, is er bij een

eventueel later waardeherstel geen mogelijkheid meer om de boekwaardete vermeerderen. Om te bepalen of er sprake is van duurzame waardevermindering hanteert de Commissie BBV het begrip directe opbrengstwaarde, waarmee de waarde van het kapitaalgoed bij directe verkoop wordt

bedoeld. Omdat investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijknut niet verhandelbaarzijn (geen markt) sluiten we deze categorie uit van mogelijkewaardeverminderingen.

4.6 Waardering financiële vaste activa Voor financiële vaste activa zijn in het BBVgeen specifiekevoorschriften opgenomen, anders dan dat deze gewaardeerd worden op kostprijs dan wel duurzaam lagere waarde.

Waardering op duurzaam lagere waarde komt in de praktijk nauwelijks voor, omdat de Regeling

uitzettingen en derivaten decentrale Overheden (Ruddo)in artikel 3 de voorwaarde stelt dat openbare lichamen uitsluitend gelden uit mogen zetten in de vorm van producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het einde van de looptijd intact is.

In artikel 65 lid 2 geeft het BBVdaarbij nog aan dat deelnemingen dienen te worden gewaardeerd tegen de marktwaarde, indien deze lager is dan de verkrijgings-of vewaardigingsprijs. Bij een deelneming die in het verleden is afgewaardeerd vanwege een lagere marktwaarde, maar waarbij inmiddels de marktwaarde significant hoger is dan zowel de boekwaarde op de balans, kan geen waardeherstel plaats vinden. Een afwaardering kan alleen worden teruggenomen, tot maximaal de aanschafwaarde, indien destijds een voorziening was gevormd voor het waardeverschil tussen de boekwaarde en de marktwaarde

4.7 Waardering vastgoed met een economisch nut De CommissieBBVheeft in de notitie materiële vaste activa {januari 2020) opgenomen dat voor vastgoed met een economischefunctie - ingeval van een duurzame waardeverminderingafwaarderingverplicht is en wordt getoetst met behulp van de directe opbrengstwaarde. Door gewijzigde omstandigheden komt het voor dat vastgoed in waarde afneemt. Daarin maakt de Commissie BBVonderscheid tussen vastgoed met een maatschappelijke functie en vastgoed met een bedrijfseconomische functie. Het overgrote deel van het vastgoed bij gemeenten is maatschappelijk. Onder vastgoed met een maatschappelijke functie verstaat de Commissie BBVbijvoorbeeld een

gemeentehuisof gebouwen en terreinen met een functie op het gebiedvan onderwijs, sport, cultuur, welzijn of maatschappelijke opvang en/of zorg. Kenmerk van vastgoed met een

15

maatschappelijke functie is dat bij een negatieve exploitatie van het vastgoed er in wezen duurzaam een subsidie wordt verstrekt.

Duurzamewaardevermindering van vastgoed met een maatschappelijkefunctie speelt geen rol zolang het voornemen bestaat het vastgoed blijvend in deze functie te exploiteren. Als het voornemen echter bestaat om vastgoed met een maatschappelijkefunctie te verkopen of de bestemming ervan te wijzigen naar vastgoed met een bedrijfseconomische functie dan moet, in geva

van een naar verwachting duurzaam lageremarktwaarde dan de boekwaarde,een duurzame waardevermindering worden verantwoord. Bij vastgoed met een bedrijfseconomische functie gaat het om vastgoed dat door de gemeente wordt aangehouden om bewust winst en/of waardestijgingen te realiseren. In deze situatie worden panden aangehouden en verhuurd en/of staan in de verkoop. Voor vastgoed met een economische

functie is afwaardering verplicht en wordt de toets met behulp van de directe opbrengstwaarde voorgeschreven . In de notitie materiële vaste activa heeft de Commissie BBVter verduidelijking het volgende schema opgenomen: Duurzame waarde-

vermInderIng toepassen \

DIrecte < b(nkwaarde?

Geen duurzame

-A

waardu vermInderIng toepassen

BedrIJfs-

onomisc functIe

=-MR_ na

Duurzame

---\,

waarde

+

IntentIe duurzaam

DIrecte

vermInderIng

opbrenBstwaarde

toepassen

exp+olteren

< tx>ekwaarde

k.

