Bestemmingsplan Zeeheldenbuurt
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
30
3) Tevens bevindt het plangebied op een afstand van circa 730 meter tot de spoorlijn Maasvlakte – Rotterdam/Dordrecht. Over dit spoor worden brandbare en toxische gassen en zeer brandbare, toxische en zeer toxische vloeistoffen vervoerd. Het plangebied bevindt zich buiten het verantwoordingsgebied van de 200 meter van dit spoor. Vanwege het transport van toxische gassen en zeer toxische vloeistoffen ligt het plangebied in het invloedsgebied van deze spoorlijn (waarvan het grootste invloedsgebied reikt tot meer dan 4 kilometer). Hiertoe dient een beperkte verantwoording groepsrisico te worden opgesteld. 4) De spoorlijn Barendrecht – Rotterdam bevindt zich op circa 860 meter van het plangebied. Ook over dit spoor worden risicovolle stoffen getransporteerd, te weten brandbare, toxische en zeer toxische gassen en zeer brandbare, toxische en zeer toxische vloeistoffen vervoerd. Het plangebied bevindt zich buiten het verantwoordingsgebied van de 200 meter van dit spoor. Vanwege het transport van toxische en zeer toxische gassen en zeer toxische vloeistoffen ligt het plangebied in het invloedsgebied van deze spoorlijn. Deze spoorlijn dient meegenomen te worden in de beperkte verantwoording groepsrisico. Inrichtingen Ten oosten van het plangebied zijn er ook nog een aantal risicovolle inrichtingen gelegen.
Het gaat hier om de volgende inrichtingen: 5) Op het adres Dierensteinweg 13 bevindt zich een Shell Tankstation met LPG. Het invloedsgebied voor dit tankstation bedraagt 150 meter. De afstand van het plangebied tot deze inrichting betreft meer dan 1 kilometer en vormt derhalve geen belemmering. 6) Op circa 1,3 km afstand van het plangebied bevindt zich het bedrijf The Greenery Vastgoed B.V.. Binnen deze inrichting bevinden zich meerdere ammoniak(koel)installaties. Voor deze inrichting geldt dat de bepaling van het plaatsgebonden risico generiek is en de risicoafstand voor de installaties bedraagt 0 meter. Deze inrichting vormt derhalve geen belemmering. 7) Aan het adres Handelscentrum ZHZ 4 bevindt zich het bedrijf Olympic Fruit B.V. Ook in dit bedrijf bevindt zich een ammoniakkoelinstallatie en ook hiervoor geldt dat de bepaling van het plaatsgebonden risico generiek is en de risicoafstand voor de installatie 0 meter bedraagt. Deze inrichting vormt derhalve geen belemmering. Buisleidingen 8) Ten zuiden van de A15 liggen twee hogedruk aardgastransportleidingen A-517 en A-559. Gelet op de werkdruk en uitwendige diameter hebben de leidingen A-517 en A-559 een invloedsgebied met een breedte van respectievelijk 380 en 430 meter. Het plangebied bevindt zich op ca.
320 meter van de buisleidingen en zodoende binnen de invloedsgebieden (1%-letaliteitsafstand) van de hogedruk aardgastransportleidingen, waardoor een verantwoording gegeven dient te worden van het groepsrisico. Het groepsrisico is berekend met het computerprogramma CAROLA (zie hierna). Ook dienen de aardgasleidingen meegenomen te worden in de beperkte verantwoording groepsrisico. Carola berekening aardgasleidingen Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van twee hogedruk aardgasleidingen. Door Kragten is een Carola berekening6 uitgevoerd met het doel te onderzoeken of deze buisleidingen een belemmeringen vormen voor het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. De conclusies zijn onderstaand opgenomen.
