CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Perceel Dudokdreef

gemeenteraad 11 mei 2021, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Perceel Dudokdreef23.343 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

M.e.r.-beoordeling

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De realisatie van acht woningen valt aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) van 2.000 woningen niet wordt overschreden, dient in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • • •

Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect.

Vanaf 7 juli 2017 kan dit niet meer in de vorm van een paragraaf in de toelichting, maar moet door de initiatiefnemer een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Door de wetswijziging van die datum geldt dit voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voor de realisatie van de acht woningen wordt een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld waarbij kort is samengevat wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op de verschillende milieuaspecten. Deze aanmeldnotitie wordt tegelijkertijd met het ontwerp van dit bestemmingsplan vastgesteld en is opgenomen in bijlage 9. Uit deze aanmeldnotitie blijkt dat voor sommige aspecten sprake is van een verslechtering van de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. Met maatregelen wordt echter gezorgd voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een m.e.r.-beoordeling of het opstellen van een MER niet noodzakelijk en/of doelmatig is. 8.2 Bodemkwaliteit 8.2.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging.

Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

30

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen.

Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 8.2.2 Onderzoek Door Hopman en Peters is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 4. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten weergegeven. Geconcludeerd moet worden, dat gezien het feit dat gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese ‘verdachte locatie’ aangenomen dient te worden. De licht verhoogde gehalten aan zink en pcb in het bovengrondmonster zijn niet eenduidig te verklaren, maar zijn van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeven. De licht verhoogde gehalten aan barium en naftaleen in het grondwatermonster zijn niet eenduidig te verklaren, de concentraties zijn echter van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeven. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingswijziging. Wel wordt geadviseerd om aanvullend op deze locatie een verkennend asbestonderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek is eveneens uitgevoerd door Hopman en Peters en te raadplegen in bijlage 5. Uit dit onderzoek blijkt dat zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest op of in de bodem is aangetroffen.

Op basis van de thans beschikbare gegevens wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht voor het reeds onderzochte en bemonsterde deelgebied. Voor een volledig beeld van de milieuhygiënische situatie van het perceel ten aanzien van asbest is onvoldoende informatie verkregen. Dit is pas mogelijk na de sloop van de bestaande bebouwing omdat er rondom het bestaande gebouw een betonnen plaat ligt.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

31

8.2.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 8.3 Akoestische aspecten 8.3.1 Kader Wegverkeerslawaai Onderzoekszone Langs wegen bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wgh aan weerszijden een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: • stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; • buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. De nieuwe woningen worden gebouwd in de zone van de Rijksweg A15/A29. Voor deze wegen is de zone 600 meter (meer dan 4 rijstroken buitenstedelijk gebied). Voor de overige gezoneerde lokale wegen is sprake van een zone van 200 meter (meer met 1 of 2 rijstroken stedelijk gebied). Deze zone wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.

In dit onderzoek is, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, eveneens het verkeer op de 30km-wegen betrokken. Dit betreft het verkeer op de Van den Broekveld, de Berlagedreef en de Voordijk. Normstelling De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen is vastgelegd in de Wgh. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In tabel 1 is aangegeven wat de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde is voor nieuwe woningen. Tabel 1: Grenswaarden wegverkeerslawaai voor nieuwe woningen

Situatie Buitenstedelijk Stedelijk

Voorkeursgrenswaarde [dB] 48 48

Reductie geluidbelastingen wegverkeerslawaai

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

Maximale ontheffingswaarde [dB] 53 63

32

Op grond van de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidsbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Vanaf 1 juli 2012 moet worden gerekend met het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). Op grond van artikel 110g Wgh mag een reductie van 5 dB worden toegepast op wegen met een rijsnelheid van minder dan 70 km/h. Omdat de rijsnelheid op de route Sweelincklaan/Henry Dunantlaan en de Rijksweg A15/A29 hoger is dan 70 km/h mag een reductie worden toegepast die varieert van 2 tot 4 dB. Omdat voor beide routes de resultaten zonder reductie lager zijn dan 55 dB is in dit onderzoek voor deze wegen een reductie aangehouden van 2 dB. Op de overige wegen in dit onderzoek is de wettelijk toegestane rijsnelheid lager dan 70 km/h en is in de berekening een reductie toegepast van 5 dB. Railverkeerslawaai Op grond van hoofdstuk VII ‘Zones langs spoorwegen’ Wgh en hoofdstuk 4 ‘Spoorwegen’ van het Bgh is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar spoorweglawaai. Voor het plangebied is de spoorlijn ten noorden van de A15, de Betuweroute van belang. Onderzoekszone De breedte van de geluidzone langs spoorwegen is geregeld in artikel 1.3 van het Bgh en is gerelateerd aan het gebruik van de spoorweg.