Geen duurzame waardevermInderIng toepassen

+

Duurzame waardevermInderIng speett geen rol

I

Aan de hand van een inschatting van de indirecte opbrengstwaarde {bedrijfswaarde, bijvoorbeeld

huidige exploitatieresultaat van het pand of actuele WOZ-waarde)kan worden vastgesteldof er mogelijke sprake is van een duurzame waardevermindering. Deze inschatting mag niet gebruikt worden om de waarde te bepalen. De Commissie BBVschrijft de toets van de directe opbrengstwaarde voor, welke wordt vastgesteld door middel van een onafhankelijke taxatie.

Detoepassingvan een duurzame waardevermindering betreft een schattingswijzigingwelke direct dient te worden verwerkt, onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar(artikel 65 lid 1). De gemeente Barendrecht toetst jaarlijks, bij het opstellen van de jaarrekening, de waarde van het vastgoed met een economische functie aan de hand van de indirecte opbrengstwaarde.

4.8 Verkoop of buitengebruikstelling (desënvestering) Als een materieel vast actief buiten gebruik wordt gesteld en/of wordt verkocht, moet het actief afgewaardeerd worden als de verwachte marktwaarde lager is dan de boekwaarde. Wanneer een

actief wordt bestemd voor verkoop dan moet daarbij tevens overboekingplaatsvinden naar de voorraden.

Deeventueel verkregen (verkoop-)opbrengstwordt als incidentele bate verantwoord in de jaarrekening. De restantboekwaardevan het object moet, indien van toepassing,geheelworden afgeboekt en worden verantwoord als een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst

en het afboeken van de boekwaarde mogen niet met elkaar worden verrekend en worden dus als afzonderlijke posten opgenomen. Ook verrekening van de verkoopopbrengst met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject is niet toegestaan.

17

5. Afschrijven 5.1 Algemeen Investeringen in kapitaalgoederen verliezen naar mate de tijd verstrijkt hun waarde. Deze waardevermindering noemen we 'afschrijven’. Afschrijven is het boekhoudkundig verwerken van de waardevermindering van de kapitaalgoederen. De hoogte van de afschrijving wordt bepaald door de economische gebruiksduur en de wijze van afschrijven, en mag niet worden be-invloeddoor het resultaat in enig jaar. De gekozen grondslagen moeten in beginsel consistent worden aangehouden.

5.2 Afschrijvingsbeleid Het BBVgeeft gemeenten de keuzevrijheid bij het vaststellen van het afschrijvingsbeleid. Een

voorwaarde is wel dat de economischelevensduurin lijn is met de technischelevensduur, met andere woorden, een afschrijvingstermijn van 5 jaar op een pand, of 50 jaar op software is niet realistisch. De Commissie BBVstelt voor dat gemeenten de beleidskeuzes vastlegt in de financiële verordening. In de financiële verordening van de gemeente Barendrecht is er voor gekozen de beleidskeuzes vast te leggen in een separate nota activabeleid. Daarin kan de gemeente kiezen om gelijksoortige activa op dezelfde wijze te behandelen door de activa in te delen in categorieën (bijvoorbeeld gebouwen) en subcategorieën (bijvoorbeeld schoolgebouwen, sportgebouwen etc.). Voor elke (sub)categorie geldt wel dat slechts een en dezelfde afschrijvingsmethode kan worden gehanteerd. In bijlage C is de afschrijvingstabel opgenomen met daarin een onderverdeling naar (sub)categorieën.

5,3 Methodes van afschrijving Het BBVschrijft geen afschrijvingsmethodevoor. Ook hierin heeft de gemeente keuzevrijheid, waarbij wel het belang wordt onderstreept om de vermindering van de boekwaarde en de op de balansopgenomen restant boekwaardezo goed mogelijk te benaderen. Zoals hierboven beschreven geldt tevens dat gelijksoortige activa volgensdezelfde methode worden afgeschreven. Gemeenten passenover het algemeende lineaire en / of annuïtaire afschrijvingsmethodetoe. Er zijn meerdere methodes, maar die worden in deze nota niet verder toegelicht. 5.3.1 Lineair Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt jaarlijks een vast percentage van de aanschafwaarde afgeschreven. Hierdoor daalt de boekwaarde van het actief ieder jaar met hetzelfde bedrag en dalen de toegerekende rentelasten door de afnemende boekwaarde. De totale kapïtaallasten (afschrijving

