CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Talmaweg Zuid

gemeenteraad 21 december 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Woningbouwontwikkeling Talmaweg zuid25.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Barendrecht Bestemmingsplan ‘Talmaweg-Zuid’ Vaststelling

Oktober 2021

Gemeente Barendrecht Bestemmingsplan ‘Talmaweg-Zuid’

werknummer: 620.161.90 datum: Oktober 2021 bestand: J:\620\161\90\3.Projectresultaat Procedureoverzicht Fase

Datum

Ontwerp

Juni 2021

Terinzagelegging

16 juli - 26 augustus 2021

Vaststelling

KuiperCompagnons BV Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Architectuur, Landschap Rotterdam

Gemeente Barendrecht Bestemmingsplan ‘Talmaweg-Zuid’ Toelichting

Oktober 2021

Inhoudsopgave van de toelichting 1.

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel van het plan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Leeswijzer 2.

1

1 1 1

Planbeschrijving

2

2.1 Bestaande situatie 2.2 Ontwikkelingen 2.3 Juridische aspecten

2 3 5

3.

Ruimtelijke Ordening

8

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

8 9 12 14

4

Natuur en landschap

15

4.1 Kader 4.2 Onderzoek 4.3 Conclusie 5

15 17 19

Water

20

5.1 Kader 5.2 Onderzoek 5.3 Conclusie

20 22 24

6

25

Archeologie en cultuurhistorie

6.1 Kader 6.2 Onderzoek 6.3 Conclusie

25 25 26

7

Milieu

27

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

Algemeen M.e.r.-beoordeling Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Overige belemmeringen

27 27 28 29 33 35 35 36

8

Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.3 Handhavingsaspecten

37

37 37 38

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Archeologisch advies, BOOR, 18 juni 2020 Verkennend bodemonderzoek, BOOT, 14 januari 2021 Akoestisch onderzoek, Aelmans, 14 april 2021 Ecologische quickscan, Blom Ecologie B.V., 1 april 2021 Stikstofdepositieonderzoek, KuiperCompagnons, 19 april 2021 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, KuiperCompagnons, 23 april 2021 Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Staat van wijzigen ontwerpbestemmingsplan

Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied

Afbeelding 1.2: Ligging plangebied in meer detail

1

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan Aanleiding Het voornemen bestaat om op twee locaties aan de Talmaweg in Barendrecht sociale huurwoningen te realiseren. De noordelijke locatie wordt ingepast met een binnenplanse afwijking. Om de nieuwe opzet van de zuidelijke locatie te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Doel De nieuwe woningen op de zuidelijke planlocatie passen niet binnen de bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Met dit nieuwe bestemmingsplan worden de woningen in juridischplanologische zin mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de Talmaweg, aan de bestaande keerlus en omvat 4.269 m². Verder wordt het plangebied grofweg begrensd door: - bestaande woonbebouwing aan de Talmaweg aan de noordzijde; - bestaande woonbebouwing aan de Concertweg aan de westzijde; - fietsverbinding de Klaproos in het oosten; - de Concertweg en bestaande woonbebouwing aan de zuidzijde. De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. De globale ligging van het plangebied is in afbeelding 1.1 en 1.2 weergegeven.

1.3

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt ingedeeld. In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1, zijn een aantal algemene planaspecten opgenomen. In hoofdstuk 2 vindt de planbeschrijving plaats en wordt tevens een toelichting gegeven op de bestemmingsmethodiek. Hoofdstuk 3 tot en met 9 vormt feitelijk de achterliggende onderbouwing voor de wijziging en gaat in op, onder andere, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, mobiliteit, natuur en landschap, water, archeologie en cultuurhistorie en milieu. Ten slotte worden in hoofdstuk 10 en 11 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond en wordt ook ingegaan op het overleg- en inspraaktraject.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

2

2.

Planbeschrijving

2.1

Bestaande situatie De locatie bestaat uit een groenstrook met weinig opgaande beplanting. De woningen die hier ooit stonden zijn tussen 2006 en 2007 gesloopt.

Afbeelding 2.1: Impressie bestaande situatie plangebied (bron: Googlemaps)

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’, vastgesteld op 7 juni 2013 door de gemeente Barendrecht. In de planologische situatie is het plangebied bestemd als ‘Groen’, ‘Tuin’ en ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Daarnaast kent het plangebied momenteel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’.