De zonebreedte langs de Betuweroute heeft ter hoogte van dit plan een breedte die 900 m bedraagt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Normstelling In afdeling 4.2 van het Besluit geluidhinder worden de grenswaarden vermeld met betrekking tot nieuwe situaties bij zones. In de hierna opgenomen tabel zijn deze waarden (voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare hogere waarde) opgenomen. Tabel 2 : Grenswaarden voor nieuwe woningen in de zone van een bestaande spoorweg Geluidsgevoelig object

Nieuw te bouwen woningen

Voorkeursgrenswaarde

Maximale ontheffing

[dB]

[dB]

55

68

Gemeentelijk geluidbeleid Het geluidbeleid van de gemeente Barendrecht is vastgelegd in de ‘Visie op het geluidbeleid gemeente Barendrecht’ van november 2006. De gemeente Barendrecht heeft de ambitie om zo veel mogelijk het “stand-still” principe te hanteren voor de geluidsbelasting vanwege het weg-, het spoorwegverkeer en de industrie. De beoordeling van het “stand-still” principe vindt plaats door een vergelijking van de huidige en toekomstige situatie. Uitgerekend is hoeveel gehinderden/ernstig gehinderden en slaapverstoorden er in de huidige situatie zijn en hoeveel in de plansituatie. Het onderzoeksgebied betreft de nieuwbouw inclusief de bestaande woningen waar de geluidsbelasting meer dan 1,5 dB toeneemt. Het aantal gehinderden/ernstig gehinderden en slaapverstoorden wordt beoordeeld op basis van de gecumuleerde geluidsbelasting exclusief de

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

33

reductie ex artikel 110g Wgh met een forfaitaire bezetting van 2,2 bewoners per woning en de dosis-effectrelaties uit de Regeling geluid milieubeheer. De vergelijking van de beide situaties geeft een toe- of afname van het aantal gehinderden/ernstig gehinderden en slaapgestoorden (absoluut aantal) in het onderzoeksgebied. Deze aantallen worden met het totaal aantal gehinderden/ernstig gehinderden en slaapgestoorden in Barendrecht (Geluidsbelastingkaart derde tranche) vergeleken. Uit deze vergelijking volgt een procentuele toe- of afname. De gemeente maakt de afweging of er ruimte in Barendrecht is om dit project te realiseren. In deze afweging worden de percentages gehinderden in 2006 en in 2016 betrokken. Daarnaast is in het Actieplan geluid van de gemeente Barendrecht een plandrempel voor wegverkeerslawaai opgenomen vanaf Lden 63 dB. Voor woningen met een geluidsbelasting die hoger is dan deze waarde worden maatregelen afgewogen die de geluidsbelasting reduceren. Het is daarom ongewenst om woningen te realiseren met een geluidsbelasting vanaf 63 dB. Deze geluidsbelasting betreft een cumulatieve geluidsbelasting van het verkeer op alle wegen samen zonder de toepassing van de correctie van 5 dB op grond van artikel 110g Wgh. Bouwbesluit In het Bouwbesluit 2012 zijn eisen gesteld ten aanzien van de karakteristieke geluidswering van de gevels van een nieuwe woning.