en toegerekende rente) nemen hierdoor dus jaarlijks af. 5.3.2 Annu-l-toir

Bij de annuïtaire afschrijvingsmethodeblijven de kapitaallastenjaarlijks gelijk (annuïteït). Deze annuïteit bestaat uit rente en afschrijving.Doordat de rente wordt berekend over de actuele boekwaarde, nemen de rentekosten per jaar af en de afschrijvingskosten per jaar toe. Bij deze methode zijn de afschrijvingen aan het begin laag en aan het einde hoog. De gemeente Barendrecht past standaard de lineaire methode toe. Bij uitzondering kan, middels een expliciet raadsbesluit, gekozen worden voor toepassing van de annuïtaire methode.

5,4 Starten met afschrijven Ook in het kiezenvoor het startmoment van afschrijven laat het BBVde gemeente vrij. Degemaakte keuzegeldt wel voor alle investeringen;afwijken per categorie is niet toegestaan. Het BBVstelt de volgende mogelijkheden voor: 18

•

•

6

vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoedgereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving); of medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoedgereed komt/verworven wordt (een half jaar afschrijving); of vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven

wordt; of •

vanaf het moment van ingebruikname.

De gemeente Barendrecht kiest er voor om af te schrijven vanaf het boekjaar volgend op het jaar

waarin het kapitaalgoedgereed komt/verworven wordt of in gebruik wordt genomen. Een belangrijke voorwaarde is dat de gereedmelding tijdig plaatsvindt en dat de afschrijvingsperiode

de economischeof technische levensduurniet gaat overschrijden doordat de uitvoering over meerdere jaren wordt verdeeld. Dat laatste kan het geval zijn bij een langdurig investeringsproject.

5.5 Afschrijvingstermijnen per (sub)categorie Op grond van artikel 64 lid 3 BBVwordt op vaste activa met een beperkte gebruiksduurjaarlijks afgeschrevenvolgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. Dit kan de technischeof economischegebruiksduurzijn, Voor het bepalenvan de afschrijvingstermijn gaan wij uit van de verwachte economischegebruiksduur. Het BBVschrijft geen afschrijvingstermijnen voor, buiten de enkele uitzonderingen die we hieronder verder benoemen. De gemeente dient zelf per (sub)categorie de afschrijvingstermijn vast te stellen. De afschrijvingstermijnen moeten consistent worden toegepast, waarvan alleen bij gegronde redenen en na een expliciet raadsbesluit mag worden afgeweken. In bijlage C is een afschrijvingstabel opgenomen met een indeling in (sub)categorieën. De tabel is niet uitputtend; Indien er bij een voorgenomen investering sprake is van een nieuwe (sub)categorie en/of afwijkende

afschrijvingstermijnwordt dit in het betreffende voorstel expliciet benoemd en gemotiveerd. 5.5.1 Uitzonderingen

Voor enkele typen activa noemt het BBVwel een verplichte afschrijvingstermijn,waarvan niet mag

worden afgeweken.Het betreft hier: 1.

Grond Grond is niet aan slijtage onderhevig en wordt daarom niet afgeschreven. Dit geldt ook voor grond die in erfpacht is uitgegeven Op grond onder een weg wordt wel afgeschreven. In dit geval wordt de grond gezien als onderdeel van de weg en niet als zelfstandig object. De investering die gepaard gaat met de aanleg van de weg wordt, inclusief de aankoopkosten van de grond, over de levensduur van de weg afgeschreven .

2.

Immateriële vaste activa In lid 4 t/m 6 van artikel 64 BBVzijn de bepalingen rondom het afschrijven op de verschillende soorten tmmateriële vaste activa opgenomen.

Lid 4: De afschrijvingstermijn op kosten van het sluiten van geldleningenis maximaalgelijk aan de looptijd van de lening. Lid 5: Op kosten van onderzoek en ontwikkeling bedraagt de afschrijvingstermijn ten hoogste vijf jaar. Lid 6: Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden is de afschrijvingsduur maximaal

gelijk aan de afschrijvingsduurvan de activa die door de betreffende derden wordt gehanteerd. 19

3. Financiële vaste activa

Op financiële vaste activa wordt, gezien hun aard, niet afgeschreven.Wel kan de waarde wijzigen doordat bijvoorbeeld op de leningen wordt afgelost.

