CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Zeeheldenbuurt

gemeenteraad 26 september 2023, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Zeeheldenbuurt25.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Zeeheldenbuurt Gemeente Barendrecht Vastgesteld

Bestemmingsplan Zeeheldenbuurt Gemeente Barendrecht Vastgesteld

Rapportnummer:

P04869_3

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0489.BPWGO20220041- VI01

Datum:

8 juni 2023

Opdrachtgever:

Woningstichting Patrimonium

Projectteam BRO:

ADi, TAu, WdR

Concept:

juli 2022, november 2022

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

januari 2023

Vaststelling:

26 september 2023

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend plan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 6

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie en stedenbouwkundig plan 2.3 Programma

7 8 10 10

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

12 12

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

12 12 13 15

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) 3.3 Gemeentelijk beleid

15 16 18

3.3.1 Strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ 3.3.2 Woonvisie Barendrecht 2016 - 2025

18 19

4.MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer en parkeren

21 21 21

4.2.1 Verkeer 4.2.2 Parkeren 4.2.2 Conclusie 4.3 Geluid

21 22 23 23

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Luchtkwaliteit

23 23 24 24

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie

24 24 25

Inhoudsopgave

1

4.5 Bedrijven en milieuzonering

26

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Geur agrarisch

26 26 28 28

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Externe veiligheid

28 28 28 28 29

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico 4.8.4 Conclusie 4.9 Natuur

29 29 32 35 35

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Bodem

35 36 39 39

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Water

39 40 41 41

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Archeologie

41 42 43 43

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Cultuurhistorie

43 44 45 45

4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

45 45 45 46

4.14.1 Toetsingskader 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r

46 46

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Systematiek 5.3 Toelichting op de regels

Inhoudsopgave

47 47 47 47

2

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

51 51

6.1.1 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51 51

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure 6.2.3 Beroep / hoger beroep

52 52 52

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Parkeerdrukmeting Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Externe veiligheid buisleidingen Bijlage 5: Quickscan Flora en fauna Bijlage 6: Vervolgonderzoek Flora en fauna Bijlage 7: Ontheffing Flora en fauna Bijlage 8: AERIUS-berekening Bijlage 9: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 10: Watertoets Bijlage 11: Archeologisch bureauonderzoek en PvE Bijlage 12: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 13: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 14: Nader bodemonderzoek Bijlage 15: Nota van beantwoording zienswijzen

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Woningstichting Patrimonium is voornemens 88 grondgebonden gezinswoningen in de Zeeheldenbuurt in Barendrecht te slopen en hier 99 woningen voor in de plaats te bouwen, in een mix van appartementen en grondgebonden gezinswoningen (sociale huur). De bestaande woningen in de Zeeheldenbuurt zijn sterk verouderd (de wijk betreft een naoorlogse wederopbouw wijk) en zijn aan vervanging toe, waardoor onderhavig voornemen tot stand is gekomen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’, vastgesteld op 7 mei 2013. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingplan nodig. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in de zogeheten ‘Zeeheldenbuurt’, een centraal in Barendrecht gelegen (woon)wijk. De Zeeheldenbuurt is gelegen direct ten noorden van de oude dorpskern. Het plangebied betreft de Trompstraat en De Ruyterstraat in Barendrecht en omvat de percelen kadastraal bekend als gemeente Barendrecht, sectie A nummers 2199, 2246 tot en met 2249, 2911 en 2912. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,55 hectare. Het plangebied betreft een naoorlogse wederopbouw wijk. Woningstichting Patrimonium heeft hier 88 huurwoningen in eigendom die ze voornemens is te slopen. De globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1 Globale begrenzing plangebied (bron: PDOK Viewer)

1.3 Vigerend plan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’, onherroepelijk vastgesteld op 7 mei 2013. De gronden van het plangebied hebben binnen dit bestemmingsplan de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Ondanks dat deze bestemmingen (grotendeels) corresponderen met de toekomstige functies, zijn de bestaande bestemmingen en bouwvlakken toegespitst op de huidige bebouwing. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet mogelijk op basis van het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’. In figuur 1.2 is een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan weergegeven.