Afbeelding 2.2: Vigerende planologische situatie (in rood de globale begrenzing) Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

3

2.2

Ontwikkelingen

2.2.1 Programma De ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe woonbebouwing en de inrichting van de buitenruimte. Het voorziene programma bestaat uit 15 grondgebonden sociale huurwoningen. De woningen sluiten aan op de bestaande architectuur aan de Talmaweg en de Concertweg.

Afbeelding 2.3: Schetsontwerp

Afbeelding 2.4: Impressie toekomstige woningen Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

4

2.2.2 Verkeersgeneratie en parkeren De tien noordelijke woningen worden ontsloten via de bestaande keerlus aan de Talmaweg. Aan het einde van deze lus worden nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. De vijf meest zuidelijke woningen zullen met name gebruik maken van de Concertweg als route. Verkeersgeneratie en -afwikkeling Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling die met dit plan wordt gefaciliteerd, is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. De kencijfers die gegeven zijn in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal kencijfer weer. Bij onderstaande berekeningen wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze twee cijfers. Het plan voorziet in de realisatie van vijftien sociale huurwoningen. Op grond van de CROW-richtlijnen geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,9 motorvoertuigbewegingen per woning1. Gelet hierop leidt de totale ontwikkeling tot 73,5 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Het verkeer wordt in de toekomstige situatie via de Talmaweg en de Concertweg afgewikkeld. Afgaande op de weginrichting van beide wegen is geconcludeerd dat deze wegen over voldoende capaciteit beschikken om deze toename, als gevolg van de ontwikkeling, te verwerken.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabele verkeerstoename. Parkeren Om de parkeerbehoefte bij ontwikkelingen te kunnen bepalen hanteert de gemeente Barendrecht de regeling ‘Parkeernormen gemeente Barendrecht 2018’. Hierin wordt verwezen naar de parkeerkencijfers en de daarbij aangegeven uitgangspunten zoals aangegeven door het CROW. Om inzicht te bieden in de parkeerbehoefte is daarom ook gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De kencijfers die gegeven zijn in de CROW-publicatie geven een minimaal en een maximaal kencijfer weer. Bij onderstaande berekeningen wordt uitgegaan van een gemiddelde van deze twee cijfers. Op grond van de CROW-richtlijnen geldt voor sociale huurwoningen een gemiddelde parkeerbehoefte van 1,5 parkeerplaatsen per woning. Gelet hierop leidt de totale ontwikkeling tot een behoefte aan 22,5 (23) parkeerplaatsen. Hiervan zullen 16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de keerlus van de Talmastraat. De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd middels langsparkeren aan de Concertweg. Zie afbeelding 2.3 voor de exacte ligging van de parkeerplaatsen. De aanleg en instandhouding hiervan is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

1

Uitgaande van een locatie in de rest van de bebouwde kom, in sterk stedelijk gebied. Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

5

2.3

Juridische aspecten De gewenste ontwikkeling van het plangebied zoals beschreven in vorige paragrafen, is juridisch vertaald in de planregels en de planverbeelding. In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op deze juridische vertaling.

2.3.1 Planmethodiek Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn opgesteld conform de SVBP 2012. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn de begrippen verklaard die gebruikt worden in hoofdstuk 2 en 3. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, beplanting, parken en plantsoenen. Binnen deze bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Deze bestemming is opgenomen in een strook voor de westelijke woonblokken en rondom de verkeersbestemming. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Het gaat hier om de voortuinen van woningen. Deze bestemming is gekozen om te voorkomen dat in de voortuinen wordt gebouwd.

Verkeer - Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen gericht op verblijf, zoals woonerven, wijkontsluitingswegen (30 km/u) en pleinen, parkeervoorzieningen en voet- en fietspaden. Tevens zijn daaraan ondergeschikte bijbehorende voorzieningen mogelijk. De bestemming is opgenomen voor de bestaande keerlus aan de Talmaweg. Binnen deze bestemming worden ook de parkeerplaatsen gerealiseerd. De aanleg en instandhouding hiervan is geborgd in de bestemmingsregels. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen. Binnen deze bestemming is, waar mogelijk, flexibiliteit geboden. Er zijn drie bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de woningen geplaatst mogen worden. In de regels is verankerd dat binnen deze bestemming maximaal 15 rijwoningen mogen worden gebouwd.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

6

Waarde - Archeologie 3 Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden. Ter plaatse van deze dubbelbestemming mogen geen grondwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.

Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Algemene procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan een in dit plan opgenomen afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheid. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

7

2.3.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

8

3.

Ruimtelijke Ordening

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één Rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Het SVIR (beleid) is opgegaan in de NOVI. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitgewerkt in regelgeving op basis van het beleid dat in de NOVI staat. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Nieuwe ladder Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd.

De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van 15 woningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

9

Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De voorliggende ontwikkeling is met 15 woningen dus ladderplichtig. Beschrijving behoefte woningen De Zuid-Hollandse Woningbehoefteraming 2019 (WBR2019) geeft voor elke regio inzicht in hoeveel extra woningen er nodig zijn. Voor de periode na 2019 tot 2030 geldt in de regio Rotterdam een gewenste woningvoorraadtoename van 51.310 woningen. Voor de gemeente Barendrecht geldt een gewenste woningvoorraadtoename van 1.910 woningen. Veel van de woningen die in de laatste 25 jaar werden toegevoegd horen tot het hogere prijssegment. Vanuit de regio ligt er dan ook de vraag om (ook) meer goedkope woningen te realiseren en zo gezamenlijk zorg te dragen voor een toegankelijke woningmarkt. In de regio Rotterdam hebben Barendrecht en dertien andere gemeenten (verenigd in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam, of SvWrR) en 25 corporaties afspraken gemaakt over de ontwikkeling van de omvang van de totale woningvoorraad en de sociale woningvoorraad alsook over een “evenwichtigere” spreiding van de sociale voorraad over de regio. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over de toewijzing en beschikbaarheid van sociale woningen. Op deze doelstellingen heeft iedere deelnemende gemeente, in overleg met de betrokken woningcorporaties, een zogeheten bod uitgebracht.

Het bod van de gemeente Barendrecht uit maart 2019 bedroeg 700 woningen tot en met 2029 in de sociale voorraad2. De provincie houdt voor Barendrecht echter rekening met een behoefte van 1.189 tot 1.318 woningen tot en met 2029. Het belangrijkste gemeentelijke beleidsdocument op het gebied van wonen is de ‘Woonvisie Barendrecht 2016-2025’. De gemeente stelt in de woonvisie ook enkele kwantitatieve doelstellingen. Zo moeten er tot 2025 1.300 woningen worden gerealiseerd. Door middel van nieuwbouw moet bovendien de aansluiting verbeteren tussen de inkomenssamenstelling van de Barendrechtse huishoudens en de prijssegmentering van de woningvoorraad. Daarbij streeft de gemeente de volgende verhouding na: een kwart van deze nieuwe woningen zou goedkoop moeten zijn en een kwart middelduur. De overige nieuwbouw zal uit dure woningen bestaan. Op basis van de grote woningbehoefte in de regio en de bijdrage aan de sociale huurvoorraad in de regio, kan worden geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Op 1 april 2019 is de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven 2 Afkomstig uit ‘Onderzoeksopzet woonvisie Barendrecht - onderzoek woonbeleid’ van december 2020

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

10

worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur

Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

11

Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Het plangebied is opgenomen in twee kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – Jonge zeeklei’. Richtpunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Steden en dorpen’.

Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

12

Voorgenomen ontwikkeling bouwt voort op het bestaande dorpsgebied en sluit aan bij de karakteristieke kenmerken uit de omgeving. Er wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt, de bouwhoogtes sluiten aan bij de mogelijkheden in de omgeving. De ontwikkeling wordt dus ingepast in de bestaande structuren en dragen bij aan de ontwikkeling van de stad. Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen.

Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte. 3.3

Gemeentelijk beleid Voor het plangebied is in 2011 een studie verricht naar de inpassing van nieuwe woningen in de omgeving van de Talmaweg. Aan de hand hiervan zijn door de gemeenteraad stedenbouwkundige randvoorwaarden vastgesteld (op 26 januari 2021). Het voorliggende plan vormt een uitwerking van deze voorwaarden. In deze paragraaf wordt het overige relevante gemeentelijke beleid verder behandeld.