5.6 Componentenbenadering In paragraaf 3.5.6 - Activeren is de componentenbenadering toegelicht. Kort samengevat houdt de componentenbenadering in dat de verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief,

afzonderlijk kunnen worden afgeschrevenop basisvan de individuele waardevermindering van die delen. De afschrijvingstermijnen van deze afzonderlijke delen bepalen we aan de hand van de afschrijvingstabel in bijlage C.

5.7 Restwaarde De restwaarde is een schatting van de opbrengst die na de gebruiksduur nog kan worden

gerealiseerd,verminderd met de kosten van sloop en/of verwijdering. Daarbij is het prijspeil van het moment van ingebruikname maatgevend en mag er geen rekening worden gehouden met inflatie,

deflatie of veranderende marktomstandigheden.De restwaarde dient reëel en per individueel actief te worden geschat. Het schatten van een reële restwaarde is over het algemeen niet eenvoudig. De gemeente Barendrecht kiest er voor om, mede vanuit het voorzichtigheidsbeginsel, de restwaarde op nihil te stellen

5.8 Rentetoerekening aan vaste activa In de notitie rente (2017) heeft de CommissieBBVeen stellige uitspraak opgenomen met betrekking tot de toerekening van rente: 'De omslagrente wordt bij de begroting berekend door de werkelijk aan de taakvelden toe te rekenen rente (in Euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal zijn gefinancierd. De omslagrente moet vervolgens op consistente en eenduidige wijze worden toegerekend aan de individuele activa. Het is niet toegestaan om per investering of taakveld te diíferentiëren in het toe te rekenen rentepercentage. Het bij de begroting gecalculeerde omslagrentepercentage mag binnen een marge van O,5%worden afgerond. Indien de werkelijke rentelasten (in Euro’s) die over een jaar aan taakvelden hadden moeten worden doorbetast afwijken van de rentelasten (in Euro’s) die op basis van de voorgecalculeerde renteomslag

aan de taakvelden zijn toegerekend,dan kan de gemeente besluitentot correctie. Correctiewordt verplicht gesteld indien deze afwijking groter is dan 25%.’ Rentetoerekening heeft, anders dan het activeren van rente zoals genoemd in paragraaf 4.3, geen waardeverhogend effect op de vaste activa en is in feite budgetneutraal. Het gaat hier om een toerekening van de rentelasten (en –baten) aan de taakvelden. Als zodanig heeft deze paragraaf dan ook geen invloed op ons beleid van waarderen, activeren en afschrijven. Deze passageis slechts opgenomen om het volgende uitgangspunt te bepalen: De gemeente Barendrecht bepaalt het omslagpercentage voor het nieuwe begrotingsjaar bij de vaststelling van de begroting.

20

5.9 Stelsel- en schattingswijzigingen Het BBVschrijft voor dat grondslagenconsistent moeten worden toegepast, waaronder de grondslagenvoor waarderen, activeren en afschrijven. De gemeente dient immers in de jaarrekening, de begroting en de meerjarenraming zo goed mogelijk inzicht te geven in de financiële positie en de meerjarige ontwikkeling daarvan. In artikel 64 lid 2 BBVis daar het volgende over opgenomen: 'Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de

toelichting op de balans uiteengezet. Tevenswordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het

begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.’ Het BBV ziet de balanspositie als (rest)boekwaarden die nog met de burgers verrekend kunnen

worden. Daarom staat het BBVhet niet toe dat bij een wijziging van de afschrijvingsmethodeof – duur herrekening over de eerdere jaren plaatsvindt. De bestaande (rest)boekwaarde wordt vanaf het

moment van de wijziging over de langere, kortere, of gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. Het BBV onderscheidt twee soorten wijzigingen: de stelselwijziging en de schattingswijziging. 5.9.1 Stelselwijziging

Eenstelselwijzigingbetreft een wijziging van de gekozenwaardering- en/of activeringsgrondslagen, Het wijzigen van het aanvangsmoment van afschrijven is een voorbeeld van een stelselwijziging. 5.9.2 Schattingswijziging

Afschrijving op de vaste activa vindt jaarlijks plaats op basisvan een vooraf bepaaldegebruiksduur en afSChrijvirIgsmethOde,zoals opgenomen in bijlage C. Als, bij nader inzien, blijkt dat de verwachte

gebruiksduur afwijkt van de feitelijke gebruiksduur, kan de afschrijvingstermijnof –methode worden aangepast. Het wijzigen van de toekomstig verwachte gebruiksduur, en daarmee de

afschrijvingstermijn, of het wijzigen van de afschrijvingsmethode(lineair of annuïtair) is een schattingswijziging. Beide wijzigingen moeten door de raad worden vastgesteld en moeten (op grond van het stelselmatigheidsbeginsel) worden onderbouwd. Omdat de financiële gevolgen van de wijziging in de

begroting moet worden verwerkt, dient het besluit tot een stelsel- of schattingswijzigingvoor het einde van het betreffende begrotingsjaar door de raad te zijn genomen.