Hoofdstuk 1

5

Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ met aanduiding van het plangebied

1.4 Leeswijzer Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende planregels en gaat vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting bestaat uit een planbeschrijving met bijlagen waarin relevante onderzoeksresultaten zijn opgenomen. De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 ‘Planbeschrijving’. Dit hoofdstuk gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en directe omgeving. Daarnaast worden de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt op een rij gezet. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. In

Hoofdstuk 1

6

hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Omgeving en ontstaansgeschiedenis De Zeeheldenbuurt is gelegen direct ten noorden van de oude dorpskern, een gebied waar de cultuurhistorie van Barendrecht goed zichtbaar is. Zo bevindt zich hier de oude watertoren, de dorpskerk en een voormalig schoolgebouw. Het huidige Barendrecht is ontstaan in de vijftiende eeuw als dijkdorp. Op de kaart uit 1900 is al te zien dat de dijk ter hoogte van de kern een bocht maakt (de Singel) en dat de Dorpsstraat (het lint) rechtdoor loopt. Ten noorden van de Dorpsstraat ontstond na 1438 het centrum van Barendrecht met de dorpskerk, herberg, raadhuis en watertoren. De dijk en het lint zijn nog steeds terug te vinden in de huidige morfologie van Barendrecht. De inwoners van Barendrecht hebben tot de Tweede Wereldoorlog voornamelijk van de landbouw geleefd. Na de Tweede Wereldoorlog kregen steeds meer mensen werk in de havens van Rotterdam. Onder andere voor hen werd midden jaren ’50 van de vorige eeuw de Zeeheldenbuurt gebouwd, als eerste grotere uitbreiding van Barendrecht. Deze arbeiderswijk is in een traditionele blokverkaveling opgezet. De Zeeheldenbuurt ligt centraal in Barendrecht en is goed ontsloten. Dit maakt het een aantrekkelijke plek voor diverse doelgroepen om te wonen.

Verder zijn er in de groenstructuur ten westen van de Zeeheldenbuurt diverse voorzieningen te vinden, zoals scholen, een winkelcentrum en een grote zorginstelling. Plangebied De Zeeheldenbuurt bestaat bijna volledig uit rijwoningen van twee lagen en een kap. De bouwblokken in het plangebied zijn langgerekt en onderscheiden zich daarmee sterk van de fijnmazige korrel van het oude dorpslint. De architectuur van de woningen binnen het plangebied kent nagenoeg geen variatie, zowel in gevelopbouw als materialisatie. Hierdoor ontstaat in combinatie met de lange gevelwanden een eentonig beeld. Naast dat het plangebied momenteel een eentonige en repetitieve architectuur kent, is het profiel van de wijk ook breed versteend en is het parkeren dominant. Dit resulteert in een rommelig straatbeeld. Daarnaast is er momenteel zicht op gesloten zijde van enkele percelen, bestaat er geen groen beeld in de wijk en correspondeert de bebouwing aan de zuidzijde niet altijd goed met de dorpse structuur en sfeer van de overliggende bebouwing. Hierdoor ontbreekt er een relatie tussen de bebouwing binnen de wijk en de rand van de oude dorpskern. In figuur 2.1 zijn enkele impressies van de huidige situatie weergegeven.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.1 Impressie huidige situatie (bron: Google Streetview)

Hoofdstuk 2

9

2.2 Toekomstige situatie en stedenbouwkundig plan De bestaande, verouderde rijwoningen worden geamoveerd om plaats te maken voor een mix van appartementen en grondgebonden gezinswoningen (sociale huur). Het programma wordt in paragraaf 2.3 nader toegelicht. In de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met een vijftal stedenbouwkundige uitgangspunten. Het betreft hier de volgende punten: 1) Parkeren gebeurt zoveel mogelijk uit het zicht in parkeerkoffers. De parkeerkoffers zijn door middel van inprikkers verbonden met bestaande wegen waardoor een minimale hoeveelheid verharding benodigd is. 2) De woonwijk en de openbare ruimte worden beiden klimaatbestendig ingericht. 3) Er wordt een (groene) verblijfsruimte toegevoegd om de verblijfskwaliteit (ontmoeten en spelen) van het gebied te vergroten. Binnen de groene ruimte is niet alleen ruimte voor spelen en ontmoeten, maar ook voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het park is verbonden met de omgeving door groene langzaamverkeersverbindingen. 4) Er wordt een looproute gefaciliteerd tussen de historische kern (zuidzijde van het plangebied) en de Dr. Schaepmanschool (noordzijde van het plangebied). 5) Er wordt qua bebouwing aangesloten op de bestaande maat en schaal in de omgeving. Aan de noordzijde zijn gebouwen met appartementen van 3 lagen hoog voorzien.

Voor een goede overgang naar de bestaande woningen worden de hoeken van deze appartementen slechts 2 lagen hoog. De zuidzijde heeft grondgebonden woningen, zodat deze in maat en schaal aansluiten op de 3e Barendrechtseweg waar het plangebied aan grenst. In figuur 2.2 is het stedenbouwkundig plan weergegeven. Het stedenbouwkundig plan is in 26 oktober 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Voor de ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan zal gelijktijdig met het bestemmingsplan worden vastgesteld. Daarnaast is het beeldkwaliteitsplan opgenomen als bijlage bij de regels en is in de regels geborgd dat bij verlening van omgevingsvergunning het beeldkwaliteitsplan in acht dient te worden genomen.

