CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Talmaweg Zuid

gemeenteraad 21 december 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Woningbouwontwikkeling Talmaweg zuid25.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onverhard oppervlak (m2) 275 1.328 412 2.015

Verhard oppervlak (m2) 275 0 1.237 742 2.254

Tabel 5.1: toekomstige situatie verharding in plangebied.

Uit tabel 5.2 is op te maken dat het verhard oppervlakte toeneemt met circa 1.779 m 2. Vanuit het waterschap Hollandse Delta geldt een compensatieregel van 10% van de toename van het verhard oppervlak. Dit leidt tot een benodigde watercompensatie van 177,9 m2. Verhard oppervlak huidige situatie Verhard oppervlak toekomstige situatie Toename verhard oppervlak Compensatieregel Benodigde compensatie

475 m2 2.254 m2 1.779 m2 0,1 177,9 m2

Tabel 5.2: Verschil in verharding en benodigde watercompensatie.

In het betreffende peilgebied zit nog ruim voldoende water in de “waterbank” van waterschap Hollandse Delta. Op basis van de waterbank kan naar verwachting 180 m2 gecompenseerd worden. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde watercompensatie. Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer - DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

24

Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met de afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.3

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Er heeft afstemming met het waterschap plaatsgevonden en het waterschap kan instemmen met de compensatie van 180 m2 via de waterbank.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

25

6

Archeologie en cultuurhistorie

6.1

Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.

In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.

6.2

Onderzoek Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waardenen Beleidskaart Barendrecht (2009) wordt aan de locatie een redelijk hoge archeologische verwachting toegekend. Conform het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ geldt voor de planlocatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. De bodemverstorende ingrepen bestaan de nieuwbouw van drie blokken van vijf huizen. Het gaat om een oppervlakte van 3 x 249 = 747 m2. Er worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot 80 cm beneden maaiveld en er zullen heipalen komen. De grondroerende werkzaamheden overschrijden de marges van het bestemmingsplan. De dieptemarge wordt tevens overschreden door de heipalen. Beoordeling BOOR De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden beoordeeld. De complete beoordeling is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting.

De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Barendrecht dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. Het heipalenplan voor dergelijke woningen wordt als niet intensief beoordeeld. De kans is klein dat door het heien archeologische waarden in die mate worden verstoord dat eventueel toekomstig onderzoek niet meer mogelijk is. In verband hiermee wordt een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

26

noodzakelijk geacht. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 het bevoegd gezag, de gemeente Barendrecht, te informeren. Cultuurhistorie De locatie kent geen cultuurhistorische waarden. 6.3

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

27

7

Milieu

7.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling

7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.2.2 Afweging en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

28

Door de initiatiefnemer moet (vanwege een recente wijziging van het Besluit m.e.r.) een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 6. Tevens zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. 7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

29

7.3.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau BOOT is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Uit het uitgevoerd bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat: • In de boven- en ondergrond geen verhoogde concentraties zijn aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. Dit geeft vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van sanerende maatregelen; • In de bovengrond zeer licht verhoogde gehalten PFAS zijn aangetroffen die de achtergrondwaarden niet overschrijden. De boven- en ondergrond wordt op basis van PFOA en PFAS indicatief ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Hergebruik kan gewoon plaatsvinden; • Op het maaiveld visueel en in de bodem zowel visueel als analytisch geen asbest is aangetoond. Vervolgonderzoek ten aanzien van asbest is niet noodzakelijk. • De aangetoonde concentraties in de bodem (grondwater) geen belemmering vormen in milieuhygiënische zin voor het huidig of toekomstig gebruik (wonen met tuin). Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. 7.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit bestaan er geen milieu-hygiënische bezwaren voor het uitvoeren van het plan. 7.4

