BD Zuidpolder Fase 2 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: - er geen andere bevredigende oplossing is, en - geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en - sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
28
✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Barendrecht is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.
Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.3 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.
Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.2
Onderzoek
4.2.1 Soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming heeft VanderHelm Milieubeheer BV op 5 april 2022 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit de quickscan bleek dat de aanwezigheid van kleine wolfsmelk en platte schijfhoren niet kon worden uitgesloten. Op basis van de resultaten van de quickscan heeft VanderHelm een nader onderzoek uitgevoerd. (VanderHelm Milieubeheer B.V. ROBA20211131 Soortgericht onderzoek te Barendrecht, d.d. 30 november 2021). Dit onderzoek was voor een ander plangebied, maar toonde wel het vóórkomen van kleine wolfsmelk in het huidige plangebied aan. Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
29
Voor de kavels die in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ en ‘Maatschappelijk’ krijgen is door ABO-Milieuconsult B.V. in 2022 een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Tijdens de quickscan zijn verschillende sloten in het plangebied monsters genomen voor eDNA platte schijfhoren. Platte schijfhoren is niet aangetroffen in het eDNA. Tevens is een veldbezoek uitgevoerd naar kleine wolfsmelk. Kleine wolfsmelk is niet aangetroffen op de locatie die door VanderHelm was beschreven. Dit komt waarschijnlijk door ander teeltgewas. Voor het gehele plangebied is door Breur Ecologie & Onderzoek een quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Uit deze quickscan kwamen geen bijzonderheden ten opzichte van beschermde soorten naar voren. De resultaten van de onderzoeken naar kleine wolfsmelk hebben als gemene deler dat de soort, vanwege zijn zaadzetting, spontaan kan opkomen indien de omstandigheden daarvoor geschikt zijn. Verwacht wordt dan ook dat de zaden van kleine wolfsmelk ter plaatse in de grond zitten. Op grond daarvan kan het voorkomen van kleine wolfsmelk niet worden uitgesloten en wordt een ontheffing aangevraagd. Voor het verkrijgen van deze ontheffing is een activiteitenplan opgesteld door ABOMilieuconsult. Het activiteitenplan opgenomen als bijlage 5.
De maatregelen uit het activiteitenplan zijn tevens geborgd in de regels bij dit bestemmingsplan. Er ligt op dit moment een voorstel bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden) om mitigatie van de kleine wolfsmelk in 1,5 hectare in het gebied te realiseren. Om deze ontheffing juridischplanologisch te borgen is een voorwaardelijke verplichting ecologie toegevoegd aan de algemene gebruiksregels. De regel is gekoppeld aan de ontheffing van de beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook ligt het plangebied niet binnen een Natura 2000-gebied. Er is dan ook geen sprake van directe effecten op deze beschermde gebieden. Wel zijn rondom het plangebied diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Voor de gebieden Oude Maas (circa 1,6 km afstand), Oudeland van Strijen (circa 6,5 km afstand) en Boezems Kinderdijk (circa 8 km afstand) geldt dat binnen deze gebieden geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden zijn Biesbosch (circa 14 km afstand) en Krammer-Volkerak (circa 18,8 km afstand). Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9.
In dit onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en gebruiksfase van de nieuwe woningen in dit bestemmingsplan leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de toekomstige ontwikkelingen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
30
4.3
Conclusie Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er ten behoeve van het mogelijk voorkomen van de kleine wolfsmelk een ontheffing dient te worden aangevraagd. Voor het verkrijgen van deze ontheffing is een activiteitenplan opgesteld. Op basis van dit activiteitenplan zal de ontheffing worden aangevraagd. Het aspect gebiedsbescherming leidt niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plan.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
31
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1 Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.
Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
32
5.1.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. 5.1.3 Beleid waterbeheerder Waterschap Hollandse Delta – Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wilt bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen.