De eis aan de karakteristieke geluidwering voor wegverkeer is de vastgestelde hogere waarde minus 33 dB. De karakteristieke geluidwering moet worden bepaald op basis van de cumulatieve geluidsbelasting van alle relevante wegen samen exclusief de reductie ex artikel 110g Wgh. 8.3.2 Onderzoek In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is te raadplegen in bijlage 6. Hieronder worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. De geluidsbelasting door de Rijksweg A15/A29 bedraagt maximaal 53 dB zodat de maximale hogere waarde van 63 dB niet wordt overschreden. Voor het verkeer op de Dudokdreef is de geluidsbelasting maximaal 51 dB, zodat de maximale hogere waarde van 63 dB ook niet wordt overschreden. Uit de berekening op basis van het concept verkavelingsplan blijkt dat alle woningen een geluidsluwe tuin hebben en op de begane grond een geluidsluwe zijde. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is het vaststellen van een hogere waarde voor het verkeer Rijksweg A15/A29 en de Dudokdreef noodzakelijk. Het verdient aanbeveling voor alle acht woningen een hogere waarde van 53 dB voor de rijkswegen vast te stellen en 51 dB voor de Dudokdreef.

Uit het onderzoek blijkt dat de plandrempel uit het gemeentelijke geluidsbeleid niet wordt overschreden, zodat deze plandrempel geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling in dit

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

34

plan. Door de toename van het aantal woningen in het plan is een toename van het aantal gehinderden en ernstig gehinderden berekend van 4 en 1. Volgens het ‘stand still’-principe van de gemeente Barendrecht mag er percentueel geen toename zijn van het aantal woningen in de door de gemeente opgestelde geluidsklassen. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat in absolute zin het aantal gehinderden toeneemt. Het gaat echter om een dusdanig klein aantal dat er percentueel gezien geen verschil zal optreden. Daarbij is het vanuit stedenbouwkundig en huisvestingsoogpunt gewenst om deze inbreidingslocatie nader in te vullen met woningbouw. Gezien de stedelijke omgeving en woningen in het direct omliggende gebied wordt het acceptabel geacht deze acht nieuwe woningen op deze locatie te realiseren. Hierdoor is er geen belemmering voor de realisatie van dit plan. 8.3.3 Conclusie Uit het onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. In het kader van de ruimtelijke procedure moeten daarom hogere waarden worden vastgesteld. De eerste stap is dat een ontwerpbesluit hogere waarde gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Het concept hogere waardenbesluit zoals opgesteld door de DCMR is opgenomen in bijlage 11.

8.4 Luchtkwaliteit 8.4.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.

Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

35

Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 8.4.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van 8 woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de afbeelding 8.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende wegen weergegeven voor het peiljaar 2020. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn.

Afbeelding 8.1.: uitsnede NSL-monitoringstool (peiljaar 2020).

Uit afbeelding 8.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 25,7 μg/m3, 20,4 μg/m3 en 12,3 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

36

25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 8.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 8.5 Externe veiligheid 8.5.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden.

Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag.

Regelgeving risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

37

bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk en stof.

Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Het invloedsgebied is afhankelijk van de afstand van de 1% letaliteitsgrens van de verschillende stoffen over de transportroute. Voor de meest bepalende stofcategorie GF3 (zoals LPG) is dat 355 meter, gemeten vanaf de as van de transportroute. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b.

het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

38

voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Voor transportroutes over de weg bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute. 8.5.2 Onderzoek In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door KuiperCompagnons een onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. Het volledige onderzoek is te raadplegen in bijlage 8; hierna worden de belangrijkste conclusies weergegeven. In dit onderzoek is nog uitgegaan van negen woningen. Het bouwplan is bijgesteld en er komen acht woningen waardoor het aantal aanwezigen lager zal zijn – en dus gunstiger – dan in de rapportage is aangenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor beide aardgastransportleidingen het groepsrisico in de huidige en de plansituatie dezelfde waarde kent. Er treedt geen verandering op als gevolg van het bouwplan.

De reden hiervoor is dat het bouwplan zich op een relatief grote afstand van de leiding bevindt en het gaat om een kleine ontwikkeling. Tevens is de maatgevende kilometer niet ter hoogte van het bouwplan gelegen. 8.5.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 8.6 Bedrijven en milieuzonering 8.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 8.6.2 Analyse omgeving Bij een ruimtelijke procedure dient voor nieuwe situaties rekening te worden gehouden met de richtafstanden van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Deze VNG-richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen “rustige woonwijk/ rustig buitengebied” en “gemengd gebied”.