2.3 Programma Met onderhavig plan wordt voorzien in maximaal 99 sociale huurwoningen. De vraag naar sociale huurwoningen is toegenomen, waardoor er ten opzichte van de huidige situatie zal worden verdicht. Meer dan de helft van de nieuwbouwwoningen zal bestaan uit appartementen (tot een maximum van 64). De appartementen betreffen 2-, 3- of 4 kamerappartementen. De doelgroep waarvoor wordt gebouwd is divers, en betreft zowel jongeren als gezinnen en senioren.

Hoofdstuk 2

10

Figuur 2.2 Stedenbouwkundig plan (bron: Urban Synergy)

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is per 11 september 2020 in werking getreden. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is hiermee geheel vervallen, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden, zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Barro.

Hoofdstuk 3

12

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet toe op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe wooneenheden mogelijk gemaakt. Gezien het in dit initiatief om de toevoeging van 11 woningen gaat, is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Aangezien het initiatief wel voorziet in de vervang van 88 woningen en de toevoeging van 11 woningen, is zorgvuldigheidshalve een Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld. Er is door BRO een onderbouwing Ladder voor duurzame verstelijking 1 opgesteld. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek is voor het primaire verzorgingsgebied gekeken naar de gemeente Barendrecht én de gemeente Rotterdam. Als secundair verzorgingsgebied wordt op hoofdlijnen gekeken naar de overige regio Rotterdam, aangezien op dit niveau afspraken worden gemaakt over de woningbouwprogramma’s. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Passend binnen beleidskaders Het initiatief past binnen de gestelde beleidskaders en draagt bij aan de beleidsdoelstellingen van Rijk, provincie, regio en gemeente:  Vanuit de provincie, regio en gemeente wordt ingezet om voldoende woningen te realiseren van de juiste kwaliteit op de juiste locatie. Er wordt primair gekozen voor bouwen in bestaand be-

1

BRO, Ladder voor Duurzame verstedelijking Zeeheldenbuurt Barendrecht, d.d. 4 januari 2022

Hoofdstuk 3

13

bouwd gebied en nabij knooppunten van hoogwaardig openbaar vervoer. De gemeente zet bovendien in op herstructurering van oudere woongebieden zodat ook daar een kwaliteitssprong gemaakt kan worden, naast nieuwe ontwikkelingen in de randen van Barendrecht. Het initiatief Zeeheldenbuurtligt binnen bestaand stedelijk gebied, op loop- en fietsafstand van het station (20 minuten lopen, 5 minuten fietsen) en het betreft sloop/nieuwbouw van woningen (herstructurering) om de woningvoorraad toekomstbestendig en duurzaam te maken. Het initiatief sluit aan bij de gewenste kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkelrichting op regionaal niveau voor de bestaande en gewenste woningvoorraad. De toevoeging van woningen draagt bij aan het terugdringen van het woningtekort. Daarnaast sluit het initiatief aan bij de kwalitatieve opgave in de regio en gemeente om meer betaalbare woningen (sociaal en middelduur) te realiseren. De regio wil een meer evenwichtige spreiding van betaalbare woningen inclusief een betere beschikbaarheid in de woningvoorraad voor huurtoeslaggerechtigden (sociale huurwoningen onder de liberalisatiegrens), het initiatief voorziet hierin. Dit sluit bovendien aan bij de wens van de gemeente om deze woningen te behouden voor het sociale segment.

Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling om via sloop/nieuwbouw maximaal 99 sociale huurwoningen te realiseren in de Zeeheldenbuurt voorziet in een kwantitatieve behoefte:  In de periode tot 2030 neemt de bevolking en het aantal huishoudens in de gemeente Barendrecht en Rotterdam toe. Dit vraagt ook om een groei van de woningvoorraad.  Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling kan een raming worden gemaakt van de kwantitatieve woningbehoefte. De gemeente Barendrecht heeft in de periode 2019-2030 een woningbehoefte van 1.910 woningen, de gemeente Rotterdam heeft in dezelfde periode een behoefte van 30.580 woningen. Samen geldt voor het primaire verzorgingsgebied een woningbehoefte van 32.490 woningen.  Op dit moment is er in de gemeente Barendrecht onvoldoende harde plancapaciteit (105 woningen) om in de groeiende woningbehoefte te voorzien. Rekening houdend met een benodigde capaciteit van 130% en na aftrek van de gerealiseerd woningen de afgelopen jaren (419) en de harde plancapaciteit (105) resteert ruimte voor 1.959 woningen. Dit is de ruimte in de plancapaciteit die nog kan worden ingevuld. Met de realisatie van het initiatief Zeeheldenbuurt kan hierin worden voorzien. Per saldo voegt het initiatief 11 woningen toe aan de woningvoorraad, omdat als onderdeel van de nieuwbouw van 99 woningen ook 88 woningen worden gesloopt.