De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planning- en controlcyclus bepaald. 5.1.4 Gemeentelijk beleid Gemeentelijk waterplan Komen tot een goed, veilig, beheersbaar en aantrekkelijk watersysteem met gezond water en gevarieerde oevers, dat op de gewenste gebruiksfuncties is afgestemd’ is de doelstelling van het Waterplan Barendrecht. Het gemeentelijke waterplan is vastgesteld op 1 oktober 2004. In het Waterplan worden aan de hand van vier thema’s de doelstellingen en streefbeelden van het waterschap beschreven. Ook wordt een maatregelenpakket aan de hand van een aantal knelpunten gegeven. De thema’s betreffen: - voorkomen van wateroverlast; - verbeteren van waterkwaliteit en ecologie; - verbeteren belevingswaarde. 5.2
Onderzoek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Huidige situatie plangebied De Zuidpolder wordt gevoed met water uit de Waal (het Waaltje), neerslagwater en inzijging van kwel vanuit de Oude Maas. Het waterpeil ligt momenteel op NAP -2,00 m. Het gebied maakt deel uit van de Blauwe Verbinding waarmee water naar Zuiderpark in Rotterdam wordt gevoerd om het gebied door te spoelen, zodat de waterkwaliteit op orde blijft.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
33
Sinds 2010 wordt de ‘klimaatbuffer IJsselmonde’ in fasen gerealiseerd, waarbij in de Zuidpolder de Kleine Duiker is verbreed (2013) en de naastgelegen Vrouwenpolder is afgekoppeld in 2015-2017. Daardoor is een relatief schoonwatersysteem ontstaan van circa 15 ha in de gehele Zuidpolder.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken (bron: Waterschap Hollandse Delta)
Toekomstige situatie Met het toevoegen van de bestemmingen “Wonen” en “Maatschappelijk” zal het aantal m2 verharding toenemen. In de berekening is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de gehele oppervlakten van de bestemmingen “Wonen” en “Maatschappelijk” zijn meegerekend als verharding. In de huidige situatie bestaat het plangebied grotendeels uit braakliggend grasland. Tabel 5.1 toont een overzicht van de verharde en onverharde oppervlakten in de huidige en de toekomstige situatie. In totaal zal de verharding met 35.752 m2 toenemen tot 53.710 m2. Conform de beleidsregels van het waterschap dient vanaf een toename van 500 m2 compenserende waterberging toegepast te worden. De toename aan bebouwing en overige verharding dient voor 10% te worden gecompenseerd in de vorm van extra oppervlaktewater. Tuinen tellen voor 50% mee als verharding. Op basis van deze beleidsregels is 3.575 m2 (10% van 17.958) extra oppervlaktewater benodigd.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
34
Huidige situatie Erf Gebouw 1 1a 2 3 4 5 Totaal
3.395 3.405 247 4.419 11.466
Tijdelijke kas? Verharding Groen water totaal 7.186 67 1.248 8.582 273 8.204 252 2.761 1.197 5.088 162 713 5.366 134 573 18.382 349 2.761 3.731 52.808 1.237 17.958
Plannen Erf Te realiseren gebied Tuinen 50% Tuinen 1 4.489 1a 7.598 2 5.593 3 10.265 1.886 943 4 4.298 5 18.613 3.822 1.911 Totaal 50.856 5.708 2.854
-
-
7.253 13.498 8.456 12.613 6.460 23.723 72.003
totaal tbv Watercompensatie 4.489 7.598 5.593 11.208 4.298 20.524 53.710 *nieuwe situatie
Toename tbv watercompensatie 4.489 2.955 5.593 3.845 3.338 15.532 35.752
Tabel 5.1: Verharde en onverharde oppervlakten huidige en toekomstige situatie
Afbeelding 5.2: Watersysteem toekomstige situatie (primaire waterkeringen met een gele pijl aangeduid)