Wettelijk verplichte stelselwijziging dienen in de begroting verwerkt te worden. Er is dan geen sprake van een (raads)keuze, maar een dwingende reden. Een dergelijke stelselwijziging leidt in de regel ook

tot aanpassingvan de financiële verordening en/of de nota activabeleid.

21

6. Onderhoud 6.1 Algemeen In de notitie materiële vaste activa (2020) besteedt de Commissie BBVveel aandacht aan het begrip

onderhoud. Over het algemeenvertegenwoordigen de materiële vaste activa het grootste kapitaal van de gemeente. Het beheer en onderhoud kost de gemeente jaarlijks veel geld. Verantwoord omgaan met de materiële vaste activa is daarom van groot belang.

Zoalseerder in deze nota beschreven,worden de kosten van onderhoud niet geactiveerd en dus ook niet afgeschreven. Kosten van onderhoud zijn immers niet levensduurverlengend, maar worden gemaakt om het actief in goede, originele staat te houden.

6.2 Kaders en beheerplannen De raad stelt het te handhaven kwaliteitsniveau van activa in eigendom vast. Daarbij stelt zij ook de

benodigde budgetten van onderhoud en beheer vast. In de, in jaarrekening en begroting, verplichte paragraaf 'onderhoud kapitaalgoederen’ worden de beleidskaders geschetst. In de beheerplannen zijn de beleidskaders verder uitgewerkt en wordt inzicht gegeven in de financiële consequenties van de gemaakte keuzes.

6.3 Soorten onderhoud De lasten van onderhoud kunnen op twee manieren in de begroting en jaarrekening worden verwerkt: ' '

Lastenin het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen; Lastenin het jaar van uitvoering ten laste van een (vooraf gevormde) voorziening brengen (artikel 44, lid lc, van het BBV).

Het BBV maakt daarbij onderscheid tussen de verwerkingsmogelijkheden bij klein en groot onderhoud. 6.3.1 Klein onderhoud

Dekosten van klein onderhoud worden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. Het gaat hierbij om alledaagsereparaties om het actief in goede en werkende staat te houden, zoalseen onderhoudsbeurt van een CV-instaltatieof het vervangen van een kapotte ruit. 6.3.2 Groot onderhoud

DeCommissieBBVhanteert de volgende definitie van groot onderhoud: Uitvoering van correctieve maatregelen, als gevolg van slijtage na een langere periode van gebruik, om een object in goede staat (op een vooraf bepaald kwaliteitsniveau) te houden of te brengen. Groot onderhoud dient zich in de regel aan, is daarom vaak gepland, is veelal ingrijpend van aard en betreft een groot of

belangrijk deel van het object. Lastenvan groot onderhoud kunnen in het jaar van ontstaan ten laste van een vooraf gevormde voorziening worden gebracht (artikel 44 lid lc BBV). Deze voorziening wordt door de raad gevormd om de lasten van groot onderhoud over meerdere begrotingsjaren te egaliseren. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een recent beheerplan (niet ouder dan vijf jaar) en dat de voorziening systematisch gevoed wordt, zodanig dat de voorziening over de gehele looptijd voldoende is voor de bekostiging van de onderhoudslasten.