 Bovendien geldt ook voor de gemeente Rotterdam dat er onvoldoende harde plancapaciteit (ca. 15.780 woningen) is om in de woningbehoefte tot 2030 te voorzien. De woningbehoefte in Rotterdam is enorm, de plancapaciteit is onvoldoende om hierin te voorzien en dus kunnen initiatieven in Barendrecht ook een functie vervullen voor inwoners uit Rotterdam. Deze ‘opvangfunctie’ van Barendrecht zien we ook terug in de totale plancapaciteit van Barendrecht: deze ligt veel hoger dan de lokale woningbehoefte (met name door de ontwikkeling van 3.000 woningen in Stationstuinen). In beide gemeenten is er nog te weinig harde plancapaciteit om in de behoefte te voorzien, daar kan dit initiatief een positieve bijdrage aan leveren. Kwalitatieve behoefte Het initiatief Zeeheldenbuurt, waarbij 99 woningen worden gerealiseerd met een mix van appartementen en rijwoningen in het sociale huursegment onder de liberalisatiegrens, voorziet in een kwalitatieve behoefte:  Provincie, regio en gemeente stellen dat er in alle scenario’s vooral behoefte is aan huurwoningen onder de aftoppingsgrens. Ruim de helft van de nieuwbouw in de huursector zou uit woningen in

Hoofdstuk 3

14

die prijsklasse moeten bestaan. Bovendien is de voorkeur voor een meergezinshuurwoning in de regio Rotterdam hoog. De ontwikkeling Zeeheldenbuurt voorziet in deze behoefte. Regionaal is geconstateerd dat in de meer dorpse milieus met lagere dichtheden (zoals Barendrecht) een hoger aandeel vraag is naar meergezinshuurwoningen. Dit initiatief draagt bij aan het voorzien in deze vraag doordat het programma voor 65% uit appartementen bestaat. Binnen de regio Rotterdam, en ook specifiek in Barendrecht, is het van belang om voldoende woningen te realiseren voor jongeren, senioren en gezinnen. Er is specifiek behoefte aan levensloopbestendige woningen voor ouderen. Met de sloop van eengezinswoningen en nieuwbouw van overwegend 2-, 3- en 4-kamerappartementen (65%) voorziet het initiatief in deze behoefte. Overigens zijn de appartementen ook geschikt voor starters en jongeren, een doelgroep die in Barendrecht behoefte heeft aan betaalbare huisvesting. De beoogde eengezinswoningen (35%) zullen met name de doelgroep gezinnen aanspreken. De sloop van de eengezinswoningen is noodzakelijk omdat de bestaande woningen verouderd zijn en niet meer passen bij de huidige eisen (o.a. duurzaamheid) en behoefte van de doelgroep. De sloop/nieuwbouw van de woningbouw draagt daarmee bij aan vernieuwing van de woningvoorraad.

Geen onaanvaardbare leegstandseffecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van 99 woningen in de Zeeheldenbuurt onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het initiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Het merendeel van de woningen betreft bovendien vervanging, er worden per saldo slechts 11 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Bovendien heeft een gezonde woningmarkt 2% leegstand volgens het Planbureau voor de Leefomgeving 2. De gemeente Barendrecht en de gemeente Rotterdam hadden in 2020 een woningleegstand van respectievelijk 1% en 2%. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied.  Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de volgende bestemming: ‘Wonen’. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft.  In de directe omgeving zijn stedelijke functies gelegen. Op de aangrenzende percelen zijn de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Wonen’ en ‘Centrum’ vigerend. Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 20 april 2019 is het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland in werking getreden. Het omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie

2

https://vastgoedactueel.nl/in-veel-gemeenten-nauwelijks-langdurige-woningleegstand/

Hoofdstuk 3

15

van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. 3.2.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen:  een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur;  de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing;  een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;  de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Ruimtelijke hoofdstructuur In de ruimtelijke hoofdstructuur is het plangebied gelegen in een stedelijke agglomeratie Rotterdam. Voor de stedelijke agglomeraties streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving:  naar een klimaatbestendige delta;  naar een nieuwe economie: the next level;  naar een levendige meerkernige metropool;  energievernieuwing;  best bereikbare provincie;  gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Beschrijving van de Omgevingskwaliteit van Zuid-Holland Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ verstaat de provincie 'het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepaalt.

Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).

Hoofdstuk 3

16

De Omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.  Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.  Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Beleidskeuzes De provincie heeft twaalf provinciale ’Opgaven Omgevingskwaliteit’ gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en regels in de verordening. Voor Wonen is de opgave het 'Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen'. Deze opgave is erop gericht dat de woonbehoeften van verschillende doelgroepen kunnen worden gerealiseerd, zowel wat betreft de beschikbaarheid van passende woningen als de aantrekkelijkheid van de woon- en leefomgeving. De hiermee samenhangende beleidskeuzes gaan o.a. over 'Verstedelijking en wonen".

Beleidskeuze provincie: De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stadsen dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en

Hoofdstuk 3

17

zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Voor een Zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied is de opgave de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. De hiermee samenhangende beleidskeuzes gaan onder meer over ‘Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied’. Beleidskeuze provincie: In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder.

Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies af met andere gemeenten in de regio, voor in ieder geval wonen en kantoren. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken. Doorwerking plangebied Beleidsmatig wordt ingezet op woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgezicht, inbreiding en compacte nieuwbouw binnen de gemeentegrenzen. Het planinitiatief voorziet in de bouw van maximaal 99 woningen (toevoeging van 11 woningen ten opzichte van de huidige situatie) op een binnenstedelijke locatie en zet daarmee in op zorgvuldig ruimtegebruik. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de opgaven voor wonen.

Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.1.4 (Ladder voor duurzame verstedelijking).

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ In 2008 is een duidelijke koers bepaald voor de gemeente, neergelegd in “Barendrecht investeert in ontmoeting”, visie op Barendrecht 2025. In de tijd tussen 2008 en 2017 is veel veranderd en verschillende ontwikkelingen maakten het nodig om opnieuw het gesprek aan te gaan over de toekomst van Barendrecht.

Hoofdstuk 3

18

Naar aanleiding hiervan is begin 2018 de strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ vastgesteld. Door middel van deze visie maakt de gemeente de kansen en ontwikkelingen inzichtelijk waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De visie is een leidraad en het toetsingskader voor alle gemeentelijke beleidsterreinen. Daarnaast geeft de visie een politiek draagvlak voor te maken beleidskeuzes in de toekomst. Ten slotte geeft de visie een duidelijke koers aan voor de bestuurlijke en ambtelijke organisatie. Het is een levend document en is niet uitputtend. De visie kan richting geven aan het nieuwe coalitieakkoord. De strategische visie vormt bovendien input voor de omgevingsvisie, die de komende tijd zal worden opgesteld. Voor wat betreft het thema ‘Wonen’ wordt in de strategische visie ingezet op de onderwerpen duurzaamheid (bewust gebruik van energie), groen en recreatie (mooie veilige wijken) en wonen (woningen voor iedereen). Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van een verouderde woonwijk. Met de transformatie wordt voorzien in een verdichting van het woningaanbod en worden zowel sociale huurappartementen als grondgebonden woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn geschikt voor onder andere jongeren, gezinnen en senioren.

Daarnaast wordt de mogelijkheid gepakt om het plangebied klimaatadaptief in te richten en met een groene ruimte in te vullen. 3.3.2 Woonvisie Barendrecht 2016 - 2025 In navolging van de Woonvisie 2006 tot en met 2015 en de Herijking woonvisie 2010 is de Woonvisie 2016 tot en met 2025 opgesteld. Vanwege veranderingen op onder andere de woonmarkt en de wijze waarop de beschikbare ruimte benut kan worden werd dit noodzakelijk geacht. Zo kwamen de bouwgrenzen van Barendrecht langzamerhand in zicht waardoor een verschuiving plaatsvindt van het bouwen op grootschalige uitbreidingslocaties naar het bouwen op kleinschaligere binnenstedelijke locaties en het aanpassen van de bestaande woningvoorraad. Duurzaamheid is hierbij centraal gezet. De wens om op een duurzame wijze alle Barendrechters in alle levensfasen een kwalitatief goede en financieel passende woning te bieden, resulteert in een woonopgave naar prijs en kwaliteit. Bij het realiseren van balans tussen vraag en aanbod zijn het lokale beleid, waarin duurzaamheid de groene draad vormt, en de subregionale samenwerkingsafspraken de uitgangspunten. Met enerzijds een dynamische vraag vanuit de bevolking en anderzijds een overwegend statisch aanbod van de woningvoorraad is het verkrijgen van balans een uitdaging. Daarnaast blijft er, zelfs als er geen sprake is van kwantitatieve schaarste, altijd sprake van kwalitatieve schaarste.

