CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

BD Zuidpolder Fase 2 Toelichting.pdf

commissie Ruimte 17 september 2024, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Zuidpolder fase 2 (adviserend)22.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een gedeelte van het plangebied behoudt de huidige agrarische bestemming. Om te zorgen dat de agrarische activiteiten binnen deze bestemming niet tot hinder leiden bij de toekomstige gevoelige bestemmingen, is voor een zone van 50 meter, gemeten vanuit de dichtstbijzijnde maatschappelijke bestemming, de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltvrije zone’ opgenomen. Bij deze zone is het verboden om gewassen te telen, mits uit onderzoek blijkt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen invloed heeft op het woon- en leefklimaat. 7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 7.7

Externe veiligheid

7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

51

7.7.2 Onderzoek en conclusie Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn er echter geen risicobronnen in de omgeving van de locatie aanwezig waarvan het verantwoordingsgebied over het plangebied reikt. Over de Oude Maas en de A29 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, maar de erven liggen buiten het verantwoordingsgebied (200 meter) voor het groepsrisico. Het meest westelijke woonperceel ligt zeker buiten de 200 meterzone van de Basisnetroute A29. Dit perceel ligt tevens buiten het invloedsgebied veroorzaakt door de Rotterdam Rijn Pijpleiding (zuidwestelijk van het plangebied). Parallel aan de Kilweg zijn twee buisleidingen gelegen. Ten zuiden van de Kilweg is een buisleiding voor het vervoer van waterstof gelegen die wordt beheerd door Air products. Het plangebied valt voor een klein gedeelte binnen het invloedgebied van deze buisleiding (zie afbeelding 7.2). Binnen dit gebied van het plangebied wordt echter geen bebouwing gerealiseerd. In het kader van deze buisleiding is wel een beschrijving zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid opgenomen.

Afbeelding 7.2: Uitsnede risicokaart

De overheid biedt hulpverlening door effecten van incidenten actief te bestrijden. De regionale brandweer is voorbereid op de basisbrandweerzorg. Het incident zal dan bestreden worden en (potentiële) slachtoffers moeten zo snel mogelijk van de incidentlocatie worden afgevoerd. Zelfredzaamheid 1. Het belangrijkste handelingsperspectief is vluchten van een incident, indien mogelijk. Voor de beperkt kwetsbare) objecten in het gebied dienen mogelijkheden te zijn om van de risicobron af te vluchten. 2. Het plangebied dient voldoende mogelijkheden te hebben om te vluchten. 3. Het mechanisch ventilatiesysteem moet een voorziening hebben waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit, die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnen lucht. Bestrijdbaarheid Om incidenten te bestrijden moeten de hulpdiensten eerst ter plaatse van het incident komen en Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

52

eventueel weer snel wegkomen om gewonden naar het ziekenhuis te vervoeren. Dat wil zeggen dat het plangebied bereikbaar is voor minimaal het grootste en zwaarste voertuig: een brandweerauto. Het plangebied dient een goede bereikbaarheid te hebben en de doorstroming van verkeer in de nieuwe situatie dient minstens hetzelfde te blijven als in de bestaande situatie. In het plan zelf worden ook geen risicobronnen mogelijk gemaakt. Nader onderzoek is niet benodigd en het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen. Daarnaast is in het kader van het wettelijk vooroverleg advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Dit advies is opgenomen als bijlage 17 bij deze toelichting. De adviezen van de veiligheidsregio worden betrokken bij de verdere planuitwerking. 7.8

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Ook van andere belemmeringen in of rondom het plangebied is geen sprake.

7.9

Duurzaamheid

7.9.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd.

Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

53

netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%).

Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid Holland (2018) In oktober 2018 heeft een groot aantal partijen in Zuid-Holland het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend, waaronder provincie, gemeenten, waterschappen, bouwbedrijven, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Met het convenant is de ambitie vastgelegd dat nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland zoveel mogelijk klimaatadaptief worden gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. De urgentie hiervan is ingegeven door het Deltaprogramma in combinatie met de grote bouwopgave in Zuid-Holland. Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat daarnaast voor een grote woningbouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. De procesafspraken uit het convenant zijn vervolgens vertaald in een ‘Minimaal Programma van Eisen’, dat op 13 september 2019 aan de Deltacommissaris is overhandigd. Dit programma dient als voorlopige maatregel, totdat een instrumentarium ontwikkeld is waarmee de klimaatbestendigheid van nieuwbouwprojecten kan worden beoordeeld.