De benodigde watercompensatie zal plaatsvinden in het naastgelegen groengebied, binnen hetzelfde peilgebied. Afbeelding 5.2 toont een inrichtingstekening van het beoogde toekomstige watersysteem in het gehele gebied. Hierop is onder meer het oppervlakte nieuw aan te leggen water (20.300 m2) en ‘plas dras’ gebied (27.287 m2) ingetekend. Ook wordt voor de compensatieopgave gebruik gemaakt van natuurvriendelijke oevers. De precieze invulling van de watercompensatie wordt in de planuitwerking verder uitgewerkt. Zo nodig kan ook nog gebruik worden gemaakt van de overmaat aan water uit de eerdere fases van de Zuidpolder ten oosten van de 3e Barendrechtseweg. In afbeelding 5.2 zijn eveneens de primaire waterkeringen aangeduid. Dit betreffen de watergang, parallel aan de Kilweg ten noorden van het plangebied en een noord-zuid georiënteerde watergang binnen het plangebied. De primaire watergangen binnen het plangebied krijgen de bestemming ‘Water’. Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
35
Aan de benodigde watercompensatie (3.575 m2) wordt ruim voldaan. Het gebied wordt daarnaast benoemd als onderdeel van de klimaatbuffer IJsselmonde. Voor het waterpeil in het gebied moet het op termijn mogelijk zijn om te fluctueren tussen een zomerpeil van -2,2 m NAP en winterpeil van -1,8 m NAP. Deze stijging tot -1,8 m is bedoeld om water op te vangen c.q. te bufferen wat op piekmomenten optreedt. Het is niet de bedoeling dat dit peil wordt behaald door aanvoer van water van elders. De fase met het fluctuerende peil kan worden ingevoerd, doordat de agrarische activiteiten eerder zijn uitgefaseerd dan de ontwikkeling van voorliggend plan. Voor de aanpassing van het peil zal een nieuw peilbesluit moeten worden genomen door het Waterschap Hollandse Delta. Na het in werking treden van het nieuwe peilbesluit en het stoppen van de agrarische activiteiten mag het peil dan stijgen tot -1,8 m NAP bij piekmomenten in neerslag. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de beschermingszone van een waterkering. Een klein deel van de ontwikkelingen vindt plaats binnen de beschermingszone of binnen de toekomstige beschermingszone na herijking van de dijkveiligheid. Er is hierover nog overleg met het Waterschap. De verwachting is dat dit de ontwikkelingen niet in de weg staat.
Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, nietuitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK-houdende materialen) zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer – DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild.
In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
36
Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met de afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
37
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.
In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
6.2
Onderzoek
6.2.1 Archeologie In de vigerende bestemmingsplannen ‘Zuidpolder’ en ‘Zuidpolder fase 2.1’ kent het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Er gelden twee functieaanduidingen, 'specifieke vorm van waarde - archeologie - 2' voor het zuidelijke gedeelte van het perceel en 'specifieke vorm van waarde - archeologie - 3' voor het noordelijke gedeelte van het perceel. Er is archeologisch onderzoek nodig indien; •
de werkzaamheden dieper reiken dan 0,8 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – archeologie - 2';
•
de werkzaamheden dieper reiken dan 0,8 m beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie - 3'.