3.3.1 Strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ In 2008 is een duidelijke koers bepaald voor de gemeente, neergelegd in “Barendrecht investeert in ontmoeting”, visie op Barendrecht 2025. In de tijd tussen 2008 en 2017 is veel veranderd en verschillende ontwikkelingen maakten het nodig om opnieuw het gesprek aan te gaan over de toekomst van Barendrecht.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

13

Naar aanleiding hiervan is begin 2018 de strategische visie ‘Samen Bouwen aan Barendrecht’ vastgesteld. Door middel van deze visie maakt de gemeente de kansen en ontwikkelingen inzichtelijk waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De visie is een leidraad en het toetsingskader voor alle gemeentelijke beleidsterreinen. Daarnaast geeft de visie een politiek draagvlak voor te maken beleidskeuzes in de toekomst. Ten slotte geeft de visie een duidelijke koers aan voor de bestuurlijke en ambtelijke organisatie. Het is een levend document en is niet uitputtend. De visie kan richting geven aan het nieuwe coalitieakkoord. De strategische visie vormt bovendien input voor de omgevingsvisie, die de komende tijd zal worden opgesteld. Voor wat betreft het thema ‘Wonen’ wordt in de strategische visie ingezet op de onderwerpen duurzaamheid (bewust gebruik van energie), groen en recreatie (mooie veilige wijken) en wonen (woningen voor iedereen). Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de verdichting van het bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt aangesloten bij de gedachte uit de visie om in een stedelijk gebied waar ruimte schaars is in te zetten op woningbouw op kleinschalige binnenstedelijke locaties. Daarnaast betreft het een braakliggende locatie waar in het verleden al woningen hebben gestaan.

Het ontwerp houdt rekening met de ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing van de woningen en er wordt zoveel mogelijk groen behouden. Daarmee sluit de ontwikkeling aan bij de bebouwing in de omgeving en het dorpse karakter van de gemeente. 3.3.2 Woonvisie Barendrecht 2016-2025 In navolging van de Woonvisie 2006 tot en met 2015 en de Herijking woonvisie 2010 is de Woonvisie 2016 tot en met 2025 opgesteld. De wens om op een duurzame wijze alle Barendrechters in alle levensfasen een kwalitatief goede en financieel passende woning te bieden, resulteert in een woonopgave naar prijs en kwaliteit. Bij het realiseren van balans tussen vraag en aanbod zijn het lokale beleid, waarin duurzaamheid de groene draad vormt, en de regionale woningmarktafspraken de uitgangspunten. Met enerzijds een dynamische vraag vanuit de bevolking en anderzijds een overwegend statisch aanbod van de woningvoorraad is het verkrijgen van balans een uitdaging. Daarnaast blijft er, zelfs als er geen sprake is van kwantitatieve schaarste, altijd sprake van kwalitatieve schaarste. In 2019 is het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam vastgesteld. Daarmee is een nieuwe koers ingeslagen met als doel een zo goed mogelijke bijdrage te leveren aan het Meer Evenwicht Scenario.

Het Meer Evenwicht Scenario betekent dat de sociale woningvoorraad in Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen afneemt en dat deze in de randgemeenten moet toenemen. Voor Barendrecht betekent dit in absolute zin dat er tot 2030 circa 1.750 sociale woningen moeten worden toegevoegd. Barendrecht zet daarnaast vooral ook in op het segment net boven de sociale sector: de zogenaamde betaalbare sector. Door ook meer in het betaalbare segment te bouwen, worden de kansen op de woningmarkt vergroot voor huishoudens die net niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en kunnen goedkope scheefwoners (huishoudens die niet tot de lage inkomensgroep behoren) uit de sociale huursector doorstromen. Uitgangspunt is om circa 30% sociaal te bouwen, 20% betaalbaar en 50% duur. Binnen de subregio Zuidrand ontleent Barendrecht haar kwaliteit aan het suburbane woonmilieu. De gemeente zet voor een groot deel in op een suburbaan grondgebonden woonmilieu (vooral eengezinswoningen), en een suburbaan exclusief woonmilieu (vrijstaande en twee-onder-eenkapwoningen) op locaties waar daarvoor de potentie aanwezig is.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

14

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een binnenstedelijke herstructurering, waarbij vijftien rijwoningen worden gerealiseerd. Hierbij wordt in stedenbouwkundig opzicht aangesloten bij de bestaande woningbouw in de omgeving. Daarnaast wordt met deze kleinschalige ontwikkeling voorzien in woningbouw in het sociale huursegment. Hiermee sluit de ontwikkeling aan op het uitbreiden van de huidige sociale woningvoorraad.