In het geval van het omgevingstype “gemengd gebied” mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

39

Omgevingstype van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn, naast woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in het vigerende bestemmingsplan. Omdat wonen de meest voorkomende functie in de omgeving is, wordt de situatie beschouwd als ‘rustige woonwijk’ (worst case). Ten noorden van het plangebied ligt de bestemming ‘Bedrijventerrein’ waar op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten maximaal categorie 3 is toegestaan. Uit raadpleging van de Staat van bedrijfsactiviteiten blijkt dat de richtafstand bij een dergelijke milieucategorie 100 meter bedraagt. De feitelijke afstand van het plangebied tot de rand van deze bestemming bedraagt circa 125 meter en wordt daarmee gerespecteerd. Tevens zijn tussen deze bestemming en het plangebied reeds bestaande woningen gelegen. Het noordelijk gelegen bedrijventerrein zorgt hiermee niet voor belemmeringen. Op diverse plaatsen rondom het plangebied is de bestemming ‘Bedrijf’ gelegen. Binnen deze bestemming zijn inrichtingen met maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Een dergelijke milieucategorie kent een richtafstand van 30 meter. De feitelijke afstand tot de verschillende bestemmingen ‘Bedrijf’ en het plangebied is minstens 155 meter. Ook tussen deze bestemmingen en het plangebied zijn reeds bestaande woningen gelegen. De bestemmingen ‘Bedrijf’ zorgen niet voor belemmeringen.

Ten oosten van het plangebied is ten slotte nog de bestemming ‘Maatschappelijk – Religie’ gelegen waarbinnen een kerk aanwezig is. De richtafstand voor een dergelijke inrichting bedraagt 30 meter. De feitelijke afstand van de rand van de bestemming tot het plangebied is circa 142 meter en wordt daarmee gerespecteerd. Ook tussen deze bestemming en het plangebied zijn reeds bestaande woningen gelegen. De bestemming ‘Maatschappelijk – Religie’ zorgt niet voor belemmeringen. 8.6.3. Conclusies Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

40

9

Uitvoerbaarheid

9.1

Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarbij een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt en waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze kosten moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. (artikel 6.12 Wro). Gelet op het voorgaande wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. Het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. 9.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Met de ontwikkeling van de binnenstedelijke locatie tot woongebied krijgt het gebied een moderne uitstraling en wordt de oude semi-agrarische functie ‘opgeruimd’. Verondersteld wordt dat voor deze transformatie voldoende draagvlak bestaat, temeer gezien het feit dat uit de milieuonderzoeken blijkt dat geen onevenredig negatieve effecten naar de omgeving zullen optreden. Het voorontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan verschillende betrokken instanties, zoals het waterschap en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De opmerkingen van deze instanties zijn indien van toepassing verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. De vooroverlegreacties zijn samengevat in paragraaf 11.1. In het kader van de raadpleging van belanghebbenden en omwonenden is een buurtbijeenkomst gehouden. Dit heeft geleid tot enkele aanpassingen in de verbeelding, met betrekking tot de ontsluiting (via de Dudokdreef), dempen van de watergang en verschuiving van enkele woningen in de verkaveling (richting de Dudokdreef). 9.3

Handhavingsaspecten

Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

41

een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang.

Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De verbeelding, de regels en de toelichting zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

42

10

Juridische plantoelichting

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opgestelde regels en de verbeelding. In tegenstelling tot de toelichting, zijn de regels en de verbeelding de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan. 10.1 Planmethodiek Voorliggend bestemmingsplan is ontwikkelgericht van aard en heeft als doel de voorgenomen transformatie naar een woongebied mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan vervangt het geldende bestemmingsplan voor het plangebied. Bestemmingsregeling Bij de opzet van dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan met bijbehorende systematiek. De bestemming ‘Wonen’ is echter globaler en flexibeler van aard om op deze manier kleine wijzigingen in de verkaveling op te kunnen vangen binnen dit bestemmingsplan. 10.2 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); • Algemene regels (hoofdstuk 3); • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels worden opgesteld conform de SVBP 2012. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: ‘Groen’ De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, beplanting, parken en plantsoenen. Binnen deze bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Deze bestemming is opgenomen in een strook rondom het plangebied, ter afscheiding richting de omliggende percelen aan het Van den Broekveld (west- en noordzijde) en de