Akoestische aspecten

7.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Artikel 82 tot en met 85 van de Wet geluidhinder geven nadere uitleg met betrekking tot de geluidbelasting in zogenaamde “Nieuwe situaties”. Is de geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde dan legt de Wet geluidhinder geen restricties op aan het plan. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde, op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Wanneer het college van B&W een hogere waarde vaststelt, zullen er in het vervolgtraject zodanige maatregelen moeten worden opgenomen dat de geluidbelasting in geluidgevoelige ruimten niet meer bedraagt dan 33 dB.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

30

Tabel 7.1: Uitwerking wetgeving voor onderhavige wegen

Reductie geluidbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Volgens artikel 110g Wgh is een variabele reductie van 2 tot 4 dB van toepassing voor wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur en hoger en een reductie van 5 dB bij wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/uur. Omdat alle in dit onderzoek betrokken wegen een wettelijk toegestane rijsnelheid hebben van lager dan 70 km/h is een reductie toegepast van 5 dB. Cumulatie Wet geluidhinder Artikel 110f van de Wet geluidhinder stelt dat bij het vaststellen van hogere grenswaarden rekening gehouden dient te worden met cumulatie van meerdere akoestisch relevante geluidbronnen. Artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 schrijft de wijze van cumuleren voor, waarbij rekening wordt gehouden met het verschil in hinderbeleving van verschillende geluidbronnen. Formeel zijn alleen bronnen met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde akoestisch relevant. De correctie artikel 110g Wet geluidhinder met betrekking tot wegverkeer mag hierbij niet worden toegepast. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van alle gemodelleerde wegen inzichtelijk gemaakt.

Hierbij worden zowel de zoneplichtige als de nietzoneplichtige wegen beschouwd. Op deze wijze wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling wordt de geluidbelasting getoetst aan de classificering volgens de milieukwaliteitsmaat behorende bij de ‘methode Miedema’. De correctie artikel 110g Wet geluidhinder met betrekking tot wegverkeer mag hierbij niet worden toegepast. Bouwbesluit 2012 Artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 stelt dat een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering heeft met een minimum van 20 dB. Conform artikel 3.3, eerste lid van het Bouwbesluit 2012, blijkt dat bij een krachtens de Wet geluidhinder of de Tracéwet vastgesteld hogere-waardenbesluit, de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie bepaald volgens de NEN 5077 niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de in dat besluit opgenomen ten hoogst toelaatbare geluidbelasting voor wegverkeer en 33 dB. Artikel 3.3. van het Bouwbesluit is niet van toepassing voor woningen die niet zijn gelegen binnen een zone van een weg, spoorweg of industrieterrein. Geluidbeleid gemeente Er is voor zover bekend geen vastgesteld gemeentelijk geluidbeleid.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

31

7.4.2 Onderzoek Door onderzoeksbureau Aelmans is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de geluidbelasting op de gevel (gevelbelasting) berekend ten gevolge van het omliggende wegennet voor het jaar 2021 + 10 jaar na realisatie en getoetst aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Tevens is voor de “Nieuwe situatie” bepaald wat de cumulatieve geluidbelasting ter hoogte van het nieuwbouwproject is, zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen, de volledige rapportage is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Wet geluidhinder Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Tabel 7.2: Conclusies Wet geluidhinder

De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de zoneplichtige wegen A15, Boerhaavelaan en Hoefslag overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan. Cumulatie Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Talmaweg, bedraagt 59 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘matig’ en daarmee dient bezien te worden of en welke maatregelen noodzakelijk zijn. Karakteristieke geluidwering van de gevel