De exacte diepte van de ingrepen die binnen het plangebied zullen plaatsvinden zijn nog niet bekend. Er mag verwacht worden dat deze onder andere zullen bestaan uit het aanleggen van funderingen ten behoeve van woningbouw, en de aanleg van de bijbehorende infrastructuur van wegen, kabels en leidingen. Deze ingrepen vinden voornamelijk plaats aan de zuidzijde van het plangebied, langs de Achterzeedijk. Het grootste deel van het plangebied krijgt de bestemming Recreatie-Natuur, maar ook Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
38
daar kunnen mogelijk ingrepen plaatsvinden, zoals het graven van watergangen (naar verwachting tot ca. 0,8 m – mv), en het aanplanten van bomen of andere begroeiing. Daarom is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 16 bij deze toelichting is opgenomen. Op basis van de bekende landschappelijke en archeologische gegevens, heeft het plangebied plaatselijk een hoge archeologische verwachting. Het gaat dan met name om de middeleeuwse resten van de oude dijk om de Riederwaard, en van het verdronken dorp van Barendrecht op het eiland van de Ouden Dijkck. Omdat deze resten zich naar verwachting dieper dan 80 cm -mv bevinden, kunnen de vrijstellingsgrenzen van het bestemmingsplan Zuidpolder (vastgesteld 2010, nu onderdeel van het gemeentelijke Omgevingsplan) gehanteerd blijven. De ingrepen bestaan zoals vermeld uit het aanleggen van funderingen ten behoeve van woningbouw, en de aanleg van de bijbehorende infrastructuur van wegen, kabels en leidingen, maar bijvoorbeeld ook in de zone die bestemming ‘natuur en recreatie’ heeft, het uitgraven van watergangen, en het aanplanten van bomen of andere soorten van begroeiing.
Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen is overigens op basis van het vigerende bestemmingsplan een onderzoeksplichtige activiteit, dit vanwege de schade die wortels kunnen toebrengen aan archeologische vindplaatsen (al dan niet als de boomstronken in de toekomst zouden worden uitgetrokken in plaats van gefreesd). Indien daarbij de bovengenoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden, wordt geadviseerd om in eerste instantie het verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek, aan de hand van een door Archeologie Rotterdam (BOOR) op te stellen Programma van Eisen. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden zijn in onderhavig bestemmingsplan de vigerende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, of eventuele schade kan worden voorkomen door het verbinden van voorwaarden aan de vergunning. Dit is onder andere geborgd middels de archeologische dubbelbestemming op de verbeelding en in de regels. 6.2.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland blijkt dat er binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Wel kent het gebied nog enkele cultuurhistorische elementen, waaronder een rijksmonument aan de Achterzeedijk 48. Deze bebouwing is in onderhavig bestemmingsplan aangeduid als ‘karakteristiek’. Tevens liggen in het gebied twee sloten, welke vroeger (als één vaart) de toegang tot de Oude Haven van Barendrecht vormden. 6.3
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
39
7
Milieu
7.1
Milieueffectrapportage
7.1.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.1.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).
Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 6. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn(2011/92/EU), inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Burgemeester en wethouders hebben op basis van deze
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
40
aanmeldnotitie besloten dat voor het bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. 7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) In de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.3.2 Onderzoek Door ABO-Milieuconsult zijn in 2022 en 2023 verschillende verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd op verschillende deellocaties in het plangebied. Deze onderzoeken zijn als bijlagen 10 t/m 14 bijgevoegd bij dit bestemmingsplan. Voor alle plekken binnen het plangebied waar bebouwing zal worden gerealiseerd zijn bodemonderzoeken uitgevoerd. Per deelgebied worden kort de belangrijkste resultaten gedeeld. Voor de gehele rapportages wordt verwezen naar de betreffende bijlagen. Percelen D11947 en D11977 Op de percelen D11947 en D11977 gelegen in de Zuidpolder te Barendrecht is in maart 2022 door ABO-Milieuconsult B.V.