6
Kragten, Externe veiligheid buisleidingen, d.d. 2 februari 2022
Hoofdstuk 4
31
Omdat het plangebied is gelegen binnen de 1%-letaliteitsafstand van bovengenoemde buisleidingen, is met behulp van het programma CAROLA de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. De berekeningen zijn voor zowel de huidige situatie gemaakt als voor de toekomstige situatie. Huidige situatie In de huidige situatie zijn binnen het plangebied 88 grondgebonden woningen aanwezig. Voor de berekeningen is uitgegaan van het kental voor wonen van 2,4 personen per woning, met een aanwezigheid van 50% gedurende de dag en 100% gedurende de nachtperiode. In de huidige situatie betekent dit dat er circa 106 personen in de dagperiode aanwezig zijn ene circa 211 personen in de nachtperiode. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden 99 woningen gerealiseerd. Hierbij wordt eveneens uitgegaan van het kental voor wonen van 2,4 personen per woning, met een aanwezigheid van 50% gedurende de dag en 100 % gedurende de nachtperiode. Dit leidt tot een aanwezigheid van circa 119 personen in de dagperiode en circa 238 personen gedurende de nacht. In de toekomstige situatie neemt de personendichtheid binnen het plangebied in de dagperiode toe met circa 13 personen en in de nachtperiode met circa 27 personen. Rekenresultaten buisleidingen Voor beide leidingen is in zowel de huidige als toekomstige situatie sprake van een groepsrisico dat hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
Er vindt bij beide buisleidingen echter geen rekenkundige toename plaats van de hoogte van het groepsrisico na planvorming. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het transport van risicovolle stoffen over de Rijksweg A15, twee spoorlijnen en de twee buisleidingen dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Ontvluchting in het geval van een incident op de weg en met een hogedruk aardgastransportleiding is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Met het plan worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Fakkelbrandincident aardgastransportleiding Het maatgevende scenario voor een aardgastransportleiding is een fakkelbrandincident.
Tijdens (graaf)werkzaamheden kan een breuk in de hogedruk aardgastransportleiding worden veroorzaakt. Het aardgas stroomt vervolgens onder een hoge druk uit en ontsteekt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij een directe ontsteking kan dit al gebeuren binnen 20 seconden na de breuk. De hittestraling
Hoofdstuk 4
32
van een fakkelbrand kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Afhankelijk van de locatie van de breuk, het type leiding en de aanwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan de brand enkele uren duren. Bij dit type leidingen is er nagenoeg nooit sprake van een spontane breuk, wat betekent dat als er een incident plaatsvindt, dit naar alle waarschijnlijkheid overdag (tijdens werkzaamheden) zal gebeuren. Het gebied in de buurt van aardgastransportleidingen is op basis van de druk en diameter van de leidingen verdeeld in meerdere zones. In onderstaande tabel zijn deze zones weergegeven voor de betrokken leidingen. Tabel 4.6 Zones effectafstanden aardgastransportleiding Leiding
1e zone
2e zone
3e zone
A-517
0-160 meter
160-380 meter
380-675 meter
A-559
0-180 meter
80-430 meter
430-810 meter
Binnen deze eerste zone overlijdt bij een incident circa 99% van de aanwezigen en gaan alle brandbare materialen branden. Aanwezigen binnen de tweede zone hebben kans om te overlijden of slachtoffer te worden. In de derde zone komen geen mensen te overlijden, maar kunnen er wel slachtoffers vallen. Ontvluchting in het geval van een fakkelbrandincident is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Aanwezigen binnen de eerste ring hebben echter nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid, vanwege de grote vluchtafstanden en de hittestraling. Op grotere afstand van de leiding kan (afgeschermd van hittestraling) wel gevlucht worden. Het plangebied is gelegen in de tweede zone van de aardgastransportleidingen gelegen. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor een autoweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Door een incident op de weg kan een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. De hittestraling is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken.
Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario toxische gassen Door een incident op de rijksweg of op de spoorweg met een tangwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden Er dient zorg gedragen te worden dat de (nood)uitgang(en) van de woningen zodanig worden gesitueerd dat aanwezigen veilig in tegengestelde richting van een mogelijk incident op de A15, de buileiding A-517 en buisleiding A-559 kunnen vluchten, waardoor de zelfredzaamheid van aanwezigen
Hoofdstuk 4
33
wordt verbeterd en het aantal slachtoffers kan worden beperkt. Een nooduitgang aan de zuidzijde van de woningen, richting Piet Heinstraat is hier geschikt voor. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Algemeen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. Toereikende bereikbaarheid en aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Brandkranen dienen nabij de entrees van de woningen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om invulling te geven aan dit punt. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet. Ook wordt geadviseerd de woningen zo te construeren dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012).
Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid heb je zelf in de hand”. Bij het sluiten van een huur- /koopcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Aardgastransportleiding Het treffen van fysieke maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen ter beperking van het GR ten gevolge van de aardgasleiding ligt buiten het bereik van de initiatiefnemer. Om de kans op een leidingbreuk te verkleinen, geldt dat in overleg met de leidingbeheerder Gasunie maatregelen getroffen dienen te worden om de ongestoorde ligging van de transportleiding te garanderen. Het bevoegd gezag dient in overleg met leidingbeheerder Gasunie vast te stellen of afdoende constructieve en veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, conform het gestelde in de regelgeving inzake buisleidingen.
Factoren die kans op een breuk in een hogedruk aardgastransportleiding kunnen verkleinen zijn te vinden in het vergroten van de diepteligging, bescherming van de leiding en beschermende maatregelen in de buurt van de leiding. Er zijn voor de brandweer geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. De beheerder van de buisleiding dient bij een incident de toevoer af te sluiten. In de hierboven beschreven eerste zone zijn geen mogelijkheden tot effectieve inzet van de brandweer. In de tweede ring is de inzet gericht op het redden van aanwezigen en in de derde ring is de inzet gericht op het voorkomen van uitbreiding.
Hoofdstuk 4
34
4.8.4 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.
4.9 Natuur 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Hoofdstuk 4
35
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Door Blom Ecologie is een quickscan flora en fauna 7 uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Beoordeling Wet Natuurbescherming Vaatplanten De planlocatie heeft aannemelijk geen betekenis voor beschermde vaatplanten. Gelet op de functie en het gebruik van de locatie in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan tevens niet verwacht.
Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Zoogdieren De beoogde ingrepen leiden niet tot een afname van het leefgebied of aantasting van zoogdieren. Alle soorten die mogelijk gebruik maken van de planlocatie betreffen tolerante en algemeen voorkomende
7
Blom Ecologie, Quickscan flora en fauna, d.d. 3 april 2019, 1e revisie 30 april 2019
Hoofdstuk 4
36
soorten. Voor deze soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Een gedeelte van de planlocatie is na ingreep weer geschikt leefgebied voor een aantal soorten. In de directe omgeving is voldoende vergelijkbaar habitat waar potentieel aanwezige zoogdieren zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Negatieve effecten ten aanzien van grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen De mogelijke effecten op vleermuizen zijn in sterke mate gerelateerd aan het type werkzaamheden. Globaal gezien kan gesteld worden dat werkzaamheden aan daken en gevels invloed kunnen hebben op potentiële verblijfslocaties en inpandige werkzaamheden niet. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen aan te tonen per deelgebied. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Middels het ontbreken van gunstig en essentieel leefgebied van reptielen alsmede de aard van de beoogde ontwikkeling is de aanwezigheid van en zijn effecten op inheemse reptielen uitgesloten op en rondom de planlocaties. De beoogde werkzaamheden leiden niet tot aantasting van belangrijk leefgebied van amfibieën. Daarnaast geldt voor algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen kunnen worden uitgesloten, mits indien nodig maatregelen getroffen worden ten aanzien van rugstreeppad. Vissen Er zijn geen ingrepen voorzien aan of nabij oppervlaktewater. Effecten op vissen kunnen derhalve worden uitgesloten. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Op de projectlocaties zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelden aangetroffen. Er zijn geen plantensoorten aangetroffen nabij de woningen die voor een specifieke soort een waardplant vormen. In de tuinen rondom de woningen kunnen veel verschillende, algemene (niet beschermde) insecten voorkomen, ter indicatie: vlinders, bijen, wespen, hommels, loopkevers, spinnen, mijten, mieren, lieveheersbeestjes, et cetera. Effecten ten aanzien van beschermde insecten als gevolg van de beoogde werkzaamheden zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. Alle woningen zijn geïnspecteerd op de geschiktheid voor soorten met jaarrond beschermde onderdelen van het leefgebied als bijvoorbeeld nestlocaties in bebouwing. Dit betreft met name huismus en gierzwaluw. Op en/of nabij bijna alle planlocaties zijn waarnemingen van huismus en/of nestlocaties van de soort bekend.