Barendrecht is een aantrekkelijke gemeente met een suburbaan woonmilieu. De gemeente is gebaat bij een goed functionerende subregio Zuidrand. Dit betekent dat Barendrecht rekening houdt met de subregionale afspraak om de concurrentiepositie ten opzichte van Rotterdam Zuid te minimaliseren door vooral in te spelen op de vraag van de lokale bevolking. Concreet leidt dit tot de inzet op het minimaal behouden van de 22% sociale woningvoorraad, het realiseren van circa 1.300 nieuwbouwwoningen tot 2025 en het bouwen binnen het suburbane woonmilieu. Binnen de subregio ontleent Barendrecht haar kwaliteit aan het suburbane woonmilieu. De gemeente zet voor een groot deel in op een suburbaan grondgebonden woonmilieu (vooral eengezinswoningen), en een suburbaan exclusief woonmilieu (vrijstaande en twee-onder-eenkapwoningen) op locaties waar daarvoor de potentie aanwezig is.

Hoofdstuk 3

19

Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling voorziet in binnenstedelijke herstructurering, waarbij een naoorlogse woonwijk wordt getransformeerd. Hierbij wordt in stedenbouwkundig opzicht aangesloten bij de bestaande woningbouw in de omgeving. Er is zodoende potentie voor de realisatie van een exclusief suburbaan woonmilieu op de locatie, waarmee een kwalitatieve bijdrage wordt geleverd aan de woonopgave uit de Woonvisie Barendrecht. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de woningbehoefte in het sociale segment.

Hoofdstuk 3

20

4.

MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.2 Verkeer en parkeren De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Zowel de parkeerbehoefte als de verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. 4.2.1 Verkeer Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ en de ligging ‘schil centrum’. Ook is er uitgegaan van de maximale normen om een worst case verkeersgeneratie te berekenen. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan 396 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Tabel 4.1: Berekening verkeersgeneratie Woningtype conform CROW

Huur, appartement, midden/goed-

Aantal woningen

Verkeersgeneratie

Verkeersgeneratie (max., afge-

per woning (max.)

rond) per werkdagetmaal

64

3,6

231

35

4,7

165

koop (inclusief sociale huur) Huur, huis, sociale huur Totaal

396

In de huidige situatie bevat het plangebied 88 grondgebonden sociale huurwoningen. De huidige verkeersgeneratie is ook berekend op basis van de CROW-normen. Op basis van de normen zal de huidige situatie (88 x 4,7=) 414 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Deze bestaande verplaatsingen mogen afgetrokken worden van de toekomstige verkeersgeneratie. Per saldo komt dit neer op een afname van 18 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Dit is een beperkte afname en de verkeerssituatie zal nagenoeg gelijk blijven.

Hoofdstuk 4

21

Ontsluiting en verkeersafwikkeling De ontsluiting van de Zeeheldenbuurt vindt plaats via de Evertsenstraat en de Piet Heinstraat. Aangezien in de toekomstige situatie een afname aan verkeer te verwachten is, zal er geen extra verkeer over deze wegen verdeeld hoeven te worden. 4.2.2 Parkeren Autoparkeren De parkeerbehoefte voor het plangebied is bepaald aan de hand van parkeernormen die op basis van parkeeronderzoek en maatwerk door het bureau Dick van Veen zijn opgesteld. 3 Dit onderzoek is in de bijlagen opgenomen. In het parkeeronderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen het projectgebied en het gebied daaromheen, waar ook het Doormanplein onder valt. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat de gemiddelde parkeerdruk voor het gehele gebied niet hoger is dan 76 procent. In hetzelfde onderzoek staat dat er bij een parkeerdruk van 85 procent of hoger zoekverkeer kan ontstaan. De conclusie is dus dat er nu voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. Vervolgens is de parkeerbehoefte bepaald op basis van parkeernormen vastgesteld op het gemiddelde van de bandbreedte in parkeerkencijfers van het CROW. In onderstaande tabel is weergegeven welke parkeernormen zijn gehanteerd en wat de parkeerbehoefte is. Op basis van het benodigde aantal parkeerplaatsen en het te realiseren aantal parkeerplaatsen neemt de parkeerdruk in het gebied af.