Het programma biedt praktische en concrete eisen die partijen in Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn nieuwbouwplannen klimaatbestendig te ontwikkelen. Het is bedoeld om vooraf ruimtelijke plannen en ontwerpen aan te toetsen. De eisen zijn ingedeeld in zes thema’s: - Wateroverlast; - Droogte; - Hitte; - Bodemdaling; - Biodiversiteit; - Overstromingen. Hierbij is eveneens een Leidraad klimaatadaptief bouwen opgesteld. Dit dient als hulpmiddel ter ondersteuning bij het concretiseren van de klimaatambities en het beoordelen van de gebiedsontwikkeling op de zes klimaatthema’s. In de leidraad worden de thema’s inhoudelijk uitgewerkt. De thema’s zijn verbonden door de vaste stappen in het proces. De leidraad bestaat uit twee delen. Het eerste deel beschrijft per thema welke stappen genomen moeten worden om de ambities vast te leggen in eisen en te beoordelen. Het tweede geeft meer context aan en toelichting op het geheel. Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

54

Klimaatopgave Barendrecht De Klimaatopgave Barendrecht geeft nadrukkelijk de lokale inzet weer op deze grote opgave waarmee bijgedragen wordt aan de regionale, landelijke en internationale doelstellingen. Kort samengevat is het doel van het visiedocument: • Het behouden en versterken van een goede en gezonde leefomgeving; • Comfortabel kunnen blijven wonen, werken en recreëren; • De kosten voor energie, in welke vorm ook blijven voor een ieder betaalbaar. Op basis van het vastgestelde visiedocument wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld waarbij bij de uitwerking van de visiepunten per onderwerp wordt aangegeven wat de specifieke planning wordt en wat dit aan menskracht en middelen vraagt. In 2030 zijn er geen woningen meer met energielabel E en F. In 2050 heeft de woningvoorraad gemiddeld een energielabel B met als minimum label C. Voor een klimaatbestendig Barendrecht is de gemeente Barendrecht aangesloten bij het convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. De gemeente Barendrecht hanteert de eisen uit het convenant als nieuwe norm bij ruimtelijke ontwikkelingen. De eisen zijn in onderstaande tabel 7.3 bijgevoegd.

Tabel 7.3: Prestatie-eisen Leidraad Klimaatadaptief Bouwen 2.0 (Bron: Bouwadaptief.nl)

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

55

Strategie Klimaatadaptatie 2022-2026 Het klimaat verandert en ook in Barendrecht ervaren we steeds vaker de negatieve effecten hiervan. In de Strategie omschrijven onze kerndoelen we als volgt: • “We zijn waterrobuust en klimaatbestendig” • “We hebben een leefbare en gezonde leefomgeving” Om sturing te geven aan de inspanningen en acties die nodig zijn voor een klimaatbestendig en waterrobuust Barendrecht in 2050, zijn een zestal handelingsperspectieven ontwikkeld. Deze handelingsperspectieven geven richting aan hoe wij met de kwetsbaarheden aan de slag willen en wat wij willen bereiken. • Werken aan een waterrobuuste omgeving • Een natuurlijkere waterkringloop • Alle nieuwbouw klimaatadaptief • Klimaatadaptie inrichten van stedelijk gebied • Klimaatbestendig landelijk gebied • Werken aan een gezonde leefomgeving 7.9.2 Onderzoek Energieneutraliteit en natuurinclusiviteit zijn belangrijke na te streven uitgangspunten, waar in de verdere planuitwerking nog nader bij stil wordt gestaan. Nieuwe woningen dienen aan huidige wetgeving te voldoen. Dat betekent dat woningen zonder gasaansluiting worden gerealiseerd en moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor dan ook bij aan de doelstellingen van de gemeente Barendrecht om de woningvoorraad gemiddeld gezien op het niveau van energielabel B te krijgen.

7.9.3 Conclusie Op het gebied van duurzaamheid wordt in ieder geval voldaan aan de huidige wettelijke vereisten. Daarnaast wordt er in de planuitwerking aandacht besteedt aan klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en circulariteit.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

56

8

Juridische planbeschrijving

8.1

Planvorm

8.1.1 Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels die daarop betrekking hebben, de in het bestemmingsplan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVPB 2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als verplichte opbouw is opgenomen. Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: - een verbeelding: een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer, in dit geval NL.IMRO.0489.BPZUR20230001-VI01 - regels: deze regels zijn in de SVBP 2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (onder andere de volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven, met bijbehorende verklaringen. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. Ook is er een toelichting opgesteld.

Dat betreft onderhavig document. Hier in wordt het plan toegelicht en vindt de inhoudelijke beoordeling plaats voor de relevante beleids- en milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld 8.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. 8.1.3 De planregels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden.

Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

57

burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. 8.2

Artikelsgewijze toelichting

8.2.1 Inleidende regels Begripsbepaling In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 8.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Agrarisch Een gedeelte van het plangebied behoudt de huidige agrarische bestemming. Om te zorgen dat de agrarische activiteiten binnen deze bestemming niet tot hinder leiden bij de toekomstige woningen, is de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltvrije zone’ opgenomen. Bij deze bestemming zijn daarnaast bijhorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen toegestaan.