een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage 10.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
41
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Perceel D11947 - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen; - De bovengrond is licht verontreinigd met Drins (bestrijdingsmiddelen) en plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie; - De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters (NEN 5740); - Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Perceel D11977 - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen; - De bovengrond is licht verontreinigd met bestrijdingsmiddelen en plaatselijk met koper en zink; - De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters (NEN 5740); - Het grondwater is licht verontreinigd met barium en plaatselijk met zink. De lichte verhoogde waarden in de bodem, ter plaatse van beide locaties, zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de bodem zijn geen bodemvreemde en/of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Ook zijn geen kenmerken aangetroffen van de gedempte watergangen (perceel D11977). Vermoedelijk zijn deze gedempt met gebiedseigen grond. Een aanvullend asbestonderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
geen
belemmering
voor
de
aanvraag
van
de
Deellocatie 1: Achterzeedijk perceel 2786 Op deellocatie 1 gelegen aan de Achterzeedijk perceel 2786 in de Zuidpolder te Barendrecht is in juli en augustus 2023 door ABO-Milieuconsult B.V. een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage 11. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Deellocatie 1 Achterzeedijk perceel 2786 - In de vrijkomende ondergrond (klei) ter plaatse van boring 101 (traject 2,5-2,8 m-mv) zijn resten - aardewerk en/of slib waargenomen; - De bovengrond is licht verontreinigd met bestrijdingsmiddelen (heptachloorepoxide en DDD); - In de ondergrond (klei met resten aardenwerk (traject 2,5-2,8 m-mv) en zand (traject 0,5-1,9 mmv)) isniet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; - Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deellocatie 1 Achterzeedijk perceel 2786 De licht verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen in de bovengrond en de licht verhoogde concentraties aan barium in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Dit licht verhoogde concentratie aan barium wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Dergelijke verhoogde concentraties aan barium in het grondwater zijn geen onbekend verschijnsel.
In de ondergrond zijn plaatselijk resten aardewerk aangetroffen. In de grond zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Derhalve is een verkennend asbestonderzoek niet benodigd. Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
42
De vastgestelde bodemkwaliteit vormt omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
geen
belemmering
voor
de
aanvraag
van
de
Gedempte watergangen (2 stuks) - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen; - De grond (klei; traject 1,2-2,0 m-mv en 0,9-1,9 m-mv)) is plaatselijk licht verontreinigd met nikkel. De - overige geanalyseerde parameters overschrijden de achtergrondwaarden niet; Het plaatselijk licht verhoogde gehalte aan nikkel in de ondergrond is dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de grond ter plaatse van de gedempte watergangen zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Mogelijk zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Een verkennend asbestonderzoek is niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Deellocatie 2: Achterzeedijk 58 Op deellocatie 2 gelegen achter de Achterzeedijk 58 in de Zuidpolder te Barendrecht is in juli en augustus 2023 door ABO-Milieuconsult B.V. een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als Gemeente Barendrecht, sectie D, nummers 11962 en 6804 (beide gedeeltelijk). Dit bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage 12.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen waargenomen; - De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; - Het grondwater is licht verontreinigd met barium en plaatselijk ook met nikkel. De licht verhoogde concentraties aan barium en plaatselijk nikkel in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen waargenomen. Een verkennend asbestonderzoek is niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Deellocatie 4: Achterzeedijk 48 Op deellocatie 4 gelegen aan de Achterzeedijk 48 in Zuidpolder te Barendrecht is in juli en augustus 2023 door ABO-Milieuconsult B.V. een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als Gemeente Barendrecht, sectie D, nummer 11425 (gedeeltelijk). Dit bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage 13.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: - Boringen 402, 406, 407 en 408, gelegen rondom de opstallen en met tegels verharde maaiveld, zijn gestaakt op een niet met de hand doordringbare laag. Onder de kleilaag (tot 0,3 m-mv) ter plaatse van boring 402 is een (half)verharding met puin aanwezig. Onder de kleilaag (tot 0,1 mmv) ter plaatse van boring 406 is een (half)verharding met asfalt aanwezig; - In de (overige) vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen - waargenomen; - De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium en plaatselijk ook met kwik of PAK; - In de ondergrond is plaatselijk maximaal licht verontreinigd met kwik; - Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
43