Tevens zijn gedurende het veldbezoek op meerdere locaties groepen huismussen waargenomen. Bovendien is het aannemelijk dat alle habitateigenschappen van huismus aanwezig zijn in de tuinen en het openbare groen. Gelet op de constructie van de bebouwing, het ontbreken van vogelschroot bij de meeste complexen, behalve complex 54, 55 en 56, en de potentiële invliegopeningen en inkruipmogelijkheden is de aanwezigheid van nestlocaties van huismus niet uit te sluiten en dient bij verschillende wooncomplexen aanvullend onderzoek plaats vinden. De gierzwaluw leeft evenals als de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens in gevels en onder (pannen)daken. De gierzwaluw is echter niet het gehele jaar aanwezig in Nederland,
Hoofdstuk 4
37
maar verblijft hier slechts in de broedperiode van mei tot augustus. De gierzwaluw verblijft met uitzondering van de broedperiode zijn hele leven in de lucht. Op en/of nabij de planlocaties zijn waarnemingen van gierzwaluw en/of nestlocaties van de soort bekend. Gelet op de constructie van de bebouwing en de potentiële invliegopeningen en inkruipmogelijkheden, is de aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluw niet uit te sluiten en dient bij verschillende wooncomplexen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland De planlocaties zijn geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Natura 2000 gebieden Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Oude Maas’ is gelegen op circa 3 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.
Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van circa 99 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. AERIUS-berekening Om deze reden is een AERIUS-berekening uitgevoerd8. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit deze berekening blijkt dat zowel bij de aanleg- als de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuis Door Blom Ecologie is een huismus, gierzwaluw en vleermuisonderzoek9 uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Huismus In de periode april – mei 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in de woningen aan de plangebied.
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen op de planlocatie nesten bieden voor de huismus. In totaal zijn in de woningen op de planlocatie 23 nesten van huismussen waargenomen. In de omgeving zijn geen nesten vastgesteld. Tevens maakt de planlocatie (in beperkte mate) onderdeel uit van het functioneel habitat. De beoogde sloop leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (wegnemen 23 nesten). Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens vorengenoemde woningen gesaneerd kunnen worden.
8 9
BRO, AERIUS-berekening, juni 2023 Blom Ecologie, Huismus-, gierzwaluw- en vleermuisonderzoek, d.d. 25 november 2019
Hoofdstuk 4
38
Gierzwaluw In de periode mei – juli 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw in de woningen aan de plangebied. Tijdens het onderzoek zijn 14 nesten van de gierzwaluw vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen op de planlocatie nesten bieden voor de gierzwaluw. In totaal zijn in de woningen op de planlocatie 14 nesten van gierzwaluwen waargenomen. In de omgeving zijn geen nesten vastgesteld. De beoogde sloop leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (wegnemen 14 nesten). De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van Wet natuurbescherming art 3.1, lid 4 indien de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de periode dat gierzwaluwen in Nederland verblijven. Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens vorengenoemde woningen gesaneerd kunnen worden. Vleermuizen In de periode mei – september 2019 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de woningen aan de plangebied. Tijdens het onderzoek zijn 4 verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Hiervan zijn er 2 binnen het plangebied vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen op de planlocatie een functie hebben voor de gewone dwergvleermuis als vaste rust- en verblijfplaats (kraam en zomer).