Tabel 4.2: Berekening parkeerbehoefte Woningtype conform CROW

Aantal woningen

Parkeernorm

Parkeerbehoefte (afgerond)

per woning Huur, appartement, midden/goed-

64

1,1

70,4

35

1,3

45,5

koop (inclusief sociale huur) Huur, huis, sociale huur Totaal

116

De totale toekomstige behoefte aan parkeerplaatsen zal worden opgevangen in parkeerkoffers en langparkeervakken. In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 118 parkeerplaatsen voorzien. Geconcludeerd wordt dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de nota parkeernomen. Fietsparkeren Ten aanzien van fietsparkeren stelt het CROW in de ‘Leidraad fietsparkeren’ hier ook kencijfers voor beschikbaar. Voor appartementen dient uitgegaan te worden van 2 tot 3 fietsparkeerplaatsen per woning. Voor rij- en vrijstaande woningen dient uitgegaan te worden van 1 fietsparkeerplaats per kamer. De rijwoningen zullen over een bergingen beschikken waar 2 fietsen gestald kunnen worden. Overige fietsen kunnen in de achtertuin worden gestald. Bewoners en bezoekers van de appartementen kunnen de fietsen in het openbaar gebied stallen. Bij de entrees van de appartementencomplexen worden fietsenbeugels geplaatst.

3

Dick van Veen, Parkeerdrukmeting, d.d. 7 december 2020

Hoofdstuk 4

22

4.2.2 Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect ‘verkeer en parkeren’ voor onderhavig plan. In de regels is opgenomen dat voldaan dient te worden aan de nota parkeernormen bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.

4.3 Geluid 4.3.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.3: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. 4.3.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. De nieuwe geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de A15 en de Eerste Barendrechtseweg. Hierdoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy4. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele rapport wordt naar de bijlagen verwezen.

4

Econsultancy, Onderzoek wegverkeerslawaai, d.d. 26 januari 2022

Hoofdstuk 4

23

In het rapport zijn naast de geluidbelastingen afkomstig van de gezoneerde wegen ook de geluidbelastingen afkomstig van de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen meegenomen: Piet heinstraat, Evertsenstraat, Helfrichstraat en Scheldestraat. Voorts is er sprake van verkeer die naar de beoogde parkeerkoffers zullen in- en uitrijden. Deze hoeven op basis van de Wet geluidhinder niet te worden beschouwd aangezien dit verkeersbewegingen betreft op erfweggen dan wel 30 km-wegen. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 48 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Omdat geen overschrijden van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn berekend, is het toetsen aan het hogere waarde beleid van ook niet aan de orde. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. 4.3.3 Conclusie Er gelden vanuit akoestiek geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. In de Regeling NIBM is met betrekking tot woningen het volgende opgenomen:  1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg;  3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2).

4.4.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). De ontwikkeling is dus per definitie NIBM.

Hoofdstuk 4

24

Onderzoek NSL-Monitoringstool 2020 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2020. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en in onderstaande figuur. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 22,9 µg/m³ en voor PM10 17,3 µg/m³. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 9,3 µg/m³. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.

1

2 3

6 4

5

Figuur 4.1 Overzicht rekenpunten NSL-Monitoringstool Tabel 4.4: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id NO2 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdaμg/m3 gen Rekenpunt 1 15956520 22.5 17.1 6.0 Rekenpunt 2 15953097 23.3 17.3 6.1 Rekenpunt 3 15956517 22.9 17.2 6.1 Rekenpunt 4 15953095 22.7 17.1 6.1 Rekenpunt 5 15956518 22.6 17.1 6.1 Rekenpunt 6 15956546 20.0 16.5 6.0 Norm 40 40 35

PM2.5 μg/m3

Jaar

9.2 9.3 9.2 9.2 9.2 9.0 25

2020 2020 2020 2020 2020 2020

4.4.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de NSL-Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

Hoofdstuk 4

25

4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.5.2 Onderzoek Het plangebied en diens directe omgeving dient te worden getypeerd als omgevingstype ‘rustige woonwijk’, aangezien enkel sprake is van woonbestemmingen binnen de planlocatie. In de directe omgeving van het plangebied komen – naast woonfuncties – de volgende functies voor:

5

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

26

Tabel 4.5: Omliggende bedrijven Bedrijf

Bestemming

Adres

Milieuca-

Richtafstand bin-

Daadwerkelijke

tegorie

nen gemengd

afstand (m)

gebied (m) Diverse centrum-

Centrum - Primair (o.a.