De plaatselijk licht verhoogde gehalten aan cadmium, kwik en PAK in de bovengrond, de plaatselijk licht verhoogde gehalte aan kwik in de ondergrond en het licht verhoogde concentratie aan barium in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het maaiveld rondom de opstallen is plaatselijk verhard met tegels. Daarnaast is ten westen en zuiden van de grote opstal een (half)verharding aanwezig bestaande uit asfalt of puin, welke zijn afgedekt met een laag klei (10 tot 70 cm dik). Mogelijk is een asbestonderzoek benodigd voor de (half)verharding met puin. In de grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte materialen waargenomen. Derhalve is een verkennend asbestonderzoek in grond niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
geen
belemmering
voor
de
aanvraag
van
de
Gedempte watergangen (2 stuks) - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen; - Ter plaatse van één gedempte watergang zijn in de ondergrond resten schelpen waargenomen; - De grond ter plaatse van de west-oost gelegen gedempte watergang is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; - De grond ter plaatse van de noord-zuid gelegen gedempte watergang is matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met koper, cadmium, kwik, lood en PAK. De grond ter plaatse van de gedempte watergangen is plaatselijk niet tot licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK. Plaatselijk is een matige verontreiniging met zink aangetoond, deze overschrijding van de tussenwaarde is minimaal. Omdat geen duidelijke oorzaak aanwezig is (bijv. bodemvreemde bijmengingen) voor het verhoogde gehalte aan zink, betreft het vermoedelijk een plaatselijk verhoogde achtergrondwaarde. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de grond ter plaatse van de gedempte watergangen zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Mogelijk zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Een verkennend asbestonderzoek is niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
geen
belemmering
voor
de
aanvraag
van
de
Deellocatie 6: Achterzeedijk 62-64 Op deellocatie 6 gelegen achter de Achterzeedijk 62-64 in Zuidpolder te Barendrecht is in juli en augustus 2023 door ABO-Milieuconsult B.V. een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als Gemeente Barendrecht, sectie C, nummer 2806 (gedeeltelijk). Dit bodemonderzoek is bijgevoegd als bijlage 14. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Deellocatie 6 Achterzeedijk 62-64 - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen waargenomen; - De bovengrond is licht verontreinigd met bestrijdingsmiddelen (Drins) en plaatselijk ook met kwik (terrein in en rondom glastuinbouwkas); - De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB. De overige geanalyseerde parameters - overschrijden de achtergrondwaarden niet; Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
44
-
Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Plaatselijk (peilbuis 601) is het grondwater ook matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met kobalt.
Op locatie zijn lichte verhoogde gehalten aan drins en plaatselijk aan kwik aangetoond in de bovengrond. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en kobalt en plaatselijk matig verontreinigd met nikkel. Het licht verhoogde concentratie aan barium wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Dergelijke verhoogde concentraties aan barium in het grondwater zijn geen onbekend verschijnsel. De matig verhoogde concentratie aan nikkel in het grondwater ter plaatse van de glastuinbouwkas (peilbuis 601) is vermoedelijk afkomstig van gronddeeltjes in het grondwater. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 601 is een licht verhoogde troebelheid gemeten. Bemesting (t.p.v. de glastuinbouwkas) kan eventueel voor een verhoogd gehalte aan nikkel in de grond zorgen. Echter, ter plaatse van de locatie, is het verhoogde gehalte aan nikkel in de grond dermate gering dat dit niet voor een verontreiniging in de grond veroorzaakt. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Derhalve is een verkennend asbestonderzoek niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
Gedempte watergangen (2 stuks) - In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen; - De grond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; In de grond zijn van de geanalyseerde parameters geen gehalten tot boven de achtergrondwaarden gemeten. De resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de grond ter plaatse van de gedempte watergangen zijn geen bodemvreemde of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Mogelijk zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Een verkennend asbestonderzoek is niet benodigd. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). 7.3.3 Conclusie Het aspect bodem vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.4
Akoestische aspecten
7.4.1 Kader Wet geluidhinder De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. Onderzoekszone wegverkeerslawaai Langs wegen bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wgh aan weerszijden een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. Op grond van artikel 74 van de Wgh heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van de volgende wegen: Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
45
• •
wegen gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
De breedte van een zone is, op grond van artikel 74 van de Wgh, afhankelijk van de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de breedte van de zone op basis van het aantal rijstroken en de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied. De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden: • stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; • buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Stedelijk gebied 200 meter 350 meter 350 meter
Buitenstedelijk gebied 250 meter 400 meter 600 meter
Tabel 7.1: Breedte van de zone van een weg (gemeten vanuit de rand van de buitenste rijstrook).