Het plangebied maakt geen deel uit van het essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes. Als gevolg van de beoogde werkzaamheden gaan de verblijfplaatsen aan locatie verloren. De beoogde sloop leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). Als gevolg van de verstoring van de verblijfplaatsen, het functionele leefgebied en overige verstoring door de werkzaamheden leiden de werkzaamheden tot overtreding van Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2. Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens vorengenoemde woningen gesaneerd kunnen worden. 4.9.3 Conclusie De benodigde ontheffingen zijn aangevraagd en door de omgevingsdienst Haaglanden verleend op 16 maart 2021 voor de periode 1 september 2021 tot en met 31 december 2026. Deze beschikking waarin deze ontheffingen zijn verleend is opgenomen in de bijlagen. Er worden mitigerende maatregelen getroffen om de verblijfplaatsen te mitigeren en compenseren en verstoring zo veel mogelijk te minimaliseren en/of te compenseren. De mitigerende maatregelen zullen voor de uitvoering werkzaamheden worden gerealiseerd en zijn tijdens de uitvoering beschikbaar. De permanente voorzieningen zullen in de nieuwbouw geïntegreerd worden. Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen.
4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en
Hoofdstuk 4
39
moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek10 uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies beschreven. Milieuhygiënisch vooronderzoek Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de bijmenging met bodemvreemd materiaal. Verwacht wordt dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie.
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Veld- en laboratoriumwerk De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De bodem bestaat plaatselijk uit zwak zandig klei. De bodem is plaatselijk zwak baksteenhoudend, zwak koolashoudend en/of zwak aardewerk-houdend. Deze bijmengingen zijn niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest in de bodem. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, molybdeen, nikkel, lood, kwik, zink, minerale olie, PCB en/of PAK. Bovendien is de bodem plaatselijk matig verontreinigd met koper, lood en/of zink en is de bodem plaatselijk sterk verontreinigd met koper, nikkel, lood en/of zink. Tevens is de ondergrond sporadisch sterk verontreinigd met koper, lood en zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Econsultancy adviseert om aard en mate van de sterke metaalverontreinigingen nader te onderzoeken. Gelet op de verwachte bodemkwaliteit (kwaliteitsklasse: Industrie) van de bovengrond, acht Econsultancy het niet
10
Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek, d.d. 26 januari 2022
Hoofdstuk 4
40
noodzakelijk om de aard en mate van de aangetoonde matige metaalverontreinigingen in de bodem nader te onderzoeken. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin dan ook niet noodzakelijk. 4.10.3 Conclusie Geadviseerd wordt een nader onderzoek naar de aard en mate van de sterke metaalverontreinigingen uit te voeren. Door Econsultancy is een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek zijn de aanwezige verontreinigingen in beeld gebracht. Deze verontreinigingen zijn naar alle waarschijnlijkheid ontstaan bij de realisatie van de woonwijk omstreeks 1950 of bij de aanleg van de kabels en leidingen aldaar. Mogelijk is er met behulp van een (sterk verontreinigde) zandlaag een verhoging aangebracht. Volgens Econsultancy bestaat er géén noodzaak tot het saneren van de matig tot sterk verontreinigde grond. Econsultancy adviseert om bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de matige tot sterke verontreinigingen de locatie onder milieukundige begeleiding te saneren door een BRL 7000 gecertificeerde aannemer. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.