Tabel 7.3 Conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

32

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er formeel een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Het is echter aannemelijk dat de gevels dat de gevel van de nieuwbouwwoningen een grotere gevelwering hebben dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. De maximale geluidbelasting ontstaat op de westelijke gevel van de meest noordwestelijk gelegen woning. Indien deze gevel als blind uitgevoerd wordt dan kan gesteld worden dat met een standaard spouwmuur de benodigde gevelwering ruim wordt gehaald. Daarnaast is de gevelbelasting van de meest noordwestelijk gelegen woning 57 dB op de noordelijke (voor)gevel. Voor de drie hiernaast gelegen woningen is de maximale geluidbelasting 55 dB of 54 dB op de noordelijke (voor)gevel. Een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel is niet aan de orde bij toepassing van HR++ glas en bijvoorbeeld balansventilatie. Bij handhaving van enkelglas en natuurlijke ventilatie, waarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt wordt van roosters in deze gevels, is een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel wel aan de orde. Bij toepassing van de juiste materialen en constructies is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Toetsing gemeentelijk geluidsbeleid De gemeente Barendrecht heeft geluidsbeleid vastgesteld waarin de beleidsregels zijn vastgelegd bij het vaststellen van hogere waarden. In het geluidsbeleid wordt gesteld dat de gemeente Barendrecht de ambitie heeft om zoveel mogelijk het 'stand still'‐principe te hanteren. Het 'stand still'‐principe houdt in dat de gemeente Barendrecht geen geluidsbelastingen boven de saneringswaarde wil toelaten en het percentage geluidgehinderden niet wil laten toenemen ten opzichte van 2006. Het 'stand still'‐principe dat de gemeente Barendrecht hanteert is als volgt samen te vatten: 1. geen geluidssituaties creëren waarbij de geluidsbelasting boven de saneringswaarde (68 dB) komt te liggen; 2. het percentage geluidgehinderden niet laten toenemen ten opzichte van 2006; 3. een ontheffing hogere grenswaarde (= toestemming voor een geluidsniveau boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB) alleen verlenen als wordt voldaan aan het 'stand still'‐principe. Voor het monitoren van het 'stand still'‐principe is een klasse‐indeling met percentage woningen in elke geluidsklasse beschikbaar.

Deze indeling is hieronder weergegeven: Het percentage woningen per geluidsklasse voor verkeerslawaai voor geheel Barendrecht van 0 tot 55 dB 81,2% van 55 tot 60 dB 12,8% van 60 tot 65 dB 5,2% van 65 tot 70 dB 0,7% De bovenstaande klassenindeling in dB gaat uit van de waarde exclusief correctie conform artikel 110g Wgh. Om aan het 'stand still'‐principe te voldoen mogen de percentages van woningen in de klassen van 55 tot 70 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh, in de toekomst niet verder toenemen. De twee woningen waarbij de cumulatieve waarde 55 dB of hoger is, namelijk 59 dB en 55 dB, zijn nieuwbouwwoningen die gerealiseerd worden ter plaatse van reeds aanwezige woningen die gesloopt

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

33

worden. Derhalve neemt het aantal (ernstig) gehinderde woningen in absolute zin niet toe. Er wordt voldaan aan het ‘stand-still’ principe. 7.4.3 Conclusie Het aspect geluid vormt, bij toepassing van de juiste materialen en constructies, geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.5

Luchtkwaliteit

7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.

In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

34

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 15 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2020.

Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 22,7 µg/m3, 18,6 µg/m3 en 11,3 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

35

7.6

Milieuzonering

7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 7.6.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkel woningen en groenvoorzieningen. Relevante (bedrijfs)bestemmingen zijn niet aanwezig. 7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 7.7

Externe veiligheid

7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

36

betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 7.7.2 Onderzoek en conclusie Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van de ontwikkellocatie geen risicobronnen aanwezig zijn. In het plan zelf worden geen risicobronnen mogelijk gemaakt. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. 7.8

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.

7.8.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

37

8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. 8.2.2 Ontwerpfase Na afronding van de voorbereiding is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgden uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

38

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van16 juli tot en met 26 augustus 2021 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. In totaal zijn er twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn voorzien van een antwoord in een ‘nota van zienswijzen’. Deze nota is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn geen aanpassingen noodzakelijk. Wel zijn er enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Deze wijzigingen zijn benoemd in de ‘staat van wijzigen’, welke als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. 8.2.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging neemt de gemeenteraad een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 8.3

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.

Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

39

inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

Bijlage 1 Archeologisch advies, BOOR, 18 juni 2020

Onderwerp: A2020136 Gemeente Barendrecht, Talmaweg Zuid, Barendrecht Bezoek-/postadres: Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl/archeologie

Retouradres: Ceintuurbaan 213b, 3051 KC Rotterdam

BAR-organisatie (Barendrecht) Afdeling Advies Ruimte, Domein Ruimte t.a.v. de heer R. Belder Binnenhof 1 2991 AA BARENDRECHT

Van: dhr. drs. B.A. Corver Telefoon: 010 - 489 44 71 E-mail: ba.corver@rotterdam.nl Ons kenmerk: AS20/07765-20/0011473 Datum: 18 juni 2020

Geachte heer Belder, De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) heeft op uw verzoek de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ter plaatse van de Talmaweg Zuid, in de gemeente Barendrecht beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is onderstaand advies opgesteld. Advies De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Barendrecht dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 het bevoegd gezag, de gemeente Barendrecht, te informeren. Onderbouwing Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Barendrecht (2009) wordt aan de locatie een redelijk hoge archeologische verwachting toegekend.

Conform het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’ geldt voor de planlocatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. De bodemverstorende ingrepen bestaan de nieuwbouw van drie blokken van vijf huizen. Het gaat om een oppervlakte van 3 x 249 = 747 m2. Er worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot 80 cm beneden maaiveld en er zullen heipalen komen. De grondroerende werkzaamheden overschrijden de marges van het bestemmingsplan. De dieptemarge wordt overschreden door de heipalen. Het heipalenplan voor dergelijke woningen wordt echter als niet intensief beoordeeld. De kans is klein dat door het heien archeologische waarden in die mate worden verstoord dat eventueel toekomstig onderzoek niet meer mogelijk is. In verband hiermee wordt een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk geacht.

Blad:

2/2

Mochten er in het bouwplan wijzigingen optreden, dan dient het bouwplan opnieuw ter beoordeling te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid, de gemeente Barendrecht. Met een vriendelijke groet, hoogachtend, DIRECTEUR STADSBEHEER OPENBARE WERKEN (voor deze)

dr. A. Carmiggelt Hoofd Archeologie Rotterdam (BOOR)

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek, BOOT, 14 januari 2021

BOOT organiserend ingenieursburo bv. Alle opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig de AV-BOOT 2018.

Verkennend bodemonderzoek, conform NEN 5740 en NEN 5707 Locatie A, Talmaweg 1 t/m 9 Locatie B, Talmaweg (ong.)

OPDRACHTGEVER

Woonvereniging Patrimonium Barendrecht Postbus 25 2990 AA Barendrecht

DATUM

14 januari 2021

DOCUMENTNUMMER

P20-0341-022

OPGESTELD DOOR

ing. E. Janssen

GEAUTORISEERD

ing. C.H.J. Prudon

PROJECTLEIDER

ing. J.R. van Rees

GEZIEN

BOOT organiserend ingenieursburo B.V. Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal WEBSITE

www.buroboot.nl

E-MAIL

info@buroboot.nl

Titelpagina Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740

SOORT ONDERZOEK

Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5707 Locatie A: Talmaweg 1 t/m 9 te Barendrecht

ONDERZOEKSLOCATIE

Locatie B: Talmaweg ong. te Barendrecht Woonvereniging Patrimonium Barendrecht

OPDRACHTGEVER

Postbus 25 2990 AA Barendrecht Telefoon: 0180-641357 CONTACTPERSOON

de heer R. Peekstok

UITGEVOERD DOOR

BOOT organiserend ingenieursburo B.V. Plesmanstraat 5 3905 KZ Veenendaal

CONTACTPERSOON

ing. J.R. van Rees

DATUM VOORONDERZOEK

Quickscan vooronderzoek, juni 2020 Aanvullend vooronderzoek, november 2020

DATUM VELDWERK

3 en 11 december 2020

DATUM PEILBUISBEMONSTERING

11 december 2020

VELDWERK DOOR

de heer J.H.J. Janssen van Doorn de heer J.H.J. ten Dam

2001/2002/2018

PROJECT

2 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ............................................................................................................................................. 5 1.1