Normstelling De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen is vastgelegd in de Wgh. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk te zijn of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. In tabel 7.2 is aangegeven wat de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde is voor nieuwe woningen in stedelijk gebied, waar voorliggend plangebied zich bevindt. Bron
Voorkeursgrenswaarde
Maximale ontheffingswaarde
Stedelijk gebied
48 dB (artikel 82 Wgh)
63 dB (artikel 83, lid 2 Wgh)
Tabel 7.2: Overzicht grenswaarden voor een woning vanwege wegverkeer.
Reductie geluidbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidsbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Vanaf 1 juli 2012 moet worden gerekend met het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). Op grond van artikel 110g Wgh mag een reductie van 5 dB worden toegepast op wegen met een rijsnelheid van minder dan 70 km/uur. Gemeentelijk geluidbeleid Het geluidbeleid van de gemeente Barendrecht is vastgelegd in de ‘Visie op het geluidbeleid gemeente Barendrecht’ van november 2006. De gemeente Barendrecht heeft de ambitie om zo veel mogelijk het “stand-still” principe te hanteren voor de geluidsbelasting vanwege het weg-, het spoorwegverkeer en de industrie. Bouwbesluit In het Bouwbesluit 2012 zijn eisen gesteld ten aanzien van de karakteristieke geluidswering van de gevels van een nieuwe woning. De eis aan de karakteristieke geluidwering voor wegverkeer is de Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
46
vastgestelde hogere waarde minus 33 dB. De karakteristieke geluidwering moet worden bepaald op basis van de cumulatieve geluidsbelasting van alle relevante wegen samen exclusief de reductie ex artikel 110g Wgh. 7.4.2 Onderzoek Binnen een deel van het plangebied wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Deze nieuwe woningen liggen binnen de in de Wgh vastgelegde onderzoekszone van de A29 en de route Achterzeedijk/Koedood, de 3e Barendrechtseweg en de route Carnisserbaan/Kilweg/Leedeweg. Dit betekent dat op grond van de Wgh akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd en moet worden getoetst aan de normen uit deze wet. Omdat de bestemmingen waarbinnen de nieuwbouw van woningen wordt voorzien niet in de zone van een industrieterrein of spoorlijn ligt, spelen de geluidsaspecten industrielawaai en railverkeerslawaai geen rol en is onderzoek daarnaar niet benodigd. In dit kader heeft KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7. De resultaten zijn hieronder samengevat. Op grond van de uiterste bouwgrens uit de verbeelding van het bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat het verkeer op de Rijksweg A29 en de Achterzeedijk een geluidsbelasting veroorzaakt boven de voorkeurgrenswaarde.
Op deze bouwgrens binnen de bestemming Gemengd van Erf 1 veroorzaakt het verkeer op de Achterzeedijk een geluidsbelasting van maximaal 56 dB. Het is niet aannemelijk dat op deze korte afstand van de weg (zorg)woningen worden gebouwd. Op grond van een recent inrichtingsplan, waarin de woningen op een realistische plaats zijn gesitueerd, blijft de geluidsbelasting van de Rijksweg A29 en de Achterzeedijk op de nieuwe (zorg)woningen beperkt tot maximaal 53 dB. Het verkeer op de overige beschouwde wegen leidt niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. In dit onderzoek zijn enkele geluidsreducerende maatregelen beschouwd. Een scherm van 3,5 m hoog en 522 m lang lans de A29 leidt er toe dat de voorkeursgrenswaarde niet meer wordt overschreden. Omdat een dergelijk scherm vanuit financieel oogpunt niet doelmatig is en niet voldoet aan de minimale eis van 5 dB voor de geluidsreductie is deze geluidsreducerende maatregel niet doelmatig. Voor het verkeer op de Achterzeedijk is het effect beoordeeld van in totaal 240 m stil wegdek (dunne geluidsreducerende deklaag type A) ter hoogte van Erf 1 en Erf 5. De geluidsbelasting op de (zorg)woningen binnen Erf 1 voldoet in deze situatie aan de voorkeursgrenswaarde en de geluidsbelasting binnen Erf 5 wordt gereduceerd van 53 naar 51 dB. Verder blijkt uit dit onderzoek dat deze maatregelen financieel doelmatig is.