Diverse (centrum

functies

detailhandel, dienst-

Barendrecht)

1

10

11

2

30

65

Geen

Geen

56

verlening, horeca cat. 1 en 2, wonen, maatschappelijke voorzieningen) Kerk

Maatschappelijk - Reli-

Dorpsstraat 146

gie Watertoren (monu-

Maatschappelijk

Dorpsstraat

Maatschappelijk – Be-

Scheldestraat 1

1

10

30

Dierensteinweg 4,

2

30

125

ment) Begraafplaats

graafplaats Onderwijsinstellin-

Maatschappelijk

gen voor beroeps-,

Dierensteinweg 2

hoger en overig onderwijs Sportzaal ‘De Zee-

Maatschappelijk

Evertsenstraat 14

2

30

18

Maatschappelijk

Evertsenstraat 16

2

30

18

Maatschappelijk

Petrus Camper-

2

30

80

Dorpsstraat 178-A

2

30

105

Maatschappelijk

Dorpsstraat 184

2

30

142

Maatschappelijk

Boerhaavelaan 2

2

30

74

Koffie- en theespe-

Centrum - Primair (o.a.

Dorpsstraat 156

ciaalzaak ’t Ouwe

detailhandel, dienst-

Durp

verlening, horeca cat.

held’ Dr. Schaepmanschool (basisschool) Speciaal Basisonderwijs de Wijn-

straat 1

gaard Maranathakerk

Maatschappelijk – Religie

Rehobothschool (basisonderwijs) Basisschool voor speciaal onderwijs De Wilgen

1 en 2, wonen, maatschappelijke voorzieningen)

De omliggende bedrijven liggen grotendeels op voldoende afstand van de beoogde woningen. Dit geldt echter niet voor de sportzaal op het adres Evertsenstraat 14, de basisschool op het adres Evertsenstraat 16 en de koffie- en theespeciaalzaak op het adres Dorpsstraat 156. Voor deze inrichtingen geldt dat deze in de huidige situatie reeds zijn gelegen nabij de bestaande woonwijk. In de toekomstige situatie komen de woningen niet dichterbij deze functies te liggen. De sportzaal is daarbij direct naast woonbestemmingen gelegen. Voor de koffie- en theespeciaalzaak geldt dat deze op een aanzienlijke afstand

Hoofdstuk 4

27

tot het plangebied is gelegen (circa 56 meter) en dat er een rij woningen tussen de horecagelegenheid en het plangebied is gelegen. Daarbij komt ook dat de horecagelegenheid de bestemming ‘Centrum – Primair’ heeft. Deze bestemming laat ook wonen toe, wat inhoudt dat de functie aanpandig aan woningen mogelijk moet zijn. 4.5.3 Conclusie Er wordt in de meeste gevallen voldaan aan de geldende richtafstanden. In de overige gevallen geldt dat in de bestaande situatie ook reeds een woonwijk is gelegen, met in de meeste gevallen woningen dichterbij de omliggende functies/bedrijven. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Geur agrarisch 4.6.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.6.2 Onderzoek In en nabij het plangebied bevinden zich geen belemmerende veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geurbelastende werking. Dit onderdeel is dan ook niet van belang. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.7 Kabels en leidingen In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied liggen geen kabels of leidingen die planologisch relevant zijn. Er zijn uit dit oogpunt derhalve geen belemmeringen voor de realisering van de woningen.

Hoofdstuk 4

28

4.8 Externe veiligheid 4.8.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.8.2 Onderzoek Eventuele externe veiligheidsrisico’s kunnen worden achterhaald met behulp van de Risicokaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied en haar omgeving zijn opgenomen in onderstaande figuur.

Hoofdstuk 4

29

55

3 1

6 8 44 3

2

7

Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart met aanduiding van het plangebied (blauwe stip)

Binnen het plangebied worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Woningen zijn kwetsbare objecten waardoor getoetst is aan het Bevi, het Bevb en het Bevt. Onderstaand is een overzicht weergegeven van de risicovolle transportlijnen, buisleidingen en inrichtingen. De nummering correspondeert met de nummers weergegeven in figuur 4.2. Transportlijnen (weg, water, spoor) 1) Het plangebied bevindt zich op circa 400 meter afstand van de A15 (wegvak Z74). Over dit wegvak worden toxische en brandbare vloeistoffen en toxische en brandbare gassen vervoerd. Het plangebied bevindt zich buiten het verantwoordingsgebied van de 200 meter van de rijksweg. Voor het transport van deze stoffen gelden invloedsgebieden variërend van 40 meter tot meer dan 4 kilometer. Het plangebied bevindt zicht binnen het invloedsgebied. Hiertoe dient dan ook een beperkte verantwoording groepsrisico te worden opgesteld. 2) Ten westen van het plangebied loopt de Rijksweg A29 (wegvak Z182). Deze weg is op een afstand van circa 1.250 meter tot het plangebied gelegen. Over deze weg worden brandbare vloeistoffen en toxische vloeistoffen getransporteerd. De invloedsgebieden van deze stoffen vallen niet tot over het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13148314/1