AANLEIDING.................................................................................................................... 5

1.2

DOELSTELLING ................................................................................................................ 5

1.3

AFBAKENING ................................................................................................................... 6

1.4

LEESWIJZER ..................................................................................................................... 6

2

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK .............................................................................. 7 2.1

AANLEIDING EN ONDERZOEKSVRAGEN .................................................................................. 7

2.2

OMSCHRIJVING LOCATIE EN HUIDIGE SITUATIE ....................................................................... 7

2.3

TERREINVERKENNING ........................................................................................................ 8

2.4

BODEM EN GEOHYDROLOGIE .............................................................................................. 8

2.5

BESCHIKBARE DOSSIERINFORMATIE ...................................................................................... 9

2.6

CONCLUSIES VOORONDERZOEK EN HYPOTHESE .................................................................... 14

3

VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................ 16 3.1

UITVOERING VELDWERK ................................................................................................... 16

3.2

LABORATORIUMONDERZOEK ............................................................................................ 16

3.3

NORMERING .................................................................................................................. 18

3.4

KWALITEITSBORGING ...................................................................................................... 19

4

ONDERZOEKSRESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK ...................... 20 4.1

BODEMOPBOUW EN GRONDWATER ..................................................................................... 20

4.2

VELDONDERZOEK ........................................................................................................... 20

4.3

LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING .......................................................................... 21

4.4

RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK EN VELDWERKONDERZOEK ....................................... 24

4.5

TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESE................................................................................... 25

4.6

BEPALING VOORLOPIGE VEILIGHEIDSKLASSE ......................................................................... 25

5

ONDERZOEKSRESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK ASBEST .... 27 5.1

VELDONDERZOEK ........................................................................................................... 27

5.2

LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING .......................................................................... 27

5.3

BEPALING ASBESTCONCENTRATIE EN TOETSING .................................................................... 28

5.4

RESULTATEN LABORATORIUMONDERZOEK EN VELDONDERZOEK ............................................... 29

5.5

TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESE................................................................................... 29

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................... 30 6.1

CONCLUSIES ................................................................................................................. 30

6.2

AANBEVELINGEN ............................................................................................................ 31

PROJECT

3 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

BIJLAGEN A

: Topografische ligging : Situatietekening

B

: Beschrijving bodemopbouw

C

: Verklaring analysepakketten, analysecertificaten

D

: Analyse- en toetsresultaten

E

: Normering en certificering

F

: Verklaring onafhankelijkheid

G.1

: Gegevens vooronderzoek

G.2

: Quickscan vooronderzoek, juni 2020

G.3

: Fotorapportage terreinverkenning

H

: Toetstabel geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS, d.d. 2 juli 2020

PROJECT

4 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

1

Inleiding In opdracht van Woonvereniging Patrimonium Barendrecht is door BOOT organiserend ingenieursburo een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (inclusief asbest en PFAS) op twee locaties aan de Talmaweg te Barendrecht. Het onderzoek heeft betrekking op twee locaties namelijk:

 Locatie A, Talmaweg 1 t/m 9 (noordelijk deel) met een grootte van circa 750 m²;  Locatie B, Talmaweg ong. (zuidelijk deel) met een grootte van circa 4.160 m². Beide locaties voldoen apart van elkaar aan de NEN 5740, maar zijn wel gelijktijdig uitgevoerd en worden in dit rapport gezamenlijk gerapporteerd. Een overzicht van de locaties is weergegeven in bijlage A, blad 2 en 3. Het onderzoek is uitgevoerd in twee fasen. In de eerste fase is een vooronderzoek (conform NEN 5725) uitgevoerd. Het vooronderzoek is in juni 2020 uitgevoerd en gerapporteerd in een Notitie quickscan door BOOT organiserend ingenieursburo met kenmerk P200341-004, d.d. 8 juli 2020. In bijlage 1 van de quickscan is het Milieuhygiënisch vooronderzoek opgenomen met kenmerk P20-0341-001, d.d. 22 juni 2020 (zie bijlage G). Het vooronderzoek is opgenomen in bijlage G van deze rapportage. In hoofdstuk 2 zijn de gegevens aangevuld voor de periode erna. Aan de hand hiervan is de onderzoeksstrategie bepaald. In de tweede fase is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707. Het veldwerk is uitgevoerd onder erkenning van de BRL SIKB 2000. De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform AS 3000. 1.1

Aanleiding Aanleiding voor het verkennend onderzoek vormt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling in het kader van woningbouw (i.c. bestemmingsplanwijziging) en de hiermee gemoeide grondwerkzaamheden. Op de locaties gaan woningen met tuin gerealiseerd worden.

1.2

Doelstelling Doel van het verkennend bodemonderzoek is na te gaan of de bodem (met betrekking tot milieuhygiënische kwaliteit van de bodem) geschikt is voor het huidig en/of toekomstig gebruik of dat mogelijk een bedreiging van de volksgezondheid kan optreden. Met het oog op de beoogde grondwerkzaamheden zijn grondmonsters genomen die aanvullend zijn geanalyseerd op Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) met als doel het indicatief bepalen van de bodemkwaliteitsklasse van de vrijkomende grond. Doel van het verkennend bodemonderzoek asbest is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een bodemverontreiniging met asbest aanwezig is. Op basis van de berekende asbestconcentratie kan een indicatieve uitspraak worden gedaan over het asbestgehalte in de bodem.

PROJECT

5 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

1.3

Afbakening Het uitgevoerde onderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek en verkennend bodemonderzoek asbest. Bij een verkennend onderzoek wordt middels vooronderzoek, bestaande uit een historisch onderzoek en terreininspectie, in beeld gebracht of en zo ja waar verontreinigingen worden verwacht. Op basis hiervan wordt een strategie opgesteld voor het veldwerk. Het veldwerk bestaat uit een aantal boringen en asbestinspectiegaten, waarbij de visuele waarnemingen worden vastgelegd en een aantal representatieve mengmonsters worden samengesteld. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd of de verwachting uit het vooronderzoek juist is. Indien daartoe aanleiding is, dient aanvullend onderzoek te worden gedaan om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van een verontreiniging en wat de omvang daarvan is. Middels een verkennend onderzoek wordt beoordeeld of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en/of een verontreiniging wordt verwacht. Het vaststellen van de bodemkwaliteitsklasse van de bodem voor toepassing elders maakt hiervan geen onderdeel uit. Het onderzoek is op een zorgvuldige wijze en door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. De betrouwbaarheid van het onderzoek wordt hierbij beïnvloed door:

 Beschikbaarheid van historische informatie. Onvolledige historische informatie kan leiden tot een onjuiste onderzoeksstrategie;

 Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een gestandaardiseerde methode. Op basis hiervan worden middels een steekproef, boringen geplaatst en asbestinspectiegaten gegraven en monsters genomen. Doordat de steekproefomvang afgeleid is van de norm wordt een betrouwbaar beeld van de bodemkwaliteit verkregen. Lokale afwijkingen van de bodemkwaliteit kunnen niet volledig worden uitgesloten;

 Het onderzoek betreft een momentopname. Eventuele toekomstige bodembedreigende activiteiten, calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden. 1.4

Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft de resultaten van het vooronderzoek. De opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek volgen in hoofdstuk 3. De resultaten van veldwerkzaamheden, laboratoriumonderzoek en de verontreinigingssituatie staan beschreven in hoofdstuk 4 en 5. In hoofdstuk 6 worden conclusies en eventuele aanbevelingen beschreven.