Bedrijf De nutsvoorzieningen gelegen aan de Achterzeedijk langs de zuidelijke grens van het plangebied krijgen een bedrijfsbestemming, met een aanduiding ‘nutsvoorzieningen’. Bij deze bestemming zijn bijhorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen toegestaan.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

58

Maatschappelijk Delen van vier kavels binnen het plangebied krijgen de bestemming “Maatschappelijk”. Deze aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere maatschappelijke voorzieningen zoals woonzorgvoorzieningen, seniorenwoningen en zorgwoningen. Daarnaast zijn er daarbij behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen en erven, etc. toegestaan. Recreatie – Natuur De voormalige agrarische en natuur gronden krijgen de bestemming “Recreatie – Natuur”, zodat hier in de toekomst mogelijkheden bestaan voor recreatie- en natuurontwikkeling. In dit deel van het plangebied staat het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden centraal, evenals extensieve dagrecreatie. Binnen de bestemming is een aanduiding opgenomen voor het aan te leggen fietspad en de toekomstige natuurvriendelijke oevers. Daarnaast zijn enkele toegangswegen naar de erven voorzien binnen deze bestemming. Bij deze bestemming zijn behorende voorzieningen, zoals speelterreinen, bruggen, nutsvoorzieningen, groen, ontsluitingsmogelijkheden, wandel-, fiets- en ruiterpaden, informatieborden, veeroosters en bankjes ook toegestaan. Tuin - 1 Bij de woonbestemmingen is bij een aantal bestaande kavels de bestemming Tuin - 1 opgenomen.

Deze gronden zijn bestemd voor tuinen en daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen, groen, nutsvoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor de bestaande kassen is de aanduiding ‘kas’ opgenomen. Om te voorkomen dat – vergunningvrij – ongewenste bebouwing in het landschap wordt gerealiseerd, is vergunningvrij bouwen voor een deel van de tuinen uitgesloten. Tuin - 2 Voor de nieuwe woon- en maatschappelijke erven is de bestemming Tuin – 2 opgenomen. Binnen deze bestemming wordt getracht om groene tuinen in stand te houden en verharding zoveel mogelijk te beperken. Ontsluitingsmogelijkheden, bergingen en parkeervoorzieningen zijn alleen toegestaan ter plaatse van de daarvoor aangeduide delen. Bij de woonbestemmingen is bij een aantal bestaande kavels een tuinbestemming opgenomen. Om de aanleg en instandhouding van het groen te borgen is daarnaast een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Om te voorkomen dat – vergunningvrij – ongewenste bebouwing in het landschap wordt gerealiseerd, is vergunningvrij bouwen voor een deel van de tuinen uitgesloten. Verkeer De huidige Achterzeedijk krijgt een verkeersbestemming.

Deze aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen alsmede opstelstroken, voet- en fietspaden en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groen, parkeervoorzieningen, ruiterpaden, nutsvoorzieningen, kunstuitingen en water. Water De primaire watergangen krijgen een waterbestemming. Deze aangewezen gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, hoofd- en overige watergangen en de daarbij behorende beschermingszones, behoud en versterking van de landschappelijke en natuurwaarden van de watergangen en de oevers en tevens recreatie en verkeer te water.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

59

Wonen De nieuwe woningen zijn voorzien binnen de bestemming Wonen. Tevens zijn een aantal bestaande (bedrijfs)woningen die voorheen een agrarische bestemming hadden, opgenomen binnen de woonbestemming, inclusief de vigerende aanduidingen. Voor de woningen zijn bouwvlakken toegekend waarbinnen alle bebouwing, zowel de hoofdgebouwen als bijbehorende gebouwen, gerealiseerd moeten worden. Daarnaast zijn er in de regels bepalingen opgenomen ten aanzien van de nok- en goothoogte en bijbehorende bouwwerken van de woningen. Naast de woonfunctie is beroepsuitoefening aan huis onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Bij omgevingsvergunning kan een afwijking worden verleend voor het toestaan van een bedrijf aan huis. Waarde – Archeologie Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het plangebied voorkomen, is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen, met een aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie - 2' voor het zuiden van het plangebied en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie - 3' ten noorden van het plangebied. De gebieden zijn afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden.

Waarde – Archeologie – 3 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het plangebied voorkomen is tevens de dubbelbestemming Waarde - Archeologie – 3 opgenomen. Dit geldt enkel voor de zuidelijke grens van het plangebied waar in de huidige situatie het bestemmingsplan Zuidrand (vastgesteld op 17 februari 2015) vigeert. Waterstaat - Waterkering Ter bescherming van de waterkerende functie geldt een omgevingsvergunningstelsel. 8.2.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel zijn enkele aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels zijn enkele vormen van gebruik opgenomen die strijdig zijn met alle bestemmingen, waaronder een gebruik van gronden als stort-, stallings- en/of opslagplaats.

Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie van het natuurgebied.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

60

Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. 8.2.4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

61

9.

Uitvoerbaarheid

9.1

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal wordt hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

9.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

9.2.1 Voorbereidingsfase bestemmingsplan Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is een concept van het ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. Hierop is een reactie ontvangen van de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond, de provincie Zuid-Holland en het waterschap Hollandse Delta. Deze reacties zijn waar mogelijk verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 9.2.2 Ontwerpfase bestemmingsplan Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing.

Het ontwerpbestemmingsplan lag van 22 december 2023 tot 2 februari 2024 ter inzage. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

62

te dienen. Ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota van Zienswijzen’, die als bijlage 18 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. 9.2.3 Vaststellingsfase bestemmingsplan Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 9.3

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.

Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces.

Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

63

is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.

Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464826/1