4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Rijksbeleid In de Beleidsbrief regenwater en riolering (2004) staat het nationale regenwaterbeleid, dat later is verwerkt in de verschillende lozingsbesluiten (zoals het Besluit lozing afvalwater huishoudens). Duurzaamheid is hier het uitgangspunt. Het beleid steunt op vier pijlers: aanpak bij de bron; regenwater vasthouden en bergen; regen- en afvalwater gescheiden afvoeren; integrale afweging op lokaal niveau. Waterschap Hollandse Delta In het waterprogramma 2022-2027 staat hoe waterschap Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting. Het waterbeheerprogramma beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het waterbeheerprogramma een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn
Hoofdstuk 4
41
onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagd de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Waterschap Hollandse Delta stelt de eis dat bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied en 1.500 m2 in niet-stedelijk gebied voor hemelwater een lozingsvergunning moet worden aangevraagd in het kader van de Keur. Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Gemeente Barendrecht In het gemeentelijk rioleringsplan 2018-2022 heeft de gemeente Barendrecht beschreven hoe zij omgaan met de zorgplichten voor stedelijk afval-, hemel- en grondwater. De gemeente hanteert het uitgangspunt dat inzameling en verwerking van hemelwater op eigen perceel dient te gebeuren. De gemeente draagt zorg voor de verwerking van hemelwater indien de particulier dit niet redelijkerwijs zelf kan verwerken. De gemeente Barendrecht sluit met betrekking tot compensatie naar aanleiding van afstromend hemelwater vanaf verharde oppervlakken aan bij de regelgeving van waterschap Hollandse Delta.
4.11.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een watertoets11 opgesteld. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Randvoorwaarden en uitgangspunten In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt volstaan kan worden met de korte procedure bij het waterschap. Door de afname van het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie geldt er geen compensatieplicht vanuit waterschap Hollandse Delta. De gemeente Barendrecht sluit aan bij de regelgeving van het waterschap. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater kan het volgende worden geconcludeerd: Toekomstig verhard oppervlak 10.845 m 2. Afname verhard oppervlak 3.670 m 2. Geen compensatieplicht voor hemelwater. Bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe. Hemelwaterafvoersysteem In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) in beginsel gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld. Het planvoornemen wordt gekenmerkt door een centrale groene ruimte middenin de planlocatie. Hierin is ook ruimte voor spelen en ontmoeten.
Daarbij vormt bij de planuitwerking het klimaatbestendig of water robuust inrichten van de buitenruimte (bergen, vasthouden en afvoeren van regenwater) het uitgangspunt.
11
Econsultancy, Watertoets, d.d. 18 januari 2022
Hoofdstuk 4
42
Kwaliteit Algemeen Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen.
Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. 4.11.3 Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet.
Hoofdstuk 4
43
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.12.2 Onderzoek Plantoets De afdeling Archeologie Rotterdam (BOOR) heeft een advies opgesteld ten aanzien van archeologisch onderzoek binnen het plangebied. Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Barendrecht (2009) wordt aan de locatie een redelijk hoge en een hoge archeologische verwachting toegekend. De zuidzijde van het plangebied ligt in de zone van de historische dorpskern waardoor hier een hoge archeologische verwachting geldt. Conform het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) die respectievelijk dieper dan 0,5 m of 0,8 m onder maaiveld en een oppervlakte beslaan van meer dan 100 of 200 m².
Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden, acht de afdeling Archeologie Rotterdam een archeologisch vooronderzoek mogelijk noodzakelijk. Bureauonderzoek en PvE Ten behoeve van de uitvoering van het veldonderzoek heeft het team Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam (BOOR) een bureauonderzoek 12 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Het verslag hiervan met aan het einde de gespecificeerde archeologische verwachting is te lezen in hoofdstuk 2 van het rapport. Aan de hand van de resultaten van het bureauonderzoek is vervolgens een Programma van Eisen (PvE) voor het verkennend inventariserend veldonderzoek in het areaal van de geplande woningbouwontwikkeling opgesteld. Archeologisch booronderzoek Aan de hand van het bovengenoemde bureauonderzoek en PvE heeft Econsultancy een inventariserend archeologisch veldonderzoek 13 uitgevoerd. Het gehele onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen besproken. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit Hollandveen met daarop een dik pakket overstromingsafzettingen uit de Late Middeleeuwen, afgezet tussen 1373 en 1464.