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

43

Dudokdreef (oostzijde). Tevens is op de verbeelding de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – groenstrook’ opgenomen, waaraan een aanleg- en instandhoudingsverplichting is gekoppeld. ‘Tuin’ De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Het gaat hier om de voortuinen van woningen. Deze bestemming is gekozen om te voorkomen dat in de voortuinen wordt gebouwd. Daarnaast is een tuinbestemming opgenomen aan de west- en noordrand van het plangebied, ter plaatse van de huidige watergang. Na demping van deze watergang worden deze gronden bij de tuinen van de omliggende percelen getrokken. ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen gericht op verblijf, zoals woonerven, wijkontsluitingswegen (30 km/u) en pleinen, parkeervoorzieningen en voet- en fietspaden. Tevens zijn daaraan ondergeschikte bijbehorende voorzieningen mogelijk. Deze bestemming is opgenomen voor de te realiseren erftoegangsweg richting de nieuwe woningen. Ook worden binnen deze bestemming openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. De aanleg en instandhouding hiervan is geborgd in de bestemmingsregels. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen. Binnen deze bestemming is, waar mogelijk, flexibiliteit geboden. Er zijn twee bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de woningen geplaatst mogen worden.

Daarbij is wel bepaald dat de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter moet bedragen. In de bestemming is een gevellijn opgenomen waarin minimaal 50% van de voorzijde van het hoofdgebouw moet worden gebouwd. Daarnaast is verankerd dat binnen deze bestemmingen maximaal 8 woningen mogen worden gebouwd als vrijstaande dan wel twee-aaneen gebouwde woning. ‘Waarde - Archeologie 3’ De bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ is opgenomen ter bescherming van de archeologische resten. Hoofdstuk 3 Algemene regels In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn een aantal algemeen geldende regels opgenomen voor de activiteit bouwen, vooral met betrekking tot de maatvoering van bouwwerken. Algemene gebruiksregels

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

44

In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen, en wordt genoemd wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Daarnaast is hier geregeld dat onder strijdig gebruik wordt verstaan het gebruik van gronden waarbij niet wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de geldende gemeentelijke nota parkeernormen. Hiertoe is tevens een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of het uitbreiden of wijzigen van gebruik. Ook is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot ecologie. Het gebruik van de gronden conform de bestemmingen uit het bestemmingsplan is slechts toegestaan wanneer wordt voldaan aan de hierin gestelde voorwaarden. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied.

In aanvulling daarop is voor voorliggend plan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van een kleinere afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens. Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels zijn een aantal kleine wijzigingen ten aanzien van plaats, ligging en/of afmetingen van de bestemmingsgrenzen benoemd die onder voorwaarden kunnen worden doorgevoerd. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 10.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd.

In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

45

11

Procedure

11.1 Voorbereidingsfase Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties: - Provincie Zuid-Holland; - Waterschap Hollandse Delta; - DCMR Milieudienst Rijnmond; - Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; - N.V. Nederlandse Gasunie. Van de hierboven genoemde instanties zijn twee overlegreacties ontvangen. Na invulling van het E-formulier bleek het plan niet te hoeven worden toegezonden aan de provincie Zuid-Holland, omdat er geen strijdigheid is met provinciaal beleid. De Nederlandse Gasunie had geen inhoudelijke opmerkingen. Waterschap Hollandse Delta: Het waterschap adviseerde om het bestaande oppervlaktewaterlichaam niet te verbreden ten behoeve van de benodigde watercompensatie, zoals aanvankelijk was beoogd, maar juist te dempen. Dit om overlast van stank en ongedierte in de toekomst te vermijden. Ook de uitvoering van onderhoud was problematisch doordat de percelen direct grenzen aan het oppervlaktewaterlichaam.