PROJECT

6 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

2

Milieuhygiënisch vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het kader van het vooronderzoek vastgesteld en relevante onderzoeksvragen voor zover als mogelijk beantwoord. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 en reeds gerapporteerd in juli 2020 (Quickscan, BOOT, P200341-004, 8 juli 2020 met de bijlage Milieuhygiënisch vooronderzoek NEN 5725, P200341-001, 22 juni 2020). In bijlage G is de bronvermelding van de verzamelde informatie weergegeven. Het eerder uitgevoerde vooronderzoek vormt de basis voor het verkennend onderzoek. De relevante informatie is hieronder opgenomen uit dat vooronderzoek. Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking op beide onderzoekslocaties, namelijk

 Locatie A: Talmaweg 1 t/m 9, kadastraal perceel Barendrecht, B, 1345;  Locatie B: Talmaweg ong, kadastrale percelen Barendrecht, B, 1109, 1112, 1429 en 9090. 2.1

Aanleiding en onderzoeksvragen In de NEN 5725 is een aantal standaard aanleidingen en onderzoeksvragen geformuleerd. De volgende aanleiding is voor onderhavig onderzoek van toepassing:

 het opstellen van de hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uitvoeren van een bodemonderzoek. Op basis van de aanleiding(en) van het vooronderzoek zijn voor deze aanleiding(en) een aantal onderzoeksvragen vastgesteld. De onderzoeksvragen zijn beschreven in de NEN 5725 en worden gebruikt als leidraad bij het vooronderzoek. 2.2

Omschrijving locatie en huidige situatie De onderzoekslocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Barendrecht. De Xcoördinaat op de Topografische Kaart van Nederland is voor locatie A, 95.853 en de Ycoördinaat is 430.348. X-coördinaat 95.845 en de Y-coördinaat 429.893. Een topografisch overzicht en een weergave van de situatie is weergegeven in bijlage A. Huidig en toekomstig gebruik Locatie A is in gebruik als woningen met tuinen. Het voornemen is om deze woningen te slopen en er nieuwbouw te realiseren. Locatie B is braakliggend en op deze locatie zal tevens nieuwbouw gerealiseerd gaan worden. Op het middendeel is een deel van de openbare weg aanwezig (Talmaweg), dit is verhard met klinkers.

PROJECT

7 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

Historisch kaartmateriaal Op historisch kaartmateriaal is te zien dat de beide locaties tot eind jaren ’30 een agrarische functie hebben. In deze periode zijn beide locaties onbebouwd. De locaties zijn gelegen ten westen van het dorp Barendrecht. Aan oostzijde van de locaties is het tracé van een stoomtram aanwezig tot eind jaren ’50. De Talmaweg wordt in deze periode aangelegd en er vindt kleinschalige bebouwing plaats. In de jaren ’60 wordt de Talmaweg verlengt, neemt de bebouwing toe en wordt ook locatie A bebouwd. Locatie B blijft onbebouwd. Vanaf 1990 vindt in de omgeving grootschalige woningbouw plaats waardoor de Talmaweg is omgeven door woonwijken. 2.3

Terreinverkenning De terreinverkenning is direct voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd op 3 en 11 december 2020. De locatiegegevens zoals genoemd in paragraaf 2.2 is tijdens de terreinverkenning geverifieerd. Tijdens de terreinverkenning zijn geen verdachte bronlocaties aangetroffen.