In het Hollandveen is geen veraarde veentop aangetroffen en de top gaat erosief over in de overstromingsafzettingen. Ondanks dat er in drie boringen houtkoolresten zijn aangetroffen kan de verwachting voor het veen naar laag worden bijgesteld. Daarnaast vormen de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. De top van het Hollandveen ligt namelijk tussen 270 en 375 cm -mv (-3,5 en -4,59 m NAP) en de
12
Archeologie Rotterdam (BOOR), Programma van Eisen voor een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen in het plangebied ‘Zeeheldenbuurt’ in de gemeente Barendrecht. D.d. 20 mei 2021 13 Econsultancy, Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. D.d. 24 augustus 2022
Hoofdstuk 4
44
werkzaamheden zullen tot circa 1 m -mv plaatsvinden met enkele uitschieters tot 3 m -mv. Econsultancy adviseert om geen vervolgonderzoek uit te voeren in het plangebied voorafgaand de geplande werkzaamheden. 4.12.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘archeologie’.
4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook zijn er geen overige waardevolle gebouwen aanwezig. Wel ligt, conform het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’, over het nabij het plangebied gelegen dorpscentrum de gebiedsaanduiding ‘Beschermd dorpsgezicht’. Deze gebiedsaanduiding heeft tot doel het behouden en beschermen van dit dorpsgezicht. Het plangebied ligt buiten deze aanduiding en doet geen afbreuk aan de bestaande waarden van dit dorpsgezicht.
Wel wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de omliggende bebouwing in dit deel van Barendrecht. Zo wordt de zuidzijde van het plangebied voorzien in grondgebonden woningen, zodat deze in maat en schaal aansluiten op het historische lint waar het aan grenst. 4.13.3 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
45
4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling14 opgesteld.
Deze is opgenomen in de bijlage. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
14
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, d.d. 1 februari 2022
Hoofdstuk 4
46
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het vigerend bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’. In onderstaande paragraaf zullen de regels nader worden uiteengezet.
5.3 Toelichting op de regels Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Hoofdstuk 5
47
Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan en overige regelgeving. Groen De groenvoorzieningen binnen het plangebied krijgen de bestemming ‘Groen’. Dit betreft met name het midden van het totale plangebied. De bestemming is conform het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’. Binnen de bestemming zijn o.a. groenvoorzieningen, plantsoenen, watervoorzieningen met de daarbij behorende voet- en fietspaden toegestaan. Ook paden voor calamiteiten verkeer zijn toegestaan. Gebouwen mogen niet gebouwd worden. Wel sommige ‘andere’ bouwwerken, zoals verlichtingsarmaturen, kleinschalige speelvoorzieningen en culturele kunstwerken. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Het gaat hier om de voortuinen van woningen.
Deze bestemming is gekozen om te voorkomen dat in de voortuinen wordt gebouwd. Verkeer ‐ Verblijfsgebied Bij 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' gaat het om wegen en gebieden met verblijfsfunctie en erftoegangswegen. Daarnaast zijn de voorziene parkeerkoffers eveneens opgenomen binnen deze bestemming. Ook speelvoorzieningen, fiets‐ en voetpaden en groenvoorzieningen worden met dit artikel mogelijk gemaakt. Op deze gronden mogen alleen kleine gebouwtjes ten behoeve van de bestemming (voorzieningen van openbaar nut) en andere bouwwerken worden gebouwd. Naar aanleiding van de zienswijzen is besloten bestaande paden, die grenzen aan de woningen aan de Helfrichstraat, Piet Heinstraat en 1e Barendrechtseweg ook in deze bestemming op te nemen. Zo zijn deze ook juridisch planologisch verankerd. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor grondgebonden woningen. Onder voorwaarden is bij deze bestemming de uitoefening van aan huis gebonden beroepen toegestaan. In de regels is vastgelegd dat binnen de bestemming ‘Wonen’ maximaal 35 woningen zijn toegestaan. Qua systematiek is waar mogelijk aangesloten op het vigerend bestemmingsplan. Zo zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De goot- en bouwhoogte is aangeduid op de verbeelding. De dakhelling bedraagt maximaal 40 graden. Bijbehorende bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.