In lijn met dit advies is de bouwtekening aangepast en wordt de watergang gedempt. Hierop zijn de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan aangepast. De waterbestemming is op de verbeelding vervangen door een tuinbestemming. In navolging hierop heeft nadere afstemming plaatsgevonden tussen het waterschap en de ontwikkelaar. Daarbij heeft het waterschap aangegeven akkoord te zijn met de voorgestelde locaties voor watercompensatie elders binnen het peilgebied (zie bijlage 10). DCMR Milieudienst Rijnmond: De DCMR heeft aangegeven dat de aspecten ‘luchtkwaliteit’ en ‘bedrijven en milieuzonering’ voldoende in beeld waren gebracht, en voor de ‘akoestische aspecten’ een aanvulling nodig was. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat hogere waarden voor wegverkeerslawaai benodigd zijn. Naar aanleiding daarvan heeft de DCMR een tekstvoorstel voor onderbouwing van het aantal gehinderden aangeleverd, en een concept hogere waardenbesluit (zie bijlage 11). Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond: De veiligheidsregio gaf voor het plan het advies om zorg te dragen voor:

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

46

-

toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden; - goede voorlichting en instructie over hoe te handelen tijdens een calamiteit. In reactie op de toegezonden definitieve variant van de verkaveling heeft de VRR aangegeven akkoord te zijn met het bouwplan (zie bijlage 12). 11.2 Ontwerpfase Na afronding van de voorontwerpfase is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen volgend uit de vooroverlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, evenals enkele ambtshalve wijzigingen. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van vrijdag 22 januari 2021 tot en met donderdag 4 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen.

Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties toegezonden (artikel 3:13 Awb) en is er aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Op het plan zijn in totaal 2 zienswijzen binnengekomen. Deze zijn samengevat en van een beantwoording voorzien in de Nota van beantwoording zienswijzen, die als bijlage 13 bij deze toelichting is gevoegd. De zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassingen in het bestemmingsplan. 11.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot vergunningverlening kan worden overgegaan.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Toelichting Vaststelling d.d. 11 mei 2021

Regels

Perceel Dudokdreef

2

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

5 5 12

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Groen Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie - 3

13 13 15 16 17 20

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels

22 22 23 25 28 29 30

Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

31 31 32

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

3

Regels

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

4

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

5

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 1.1

Begrippen

Plan

Het bestemmingsplan 'Perceel Dudokdreef' van de gemeente Barendrecht. 1.2

Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0489.BPWGO2020034-VI01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen). 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Ander bouwwerk

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.6

Automatenhal

Een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het bieden van gelegenheid voor het spelen met gokkasten en spelletjesautomaten. 1.7

Archeologische waarde

Gebied dat vanuit archeologisch oogpunt bescherming behoeft door middel van een dubbelbestemming. Het gebied is gewaardeerd op basis van de trefkans op archeologische relicten. Voor de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' gelden de regels conform de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' van het bestemmingsplan. 1.8

Bebouwbaar erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.9

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.10

Bebouwingspercentage

De in procenten uitgedrukte som van de oppervlakte van de bebouwing in verhouding tot het grondoppervlak binnen een bebouwingsvlak c.q. bestemmingsvlak.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

6

1.11

Bedrijf

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, distribueren, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van (commerciële) diensten. Een bedrijf aan huis daaronder niet inbegrepen. 1.12

Bedrijf aan huis

Het door de bewoner uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten aan huis: a. niet zijnde horeca, prostitutie of detailhandel, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit; b. de uitoefening ondergeschikt is aan de woonfunctie als hoofdfunctie van de woning en het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig verandert dat de woning het karakter van een woning grotendeels verliest; c. waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) noodzakelijk is; d. de bewoner op betreffende adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven. 1.13

Bedrijfsvloeroppervlak

Het gezamenlijk bruto vloeroppervlak van bedrijven, waaronder ook kantoren, winkels en horecabedrijven, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten, voor zover geen deel uitmakend van een bedrijfs- of dienstwoning. De berekening vindt plaats per bouwlaag. 1.14

Begane grondvloer/begane grondlaag

De vloer direct gelegen achter de hoofdentree van een gebouw. 1.15

Beroep aan huis

De uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de bewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk, consumentverzorgend of daarmee gelijk te stellen gebied, mits: a. geen horeca, prostitutie of detailhandel zijnde, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteit; b. de uitoefening ondergeschikt is aan de woonfunctie als hoofdfunctie van de woning en het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig verandert dat de woning het karakter van een woning grotendeels verliest; c. de bewoner op betreffende adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven. 1.16