6.3.3Achterstalligonderhoud In het BBVwordt voor achterstallig onderhoud een uitzondering gemaakt. We spreken van achterstallig onderhoud als het onderhoud niet op tijd is uitgevoerd, waardoor een 22

onderhoudsrichtlij n is overschreden en niet (meer) wordt voldaan aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau. Achterstallig onderhoud kan leiden tot schade en/of onveilige situaties, en daarmee tot hogere

herstelkosten. In dat geval is er een zodanigslechte onderhoudstoestand dat de waarde, het gebruik en/of de levensduur van het investeringsgoed wordt aangetast (kapitaalvernietiging}. Wanneer er sprake is van achterstallig onderhoud moet dit zo spoedig mogelijk (maar wel binnen een redelijke termijn) hersteld worden. Dit herstel wordt aangemerkt als een verplichting waarvan

de omvang, door middel van een inventarisatie en een financiële vertaling van het achterstallig onderhoud, redelijkerwijs in te schatten is. Op basis van artikel 44 lid la BBVwordt daartoe een voorziening gevormd. Het achterstallig onderhoud wordt vervolgens ten laste van deze voorziening gebracht.

23

7. Investeringsbudgetten 7.1 Algemene kaders In de financiële verordening is opgenomen dat de raad bij de vaststelling van de begroting de

budgetten voor de investeringenvan het begrotingsjaar autoriseeR. Deopgenomen investeringen voor de volgende drie jaren hebben veelal een indicatief karakter en dienen als basis om de

meerjarige kapitaallasten te ramen. Dezevoorgestelde investeringenworden dan ook door de raad alleen voor kennisgeving aangenomen. Voorts geeft de financiële verordening aan dat voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar

die niet in de begroting zijn opgenomen, het college een voorstel voor het vaststellen van een investeringsbudget aan de raad voorlegt. Voordat er verplichtingen voor deze investering worden

aangegaan,stelt de raad dit voorstel vast. In de tussenrapportages geeft het college de raad een uitvoerig inzicht in de realisatie en raming van

de uitputting van de investeringsbudgettenen doet het college voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde investeringsbudgetten.Bij de jaarstukken legt het college verantwoording af aan de raad over de realisatie van de voorgenomen investeringen.

7.2 Aanvragen en vastleggen van investeringsbudgetten Bij een nieuw investeringsvoorstelworden de volgende gegevensogenomen: a.

Onderbouwing van de investeringsaanvraagen de uit te voeren activiteiten;

b.

Bedrag van de (bruto)investering (inclusief bijkomende kosten, waaronder directe salarislasten);

c.

e.

De uitsplitsing in componenten bij toepassing van de componentenbenadering; Het programma / taakveld waartoe deze investering behoort; Afschrijvingstermijn en –methode, conform de bijgevoegde tabel van (sub)categorieën;

f.

Deverwachte startdatum van de investering en de datum van ingebruikname (looptijd). Bij

d.

meerjarige investeringsprojecten wordt een realistische ra ming van het investeringsbedrag per jaar opgenomen; g.

h. i.

j.

Een opgave van de kapitaallasten voor de komende vier jaar, uitgesplitst in rente en afschrijvingen. De rente is gebaseerd op de berekende omslagrente, zoals opgenomen in de voo rjaarsnota; De aan de investering verbonden risico’s; Eventuele bijdragen van derden aan de investering, zoals subsidies;

Eentoelichting van de bijkomende lasten en baten zoals bijvoorbeeld onderhoudslasten of huuropbrengsten.

Investeringen nemen we in de regel op in het meerjarig investeringsplan in de begroting en de meerjarenraming. Het gaat hierbij om de reguliere vervangingsinvesteringen en nieuwe

investeringen die worden voorzien van een toelichting. Dezetoelichting kan bestaan uit een omschrijving van de geplande investering, of een verwijzing naar de nota waar de investering uit

voortvloeit. Voor nieuwe (uitbreidings-)investeringen, welke niet in het meerjarig investeringsplan zijn opgenomen, geldt dat deze via de begroting of een apart raadsvoorstel worden aangevraagd. Nadat de raad de begroting of het voorstel heeft vastgesteld worden de daarin genoemde investeringen toegevoegd aan het meerjarig investeringsplan bij de programmabegroting voor het komende jaar of de tussenrapportage van het lopende jaar.

24

7.3 Realistisch plannen van investeringen en doorschuiven van investeringsbudgetten Bij de tussenrapportageswordt inzicht verschaft in het verloop van de uitvoering ten opzichte van de planning. Daarbij gaat het om zowel de uitvoering in de tijd als de verwachte besteding en toereikendheid van de beschikbaargestelde middelen. Het komt voor dat de originele planning van een investering niet meer overeenkomt met de praktische uitvoering. Als vertraging in de uitvoering leidt tot een verschuiving over boekjaren kunnen {delen van)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10658238/1