De maximale oppervlakte is afhankelijk van de omvang van het achtererfgebied. Verder gelden ook regels ten aanzien van afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen. Erfafscheidingen mogen niet meer bedragen dan 2 meter. Voor de voorgevelrooilijn mag de erfafscheiding niet hoger zijn dan 1 meter.
Hoofdstuk 5
48
Wonen - Gestapeld De gestapelde woningen hebben de bestemming ‘Wonen – Gestapeld’ en zijn bestemd voor de 2 nieuw te bouwen appartementengebouwen. Het maximum aantal appartementen is vastgelegd op 64. Onder voorwaarden is bij deze bestemming de uitoefening van aan huis gebonden beroepen toegestaan. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van de hoofdgebouwen is op de verbeelding aangeduid. Middels ondergeschikte bouwdelen is het mogelijk om balkons en/of luifels te realiseren buiten het bouwvlak en bestemmingsvlak, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 meter. Waarde – Archeologie 1 en 3 Deze bestemmingen zijn opgenomen ten behoeve van de mogelijk voorkomende archeologische waarden. Binnen ‘Waarde – Archeologie 1’ geldt er een onderzoeksplicht bij grondwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.
Binnen ‘Waarde – Archeologie 3’ geldt een onderzoeksplicht bij grondwerkzaamheden die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een inpassingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Daarnaast is hier geregeld dat onder strijdig gebruik wordt verstaan het gebruik van gronden waarbij niet wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de geldende gemeentelijke nota parkeernormen. Hiertoe is tevens een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of het uitbreiden of wijzigen van gebruik. Algemene afwijkingsregels Door middel van de 'Algemene afwijkingsregels' kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de bestemmingsplanregels voor onder andere geringe overschrijding van bepaalde bouwvoorschriften, bouwwerken van openbaar nut, straatmeubilair enzovoort.
Deze bevoegdheid vergroot de flexibiliteit van het plan. Algemene wijzigingsregels Middels een algemene wijzigingsbevoegdheid kan via een wijzigingsplan voor het aanbrengen van geringe veranderingen ten aanzien van bestemmingsgrenzen.
Hoofdstuk 5
49
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Overige regels In de regels is een bepaling opgenomen dat rekening dient te worden gehouden met het beeldkwaliteitplan. Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5
50
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. Deze plicht vervalt als het gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd. Artikel 6.12 lid 2 Wro bepaalt dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: a.
het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie) b. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen c. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. In voorliggend geval is sprake van een bouwplan en is kostenverhaal dus verplicht. Het kostenverhaal is geregeld via een anterieure overeenkomst.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden
Hoofdstuk 6
51
gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Het gaat hier om de provincie Zuid-Holland, het Waterschap Hollandse Delta en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De provincie Zuid-Holland en het Waterschap Hollandse Delta geven aan akkoord te zijn met het plan en de in het plan beschreven belangen. De Veiligheidsregio heeft nog enkele maatregelen benoemd ten behoeve van zelfredzaamheid, vluchtmogelijkheden en het bestrijden van de ramp. Deze maatregelen zijn aanvullend benoemd in de toelichting. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.
Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerp bestemmingsplan van 23 februari 2023 t/m 6 april 2023 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen binnengekomen. Deze zijn in de nota van beantwoording zienswijzen samengevat en beantwoord. Deze nota is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijzen is besloten bestaande paden, die grenzen aan de woningen aan de Helfrichstraat, Piet Heinstraat en 1e Barendrechtseweg in plaats van de bestemming ‘Wonen’ de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ te geven. Zo zijn deze ook juridisch planologisch verankerd. Het ontwerpbestemmingsplan is dus gewijzigd vastgesteld. 6.2.3 Beroep / hoger beroep Het bestemmingsplan wordt na vaststelling voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden, die een zienswijze hebben ingediend tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.