Op basis van een integrale afweging, waarin ook beheer- en onderhoudsaspecten een rol zullen spelen, moet worden beoordeeld of deze maatregel wordt uitgevoerd. Deze beoordeling kan in het (ontwerp)besluit tot vaststelling van hogere waarden plaatsvinden. Het verkeer op de nieuwe erftoegangswegen, die vanuit de nieuwe erven aantakken op de Achterzeedijk, veroorzaakt bij de bestaande woningen geen geluidsbelasting die de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. De maximaal berekende cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 56 dB ter plaatse van de (zorg)woningen binnen Erf 1 en 58 dB binnen Erf 5 op basis van het inrichtingsplan. Dit is lager dan de plandrempel van 63 dB die in het gemeentelijke geluidbeleid is geformuleerd. Door de planontwikkeling neemt het aantal gehinderden en ernstig gehinderden met respectievelijk 6 en 2 toe. Het percentage Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
47
gehinderden en ernstig gehinderden van de toekomstige bewoners bedraagt 0,9% en 0,3% en is veel lager dan het gemiddelde in Barendrecht. Omdat de geluidsbelasting Lnight lager is dan 50 dB is geen sprake van een significante slaapverstoring. Uit het onderzoek volgt ook dat een hogere waarde moet worden vastgesteld. Deze hogere waarde bedraagt voor de Rijksweg A29 en de Achterzeedijk maximaal 53 dB. Voor deze wegen is in totaal voor respectievelijk 55 en 12 (zorg)woningen een hogere waarde noodzakelijk. De hogere waarde procedure start door gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan een ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde ter inzage te leggen. 7.4.3 Conclusie Omdat voor het verkeer op de Rijksweg A29 en de Achterzeedijk een hogere waarde moet worden vastgesteld moet een ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde terinzage worden gelegd. Deze terinzagelegging zal gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan plaatsvinden. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
48
• •
de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering wordt toegepast.
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling met maximaal 290 woningen valt ruim binnen de NIBM-regeling, en is daarom aan te merken als een ontwikkeling die ‘NIBM’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit is hierdoor niet benodigd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2023 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK-monitoringstool. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,1, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. Nader onderzoek is niet benodigd.
Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
49
Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2023 (CIMLK).
7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Gezien de toekomstige invulling van de erven kan het plangebied worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’. 7.6.2 Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende functies gelegen die een richtafstand kennen: Bestemmingsplan ‘Zuidpolder fase 2’ Toelichting Vaststelling
50
• •
•
Ten oosten van het gebied bevindt zich een begraafplaats. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ten westen van het gebied bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De afstand tot de rioolwaterzuiveringsinstallatie bedraagt circa 260 meter, waardoor aan de richtafstand van 100 meter wordt voldaan. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een kleinschalig bedrijventerrein. Hier zijn bedrijven toegestaan van milieucategorie 1 en 2, wat in een rustige woonwijk een richtafstand met zich meebrengt van 30 meter. Hier wordt aan voldaan. Daarnaast zijn er direct naast het bedrijventerrein al woonbestemmingen aanwezig, welke maatgevend zijn voor een goed woon- en leefklimaat.