3.3.3 Uitvoeringsprogramma duurzaam energiebeleid Als nadere uitwerking van het Schetsplan Duurzaam Energiebeleid is het Uitvoeringsprogramma Energiebeleid Barendrecht opgesteld. Het duurzaam energiebeleid heeft vier pijlers of aandachtsgebieden, te weten: 40% energie besparen, 60% duurzame warmte inzetten, 60% duurzame stroom opwekken, en mobiliteit op basis van een 100% duurzame brandstof mix in 2030. Om dit te realiseren is een aantal activiteiten en projecten benoemd, toegespitst op de verschillende sectoren in de samenleving. Het college heeft de gemeenteraad geadviseerd dit Schetsplan nader uit te werken en de projecten nader te specificeren. Dat is gedaan in dit Uitvoeringsprogramma Duurzaam Energiebeleid, wat kan worden beschouwd als een plan van aanpak voor de komende jaren. Hierbij is de nodige flexibiliteit ingebouwd voor fasering en prioritering van activiteiten en technologisch oplossingen. 3.3.4 Visiedocument Klimaatopgave Barendrecht In de afgelopen decennia is steeds duidelijker geworden dat menselijke activiteiten invloed hebben op ons klimaat. Het klimaat verandert wat blijkt uit diverse wetenschappelijke onderzoeken. Ondanks het feit dat het klimaat in het verleden ook schommelingen kende is de afwijking die nu ontstaan is niet meer toe te schrijven aan “natuurlijke” schommelingen.

De Klimaatopgave Barendrecht geeft nadrukkelijk de lokale inzet weer op deze grote opgave waarmee bijgedragen wordt aan de regionale, landelijke en internationale doelstellingen. Kort samengevat is het doel van het visiedocument: • Het behouden en versterken van een goede en gezonde leefomgeving • Comfortabel kunnen blijven wonen, werken en recreëren • De kosten voor energie, in welke vorm ook blijven voor een ieder betaalbaar. Op basis van het vastgestelde visiedocument wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld waarbij bij de uitwerking van de visiepunten per onderwerp wordt aangegeven wat de specifieke planning wordt en wat dit aan menskracht en middelen vraagt. In 2030 zijn er geen woningen meer met energielabel E en F. In 2050 heeft onze woningvoorraad gemiddeld een energielabel B met als minimum label C. De nieuwe woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt daarnaast dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De woningen zullen hier dus aan moeten voldoen. 3.4

Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

15

4

Natuur en landschap

4.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

16

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Barendrecht is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.1 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

17

4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels ecologisch oriënterend onderzoek (quickscan) is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting.

4.2.2 Gebiedsbescherming Voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Voor de gebieden Oude Maas (circa 2,3 km afstand), Boezems Kinderdijk (circa 7,5 km afstand) en Oudeland van Strijen (circa 7,5 km afstand) geldt dat binnen deze gebieden geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op deze natuurgebieden. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Biesbosch (circa 14,7 km afstand) en Krammer-Volkerak (circa 19,7 km afstand). De sloop van de bestaande opstallen, het bouwrijp maken, de bouw van de woningen en het woonrijp maken van de locatie wordt de aanlegfase genoemd. De gebruiksfase is aan de orde nadat de 15 nieuwe woningen zijn opgeleverd. Aanlegfase In de aanlegfase wordt de stikstofemissie voornamelijk gegenereerd door de (mobiele)werktuigen op de bouwplaats en de verkeersbewegingen van en naar de bouwplaats. Op dit moment is nog niet bekend welke installaties tijdens de bouw gebruikt zullen worden.