Bestaande goot- en bouwhoogte

De bestaande goot- en bouwhoogte zoals deze feitelijk ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpplan dan wel op grond van een verleende omgevingsvergunning is c.q. kan worden gerealiseerd, tenzij in de planregels anders is bepaald. 1.17

Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.18

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

7

1.19

Bewoner

De persoon die volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven als feitelijke bewoner van het betreffende adres. 1.20

Bijbehorende bouwwerken

Een aan- of uitbouw, bijgebouw, overkapping of ander bouwwerk, met een dak, bij een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw, al dan niet tegen het hoofdgebouw aangebouwd, dat in ruimtelijk en/of functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.21

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.22

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.23

Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor primaire functies van het gebouw of de daaraan gerelateerde functies geschikt of geschikte maken is, balkon en dakterrassen daaronder begrepen. 1.24

Bouwhoogte

Zie Nokhoogte. 1.25

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.26

Bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel. 1.27

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.28

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.29

Dakkapel

Een bescheiden, ondergeschikte uitbouw in de kap, bedoelt om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten en waarvan de plaatsing niet ten koste gaat van de karakteristiek van de kapvorm.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

8

1.30

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- en bedrijfsactiviteit, waaronder horeca. 1.31

Erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijke opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. 1.32

Erker

Een ondergeschikte uitbouw van een woning met de omvang en uitstraling van een uitgebouwd venster, veelal gelegen voor de voorgevel. 1.33

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.34

Geluidscherm

Een ander bouwwerk waarvan de plaatsing als doel heeft om het geluid van wegverkeer, railverkeer en industrielawaai te verminderen. 1.35

Geluidswerende voorzieningen

Voorzieningen waarvan de plaatsing als doel heeft om het geluid van wegverkeer, railverkeer en/of industrielawaai te verminderen, waaronder in ieder geval begrepen geluidschermen. 1.36

Gevellijn

de op de verbeelding aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens de regels toegelaten afwijkingen. 1.37

Handel in en verkoop van goederen en diensten via internet

bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder niet begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegen anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waar vrijwel uitsluitend een elektronische transactie tot stand komt, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.38

Hogere grenswaarde

Een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgelegd op grond van de Wet geluidhinder. 1.39

Hoofdgebouw

Een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

9

1.40

Kamerverhuur

Woonfunctie, voor zover niet gelegen in logiesgebouwen zoals pensions en hotels, voor het direct of indirect bedrijfsmatig en/of als tegenprestatie verschaffen van woonverblijf aan meer dan één huishouden en/of aan meer dan vier afzonderlijke personen die geen sociale band met elkaar hebben (afgeleid van Gebruiksbesluit en art 30 van de Huisvestingswet). 1.41

Luifel

Aan een gebouw of ander bouwwerk gebouwd bouwwerk zonder eigen op de grond rustende draagconstructie voorzien van een dak doch zonder eigen wanden. 1.42

Maaiveld

De bovenkant of oppervlakte van het direct afgewerkt terrein. 1.43

Mantelzorg

Het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.44

Monumenten (rijks en gemeentelijk)

Onroerende monumenten welke krachtens de monumentenwet of een gemeentelijke verordening bescherming genieten. 1.45

Nokhoogte

Het hoogste punt van een gebouw, ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen en antennes niet meegerekend. 1.46

Nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, hoogspanningsmasten, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.47

Onderhoud

Een activiteit gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt. 1.48

Peil

a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de as van de weg grenzen of waarvan de hoofdtoegang minder dan 1 m van de weg ligt: de hoogte van de bovenkant van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang; c. indien wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m: 1. voor gebouwen voor zover gelegen binnen een zone van ten hoogste 12 m uit de grens van een hoofdbestemming Verkeer: de hoogte van bovenkant van die weg; 2. voor gebouwen en andere bouwwerken buiten deze zone: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Bestemmingsplan ‘Perceel Dudokdreef’ Regels Vaststelling d.d. 11 mei 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10079123/1