2.4

Bodem en geohydrologie De onderzoekslocatie is gelegen in het rivierengebied. Hierdoor bestaat de bovengrond uit klei. De ondergrond bestaat uit klei en/of zeer fijn tot matig grof zand. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1,0 á 1,5 meter beneden maaiveld. De regionale grondwaterstromingsrichting van het freatisch grondwater is noordoostelijk gericht. De lokale grondwaterstroming kan worden beïnvloed door de aanwezigheid van (gedempte) watergangen, kabel-, leiding- en/of rioolsleuven en grondwateronttrekkingen in de directe omgeving. In onderstaande tabel is een weergave gegeven van de regionale bodemopbouw. Tabel 2.1 Schematische weergave van de regionale bodemopbouw

PAKKET

DIEPTE (M -MV)

SAMENSTELLING

Formatie van Echteld

0 – 15

Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling

Holocene afzettingen

van zandige, kleiige en organogene afzettingen

Formatie van Kreftenheye

15 – 25

Formatie van Stramproy

25 – 27

Formatie van Waalre

27 – 44

Formatie van Peize en

44 – 50

Zandige eenheid, overwegend bestaande uit zand (fijn tot en met grof zand), grind en/of schelpen Zandige eenheid, overwegend bestaande uit zand (fijn tot en met grof zand), grind en/of schelpen Kleiige eenheid, overwegend bestaande uit klei, zandige klei en/of kleiig zand

Formatie van Waalre

PROJECT

8 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Zandige eenheid, overwegend bestaande uit zand (fijn tot en met grof zand), grind en/of schelpen

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

2.5

Beschikbare dossierinformatie Tabel 2.2 Verzamelde informatie Bron

Bijzonderheden

Informatie opdrachtgever

Bij opdrachtgever is geen bodeminformatie beschikbaar.

De planvorming bestaat uit het realiseren van nieuwbouwwoningen met tuin op twee locaties aan de Talmaweg in Barendrecht. De huidige bebouwing ter plaatse van de noordelijk locatie (Talmaweg 1 t/m 9) wordt gesloopt. Ter plaatse van de zuidelijke locatie is momenteel geen bebouwing aanwezig. Informatie DCMR

Bij Milieudienst DCMR zijn meerdere onderzoeken bekend. Eén onderzoek heeft

Milieudienst Rijnmond

DCMR beschikbaar. Voor de overige onderzoeken verwijst DCMR door naar de gemeente Barendrecht.

Verkennend bodemonderzoek: Leidingtracé in de wijk Paddewei te Barendrecht Locatie/adres: Paddewei Barendrecht Door: SWECO Datum: 17 oktober 2016 Rapportnr: SWNL0193636 Ter plaatse van: Leidingtracé kabels en leidingen Beschrijving rapport: Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in de wijk Paddewei te Barendrecht. Het betreft een onderzoek ter plaatse van een leidingtracé. Het onderzoeksgebied beslaat de complete wijk en slechts één boring valt binnen de 50 meter ten opzichte van onderzoekslocatie A. dit betreft boring 79.

De bodemopbouw van boring 79 is tot 55cm-mv matig fijn zand en tot 100 cm-mv zwak zandige klei. Er zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Boring 79 maakt deel uit van 2 mengmonsters. Laag 5 – 55 cm-mv maakt onderdeel uit van mengmonster MM47 en laag 70 – 100 cm-mv maakt onderdeel uit van mengmonster MM48. In beide mengmonsters zijn geen verontreinigingen aangetoond.

PROJECT

9 / 31

DOCUMENTNUMMER REVISIEDATUM

Barendrecht - Talmaweg P20-0341-022 14 januari 2021

Bron

Bijzonderheden Ten opzichte van onderzoekslocatie B ligt boring 050 het dichtst in de buurt van deze locatie.

Boring 050 is geplaatst in een groenstrook. De bodemopbouw bestaat uit zwak tot sterk zandige klei. De bovengrond tot 50 cm-mv is zwak baksteenhoudend. Deze bodemlaag (0 – 50 cm-mv) maakt onderdeel uit van mengmonster MM39. In dit mengmonster is koper, zink en lood > AW aangetoond. De bodemlaag 50 – 100 cm-mv maakt onderdeel uit van mengmonster MM40. In dit mengmonster zijn geen verontreinigingen aangetoond. Gemeente Barendrecht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10914819/1