Daarom zijn voor de aanlegfase algemene kentallen gebruikt waarbij de verkeersbewegingen van het bouwverkeer inbegrepen zit. In het rapport ‘Methode inschatting depositie woningbouwprojecten’ van het RIVM van 14 november 2019 wordt voor de aanlegfase een emissiekental van 3 kg NOx per woning genoemd. Een deel van de stikstof komt in de vorm van ammoniak (NH3) in de lucht terecht. Zowel NH3 en NOx zijn reactieve Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

18

stikstofverbindingen. Per woning is uitgegaan van 3 kg NOx en 0,01 kg NH3. De hoeveelheid NH3 is bepaald op basis van een analyse van de getallen uit Aerius. Op basis van deze kentallen bedraagt de emissie voor de aanlegfase: 15 x 3 = 45 kg NOx en 15 x 0,01 = 0,15 kg NH3. Om uit te sluiten dat sprake is van een toename, is naast het emissiekental van 3 kg voor een woning ook nog een berekening uitgevoerd met een emissie van 14 kg per woning. Dit kental is afkomstig uit de door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) opgestelde notitie “Beoordeling post-PAS woningbouw” van 28 november 2019 en wordt door de Omgevingsdiensten in de Provincie Zuid-Holland als worstcase gehanteerd. Per woning is uitgegaan van 14 kg NOx en 0,05 kg NH3. Op basis van deze kentallen bedraagt de totale emissie 15 x 14 = 210 kg NOx en 15 x 0,05 = 0,75 kg NH3. In oktober 2020 is AERIUS – Calculator geactualiseerd. Met de nieuwere versie is de emissie van mobiele werktuigen toegenomen. Echter kan het kerngetal 14 kg per woning nog steeds als absolute worstcase gehanteerd worden. Op basis van referentieprojecten ligt de emissie in de aanlegfase namelijk meestal tussen de 1 en 3 kg NOx per woning. Dit is inclusief woonrijp maken en verkeer van en naar de bouwplaats. Gebruiksfase De woningen worden gasloos gebouwd en veroorzaken zelf derhalve geen emissie tijdens het gebruik.

De emissie wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar de woningen. De verkeersgeneratie van de toekomstige woningen bedraagt 73,5 motorvoertuigen per etmaal. Voor de Aerius-berekening is derhalve uitgegaan van 67,5 personenwagenbewegingen per dag en is verder rekening gehouden met de aankomst en het vertrek van 3 middelzware en 3 zware vrachtwagen per dag. Uitgangspunt is dat 1/3 van het verkeer in noordelijke richting arriveert en vertrekt, 1/3 in oostelijke richting en 1/3 in westelijke richting. Het verkeer moet worden meegenomen tot het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In het document van Bij12 ‘Instructie gegevensinvoer voor Aerius calculator’ van oktober 2020 is dit als volgt omschreven: Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Op basis van deze omschrijving is het verkeer beschouwd tot kruising van de Talmaweg met de Dorpsstraat (richting noord), tot de kruising Paddeweg met de Vlietweg (richting oost) en tot de kruising Klavecimbelweg met de Harplaan (richting west). Daarna kan er zeker van worden uitgegaan dat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld en zeker niet meer is toe te rekenen aan de locatie.

Omdat de locatie op grotere afstand van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is gelegen maakt het overigens voor de resultaten van de berekening nauwelijks uit welke oriëntatie voor het verkeer wordt aangehouden. Gerekend is voor het beoordelingsjaar 2021. Dit kan ook worden gezien als worst case omdat de emissie van stikstof van motorvoertuigen in toekomstige jaren afneemt. Wegen verder dan 5 km De Aerius-Calculator rekent wegen verder dan 5 km vanaf een stikstofgevoelig gebied niet mee. Omdat dit hier het geval is, zijn eerst de emissies van de wegen berekend. Deze berekening is opgenomen als bijlage 2A. De emissies (zoals weergegeven in afbeelding 2) zijn vervolgens per weg als ‘Anders’ ingevuld en opnieuw berekend (bijlage 2B). Als worst-case zijn de emissies NH3 minder dan 1 kg per

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

19

jaar als 1 kg/j meegenomen. Op deze manier worden de emissies van de wegen wel verder dan 5 km vanaf een stikstofgevoelig gebied meegerekend. Uit de berekeningen blijkt dat in de aanleg- en de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. 4.3

Conclusie Uit de ecologische quickscan blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde natuurwaarden. Uit het stikstofdepositieonderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de 15 woningen in het bestemmingsplan 'TalmawegZuid’. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

20

5

Water

5.1

Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit im Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

21

5.1.2 Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 – 2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht.

Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. 5.1.3 Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016-2021, Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerplan 2016-2021 (2015) staat hoe het Waterschap Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Het nieuwe Waterbeheerprogramma van waterschap Hollandse Delta bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode 2016-2021. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren en gaat op hoofdlijnen in op de financiële consequenties daarvan. In het statisch deel komen de belangrijkste externe en interne (beleids-)kaders waarbinnen het Waterbeheerprogramma is opgesteld aan bod. Deze kaders zijn overigens continu in beweging; zo zijn vanuit het Deltaprogramma onlangs de deltabeslissingen uitgebracht. In het Deltaprogramma 2021 is veel aandacht voor de verbinding tussen ruimte en water. De wateropgaven moeten meer sturend worden en randvoorwaarden gaan aangeven voor de keuzes in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Dit betekent bijvoorbeeld dat grote water vragende activiteiten, zoals het telen van bepaalde gewassen, bij voorkeur niet meer in droogtegevoelige gebieden moeten plaatvinden.

Ook moet er bij de locatiekeuze en de gebiedsinrichting van nieuwe woonwijken rekening gehouden worden met de klimaatverandering. Bij plannen en maatregelen voor bijvoorbeeld nieuwe en bestaande infrastructuur, natuur, landbouw en energie moet water onderdeel uitmaken van de ruimtelijke afwegingen en planuitwerking. Water stuurt in plaats van water volgt. Ook is de Omgevingswet in aantocht. De regelgeving voor water wordt bijna geheel opgenomen in het stelsel van de nieuwe Omgevingswet. Water zal daardoor meer integreren met andere aspecten van de fysieke leefomgeving.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

22

In het dynamisch deel van het Waterbeheerprogramma zijn per thema maatregeltabellen uitgewerkt. Deze maatregelen zijn nodig om de doelen die in het statisch deel zijn geformuleerd te kunnen bereiken. De maatregeltabellen hebben het karakter van een ‘groslijst’ die jaarlijks uitwerking behoeft. Bij deze jaarlijkse uitwerking kunnen, mits het bereiken van de doelen niet in gevaar komt, maatregelen worden geschrapt of worden vervangen door andere maatregelen. Desgewenst kunnen ook nieuwe maatregelen worden toegevoegd. De (jaarlijkse) uitwerking van het maatregelenprogramma verloopt via de Kadernota, de Programmabegroting en de jaarplannen/afdelingsplannen. Op die wijze worden ook de financiële consequenties van het Waterbeheerprogramma geborgd. 5.1.4 Beleid gemeente Gemeentelijk waterplan Komen tot een goed, veilig, beheersbaar en aantrekkelijk watersysteem met gezond water en gevarieerde oevers, dat op de gewenste gebruiksfuncties is afgestemd’ is de doelstelling van het Waterplan Barendrecht. Het gemeentelijke waterplan is vastgesteld op 1 oktober 2004. In het Waterplan worden aan de hand van vier thema’s de doelstellingen en streefbeelden van het waterschap beschreven. Ook wordt een maatregelenpakket aan de hand van een aantal knelpunten gegeven. De thema’s betreffen:

5.2

•

voorkomen van wateroverlast;

•

verbeteren van waterkwaliteit en ecologie;

•

verbeteren belevingswaarde.

Onderzoek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Huidige situatie Het plangebied kent een omvang van circa 4.269 m2. In het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onverhard (ca. 3.797 m2). Alleen ter plaatse van de keerlus van de Talmaweg is het gebied verhard, in de vorm van bestrating (ca. 475 m2). Binnen het plangebied liggen geen bestaande watergangen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico. Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand.

Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, nietuitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Bestemmingsplan “Talmaweg-Zuid” Toelichting - Vaststelling

23

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is voorzien in de realisatie van vijftien woningen. Bij elk van deze woningen is voorzien in de realisatie van zowel een voor- als achtertuin. De benodigde parkeeropgave wordt gerealiseerd in parkeervoorzieningen in het openbaar gebied. Voor de voortuinen van de woningen is een brede groenstrook voorzien. Waterkwantiteit Bij de berekening van het toekomstige verharde oppervlak is gebruikt gemaakt van de opgelegde bestemmingen en wordt per bestemming een inschatting gemaakt voor het verharde percentage. Dit heeft geleid tot de berekening in tabel 5.2. Bestemming Tuin Groen Wonen Verkeer - Verblijfsgebied Totaal

Oppervlakte (m2) 550 1.328 1.649 742 4269

Verharding 50% 0% 75% 100%

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10914819/1